id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.447 Rolnummer: Zaak: Arrest 178447 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-17 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 07:28 Fiche Arrest nr 178.447 van 9 januari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten Samenvoeging Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.447 van 9 januari 2008 in de zaken A. 107.978/X-10.473 (I.) A. 107.979/X-10.475 (II.) A. 119.060/X-10.902 (III.) In zake : I., II. en III. Pascal VAN DER HEYDEN, die woonplaats kiest bij advocaat J. VAN DEN NOORTGATE, kantoor houdende te 9700 OUDENAARDE, Einestraat 22 tegen : I. en II. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128 III. de stad ZOTTEGEM, tussenkomende partijen : I. de n.v. PLAN EN BOUW, die woonplaats kiest bij advocaat W. DE CUYPER, kantoor houdende te 9100 SINT-NIKLAAS, Vijfstraten 57 II.
- André DE POTTER,
- Nora EVENS,
- Marcel DE BAST,
- Maria LAROY,
- Bruno EGGERMONT, die woonplaats kiezen bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 III. André DE POTTER, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, X-10.473-1/15 Gezien het verzoekschrift dat Pascal VAN DER HEYDEN op 25 juli 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 3 mei 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende, eensdeels, inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 25 november 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij aan de n.v. PLAN en BOUW de verkavelingsvergunning wordt verleend voor gronden gelegen te Zottegem, Bosveld, kadastraal bekend sectie B, nrs. 405/b, 432/d2 en 432/n2, en, anderdeels, de voorwaardelijke afgifte van bovengenoemde verkavelingsvergunning - verkaveling Bosveld II - (A. 107.978/X-10.473); Gezien het verzoekschrift dat Pascal VAN DER HEYDEN op 25 juli 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 3 mei 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende, eensdeels, inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 25 november 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij de verkavelingsvergunning wordt verleend voor gronden gelegen te Zottegem, Bosveldstraat, kadastraal bekend sectie B, nrs. 426/s3, 427/k, 428/b, 428/c, 435/c, 439/b, 454/g en 431/b, en anderdeels, de voorwaardelijke afgifte van bovengenoemde verkavelingsvergunning - verkaveling Bosveld I (A. 107.979/X-10.475); Gezien het verzoekschrift dat Pascal VAN DER HEYDEN op 29 maart 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 28 januari 2002 van de stad Zottegem waarbij aan André DE POTTER de bouwvergunning wordt verleend voor “het aanleggen van wegen en riolering van de goedgekeurde verkaveling Bosveld I, deelgemeente Strijpen” aan de Bosveldstraat te Zottegem, kadastraal gekend onder sectie B, nrs. 428/b, 431/b en c, 435/c, 439/b, 454/g, 427/k en 426/s3 (A. 119.060/X-10.902); Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 17 oktober 2001 ingediend door de n.v. PLAN en BOUW in de zaak A. 107.978/X-10.473; Gelet op de beschikking van 9 november 2001 die de tussenkomst van de n.v. PLAN en BOUW toelaat; X-10.473-2/15 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 28 september 2001 ingediend door André DE POTTER, Nora EVENS, Marcel DE BAST, Maria LAROY en Bruno EGGERMONT in de zaak A. 107.979/X-10.475; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2001 die de tussenkomst van André DE POTTER, Nora EVENS, Marcel DE BAST, Maria LAROY en Bruno EGGERMONT toelaat; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 16 juli 2002 ingediend door André DE POTTER in de zaak A. 119.060/X-10.902; Gelet op de beschikking van 22 juli 2002 die de tussenkomst van André DE POTTER toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord in de drie zaken; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL in voormelde zaken; Gelet op de beschikkingen van 8 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van de verslagen en van de dossiers gelasten; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories in de drie zaken; Gelet op de beschikkingen van 25 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt in voormelde drie zaken op 16 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. CROMBEZ, die loco advocaat J. VAN DEN NOORTGATE verschijnt voor de verzoeker in de drie zaken, van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij in de zaken sub I en II, van advocaat E. RENTMEESTERS, die loco advocaat W. DE CUYPER verschijnt voor de tussenkomende partij in de zaak sub I, en van advocaat K. MAN, die loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de tussenkomende partijen in de zaken sub II en III; X-10.473-3/15 Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De rechtspleging. Overwegende dat, gelet op de verknochtheid tussen de bestreden besluiten de drie beroepen tot nietigverklaring in het belang van een goede rechtsbedeling worden samengevoegd;
- De feiten. Overwegende dat de feiten, die van belang zijn voor een goed begrip van de zaken als volgt kunnen worden samengevat: 2.
