← België

Arrest 178404 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 08/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.404 Rolnummer: A. 177061/IX-5435 Zaak: Arrest 178404 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 08/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-18 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 07:28 Fiche Arrest nr 178.404 van 8 januari 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.404 van 8 januari 2008 in de zaak A. 177.061/IX-

  1. In zake :
  2. Eric DE KINDER,
  3. Georges PLANCKE,
  4. Annie MOULIN,
  5. Roland BAMPS, die woonplaats kiezen bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CARÊME, kantoor houdende te HEVERLEE, Industrieweg 4 bus
  6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eric DE KINDER, Georges PLANCKE, Annie MOULIN en Roland BAMPS op 22 september 2006 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de oproep tot kandidaatstelling voor het mandaat van directeur van de directie van de juridische dienst, de statuten en het contentieux bij de federale politie. Gelet op het arrest nr. 167.191 van 29 januari 2007 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit in hoofde van de eerste twee verzoekers wordt bevolen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 15 februari 2007 door de verwerende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; IX-5435-1/13 Gelet op de beschikking van 18 juni 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 14 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 oktober 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. LACHAERT die, loco advocaat A. LUST verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat H.-K. CARÊME die, loco advocaat P. LUYPAERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
  7. De zaak moet beoordeeld worden met inachtneming van de volgende reglementering : 1.1.
  8. Luidens artikel XII.VII.27bis RPPol, ingevoegd bij artikel 33 van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiedien- sten (hierna : de wet van 3 juli 2005), kunnen de actuele personeelsleden bedoeld in tabel D1, derde kolom, punt 3.26, van bijlage 11, -onder meer de personeelsleden die, zoals de verzoekers, vóór de politiehervorming de graad van gerechtelijk afdelingscommissaris 1C bij de vroegere gerechtelijke politie hadden- meedingen voor de mandaatbetrekkingen zoals bedoeld in artikel VII.III.3 RPPol. IX-5435-2/13 1.1.
  9. Artikel VII.III.3 RPPol bepaalt in zijn eerste lid, 6/, dat het ambt van directeur bij een algemene directie van de federale politie bij mandaat wordt toegewezen. Ook artikel 66 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten (hierna: de wet van 26 april 2002), zoals vervangen bij artikel 33 van de wet van 20 juni 2006 tot wijziging van bepaalde teksten betreffende de geïntegreerde politie (hierna : de wet van 20 juni 2006), bepaalt in zijn eerste lid, 6/, dat het ambt van directeur binnen een algemene directie van de federale politie bij mandaat wordt toegewezen. Luidens artikel VII.III.4 RPPol zijn er zes categorieën van mandaten, en behoort het mandaat van directeur van de federale politie tot categorie
  10. Ook artikel 67 van de wet van 26 april 2002 bepaalt dat er zes categorieën van mandaten zijn, en dat het mandaat van directeur van de federale politie tot categorie 3 behoort. 1.1.
  11. Artikel VII.III.20, eerste lid, RPPol, gewijzigd bij koninklijk besluit van 16 april 2002, dat deel uitmaakt van een onderafdeling 1 “Algemene aanwijzingsvoorwaarden”, bepaalt : “Voor de aanwijzing voor een mandaat komt uitsluitend in aanmerking het personeelslid dat : 1/ met één van de graden bekleed is en, in voorkomend geval, houder is van een brevet of voldoet aan de vereiste inzake leeftijd, die als toekennings- voorwaarden voor het vacante mandaat gelden; 2/ geen evaluatie met eindvermelding ‘onvoldoende’ zoals bedoeld in artikel VII.I.10 geniet; 3/ zich bevindt in een administratieve stand waar het zijn aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden; 4/ geen zware tuchtstraf in de zin van artikel 5 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten heeft opgelopen die niet is uitgewist; 5/ de leeftijd van zestig jaar niet heeft bereikt; 6/ ten minste drie jaar houder is van zijn mandaat indien het, met uitzondering van de ambten bedoeld in artikel VII.III.3, eerste lid, 7/ en 9/ reeds een mandaat uitoefent”. Artikel 71, eerste lid, van de wet van 26 april 2002, gewijzigd bij de wet van 20 juni 2006 bepaalt : “Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 66, komt uitsluitend in aanmerking voor de aanwijzing voor een mandaat het personeelslid dat : 1/ met één van de graden bekleed is en, in voorkomend geval, houder is van een brevet of voldoet aan de vereiste inzake leeftijd en anciënniteit, die als toekenningsvoorwaarden voor het vacante mandaat gelden; IX-5435-3/13 2/ geen evaluatie met eindvermelding ‘onvoldoende’ heeft; 3/ zich bevindt in een administratieve stand waar het zijn aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden; 4/ geen zware tuchtstraf heeft opgelopen die nog niet is uitgewist; 5/ de leeftijd van zestig jaar niet heeft bereikt.” 1.1.
