← België

Arrest 178405 - Varia (openbaar ambt) - 08/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.405 Rolnummer: A. 184331/IX-5700 Zaak: Arrest 178405 - Varia (openbaar ambt) - 08/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-14 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 07:28 Fiche Arrest nr 178.405 van 8 januari 2008 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.405 van 8 januari 2008 in de zaak A. 184.331/IX-

  1. In zake : XXX, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Pensioenen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXX op 12 juli 2007 heeft ingediend om nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 5 juni 2007 van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen waarbij zijn pensioenaanvraag verworpen wordt; Gelet op de beschikking van 18 juli 2007 waarbij het cassatiebe- roep toelaatbaar wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 13 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 december 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5700-1/10 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. MARTENS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van eerste attaché van Financiën J. HEEMERYCK, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten. 1.
  2. XXX, beroepsmilitair, vraagt op 7 oktober 1998 een vergoedings- pensioen aan voor “incontinentie voor flatus en waterige stoelgang” als gevolg van een medische ingreep op 16 augustus 1994 in het Militair Hospitaal Koningin Astrid te Brussel. 1.
  3. De commissie voor vergoedingspensioenen beslist op 13 februari 2002 dat de kwaal onder de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen valt, maar dat het percentage van de invaliditeit (8 pct) onvoldoende is om een pensioen toe te kennen. Ze overweegt onder meer “dat de expert-geneesheer van de Gerechtelijke-Geneeskundige Dienst in zijn verslagen (...), rekening houdend met de gegevens die door verzoeker aan het dossier werden toegevoegd, de aandoening aanrekenbaar stelt aan de door verzoeker ingeroepen oorzaak”. 1.
  4. Verzoeker tekent tegen deze beslissing op 3 april 2002 hoger beroep aan. 1.
  5. De kamer van beroep van de Gerechtelijk-Geneeskundige Dienst (GGDB) raamt de invaliditeit wegens “incontinentie voor flatus en waterige stoelgang” op 12 pct aanrekenbaar. Op 27 november 2006 oordeelt de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen dat volgende twee vragen moeten worden gesteld aan de GGDB : IX-5700-2/10 1) Zijn er fouten begaan tijdens de operatie in het militair hospitaal ? 2) Is er een oorzakelijke verband tussen de kwalen waarvoor betrokkene geopereerd werd en de militaire dienst ? De beroepskamer van de GGD antwoordt op 20 februari 2007 op de eerste vraag “ja, dit behoort niet tot de normale gevolgen van een routineonder- zoek of ingreep” en op de tweede vraag “neen”. 1.
  6. Op 5 juni 2007 neemt de commissie van beroep voor vergoedings- pensioenen (hierna : de commissie van beroep) de thans bestreden beslissing waarbij het beroep van verzoeker ontvankelijk wordt verklaard doch wordt verworpen. Deze beslissing wordt in het bijzonder verslag als volgt verantwoord : “Betrokkene leed aan hemorroïden en raadpleegt daarvoor de medische dienst van het leger. Er wordt door betrokkene geen verband tussen de kwaal en zijn dienst in het leger bewezen. De GGDB oordeelt ook dat de kwaal geen verband heeft met de dienst. Betrokkene mag, volgens eigen keuze, de militaire geneeskundige dienst of burgergeneesheren raadplegen. Er is geen dringende ingreep nodig ten gevolge van een voorval tijdens de dienst overkomen. De operatie in het militair ziekenhuis of in een burgerziekenhuis, na verwijzing door de medische dienst, zonder dat er andere elementen wijzen op een verband met de dienst is op zich geen schadelijk feit ontstaan gedurende de dienst en door het feit van de dienst zoals de samengeordende wetten