- Op 8 juli 1998 vraagt de n.v. PLAN en BOUW aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Zottegem de vergunning voor het verkavelen van gronden, gelegen aan de Bosveldstraat, kadastraal bekend sectie B, nrs. 405/b, 432/d2 en 432/n2 (Bosveld II). 2.
- Op dezelfde datum vragen DE BAST-PODEVIJN, M. LAROY, A. DE POTTER, B. EGGERMONT en N. EVENS-DE SUTTER aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Zottegem de vergunning voor het verkavelen van gronden gelegen Bosveldstraat, kadastraal bekend sectie B nrs. 426/s3, 427/k, 428/b, 428/c, 431/b en c, 435/c, 439/b en 454/g (Bosveld I). 2.
- Het betreft verkavelingen met aanleg van nieuwe verkeerswegen. 2.
- Tijdens het openbaar onderzoek dient de verzoeker bezwaren in, die hoofdzakelijk betrekking hebben op de “onverantwoorde stijging van de verkeersintensiteit” en op het feit dat de geplande ontsluitingsweg naar de Bosveldstraat “rechtstreeks over 110 m aan een bebouwd perceel
(435d)paalt”, zijnde aan het perceel van de verzoeker; 2.5. Op 16 november 1998 keurt de gemeenteraad het stratentracé goed. X-10.473-4/15 2.6. Op 10 mei 1999 worden de verkavelingsvergunningen geweigerd, tengevolge van het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 2.7. Op 25 november 1999 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het beroep van de tussenkomende partijen voorwaardelijk in; 2.8. Op 3 mei 2001 worden de bestreden besluiten genomen in de zaken 107.978/X-10.473 en 107.979/X-10.475. 2.9. Op 28 januari 2002 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Zottegem de bouwvergunning voor het aanleggen in de verkaveling, Bosveld I, van wegen en rioleringen voor de percelen van de 8ste afdeling, kadastraal bekend, sectie B, nrs, 428/b, 431/b en c, 435/c, 439/b, 454/g, 427/k en 426/s3 (zaak A. 119.060/X-10.902); 3. Het belang van de verzoeker. 3.1.1. Overwegende dat de verzoeker in verband met het belang, in de zaken 107.978/X-10.473 en 107.979/X-10.475 het volgende aanvoert: “Aangezien de bestreden beslissing tot gevolg heeft voor verzoeker dat er achter zijn tuin een woonwijk (minstens 20 huizen en met ‘Bosveld I’ erbij om en bij de 75 woningen) (en samen met Bosveld II minstens 40 huizen) wordt ingeplant die een dusdanige verkeerstoename met zich zal meebrengen dat de huidige infrastructuur deze niet zal kunnen verwerken, heeft verzoeker een persoonlijk, rechtstreeks en actueel belang om bij huidig beroep de nietigverklaring van deze bestuurshandeling(
- en)te vorderen. Bovendien voorziet de goedgekeurde verkaveling een nieuw aan te leggen verkeersweg naast de woning van verzoeker waarlangs minstens 40 gezinnen (lees minstens 80 auto’
- s)dagdagelijks zullen passeren. Verzoeker krijgt aldus over een lengte van 110 meter een weg naast zijn woning en tuin. Over de gehele lengte van de eigendom van verzoeker zal deze weg quasi tot tegen zijn eigendom komen te liggen. De creatie van een nieuwe weg naast de woning van verzoeker zal voor deze een bovenmatige burenhinder veroorzaken. Verzoeker zal immers niet alleen de overlast van twee (of in de toekomst drie) bijkomende woonkernen moeten ondergaan, bovendien wordt direct naast zijn deur een verkeersweg ingeplant. Volgens verzoeker wordt door de huidige bestreden beslissing immers een verkeersprobleem gecreëerd, wordt de goede ruimtelijke ordening verstoord, wordt de openbare veiligheid in het gedrang gebracht (bereikbaarheid door hulpdiensten) enz. Al deze zaken treffen verzoeker persoonlijk en actueel, zodat verzoeker zeker over het vereiste belang beschikt”; X-10.473-5/15 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in voormelde zaken het belang van de verzoeker niet betwist en desbetreffend geen verweer voert; 3.1.