  12. Artikel VII.III.8 RPPol bepaalt : “Voor alle in artikel VII.III.3 bepaalde mandaten worden een functiebe- schrijving en de daaruit voortvloeiende profielvereisten opgesteld. De functiebeschrijving van een bepaald bij mandaat te begeven ambt en de daaruit voortvloeiende profielvereisten kunnen, in voorkomend geval, verschillen naar gelang van de concrete aard en de omvang van het ambt en de concrete plaats waar het ambt wordt uitgeoefend.” Artikel 68 van de wet van 26 april 2002 bepaalt : “Voor alle in artikel 66 bepaalde mandaten worden een functiebeschrijving en de daaruit voortvloeiende profielvereisten opgesteld door de door de Koning aangewezen overheid.” 1.1.
  13. Luidens artikel VII.III.14 RPPol, zoals vervangen bij koninklijk besluit van 16 april 2002, bepaalt de commissaris-generaal de functiebeschrijving en de daaruit voortvloeiende profielvereisten van het in artikel VII.III.3, eerste lid, 6/, bedoelde ambt, op advies van de directeur-generaal die het hiërarchisch gezag uitoefent over de betrokken directie. 1.1.
  14. Artikel VII.III.30 RPPol, dat deel uitmaakt van een onderaf- deling 2 “Specifieke aanwijzingsvoorwaarden”, bepaalt : “Kan, met uitsluiting van de in de artikelen VII.III.21 en VII.III.22 bepaalde mandaten, voor een mandaat van categorie 3 worden aangewezen, het personeelslid dat : 1/ titularis is van de graad van hoofdcommissaris van politie; 2/ beantwoordt aan de profielvereisten van het bij mandaat te begeven ambt; 3/ geschikt is bevonden door de voor de selectie van het bij mandaat te begeven ambt bevoegde selectiecommissie.” 1.
  15. De concrete gegevens van de zaak dienen zich aan als volgt : 1.2.
  16. De verzoekers zijn commissaris van politie eerste klasse, bedoeld in : - punt 1.
  17. van tabel D1 van bijlage 11 RPPol, ingevoegd bij artikel 11, 1/, van de wet van 3 juli 2005; IX-5435-4/13 - artikel 135bis van de wet van 26 april 2002, ingevoegd bij artikel 44 van de wet van 3 juli 2005, luidens hetwelk de in punt 1.3 van tabel D1 van bijlage 11 RPPol bedoelde commissarissen van politie eerste klasse in hiërarchische orde worden gerangschikt tussen de commissarissen van politie en de hoofdcommis- sarissen van politie. 1.2.
  18. Bij ministerieel besluit nr. 272 van 5 september 2001 wordt hoofdcommissaris-jurist De Mesmaeker met ingang van 1 juli 2001 en met toepassing van de artikelen VI.II.77 tot en met VI.II.83 RPPol aangesteld in het hoger ambt van directeur van de directie van de juridische dienst, het contentieux en de statuten van de federale politie. 1.2.
  19. Met een nota van 17 juli 2006 vraagt hoofdcommissaris-jurist De Mesmaeker zijn ambt van directeur van de directie van de juridische dienst, het contentieux en de statuten van de federale politie, vacant te verklaren en het aldus in competitie te stellen. 1.2.
  20. Naar aanleiding van die nota, richt de directeur-generaal Personeel van de federale politie op 19 juli 2006 een nota aan de commissaris-generaal van de federale politie, waarin hij vraagt hem die vacantverklaring op te dragen en het bijgevoegde voorstel van functiebeschrijving en profielvereisten goed te keuren. 1.2.