voor- schrijven. Soms verwijst de medische dienst betrokkene door naar een militair hospitaal, als de nodige kennis en infrastructuur aanwezig is en bij gebrek hieraan kan een militair evengoed doorverwezen worden naar een burger- hospitaal. Het feit of men in een militair hospitaal of in een burgerhospitaal geopereerd wordt hangt louter af van de techniciteit van de ingreep en mag dus geen criterium zijn. Het recht op verzorging houdt niet in dat iedere operatie uitgevoerd, na doorverwijzing van de medische dienst, voor gelijke welke aandoening altijd recht geeft op een vergoedingspensioen. Uit het geheel der feitelijke elementen, verschillend van dossier tot dossier dient nagegaan te worden of het noodzakelijk vereist verband tussen de operatie en de dienst aanwezig is. Het feit of de kwaal die geopereerd wordt veroorzaakt wordt door de dienst is één element. Hoogdringende behandeling, geografische omstandigheden, gebrek aan keuzemogelijkheden zijn andere elementen die het verband tussen de operatie en de dienst kunnen bewijzen. Het feit dat de betrokkene een marsbevel had, is geen indicatie dat de operatie een verband heeft met de militaire dienst. Het geeft enkel aan dat men zich tijdens de dienst mag laten verzorgen voor (...) om het even welke kwaal. Alzo kan gesteld worden dat het feit zich tijdens de dienst heeft voorgedaan maar niet veroorzaakt werd door de dienst. Voor iedere raadpleging in een militair hospitaal wordt er een marsbevel gegeven, zo niet kan men zelf het militair hospitaal niet in. Voor een privé-ongeluk waarvoor de militair zich laat verzorgen in het militair hospitaal wordt er een marsbevel gegeven. IX-5700-3/10 Het recht op medische verzorging op zich is niet voldoende om dit verband te bewijzen daar dit recht ook geldt voor aangeboren afwijkingen, ongevallen in privésfeer enz... Ook het feit dat er een fout zou (zijn) begaan tijdens de operatie, houdt niet in dat de operatie op zich een verband heeft met de dienst. Een eventuele schadever-goeding op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek hoort niet tot de bevoegdheid van de commissie maar tot deze van de burgerlijke rechtbanken. Uit het geheel der feitelijke elementen blijkt het noodzakelijk dienstverband niet. De aanvraag dient dan ook in zijn geheel verworpen te worden.” De grond van de zaak.
  7. In een enig middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 1 en 3, c), van de bij Regentsbesluit van 5 oktober 1948 samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen (hierna : SWVP) en van artikel 60 van de wet van 8 juli 1970 tot instelling van nieuwe voordelen ten behoeve van de slachtoffers van de militaire plicht of van een daarmee gelijkgestelde plicht, waar die bepalingen onder meer voorschrijven dat de schade veroorzaakt moet zijn “door de dienst” of “ingevolge de dienst”. Hij betoogt dat de fout die een militair geneesheer maakt tijdens een behandeling in een militair hospitaal, ipso facto een ongeval ingevolge de dienst is. Ware hij geen militair geweest, dan was het ongeval nooit op deze wijze -met name in een militair hospitaal- kunnen gebeuren. Volgens de bestreden beslissing moet hij een bijkomend verband tussen zijn operatie en de dienst aantonen -zoals het bewijs dat zijn kwaal veroorzaakt is door de dienst, een dringende behandeling, een gebrek aan keuzemogelijkheid, enz.- maar daarmee wordt aan de wet een bijkomende voorwaarde toegevoegd. In het arrest nr. 7660 van 1 maart 1960 heeft de Raad van State gesteld dat het ingrijpen van de gezondheids- diensten van het leger op de persoon van een militair in dienst “een dienstfeit is”, zonder dat onderzocht moet worden of er een verband bestaat tussen de aandoening die het ingrijpen veroorzaakt heeft en de verrichtingen van de dienst. Dat arrest sluit, beter dan het arrest nr. 118.961 van 5 mei 2003, aan bij de tekst van de artikelen 1 en 3, c), van de samengeordende wetten.
