← België

Arrest 178458 - Milieuvergunningen - 10/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.458 Rolnummer: A. 158976/VII-33350 Zaak: Arrest 178458 - Milieuvergunningen - 10/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-23 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 07:28 Fiche Arrest nr 178.458 van 10 januari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.458 van 10 januari 2008 in de zaak A. 158.976/VII-33.

  1. In zake : de n.v. BAK-CONSULT, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te ANTWERPEN, Meir 24 tegen : de deputatie van de provincie ANTWERPEN. ------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. BAK-CONSULT op 6 januari 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 7 oktober 2004 waarbij het beroep ingesteld door de verzoekende partij tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem van 17 mei 2004, houdende weigering van de vergunning tot het veranderen door uitbreiding van een krattenwasserij, gelegen aan de Wijnegemsteenweg 25 te Wommelgem, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, de vergunning wordt verleend om de inrichting te veranderen door uitbreiding, de vergunning wordt geweigerd voor de opslag van meer dan 100 ton kunststoffen in een lokaal en de opslag van kunststoffen in open lucht, en de melding van de lozing van bedrijfsafvalwater als onontvankelijk wordt beoordeeld; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER, op grond van het inmiddels opgeheven artikel 94 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; VII-33.350-1/7 Gelet op de beschikking van 5 oktober 2007, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 6 december 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. DE CONINCK die, loco advocaat P. MALLIEN verschijnt voor de verzoekende partij, en van bestuurssecre- taris M. MICHIELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij baat een bedrijf uit waarvan de hoofdactivi- teit bestaat uit het wassen van kratten, paletten en voedingsvormen die in hoofdzaak afkomstig zijn uit de voedingsindustrie. Het bedrijf is gelegen in een zone voor ambachtelijke bedrijven of kleine en middelgrote ondernemingen. Op 12 februari 2004 dient de verzoekende partij een milieuver- gunningsaanvraag in voor de verandering van een inrichting van klasse 2 door uitbreiding. Zij vraagt, naast afwijkingen in verband met de breedte van het groenscherm en het houden van een afvalstoffenregister, ook de toelating om 500 ton kratten te mogen stockeren deels in de gebouwen (bestaande en een daarvoor nieuw gebouwde hal) en deels verder in de open lucht. Op 17 mei 2004 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem de gevraagde uitbreiding en afwijkingen. 1.
  4. Op 10 juni 2004 tekent de verzoekende partij administratief beroep aan tegen deze beslissing. Zij richt het aan de voorzitter van de Provinciale Milieuvergunningscommissie en zendt het naar "de Bestendige Deputatie van VII-33.350-2/7 Antwerpen, p/a Leefmilieu-Hinderlijke inrichtingen, Koningin Elisabethlei 22, 2018 Antwerpen". In dit beroepschrift vraagt zij uitdrukkelijk om te worden gehoord op de bijeenkomst van de Provinciale Milieuvergunningscommissie. 1.
  5. De Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert, daarmee het advies van de afdeling Milieuvergunningen volgend, de gevraagde afwijkingen wat betreft het afvalstoffenregister en het groenscherm toe te staan, maar de gevraagde stockering van kratten en paletten in open lucht te weigeren, eens de nieuwe loods in gebruik zal zijn, en de stockering van kratten en paletten tot 100 ton te beperken. 1.
  6. Op 7 oktober 2004 volgt de verwerende partij het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie en kent een vergunning toe voor de opslag van 100 ton kunststoffen in een lokaal, maar weigert ze voor zover de opslag wordt gevraagd van meer dan 100 ton kunststoffen in een lokaal en de opslag in open lucht. In de bijzondere voorwaarden kent zij de afwijkingen toe die worden gevraagd inzake het groenscherm en het houden van het afvalstoffenregister. Dit is het bestreden besluit. 1.