  21. Nog dezelfde dag brengt de commissaris-generaal op die nota de handgeschreven vermelding aan dat hij akkoord gaat, op voorwaarde dat de wet tot wijziging van bepaalde teksten betreffende de geïntegreerde politie van kracht is en dat hetzelfde gebeurt voor de directie mobiliteit en loopbaanbeheer (DPM). Met een nota van 20 juli 2006 deelt de directeur-generaal Personeel aan de commissaris-generaal mee dat de wet tot wijziging van bepaalde teksten betreffende de geïntegreerde politie zal worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 juli 2006, dat de respectieve oproepen na die datum zullen geschieden, en dat het desbetreffend profiel voor het ambt bij DPM voor goedkeuring zal worden voorgelegd. 1.2.
  22. Met een door de directeur-generaal Personeel ondertekende nota van 27 juli 2006, waarin onder meer verwezen wordt naar de artikelen 65 tot en met 73 van de wet van 26 april 2002 en naar de artikelen VII.III.1 tot en met VII.III.85 RPPol, wordt een oproep tot kandidaatstelling gedaan voor het mandaat van IX-5435-5/13 directeur van de directie van de juridische dienst, de statuten en het contentieux (mandaat categorie 3). Deze oproep wordt onder het personeel verspreid. Onder de punten 3 (“Algemene functieomschrijving”), 4 (“Profielvereisten”) en 5 (“Algemene voorwaarden”) wordt gesteld : “
  23. Algemene functieomschrijving Zie art.149octies, tweede lid, 1/, WGP -art. 11,7/, KB 03-09-2000- art. 4 en 12 t.e.m. 18 MB 07-09-2001 en omzendbrief GPI
  24. De directeur in kwestie : - staat in voor een goede voorbereiding en de correcte toepassing van de statuten van de personeelsleden van de geïntegreerde politie; - levert in die context de nodige steun in het raam van de strategische besluitvorming; - organiseert de behartiging van het pré-contentieux en het contentieux voor de administratieve en burgerlijke rechtbanken; - ziet toe op een accurate juridische adviesverstrekking m.b.t. aspecten van operaties van bestuurlijke dan wel gerechtelijke politie; - ziet toe op een adequate toepassing van de rechtsbeschermingsregels ten behoeve van de personeelsleden van de federale politie; - avaleert de Kanselarij-werkzaamheden m.b.t. de wettelijke en reglementaire teksten inzake politiezaken. Daartoe - ontwikkelt hij de nodige synergieën met andere diensten (VCLP, FOD Bin Z, AIG, Lok Pol, ...); - levert hij een permanente en intensieve ondersteuning in het raam van de syndicale onderhandelings- en overlegstructuren; - geeft hij gepast vorm aan de statutaire kennisoverdracht binnen de geïnte- greerde politie; - draagt hij zorg voor een constante actualisering van de juridische kennis van zijn personeelsleden in zeer verscheiden domeinen; - is hijzelf in het bijzonder het statutair overgangsrecht meester; - treedt hij veelvuldig in contact met de andere directies van voornamelijk DGP en DGM; - staat hij in voor het dagelijks beheer van de directie.