  8. De verwerende partij antwoordt dat de rechtspraak van de Raad van State, voortgaande op de parlementaire voorbereiding van de wet, stelt dat er slechts gesproken kan worden over een dienstfeit -een kwetsuur “door de dienst”- wanneer er een stellig verband bestaat tussen het schadeverwekkend feit en de uitvoering van de dienst. Het is de commissie van beroep die in laatste aanleg oordeelt of deze voorwaarde vervuld is en het middel is niet ontvankelijk in de mate IX-5700-4/10 dat verzoeker kritiek uitbrengt op de beoordeling van de feiten door de commissie van beroep. Wat de grond van de zaak betreft, maakt volgens verzoeker elke behandeling in een militair ziekenhuis op zich een dienstfeit uit, maar dat is in strijd met artikel 1 SWVP waarin gesteld wordt dat de aanvrager dit verband moet bewijzen. Een militair mag altijd beroep doen op de medische dienst om zich te laten verzorgen, maar als hij dat doet voor ‘privé-aandoeningen’, dan ontbreekt ieder verband met de uitvoering van de dienst en het is de commissie van beroep die oordeelt of een operatie een dienstfeit is en of de gevolgen daarvan recht geven op een vergoedingspensioen. Eens de commissie van beroep die relatie tussen de behandeling van de militair en de dienst vastgesteld heeft -wat zij autonoom moet doen op basis van de feitelijke gegevens die haar voorliggen- is er sprake van een dienstfeit en moet alleen nog vastgesteld worden dat de invaliditeit ontstaan is door de behandeling. Het doet er dan niet meer toe of de behandelende chirurg een fout gemaakt heeft en of de kwaal waarvoor betrokkene geopereerd werd in verband stond met de uitvoering van de dienst, want de handeling van de chirurg vormt een dienstfeit. Zo heeft de Raad van State in het arrest nr. 7660 van 1 maart 1960 inzake CAREEL aangenomen dat de commissie van beroep uit een geheel van feitelijke gegevens kon opmaken dat er een rechtstreeks verband was tussen de operatie van een milicien en de militaire dienst, hoewel de aandoening waarvoor betrokkene geopereerd werd niet in verband stond met de uitvoering van de dienst. In dit geval motiveert de commissie van beroep waarom een marsbevel niet volstaat om het verband met de dienst aan te tonen en een mogelijke fout tijdens de operatie geeft verzoeker geen recht op een vergoedingspensioen, aangezien de regeling van de vergoedingspensioenen losstaat van het begrip fout en een fout ook het ontbreken van het noodzakelijk dienstverband niet ongedaan kan maken. De aanvraag voor een vergoedingspensioen kan overigens ingediend worden zonder rekening te houden met de mogelijkheden waarover de betrokkene krachtens andere wetgeving beschikt.
  9. Verzoeker repliceert dat, precies zoals in het arrest CAREEL, ook in zijn geval de invaliditeit veroorzaakt is door een handeling van het leger, aangezien een militaire arts bij zijn operatie in een militair hospitaal de sfincter beschadigd heeft en er fistelvorming opgetreden is met volledige incontinentie tot gevolg. Die fout tijdens de operatie is bevestigd door de GGDB en door de commissaris-verslaggever, en daarmee is bewezen dat zijn invaliditeit veroorzaakt is door een handeling van het leger. De verwerende partij begrijpt het arrest CAREEL verkeerd: terwijl de commissie van beroep beslist had om geen IX-5700-5/10 vergoedingspensioen toe te kennen omdat een appendicitis -en de verwikkelingen ervan- niets met de dienst te maken had, heeft de Raad van State gesteld dat niet nagegaan moet worden wat de oorzaak van de invaliditeit is, maar dat er sprake is van een dienstfeit wanneer de oorzaak van de invaliditeit te wijten is aan een behandeling in een militair ziekenhuis, omdat de gezondheidsdiensten van het leger ingericht zijn met het oog op de verpleging van de militairen en hun handelingen dus als feiten van de dienst beschouwd moeten worden. Of de aandoening die de behandeling nodig maakte zelf in verband zou staan met de uitvoering van de dienst, is ter zake van geen belang. Verzoeker besluit dat het doortrekken van die redenering naar zijn geval tot de conclusie leidt dat er sprake is van een ongeval ingevolge de dienst en dus van een dienstfeit. Hij voegt daar nog aan toe dat, mocht hij niet de hoedanigheid van militair gehad hebben, het ongeval hem nooit op dezelfde wijze -met name in een militair hospitaal- overkomen zou zijn en dat, buiten elke wettelijke grondslag om, de bestreden beslissing hem ten onrechte vraagt naar het bewijs van een bijkomend verband tussen de operatie en de dienst.