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in de zaak A. 109.978/X-10.473 het belang van de verzoeker betwist en desbetreffend het volgende stelt: “Verzoekster in tussenkomst is van oordeel dat de verzoekende partij niet over het rechtens vereiste belang beschikt. ‘Het rechtstreeks karakter van het belang heeft betrekking op de relatie die dient te bestaan tussen het nadeel en de bestreden beslissing. Het houdt in dat er een direct of rechtstreeks causaal verband tussen beiden moet vaststaan. In tegenstelling tot het burgerlijk aansprakelijkheidsrecht volstaat een ‘middellijk’ of zijdelings verband niet. 1. Verzoekende partij meent zijn persoonlijk, rechtstreeks en actueel belang voornamelijk te kunnen aantonen door het enkele feit dat achter zijn tuin een woonwijk (minstens 20 huizen en met BOSVELD I erbij om en bij de 75 woningen) wordt ingeplant. - In de eerste plaats betreft de bestreden beslissing de verkaveling van gronden welke niet achter de tuin van verzoeker (...) zijn gelegen. Dit blijkt duidelijk uit de goedgekeurde plannen. De bestreden beslissing betreft Bosveld II en geen van de te verkavelen gronden is gelegen achter de tuin van verzoeker (...) of in de rechtstreekse omgeving van diens woning. Volledigheidshalve dient erop te worden gewezen dat in de verkaveling Bosveld I de loten 1 tot 5 uit de verkaveling werd(
- en)gesloten, zodat geen van de op te richten woningen zich situeert achter de tuin van verzoeker. Het ingeroepen nadeel staat dan ook niet in rechtstreeks verband tot de bestreden beslissing. - Voor zover de wijziging van de bestaande toestand als een nadeel in hoofde van verzoekende partij kan worden omschreven, vloeit dit bovendien niet voort uit de bestreden beslissing, doch uit de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan. Overeenkomstig art.5, 1.0. van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, is een woongebied bestemd voor: ‘De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en klein bedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal- culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven.’ Verzoekende partij wist met andere woorden dat de achterliggende gebieden aan zijn perceel bestemd waren voor woningbouw en bijgevolg ooit met dat doeleind(
- e)zouden worden aangesneden, zodat er dan ook geen sprake kan zijn van welkdanige ‘overlast van bijkomende woonkernen’, zoals verzoeker het stelt in zijn verzoekschrift. Zulks wordt overigens terecht benadrukt in de bestreden beslissing: ‘Overwegende dat verder toch ook niet uit het oog mag worden verloren dat het in casu toch nog altijd gaat om het ter beschikking stellen van de voorziene ruimte voor bebouwing, zoals dit door het betrokken gewestplan is voorzien; dat het in deze context gaat om het afwegen van meerdere private belangen tegenover een algemeen belang; dat een optimale benutting van de beschikbare ruimte, met voldoende aandacht voor woonverdichting, X-10.473-6/15 volgens de thans heersende inzichten en beleidsopties aangewezen is; dat het niet aanwenden van beschikbare gronden voor het realiseren van toch ook zuiver residentiële bewoning eigenlijk betekent dat het gewestplan onwerkzaam wordt gemaakt; dat ook niet uit het oog mag worden verloren dat bij de verdere uitwerking en ordening van een door het gewestplan voorzien woongebied welbepaalde veranderingen voor de omwonenden onvermijdelijk zijn; (...)’ Het is bijgevolg duidelijk dat verzoeker geen rechtstreeks belang heeft bij een beslissing die uiteindelijk de realisatie inhoudt van een bestemming die reeds in het gewestplan werd aangegeven. 2. Voor het overige poogt verzoekende partij zijn nadeel te bewijzen, door te verwijzen naar de toegangsweg welke langsheen zijn eigendom zou lopen en de hieraan verbonden hinder. Het is overduidelijk dat dit ingeroepen nadeel niet in rechtstreeks verband staat tot de bestreden beslissing en verzoekende partij daarenboven niet meer over een actueel belang beschikt. - Ook hier dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat de door verzoeker tot nietigverklaring bedoelde ontsluitingsweg zelfs geen deel uitmaakt van de verkaveling Bosveld II, goedgekeurd door de bestreden beslissing. - Daarenboven is het feit dat de bedoelde ontsluitingsweg gelegen is aan of in de nabijheid van de eigendom van verzoekende partij uitsluitend het gevolg van het besluit van de gemeenteraad van 16 november 1998, waarbij het stratentracé werd goedgekeurd. De zaak van de wegenis behoort trouwens tot de uitsluitende bevoegdheid van de gemeenteraad, zoals o.m. blijkt uit de nieuwe gemeentewet en art. 56 §1, 2/ van het gecoördineerd decreet Ruimtelijke Ordening van 22 oktober 1996. Er kan m.a.w. geen rechtstreekse band zijn tussen de bestreden beslissing, genomen door het College van Burgemeester en Schepenen en de ligging van de wegenis, voortvloeiend uit het besluit van de gemeenteraad van 16 november 1998. Verzoekende partij heeft, niettegenstaande zij nadrukkelijk bezwaren heeft geuit in het openbaar onderzoek, zich uiteindelijk neer(ge)legd bij de beslissing van de gemeenteraad van 16 november 1998. Het is duidelijk dat verzoekende partij zijn (haar) belang verliest ingevolge instemming met het besluit van de gemeenteraad van 16 november 1998. ‘Vereist is wel dat deze instemming ontegensprekelijk vaststaat, wat een feitenkwestie is. Het bestaan ervan kan derhalve door alle middelen van recht worden bewezen.’ ‘Nauw verwant met de instemming met de bestreden bestuurshandeling, is de berusting in rechte of in feite in de bestreden beslissing.’ Verzoekende partij heeft het gemeenteraadsbesluit van 16 november 1998 tot vaststelling van het tracé van de wegen door verzoeker niet bestreden, niettegenstaande hij hiervan op de hoogte was, minstens behoorde te zijn, gelet op de naar aanleiding van diverse openbare onderzoeken ingediende bezwaren. De door verzoeker gemaakte opmerkingen over de wegenis kunnen dan ook niet langer in het kader van de huidige procedure worden behandeld nu het tracé van de wegen en de daarbij horende voorwaarden met betrekking tot de verkeerscirculatie, reeds werden genomen bij gemeenteraadsbesluit dd. 16 november 1998, hetwelk door verzoeker op geen enkel ogenblik werd bestreden. Ten overvloede wijst verzoekster in tussenkomst er op dat een eerdere goedgekeurde verkaveling dd. 07.11.1994, nr. 94/72 (ref. Sted. 41.081.1241) (...) met betrekking tot het perceel nr. 435 c/deel, door verzoeker evenmin werd bestreden. X-10.473-7/15 De toegangsweg naar de achtergelegen gronden werd in deze verkavelingsvergunning reeds opgenomen (lot 2, nr. 435c//deel), zodat de ontsluiting voor de huidige verkaveling toen reeds vast lag. Ook deze verkaveling werd door verzoekende partij niet bestreden. 3. Voor zover Uw Raad desalniettemin toch van oordeel zijn dat verzoekende partij beschikt over het rechtens vereiste belang tot het instellen van de vordering, dan nog is het voorgaande relevant in het kader van de problematiek van de ontvankelijkheid van de ingeroepen middelen. ‘De beoordeling van het belang bij het middel geschiedt aan de hand van dezelfde voorwaarden als die welke gelden bij het onderzoek van het belang van de vordering in het algemeen.’ Alle middelen welke derhalve verband houden met de wegenis en het hieraan verbonden nadeel dienen als onontvankelijk te worden afgewezen”; 3.1.4. Overwegende dat de tussenkomende partijen in de zaak A. 107.979/X-10.475 eveneens het belang van de verzoeker betwisten en desbetreffend stellen dat “verzoekende partij meent zijn persoonlijk, rechtstreeks en actueel belang voornamelijk te kunnen aantonen door het enkele feit dat achter zijn tuin een woonwijk (samen met Bosveld II minstens 40 huizen) wordt ingeplant”; Overwegende dat voor het overige de argumentatie van de tussenkomende partijen dezelfde is als die van de tussenkomende partij in de zaak 107.978/X-10.473; 3.1.5. Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord ingediend in de zaak A. 107.978/X-10.473 het belang bij zijn annulatieberoep als volgt adstrueert: “II. Betreffende de ontvankelijkheid: II.1 : Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het verzoekschrift tot nietigverklaring. De vrijwillig tussenkomende partij werpt op dat verzoeker niet over het benodigde belang beschikt nu hij geen rechtstreeks nadeel zou aantonen, veroorzaakt dor de bestreden beslissing. Tussenkomende partij pint zich daarbij vooral vast op het feit dat de verkaveling Bosveld I (aparte procedure G/A 107.979/X-10.475) achter de tuin van verzoeker ligt terwijl de verkaveling van Bosveld II slechts schuin achter de tuin van verzoeker ligt. Volgens de tussenkomende partij brengt dit met zich mee dat verzoeker geen nadeel ondervindt ... Het zal voor Uw Raad duidelijk zijn dat niet alleen de exacte inplanting van de woonwijk Bosveld II een nadeel oplevert alleen voor verzoeker, maar dat vooral de aanwezigheid van de meer dan 20 extra woningen en het verkeer en de overlast die dit met zich meebrengt, verzoeker ernstig benadelen. Zo moeten volgens de voorliggende plannen alle bewoners van BOSVELD I