id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.403 Rolnummer: A. 103157/IX-2787 Zaak: Arrest 178403 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 08/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-18 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 07:28 Fiche Arrest nr 178.403 van 8 januari 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.403 van 8 januari 2008 in de zaak A. 103.157/IX-
- In zake : Eddy JANSEN, wonende te SCHOTEN, Ridder Karel van Praetstraat 27 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eddy JANSEN op 9 april 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 31 januari 2001 van de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen van het ministerie van Middenstand, in zoverre daarbij zijn aanvraag tot vrijstelling van de driemaandelijkse bijdragen voor de periode 4/1996 tot 4/1997 niet ingewilligd wordt; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 20 februari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 november 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-2787-1/5 Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- Met een op 29 december 1997 gedateerd “Inlichtingsformulier A- 1” dient verzoeker bij zijn sociale verzekeringskas een aanvraag tot vrijstelling van sociale bijdragen in. De vrijstelling wordt gevraagd voor het tweede tot het vierde kwartaal 1996 en voor de vier kwartalen
- De aanvraag bevat volgende verantwoording : “De volledige inkomsten van de heer Jansen kwamen uit de vennootschap NV Jansen die sinds 8/10/97 in faling is. Dus op dit moment heeft de heer Jansen geen inkomsten meer. Zijn vrouw is wel zelfstandig, maar die inkomsten zijn momenteel absoluut niet voldoende om het gezin te onderhouden. Mr. Jansen heeft in het verleden wel hoge inkomsten gehad maar deze zijn allemaal opgebruikt. Er staan nog een aantal hoge schulden te wachten aangezien de heer Jansen bepaalde borgen ondertekend heeft voor de NV Jansen. Het is dus voor hem absoluut onmogelijk om de bijdragen sociale zekerheid te betalen.” 1.
- Op 31 januari 2001 neemt de Commissie voor de Vrijstelling van Bijdragen, opgericht bij het ministerie van Middenstand (hierna: de Commissie) een beslissing over de aanvraag van verzoeker. Besloten wordt enerzijds dat de aanvraag niet ontvankelijk is voor de bijdragen van het tweede en derde kwartaal 1996, omdat de aanvraag ingediend is buiten de termijn gesteld in artikel 88, § 2, 2/, a), van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 en anderzijds dat de aanvraag tot vrijstelling geweigerd wordt voor de bijdragen van het vierde kwartaal 1996 tot en met het vierde kwartaal
- Deze weigering wordt in de motivering als volgt verantwoord : “Aangezien uit de stukken van het dossier niet blijkt dat de betrokkene zich bevindt in een staat van behoefte of in een toestand die de staat van behoefte benadert; Gelet op de stopzetting van de activiteit op 8/10/1997; Gehoord de advocaat in zijn uiteenzetting” IX-2787-2/5 Laatstvermeld onderdeel van het besluit vormt het voorwerp van het onderhavig beroep. De grond van de zaak
- In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van de motiveringsplicht, vervat in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Volgens hem is de in het bestreden besluit vermelde motivering dat hij zich niet bevindt in een staat van behoefte of in een toestand die de behoefte benadert, niet afdoende en draagkrachtig, aangezien zij hem niet in staat stelt uit te maken of het zin heeft zich met de middelen die het recht hem verschaft tegen die motieven te verzetten.
- De verwerende partij antwoordt dat het bestreden besluit verwijst naar de feitelijke gegevens die de Commissie in overweging genomen heeft. Er bestaan geen algemeen geldende en duidelijk afgebakende criteria om de staat van behoefte te beoordelen en de Commissie heeft, door te verwijzen naar “de stukken van het dossier” willen aangeven dat zij rekening gehouden heeft met alle elementen die haar bekend waren en die in het dossier terug te vinden waren. Een meer concrete motivering -het vermelden van bepaalde gegevens- zou in die omstandig- heden onvermijdelijk onvolledig en niet accuraat geweest zijn en een vertekend beeld gegeven hebben van de globale toestand van verzoeker.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de bestreden beslissing een stereotiepe motivering bevat. De Commissie geeft in haar memorie van antwoord toe dat zij over geen afgelijnde beoordelingscriteria beschikt om de staat van behoefte te beoordelen. Zij vermeldt daar wel een aantal beoorde- lingscriteria die haar tot een “globale beoordeling” brengen, maar de bestreden beslissing bevat geen antwoord op een aantal argumenten die hij aan de Commissie voorgelegd had in verband met zijn inkomsten, zijn gezinstoestand en zijn financiële lasten.
- De bestreden beslissing valt onder toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Dit betekent dat het bestuur de verplichting heeft om in het besluit zelf uiteen te IX-2787-3/5 zetten welke de juridische en feitelijke elementen zijn die het tot de bestreden beslissing gebracht hebben. Dit impliceert niet dat het besluit zelf een expliciet antwoord moet bevatten op alle argumenten die de betrokkene heeft aangebracht, maar wel dat de betrokkene in de motivering de precieze redenen moet kunnen lezen waarom zijn aanvraag verworpen wordt.
- Artikel 17, eerste lid, van het koninklijk besluit nr 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, bepaalt dat de zelfstandigen die zich in een staat van behoefte bevinden of in een toestand die de staat van behoefte benadert, bij de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen een aanvraag kunnen indienen om volledig of gedeeltelijk vrijgesteld te worden van de verschuldigde bedragen. Verzoeker heeft overeenkomstig de geldende voorschriften een aanvraag tot vrijstelling ingediend voor de bijdragen van het vierde kwartaal 1996 en het gehele jaar
- De Commissie heeft die aanvraag verworpen op grond dat “uit de stukken van het dossier niet blijkt dat de betrokkene zich bevindt in een staat van behoefte of in een toestand die de staat van behoefte benadert”.
- Dergelijke motivering is stereotiep. Verzoeker kan op grond daarvan niet uitmaken waarom de Commissie van oordeel is dat hij niet in een staat van behoefte of van bijna-behoefte verkeert. De mogelijkheid waarover de verwerende partij beschikt om de aanvraag af te wijzen op grond van een zogenaamde globale beoordeling van het dossier, dit wil zeggen een beoordeling waarin geen element echt doorslaggevend wordt geacht, laat haar niet toe de concrete gegevens van het dossier onbesproken te laten en de zaak met een nietszeggende motivering af te doen.
- De verwerende partij verwijst in haar memorie van antwoord naar een aantal elementen die zij in overweging neemt om de staat van behoefte te beoordelen en betoogt dat zij “telkens het respectief belang van de diverse in haar bezit zijnde gegevens moet inschatten en afwegen”. Die stelling is correct, maar het maken van die overwegingen volstaat niet. Krachtens de formele motivering- verplichting moet in het eindbesluit zelf vermeld worden om welke gegevens het gaat en hoe zij elkaar versterken of neutraliseren. IX-2787-4/5
- Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 31 januari 2001 van de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen van het ministerie van Middenstand, in zoverre daarbij de aanvraag van Eddy JANSEN tot vrijstelling van de driemaan- delijkse bijdragen voor de periode 4/1996 tot 4/1997 niet ingewilligd wordt Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 8 januari 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-2787-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.403 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.