  25. Profielvereisten A Algemene Kennis - Grondige kennis van de wettelijke bepalingen m.b.t. het politiewezen. - Grondige kennis van de organisatie, de structuren en de verschillende bevoegdheden van de twee niveaus van de geïntegreerde politiedienst. - Grondige kennis van de statuten van het politiepersoneel. - Houder zijn van een licentiaatsdiploma in de Rechten. - Zeer goede kennis van het Nederlands en Frans en noties van het Duits hebben. B. Vaardigheden - Bekwaamheid tot onderhandelen en samenwerken. In het raam van het sociaal overleg, de specificiteiten van de twee niveaus van de geïntegreerde politie alsmede van de andere betrokken overlegpartners onderkennen. - De bekwaamheid om, met de ter beschikking gestelde middelen, de bij wet bepaalde en door overheden opgelegde opdrachten uit te voeren. - De bekwaamheid tot plannen van de werkzaamheden van de dienst : prioriteiten kunnen bepalen en aangeven welke acties nodig zijn om de gestelde doelen op korte en lange termijn te realiseren. IX-5435-6/13 - Medewerkers kunnen aansturen, ontwikkelen en motiveren zodat ze hun doelstellingen en die van de organisatie op een correcte manier kunnen realiseren, zowel individueel als in teamverband. - Betrokkenheid kunnen creëren en de eigenwaarde van de medewerkers verhogen door taken en verantwoordelijkheden door te geven, rekening houdend met de interesse, ambitie, ontwikkelingsplan en competentie van medewerkers, en de gedelegeerde taken opvolgen. - Besluitvaardig zijn : zich eenduidig kunnen uitspreken en zelfstandig beslissingen kunnen nemen zonder problemen voor zich uit of in de schoenen van anderen te schuiven. - De bekwaamheid om zich mondeling uit te drukken op een vlotte en gestructureerde manier, alsook over zeer goede redactionele eigenschappen beschikken en hierbij getuigen van analyse- en synthesegeest. - Leidinggevende vaardigheden. - Legistiek onderlegd zijn. - Conceptueel inzicht hebben naast technische vaardigheden. - Pragmatisme met orthodoxie kunnen verzoenen. C. Attitudes - Zich inschrijven in de filosofie van de geïntegreerde werking van de politie- organisatie en permanent aandacht hebben voor de kritieke succesfactoren. - Voortdurend verbeteren van het eigen functioneren en van de werking van de organisatie, door bereid te zijn om te leren en mee te groeien met veranderingen. - Vanuit een ingesteldheid van pro-actieve dienstverlening, aankomende uitdagingen, probleemstellingen of tendensen detecteren en erop anticiperen. - Permanent streven naar partnerschap en oog hebben voor klantgerichtheid en klantentevredenheid. - Openstaan voor discussies, rekening kunnen houden met kritische, op- bouwende standpunten van anderen en bereid zijn om zijn eigen mening te herzien. - Openstaan voor de problemen van alle interne en externe partners. - Initiatieven durven nemen. D. Persoonlijke eigenschappen - Stressbestendig zijn : bekwaam zijn om onder druk te werken. - Over een grote integriteit beschikken : respect voor anderen, favoritisme noch discriminatie. - Een hoge frustratietolerantie en een hoog incasseringsvermogen hebben. - Discretie en loyauteit hoog in het vaandel dragen. - Een creatieve geest hebben. - Een grote beschikbaarheid aan de dag leggen.
  26. Algemene voorwaarden De aanwijzing gebeurt uitsluitend op vrijwillige basis. Voor de aanwijzing voor een mandaat komt uitsluitend in aanmerking het personeelslid dat : - deel uitmaakt van het operationeel kader en bekleed is met de graad van hoofdcommissaris van politie of commissaris van politie eerste klasse of houder is van het directiebrevet; - beantwoordt aan de profielvereisten bedoeld in punt 4 supra; - naar aanleiding van de kandidaatstelling geen advies met de eindvermelding onvoldoende heeft verkregen zoals bedoeld in artikel XII.VII.2 RPPol; - zich bevindt in een administratieve stand waar het zijn aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden; - geen niet-uitgewiste zware tuchtstraf heeft opgelopen; - de leeftijd van zestig jaar niet heeft bereikt; IX-5435-7/13 - ten minste drie jaar houder is van zijn mandaat indien het, met uitzondering van de ambten van adjunct-directeur-generaal en adjunct-inspecteur generaal, reeds een mandaat uitoefent. Deze voorwaarden moeten vervuld zijn op de ultieme datum van de indiening van de kandidaatstelling.” 1.2.