en BOSVELD II de woonwijken verlaten via een nog aan te leggen rijweg die paalt aan de eigendom van verzoeker. De betreffende weg zal immers van het begin tot het einde van de tuin en de woning van verzoeker aan zijn eigendom grenzen. Het spreekt voor zich dat dit verzoeker persoonlijk, rechtstreeks en X-10.473-8/15 actueel schade berokkent nu verzoeker momenteel nog uitkijkt op rustige weilanden. Volgens tussenkomende partij heeft verzoeker hier geen actueel belang meer nu de beslissing omtrent de wegenis reeds vroeger werd genomen. Verzoeker is evenwel van mening dat op het moment van aanname van de beslissing omtrent de wegenis niet kon worden voorzien dat ten eerste het binnengebied door de voorliggende verkavelingen (Bosveld I en Bosveld II) dermate zou worden volgestouwd en ten tweede dat van het beloofde circulatieplan niets zou in huis komen. Met andere woorden de beslissing van de wegenis op zich is niet nadelig voor verzoeker maar wel de concrete invulling die aan het binnengebied wordt gegeven door de bestreden beslissing. Bosveld II bezorgt trouwens niet alleen nadeel aan verzoeker als verkaveling op zich, maar nog in grotere mate wanneer ze gezien wordt als een geheel met Bosveld I. Vrijwillig tussenkomende partij haalt bovendien aan dat niet de bestreden beslissing maar de gewestplannen aan de oorzaak zouden liggen van het nadeel dat verzoeker dreigt te ondervinden ten gevolge van de inplanting van de woonwijk Bosveld II. Verzoeker is het niet eens met deze stelling. Conform de gewestplannen kan er op grote delen van het binnengebied achter de woning van verzoeker aan woningbouw worden gedaan. In overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening zou de inplantinggraad echter geenszins zo groot zijn zoals ze nu voorligt. Het is met andere woorden door de bestreden beslissing dat het onevenwicht wordt gecreëerd dat verzoeker nadeel berokkent. Verzoeker heeft dus een duidelijk rechtstreeks, actueel en persoonlijk belang bij het aanvechten van de beslissing tot afgifte van de voorwaardelijke verkavelingsvergunning aan de NV Plan en Bouw (Bosveld II)”; 3.1.6. Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord ingediend in de zaak A. 107.979/X-10.475 niets toevoegt aan wat hij reeds heeft uiteengezet in verband met het belang in de zaak A. 107.978/X-10.473; 3.1.7. Overwegende dat de verwerende partij in de zaken A. 107.978/X-10.473 en A. 107.979/X-10.475 in haar laatste memorie zich aansluit bij het standpunt van het auditoraat dat besluit tot de niet ontvankelijkheid van de annulatieberoepen, omdat uit de uiteenzetting van het belang door de verzoeker zou blijken dat hij dit belang, “enkel en alleen situeert in de ‘overdreven verkeershinder’”, die de bestreden verkavelingsvergunningen voor hem zullen meebrengen, en dat hieruit een gebrek aan belang afleidt wegens het niet aanvechten van de beslissing van 16 november 1998 inzake het wegentracé; 3.1.8. Overwegende dat de verzoeker in voornoemde zaken het standpunt van het auditoraat betwist in zijn laatste memorie en het volgende antwoordt: X-10.473-9/15 “1. Vooreerst is de stelling van de eerste auditeur dat het belang door verzoeker énkel en alleen gesitueerd wordt in de overdreven verkeershinder, welke de vergunning voor hem zal meebrengen. Verzoeker heeft zijn belang evenzeer gesitueerd in de verstoring van de goede ruimtelijk ordening én de (openbare) veiligheid. In de mate dat het correct zou zijn dat verzoeker -die niet eens verplicht is elementen aan te halen qua belang- geen nieuwe elementen zou mogen aanbrengen (?), is derhalve op dit punt reeds het ruimere persoonlijke en actuele belang van verzoeker in het verzoekschrift zélf aangetoond. 