  10. Voor de onderhavige zaak moet rekening gehouden worden met de volgende bepalingen : - artikel 60, eerste lid, van de wet van 8 juli 1970 tot instelling van nieuwe voordelen ten behoeve van de slachtoffers van de militaire plicht of van een daarmee gelijkgestelde plicht, bepaalt dat de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen van toepassing zijn op “de lichamelijke schade opgelopen gedurende en door het feit van de militaire dienst vóór 25 augustus 1939 of na 25 augustus 1947"; - artikel 1, tweede lid, SWVP bepaalt : “De aanvragers moeten door alle middelen bewijzen dat de door hen aangevoerde lichamelijke schade veroorzaakt werd gedurende de dienst, (...) en door de dienst (...). ” - artikel 3, c, SWVP bepaalt : “De invaliditeitspensioenen kunnen verleend worden voor lichamelijke schade welke het gevolg is: a) (...); b) (...); c) van ongevallen, overkomen gedurende de dienst (...) en ingevolge de dienst (...); d) (...).” IX-5700-6/10
  11. De vereiste van het oorzakelijk verband tussen het schadelijk feit en de dienst vindt haar oorsprong in artikel 7 van de gecoördineerde wetten van 23 november 1919 op de militaire pensioenen. Voortgaande op de uitleg die de minister van Landsverdediging daaromtrent in het parlement gegeven heeft naar aanleiding van de wijziging van die wetten bij de wet van 13 juli 1934, was het de bedoeling de vereiste van het verband met de dienst niet restrictief te interpreteren. Niettemin werd aangenomen dat een ongeval slechts kon worden beschouwd als zijnde veroorzaakt “door de dienst” wanneer de oorzaak van het letsel gelegd kon worden in een omstandigheid die stellig verband (“relation certaine”) hield met de uitvoering van de militaire dienst (Parl. Hand., Kamer, 17 mei 1934, p.1487, en Parl. Hand., Senaat, 4 juli 1934, p. 1045).
  12. De vaststelling van het bestaan van een verband met de dienst behoort tot de onaantastbare beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter, te dezen de commissie van beroep. Als cassatierechter kan de Raad van State niet in de beoordeling van de feiten treden. Hij kan enkel nagaan of de commissie van beroep uit de door haar vastgestelde feiten wettig tot de conclusie is kunnen komen dat de behandeling van verzoeker in het militair hospitaal voor een aandoening die geen verband heeft met de dienst, een dienstfeit is. Het middel strekt ertoe vastgesteld te zien dat de commissie van beroep, door aan te nemen dat de operatie van verzoeker in het militair hospitaal op zich niet als een dienstfeit kan worden beschouwd en door te vereisen dat verzoeker bijkomende gegevens voorlegt die het verband met de dienst aantonen, de SWVP verkeerd toegepast heeft. De exceptie van onontvan-kelijkheid van het middel faalt naar recht.
  13. Verzoeker heeft een vergoedingspensioen gevraagd voor het lichamelijk letsel dat hij opgelopen heeft tijdens een operatie in het militair hospitaal. Er wordt niet betwist dat het letsel aldus is opgelopen tijdens of “gedurende de dienst”. De kwaal waarvoor verzoeker behandeld is, vertoont evenwel geen verband met de dienst. Bovendien gebeurde de behandeling in het militair hospitaal op initiatief van verzoeker, en was ze niet ingegeven door redenen die verband houden met de uitoefening van de dienst.