  27. Blijkens de oproep -punt 9- moeten de kandidaturen ingediend worden uiterlijk op 2 september
  28. Geen van de verzoekers blijkt zich kandidaat te hebben gesteld. Het voorwerp van het beroep
  29. Ambtshalve wordt vastgesteld dat het beroep gericht is tegen de in de oproep tot de kandidaten opgenomen beslissing van 19 juli 2006 van de commissaris-generaal van de federale politie waarbij het bezit van het diploma van licentiaat in de rechten als een profielvereiste wordt vastgesteld voor de aanwijzing in het mandaat van directeur van de directie van de Juridische Dienst, de Statuten en het Contentieux. De ontvankelijkheid
  30. De derde en vierde verzoeker, beiden Franstalige politieambte- naren, hebben een Nederlandstalig verzoekschrift ingediend. Overeenkomstig artikel 65 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is het verzoekschrift, wat hen betreft, nietig.
  31. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat uit de stukken die zij met haar memorie van antwoord bij het dossier gevoegd heeft, blijkt dat in de personeelsformatie bepaald is dat de directeur van de juridische dienst jurist moet zijn en dat, aangenomen dat de desbetreffende diplomavoorwaarde in het administratief statuut van het personeel -het RPPol- opgenomen moet worden, zij bij de wijziging van het administratief statuut niet anders zal kunnen dan die bijkomende voorwaarde daarin inschrijven zodat verzoekers hoe dan ook niet voor een aanwijzing in aanmerking zullen kunnen komen.
  32. De door de verwerende partij overgelegde stukken betreffen vooreerst een uittreksel uit een “personeelsformatie 2” een stuk dat niet gedagtekend noch ondertekend is en waarop voor de directie DPS (eenheid 3050) en de functie IX-5435-8/13 met code 201206243 één “hoofdcommissaris Directeur Jurist” vermeld is. Voorts betreft het een kopie van de notulen van de vergadering van 18 januari 2006 van het Hoog Overlegcomité 54 waarbij het overleg met betrekking tot de organisatietabel- len -de “OT 2”- wordt afgesloten, een kopie van de brief van 11 januari 2006 waarbij de minister van Justitie haar akkoord betuigt met de “organisatietabel van 7 december 2005” en een kopie van de brief van 20 januari 2006 van de minister van Binnenlandse Zaken aan de commissaris-generaal waarbij medegedeeld wordt dat de minister van Justitie “het ontwerp van nieuwe personeelsformatie” goedgekeurd heeft. De verwerende partij zet niet uiteen van welke uitvoerbare beslissing het door haar voorgelegde uittreksel uit een “personeelsformatie 2” deel uitmaakt. Zij toont ook niet aan dat de beslissing, waarvan dat uittreksel een onderdeel is, regelmatig tot stand gekomen en uitvoerbaar is. De overgelegde stukken kunnen dan ook niet in aanmerking worden genomen als feitelijke grondslag voor de aangevoerde exceptie.
  33. Na een eventuele vernietiging van de bestreden bepaling zal de verwerende partij niet zonder meer de procedure voor de aanwijzing van de directeur van de directie van de juridische dienst, de statuten en het contentieux kunnen voortzetten, maar zal zij minstens een nieuwe oproep tot de kandidaten moeten richten. De voorwaarde van het bezit van het diploma van licentiaat in de rechten kan immers bepaalde politieambtenaren die -zoals de verzoekers- dat diploma niet bezitten, verhinderd hebben hun kandidatuur in te dienen. Aldus bezien geven de verzoekers er blijk van over het wettelijk vereiste belang te beschikken. De grond van de zaak
  34. Verzoekers voeren in een enig middel, eerste onderdeel, de schending aan van de artikelen 68 en 71 van de wet van 26 april 2002 en van artikel 33 van de wet van 3 juli
  35. De commissaris-generaal stelt in de bestreden beslissing -rubriek “4, Profielvereisten”, punt “A. Algemene kennis”- dat de kandidaat een licentiaatsdiploma in de rechten moet bezitten en dat -rubriek “5: Algemene Voorwaarden”- “voor de aanwijzing voor een mandaat uitsluitend in aanmerking komt het personeelslid dat (...) beantwoordt aan de profielvereisten bedoeld in punt 4”, maar het RPPol -evenals de wet van 26 april 2002- maakt een onderscheid tussen de “voorwaarden voor de aanwijzing voor een mandaat” (bepalingen opgenomen in Titel III, hoofdstuk II, afdeling 1 RPPol, inzonderheid de IX-5435-9/13 artikelen VII.III.20 en VII.III.30) en de “functiebeschrijving en profiel” (bepalingen opgenomen in Titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, RPPol, inzonderheid artikel VII.III.8). Alle aanwijzingsvoorwaarden zijn aldus opgenomen in de voormelde afdeling 1 van hoofdstuk II van het RPPol en de verwerende partij heeft een bepaling aan de wet toegevoegd door het bezit van een licentiaatsdiploma in de rechten langs het profiel om als een aanwijzingsvoorwaarde naar voren te schuiven. Op die wijze wordt evenwel de wettelijke bepaling dat zij nu ook in aanmerking kunnen komen voor een mandaat -artikel 33 van de wet van 3 juli 2005 biedt hen die mogelijkheid- “een dode mus”, terwijl de wetgever met dat artikel 33 precies wenste tegemoet te komen aan een door het Arbitragehof vastgestelde discriminatie. Het bezit van een licentiaatsdiploma had in het profiel wel “als een (vereiste) meerwaar- de” vermeld mogen worden, maar het had -voor hen- nooit een aanwijzingsvoor- waarde mogen zijn.