  7. Diezelfde 7 oktober 2004 schrijft de verzoekende partij de verwerende partij aan. Zij wijst er op dat reeds in het beroepschrift was gevraagd om te worden gehoord door de Provinciale Milieuvergunningscommissie, maar dat dit blijkbaar werd vergeten en dat de Provinciale Milieuvergunningscommissie, al een advies zou hebben verschaft. Zij stelt dat het perfect mogelijk is dit op te vangen door haar te laten horen door de verwerende partij zelf. Op 13 oktober 2004 antwoordt de dienst Milieuvergunningen van de provincie Antwerpen dat de zaak reeds door de verwerende partij is behandeld op 7 oktober 2004;
  8. De kennelijke gegrondheid van het annulatieberoep 2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van de hoorplicht vervat in artikel 24, §4, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I); dat zij stelt dat het beroep bij de verwerende partij is ingediend door milieuconsulent, de n.v. VEKMO, dat in een daaropvolgend schrijven van 10 juni 2004, dat was gericht aan de VII-33.350-3/7 verwerende partij en aan de voorzitter van de Provinciale Milieuvergunningscom- missie, uitdrukkelijk werd gevraagd om te worden gehoord door de Milieuvergun- ningscommissie, dat zij er in een aangetekend schrijven van 7 oktober 2004 aan de verwerende partij op wees dat zij niet door de Provinciale Milieuvergunningscom- missie was gehoord, dat de verwerende partij daar niet is op ingegaan, dat nochtans uit 's Raads arresten nr. 106.302 van 2 mei 2002 en nr. 92.150 van 11 januari 2001 blijkt dat een verzoeker samen met het indienen van het beroepschrift reeds kan vragen om te worden gehoord door de Milieuvergunningscommissie en niet moet wachten op de kennisgeving van het ontvankelijk bevinden van het beroep, dat de gebrekkige motivatie die zij in haar tweede middel aanklaagt geenszins voorhanden zou zijn geweest indien zij voorafgaandelijk was gehoord; 2.
  10. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat de verzoekende partij het ten onrechte laat voorkomen dat er twee brieven zouden zijn verstuurd, met name eerst een beroepschrift en daarna, op 10 juni 2004, een tweede schrijven waarin is gevraagd om te worden gehoord door de Provinciale Milieuvergunningscommissie, dat er evenwel slechts één schrijven is ontvangen, dat van 10 juni 2004, dat artikel 24, §4, van Vlarem I duidelijk bepaalt dat, wat de beroepsdossiers betreft, de aanvrager een verzoek om te worden gehoord moet richten aan de voorzitter van de Provinciale Milieuvergun- ningscommissie, uiterlijk twintig kalenderdagen na de datum van de verzending van de kennisgeving van de ontvankelijkheid van het beroep zoals bedoeld in artikel 50; dat zij aanvoert dat de verzoekende partij vooreerst geen enkel schrijven heeft gericht aan de voorzitter van de Provinciale Milieuvergunningscommissie, dat de brief van 10 juni 2004 gericht is aan de "bestendige deputatie van Antwerpen, dienst Leefmilieu - Hinderlijke inrichtingen", dat, ten tweede, de termijn van twintig dagen niet werd nageleefd, dat er integendeel, na de verzending van het bericht van ontvankelijkheidsverklaring, geen enkele aanvraag om te worden gehoord meer werd verstuurd; dat de verwerende partij benadrukt dat een aantal arresten van de Raad van State uitdrukkelijk bepalen "dat de aanvrager van een milieuvergunning op zijn verzoek door de commissie wordt gehoord en dat hij dat verzoek schriftelijk dient te richten tot de voorzitter van de provinciale milieuvergunningscommissie binnen de in artikel 24 § 4 vastgestelde termijn"; dat zij ten slotte, met betrekking tot de brief van 7 oktober 2004, antwoordt dat deze op het provinciebestuur werd ontvangen op 8 oktober 2004 en dus één dag na de zitting van de verwerende partij over het beroep, dat het dan ook onmogelijk was de verzoekende partij nog te horen, zoals haar ook werd gemeld in de brief van 13 oktober 2004; dat zij in onderge- VII-33.350-4/7 schikte orde vermeldt dat het een schriftelijke procedure betreft en er geen op straffe van nietigheid gestelde verplichting bestaat om de verzoekende partij te horen; 2.