  14. Om recht te hebben op een vergoedingspensioen moet de aanvrager aantonen dat zijn letsel ontstaan is “door de dienst” of “door het feit van de militaire dienst”. Als gezegd houdt dit in dat de oorzaak van het lichaamsgebrek IX-5700-7/10 gelegen moet zijn in een omstandigheid die stellig of onmiskenbaar verband houdt met de uitvoering van de militaire dienst. Noch uit de tekst van de wet, noch uit de hiervoor vermelde bespreking in het parlement kan met zekerheid opgemaakt worden dat de wetgever de bedoeling gehad zou hebben het verband tussen het letsel en de militaire dienst te leggen in de loutere hoedanigheid van militair of, zoals verzoeker het noemt, een “handeling van het leger” zonder meer. Integendeel, in de voorbeelden die tijdens de parlementaire bespreking werden aangehaald, werd telkens het verband gelegd met het uitoefenen van de militaire dienst door de betrokkene (een militair die na het beëindigen van zijn dienst bij het verlaten van de kazerne zijn been breekt; een militair die zonder in dienst te zijn of onder bevel te staan in de kazerne een slag krijgt van een paard of die, als soldaat, in de kazerne aanwezig is en daar bij een ongeval betrokken raakt). Bovendien strekte de wet van 13 juli 1934 ertoe, door te bepalen dat letsels overkomen tijdens de dienst nog enkel tot een vergoedingpen- sioen aanleiding konden geven wanneer een verband aangetoond werd met de dienst, het regime van de vergoedingspensioenen der militairen af te stemmen op het regime dat voor de burgerlijke ambtenaren gold (Parl. Hand., Senaat, 4 juli 1934, p. 1044).
  15. Een en ander doet besluiten dat, voor de toekenning van een vergoedingspensioen, er een concrete band moet bestaan tussen het letsel en de uitoefening door de betrokkene van zijn dienst als militair. De enkele hoedanigheid van militair volstaat niet als bewijs van het bestaan van een dergelijk verband, de enkele omstandigheid dat het letsel voortvloeit uit een behandeling door een aangestelde van het leger evenmin.
  16. De commissie van beroep heeft in dit geval aangenomen dat een operatie in een militair ziekenhuis op zich geen schadelijk feit is dat ontstaan is door het feit van de dienst, wanneer geen andere elementen wijzen op een verband met de dienst. Zij heeft geoordeeld dat in ieder geval afzonderlijk nagegaan moet worden of het vereiste verband tussen de operatie en de dienst aanwezig is en dat in dit geval uit de feitelijke gegevens van de zaak dat noodzakelijk dienstverband niet afgeleid kon worden, aangezien het recht op verzorging niet inhoudt dat iedere operatie, uitgevoerd na doorverwijzing van de medische dienst, recht geeft op een vergoe- dingspensioen, aangezien het bestaan van een marsbevel erop wijst dat de militair zich tijdens de dienst mag laten verzorgen, maar het verband met de militaire dienst IX-5700-8/10 niet aantoont, en aangezien het begaan van een fout tijdens de operatie die operatie niet in verband brengt met de dienst.
  17. De commissie van beroep heeft aldus een correcte toepassing gemaakt van de artikelen 1, tweede lid, en 3, c), SWVP. Het middel is niet gegrond.
  18. Er is reden om bij elke publicatie van het onderhavig arrest in toepassing van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State, de identiteit van verzoeker niet te vermelden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  19. Het cassatieberoep wordt verworpen. Artikel
  20. De kosten van het cassatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Artikel
  21. Bij de publicatie van dit arrest zal de identiteit van verzoeker niet worden opgenomen. IX-5700-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 8 januari 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-5700-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.405 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.