  36. De verwerende partij antwoordt dat volgens artikel VII.III.30 RPPol een personeelslid dat “beantwoordt aan de profielvereisten van het bij mandaat te begeven ambt” voor een mandaat kan worden aangewezen. Dat betekent dat als specifieke voorwaarde voor de aanwijzing in een mandaat kan worden vereist dat de kandidaat aan de profielvereisten voldoet, zonder dat daarmee een aanwij- zingsvoorwaarde wordt ingevoerd. De profielvereisten worden krachtens artikel VII.III.14 RPPol door de commissaris-generaal vastgesteld en die bepaling is door de wetgever bekrachtigd, zodat er geen sprake kan zijn van een voorwaarde die contra legem of supra legem vastgesteld is. De commissaris-generaal heeft bij het vaststellen van de profielvereisten -toepassing makend van artikel VII.III.8 RPPol- rekening gehouden met de bijzondere aard van de functie. Hij moest te dien aanzien zelfs rekening houden met de geldende personeelsformatie -een reglementair besluit dat aan het overleg met de vakbonden onderworpen werd-, waaruit blijkt dat de directeur van de juridische dienst een hoofdcommissaris-jurist moet zijn. Het is overigens niet kennelijk onredelijk om een juridische dienst, waar 23 juristen werken, te laten leiden door een persoon die het diploma van licentiaat in de rechten bezit.
  37. Verzoekers repliceren dat de verwerende partij ten onrechte verwijst naar een bepaling van haar goedgekeurde personeelsformatie. Zij betwisten de juridische waarde van de stukken die de verwerende partij te dien aanzien overlegt. Zij betogen voorts dat een minister niet bevoegd is om met een andere minister afspraken te maken over de personeelsformatie en dat hij, gelet op artikel 106 van de wet van 7 december 1998, ook niet vermag, naar aanleiding van het IX-5435-10/13 opstellen van dergelijke personeelsformatie, aanwijzingsvoorwaarden in te voeren die niet in de wet vermeld zijn.
  38. Met de bestreden bepaling in de profielvereisten, heeft de commissaris-generaal de aanstelling in het mandaat van directeur van de juridische dienst voorbehouden aan een kandidaat die houder is van het diploma van licentiaat in de rechten. Artikel VII.III.8 RPPol, dat op een meer algemene wijze overgenomen is in artikel 68 van de wet van 26 april 2002, laat de commissaris-generaal toe om, bij de vaststelling van de profielvereisten waaraan de kandidaten voor een bepaald ambt getoetst zullen worden, concrete en op de specifieke aard van het te begeven ambt afgestemde voorwaarden op te nemen. Die bepaling laat de commissaris- generaal evenwel niet toe benoemingsvoorwaarden -bij de aanduiding voor een mandaat aanwijzingsvoorwaarden genoemd- vast te stellen. Immers overeenkomstig artikel 121 van de wet van 7 december 1998, wordt het administratief statuut van het politiepersoneel door de Koning vastgesteld. Het vaststellen van benoemingsvoor- waarden vormt een onderdeel van het administratief statuut en noch de wet, noch het RPPol verlenen de commissaris-generaal de bevoegdheid om, ook niet voor bepaalde specifieke betrekkingen, bijkomende benoemingsvoorwaarden vast te stellen.