2. Daarenboven stelt de eerste auditeur in zijn advies dat de door verzoeker gelaakte verkeershinder ‘niet zo zeer’ een gevolg is van de bestreden verkavelingsvergunning, maar van een overigens noodzakelijke voorafgaande beslissing, nl. het gemeente- raadsbesluit van 16 november 1998, waarbij het tracé van de wegenis werd goedgekeurd. Verzoeker kan deze redenering absoluut niet volgen: Op het ogenblik van de goedkeuring van de wegenis, had verzoeker absoluut geen zicht op het feit dat door de verkavelingen (Bosveld I en Bosveld II) in totaal om en bij de 75 woningen zouden worden ingeplant. Het is niet het feit van de wegenis, maar het feit dat een zo ruim aantal woningen worden ingeplant dat verzoeker treft en dat dan ook deels zijn belang uitmaakt. Qua belang is niet de aanleg van de weg hinderlijk, maar het feit dat door overbebouwing van de verkaveling (waardoor inderdaad zeer druk verkeer zal ontstaan). Eventuele vernietiging van de bestreden beschikking zal derhalve zeer zeker soelaas brengen. Er kan dan niet alleen worden gezocht naar een andere geschiktere ontsluiting (bv. via de Meerlaan), alsook naar een evenwichtiger bebouwing waarbij niet alleen de belangen van de verkavelaars voor ogen worden gehouden”; 3.1.9. Overwegende dat de tussenkomende partij zich in haar laatste memorie aansluit bij het besluit van het auditoraatsverslag; 3.1.10. Overwegende dat de zaak 119.060/X-10.902 nauw aansluit bij de zaak 107.979/X-10.475, waarin ondermeer aan A. DE POTTER een voorwaardelijke verkavelingsvergunning werd verleend op 3 mei 2001, zijnde de verkaveling Bosveld I; dat het voorwerp van het annulatieberoep in de zaak 119.060/X-10.902 de bouwvergunning betreft voor het aanleggen van wegen en riolering voor een aantal percelen van de goedgekeurde verkaveling Bosveld I, deelgemeente Strijpen, Bosveldstraat, aan voornoemde A. DE POTTER; 3.1.11. Overwegende dat de verzoeker in verband met zijn belang in deze zaak het volgende aanvoert: “Aangezien de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat een verkeersweg aangelegd wordt naast de woning van verzoeker met alle overlast van dien, heeft verzoeker een persoonlijk, rechtstreeks en actueel belang om bij huidig beroep de nietigverklaring van deze bestuurshandeling te vorderen. Bovendien voorzien de reeds afzonderlijk goedgekeurde verkavelingen in de inplanting van onproportioneel veel woning in het binnengebied. Dit zal er X-10.473-10/15 ongetwijfeld voor zorgen dat de weg, waarvan de bouwvergunning werd goedgekeurd middels de bestreden beslissing, een grote belasting zal zijn voor verzoeker. Verzoeker krijgt aldus over een lengte van 110 meter een weg naast zijn woning en tuin. Over de gehele lengte van de eigendom van verzoeker zal deze weg quasi tot tegen zijn eigendom komen te liggen. De creatie van een nieuwe weg naast de woning van verzoeker zal voor deze een bovenmatige burenhinder veroorzaken. Verzoeker zal immers niet alleen de overlast van twee (of in de toekomst drie) bijkomende woonkernen moeten ondergaan, bovendien wordt direct naast zijn deur een verkeersweg ingeplant. Volgens verzoeker wordt door de huidige bestreden beslissing daarenboven een verkeersprobleem gecreëerd, wordt de goede ruimtelijke ordening verstoord en wordt de openbare veiligheid in het gedrang gebracht (bereikbaarheid door hulpdiensten). Al deze zaken treffen verzoeker persoonlijk en actueel, zodat verzoeker zeker over het vereiste belang beschikt”; 3.1.12. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betreffende het belang van de verzoeker repliceert: “het verzoek tot nietigverklaring van het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van 28 januari 2002 waarbij stedenbouwkundige vergunning werd verleend raakt de verzoeker in zijn belang door de aanleg van de toegangsweg langs zijn eigendom. Het gebied achter de eigendom van de verzoeker is een ingesloten woongebied dat uiteraard enkel kan ontsloten worden door het aanleggen van een toegangsweg vanaf de bestaande openbare wegeninfrastructuur”; 3.1.13. Overwegende dat de tussenkomende partij het belang van de verzoeker betwist en in dit verband het volgende aanvoert: “Verzoekers in tussenkomst zijn van oordeel dat de verzoekende partij niet over het rechtens vereiste belang beschikt. ‘Het rechtstreeks karakter van het belang heeft betrekking op de relatie die dient te bestaan tussen het nadeel en de bestreden beslissing. Het houdt in dat er een direct of rechtstreeks causaal verband tussen beiden moet vaststaan. In tegenstelling tot het burgerlijk aansprakelijkheidsrecht volstaat een ‘middellijk’ of zijdelings verband niet.’ 1. Verzoekende partij poogt zijn belang aan te tonen, door te verwijzen naar de toegangsweg welke langsheen zijn eigendom zou lopen en de hieraan verbonden hinder. Het is overduidelijk dat dit ingeroepen nadeel niet in