  39. Met de verwerende partij kan wel aangenomen worden dat een directeur van de juridische dienst juridisch geschoold moet zijn en dat zij de kandidaturen mede in functie van die voorwaarde mag beoordelen, maar zulks betekent niet dat de commissaris-generaal bij de vaststelling van de profielvereisten -waaraan alle kandidaturen die aan de benoemingsvoorwaarden voldoen getoetst zullen worden- zelf criteria mag vaststellen die een aantal kandidaten zonder meer van die toetsing uitsluit. Dergelijke criteria komen neer op het invoeren van een bijkomende benoemingsvoorwaarde. De exclusieve voorwaarde van het bezit van het diploma van licentiaat in de rechten vormt een zodanige bijkomende aan- wijzingsvoorwaarde, en de bestreden bepaling kadert dan ook niet in de bevoegd- heden die artikel VII.III.8 RPPol aan de commissaris-generaal toegekend heeft.
  40. Voorts kan ook vastgesteld worden dat de verplichting om profielvereisten op te stellen kadert in de objectivering van de benoemingsprocedu- res. Immers, deze profielvereisten verlenen de kandidaten, die voldoen aan de benoemingsvoorwaarden, een inzicht in de criteria die het bestuur zal hanteren bij de beoordeling van de kandidaturen en zij vormen voor het bestuur zelf een leidraad bij het vergelijken van de kandidaten die de benoemingsvoorwaarden vervullen. Het IX-5435-11/13 bestuur kan de verplichting om profielvereisten op te stellen niet aangrijpen als een tweede kans om, weze het voor een specifieke betrekking, nieuwe benoemingsvoor- waarden vast te stellen. De bestreden diplomavoorwaarde heeft derhalve geen plaats binnen de profielvereisten.
  41. De commissaris-generaal kon voor het uitvaardigen van de bestreden bepaling geen rechtsgrond vinden in de artikelen VII.III.8 en VII.III.14 van het RPPol. De bestreden diplomavereiste betreft, doordat zij de kandidaten die er niet aan voldoen absoluut uitsluit van de aanwijzing, een benoemingsvoorwaarde die slechts kan ingevoerd worden met een algemene regeling, die getroffen wordt overeenkomstig artikel 121 van de wet van 7 december
  42. De verwerende partij verwijst nog naar de door de minister van Justitie en de minister van Binnenlandse Zaken goedgekeurde “personeelsformatie voor de periode 2005-2010” waaruit zou blijken dat de directeur van de juridische dienst -zoals ook de adviseurs op die dienst- jurist moet zijn. Volgens haar heeft dergelijk besluit een reglementair karakter, is de commissaris-generaal verplicht daarmee rekening te houden en kon hij derhalve niet anders dan de betrokken voorwaarde in de profielvereisten vermelden.
  43. Bij de bespreking van de door de verwerende partij aangevoerde exceptie is gesteld dat de verwerende partij niet aantoont dat zij inderdaad met een uitvoerbare beslissing een personeelsformatie heeft ingesteld. Bij ontstentenis van degelijke beslissing hoeft de vraag of de verwerende partij regelmatig, bij het opstellen van een personeelsbehoeftenplan, specifieke benoemingsvoorwaarden kon vaststellen niet onderzocht te worden.
  44. Het onderdeel, zoals hiervóór uiteengezet, is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  45. Het beroep ingediend door de derde en vierde verzoekende partij wordt verworpen. IX-5435-12/13 Artikel
  46. Vernietigd wordt de beslissing van 19 juli 2006 van de commissaris-generaal van de federale politie waarbij het bezit van het diploma van licentiaat in de rechten als een profielvereiste voor de aanwijzing voor het mandaat van directeur van de directie van de Juridische Dienst, de Statuten en het Contentieux wordt vastgesteld. Artikel
  47. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring ingediend door de eerste en de tweede verzoeker, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, ingediend door de derde en vierde verzoeker, bepaald op 350 euro, komen te hunnen laste, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 8 januari 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-5435-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.404 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.191 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.