rechtstreeks verband staat tot de bestreden beslissing en verzoekende partij daarenboven niet meer over een actueel belang beschikt. Immers het feit dat de ontsluiting van de bij bestreden beslissing goedgekeurde verkaveling is gelegen aan of in de nabijheid van de eigendom van verzoekende partij is uitsluitend het gevolg van het besluit van de gemeenteraad van 16 november 1998, waarbij het stratentracé werd goedgekeurd. De zaak van de wegenis behoort trouwens tot de uitsluitende bevoegdheid van de gemeenteraad, zoals o.m. blijkt uit de nieuwe gemeentewet en art. 56 §1, 2/ van het gecoördineerd decreet Ruimtelijke ordening van 22 oktober 1996. X-10.473-11/15 Er kan m.a.w. geen rechtstreekse band zijn tussen de bestreden beslissing, genomen door het College van Burgemeester en schepenen en de ligging van de wegenis, voortvloeiend uit het besluit van de gemeenteraad van 16 november 1998. Verzoekende partij heeft, niettegenstaande hij nadrukkelijk bezwaren heeft geuit in het openbaar onderzoek, zich uiteindelijk neergelegd bij de beslissing van de gemeenteraad van 16 november 1998. Het is duidelijk dat verzoekende partij zijn belang verliest ingevolge instemming met het besluit van de gemeenteraad van 16 november 1998. ‘Vereist is wel dat deze instemming ontegensprekelijk vaststaat, wat een feitenkwestie is. Het bestaan ervan kan derhalve door alle middelen van recht worden bewezen.’ ‘Nauw verwant met de instemming met de bestreden bestuurshandeling, is de berusting in rechte of in feite in de bestreden beslissing.’ Verzoekende partij heeft het gemeenteraadsbesluit van 16 november 1998 tot vaststelling van het tracé van de wegen (...) niet bestreden, niettegenstaande hij hiervan op de hoogte was, minstens behoorde te zijn, gelet op de naar aanleiding van diverse openbare onderzoeken ingediende bezwaren. De door verzoeker gemaakte opmerkingen over de wegen kunnen dan ook niet langer in het kader van de huidige procedure worden behandeld nu het tracé van de wegen en de daarbij horende voorwaarden met betrekking tot de verkeerscirculatie, reeds werden genomen bij gemeenteraadsbesluit dd. 16 november 1998, hetwelk door verzoeker op geen enkel ogenblik werd bestreden. Ten overvloede wijzen verzoekers in tussenkomst er op dat een eerdere goedgekeurde verkaveling dd. 07.11.1994, nr. 94/72 (ref. Sted. 41.081.1241) (bijlage 8) met betrekking tot het perceel nr. 435c/deel, door verzoeker evenmin werd bestreden. De toegangsweg naar de achtergelegen gronden werd in deze verkavelingsvergunning reeds opgenomen (lot 2,nr. 435c//deel), zodat de ontsluiting voor de huidige verkaveling toen reeds vast lag. Ook deze verkaveling werd door verzoekende partij niet bestreden”; 3.1.14. Overwegende dat de verzoeker dupliceert dat de verwerende partij stelt “dat verzoeker werd geraakt in zijn belang.”; 3.1.15. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie niets toevoegt wat het belang van de verzoeker betreft en dat de tussenkomende partij zich aansluit bij het standpunt van het auditoraat dat er van uit gaat dat “verzoeker zijn belang, enkel en alleen, situeert in de overdreven ‘verkeershinder’ en ‘overlast’ welke die vergunning voor hem zal meebrengen”, en dat hieruit een gebrek aan belang afleidt wegens het niet aanvechten van de beslissing van 16 november 1998 inzake het wegentracé; 3.1.16. Overwegende dat de verzoeker in zijn laatste memorie als volgt antwoordt op het auditoraatsverslag: X-10.473-12/15 “1. Vooreerst is de stelling van de eerste auditeur dat het belang door verzoeker énkel en alleen gesitueerd wordt in de overdreven verkeershinder, welke de vergunning voor hem zal meebrengen. Verzoeker heeft zijn belang evenzeer gesitueerd in de verstoring van de goede ruimtelijke ordening én de (openbare) veiligheid. In de mate dat het correct zou zijn dat verzoeker - die niet eens verplicht is elementen aan te halen qua belang - geen nieuwe elementen zou mogen aanbrengen (?), is derhalve op dit punt reeds het ruimere persoonlijke en actuele belang van verzoeker in het verzoekschrift zélf aangetoond. 2. Daarenboven stelt de eerste auditeur in zijn advies dat de door verzoeker gelaakte verkeershinder ‘niet zo zeer’ een gevolg is van de bestreden verkavelingsvergunning (bouwvergunning), maar van een overigens noodzakelijke voorafgaande beslissing, nl. het gemeenteraadsbesluit van 16 november 1998, waarbij het tracé van de wegenis werd goedgekeurd. Verzoeker kan deze redenering absoluut niet volgen: Op het ogenblik van de goedkeuring van de wegenis, had verzoeker absoluut geen zicht op het feit dat door de verkavelingen (Bosveld I en Bosveld II) in totaal om en bij de 75 woningen zouden worden ingeplant. Het is niet het feit van de wegenis, maar het feit dat een zo ruim aantal woningen worden ingeplant dat verzoeker treft en dat dan ook deels zijn belang uitmaakt. Qua belang is niet de aanleg van de weg hinderlijk, maar het feit dat door overbebouwing van de verkaveling (waardoor inderdaad zeer druk verkeer zal ontstaan). Eventuele vernietiging van de bestreden beschikking zal derhalve zeer zeker soelaas brengen. Er kan dan niet alleen worden gezocht naar een andere geschiktere ontsluiting (bv. via de Meerlaan), alsook naar een evenwichtiger bebouwing waarbij niet alleen de belangen van de verkavelaars voor ogen worden gehouden”; 3.2.1. Overwegende dat met de verzoeker wordt aangenomen dat hij zijn belang niet enkel situeert in de overdreven verkeershinder die de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunningen voor hem zal meebrengen; dat hij zijn belang eveneens situeert in de verstoring van de goede ruimtelijke ordening voortvloeiend uit het geheel van de bestreden beslissingen; 3.2.2. Overwegende dat uit de bestreden verkavelingsvergunningen “Bosveld I” en “Bosveld II” blijkt dat de verkavelingen nauw samenhangen en dat de verkaveling “Bosveld I” de creatie voorziet van 26 loten, waarvan 12 kavels zijn voorzien voor open bebouwing en 14 kavels voor halfopen bebouwing; dat de verkaveling “Bosveld I” ook de aanleg van nieuwe wegenis inhoudt in die zin dat aan de voorliggende Bosveldstraat (waar de verzoeker woont) een toegangsweg wordt aangelegd die over ongeveer 117 meter het binnengebied penetreert; dat deze weg vervolgens een aftakking heeft naar links en naar rechts; dat de aftakking naar links eindigt op een keerpunt; dat de aftakking naar rechts uitloopt op een andere nieuw aan te leggen weg, in die zin dat naar links dieper in het binnengebied wordt afgezwenkt en in de toekomst een lus zal worden gemaakt met de verkaveling X-10.473-13/15 “Bosveld II”, terwijl naar rechts terug de richting naar de Bosveldstraat wordt genomen om zo aan te sluiten bij de daar geplande verkaveling “Bosveld II”; Overwegende dat de verkaveling “Bosveld II”, de creatie voorziet van 24 loten, waarvan de loten 1 en 2 voorzien zijn voor open bebouwing en de rest van de loten voor halfopen bebouwing; dat deze verkaveling ook de aanleg van nieuwe wegen inhoudt en dat vanaf de voorliggende Bosveldstraat een nieuwe weg vertrekt die verder penetreert in het binnengebied en na een draaiing aansluit op de wegenis die in de verkaveling “Bosveld I” is voorzien; Overwegende dat de verzoeker in zijn laatste memorie op goede gronden kon aanvoeren dat hij op het ogenblik van de goedkeuring van de wegenis geen zicht had op het feit dat door de verkavelingen Bosveld I en Bosveld II in totaal om en bij de 75 woningen zouden worden ingeplant; dat met de verzoeker kan worden aangenomen dat de ontsluiting van zoveel woningen in zijn onmiddellijke omgeving en de verstoring van zijn woonomgeving ten gevolge van de bestreden verkavelingen zijn belang aantonen; Overwegende dat de gewestplanbestemming “woongebied” uiteraard niet ipso facto eender welke vorm en intensiteit van bebouwing toelaat; Overwegende dat de exceptie ongegrond is; 3.2.3. Overwegende dat het onderzoek van het met de zaken gelaste lid van het auditoraat beperkt is tot het rechtens vereiste belang; dat er reden is de debatten te heropenen en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat te gelasten met het aanvullend onderzoek, BESLUIT: Artikel 1. De zaken A. 107.978/X-10.473, A. 107.979/X-10.475 en A. 119.060/X- 10.902 worden gevoegd. X-10.473-14/15 Artikel 2. De debatten worden heropend. Artikel 3. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen januari 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.473-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.447 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div