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord betoogt dat het schrijven van 10 juni 2004 in tweevoud werd opgesteld, dat het in eerste instantie een hoger beroep tegen een weigering van de milieuvergunning gericht aan de verwerende partij betrof, dat een tweede exemplaar van de brief echter was gericht aan de "voorzitter van de Provinciale Milieuvergun- ningscommissie", dat het beroep werd ondertekend door de gedelegeerd bestuurder, Rudy VERBEEK, maar in ontwerp opgesteld door de milieudeskundige, de n.v. VEKMO, dat deze brief in een tweede alinea de volgende zinsnede bevat : "Ter vrijwaring van onze rechten op verdediging wordt hierbij reeds verzocht om gehoord te worden op de bijeenkomst van de PMVC"; dat zij voorts stelt dat artikel 24, §4, van Vlarem I wel de uiterste datum vermeldt waarop dit moet worden aangevraagd, namelijk 20 kalenderdagen na de datum van verzending van de kennisgeving tot ontvankelijkheid van het beroep, dat die bepaling evenwel niet inhoudt dat men enkel kan vragen om te worden gehoord na de betreffende ontvankelijkheidsverklaring en dat men alsdan slechts een termijn van 20 dagen heeft, dat het perfect wettelijk is om reeds in het beroepschrift te vragen om te worden gehoord door de Provinciale Milieuvergunningscommissie, dat dit reeds werd bevestigd in 's Raads arrest nr. 106.302 van 2 mei 2002; dat de verzoekende partij voorts aanvoert dat het vaststaat dat de verwerende partij de brief van 7 oktober 2004 heeft ontvangen alvorens het besluit van 7 oktober 2004 werd ondertekend, dat zoals bij elke overheid, er een principebeslissing wordt genomen op een welbepaalde zitting en de beslissing zelf slechts ten vroegste op de volgende zitting wordt ondertekend, dat dit ook de reden is waarom het besluit slechts op 5 november 2004 kon worden verzonden, dat de verwerende partij dus nog perfect de ondertekening van het besluit had kunnen uitstellen en de verzoekende partij eerst nog kon horen en eventueel haar beslissing kon wijzigen, dat zij evenwel wetens en willens het euvel niet heeft willen oplossen; 2.
  12. Overwegende dat artikel 24, §4, van Vlarem I als volgt luidt : "Op zijn verzoek wordt de aanvrager van een milieuvergunning door de commissie gehoord. De aanvrager dient dit verzoek schriftelijk te richten tot de voorzitter van de provinciale milieuvergunningscommissie uiterlijk twintig kalenderdagen na de datum van indiening van de milieuvergunningsaanvraag bedoeld in artikel 6, §1, 1/, of na de datum van de verzending van de kennisge- ving tot ontvankelijkheid van het beroep bedoeld in artikel 50,1/,c)"; VII-33.350-5/7 dat artikel 24, §4, van Vlarem I, twee voorwaarden stelt; dat met betrekking tot de eerste voorwaarde, met name de vereiste dat de vraag om te worden gehoord schriftelijk tot de voorzitter van de Provinciale Milieuvergunningscommissie moet worden gericht, wordt vastgesteld dat de verzoekende partij op 10 juni 2004 bij aangetekend schrijven gericht aan "de Bestendige Deputatie van Antwerpen, p/a Leefmilieu-Hinderlijke inrichtingen, Koningin Elisabethlei 22, 2018 Antwerpen" beroep heeft aangetekend tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem; dat er in het dossier geen duidelijke aanwijzing is van twee brieven, zoals de verzoekende partij voorhoudt; dat dit evenwel van geen belang is, nu de aanspreking in de brief van 10 juni 2004 als volgt luidt : "Geachte Heer, Mevrouw, Geachte Voorzitter van de Provinciale Milieuvergunningscommissie" en in de brief voorts uitdrukkelijk wordt gesteld : "Ter vrijwaring van onze rechten op verdediging wordt hierbij reeds verzocht om gehoord te worden op de bijeenkomst van de PMVC"; dat uit het administratief dossier blijkt dat het adres waarnaar het beroepschrift is verstuurd ook het adres is van de Provinciale Milieuvergunningscommissie; dat er aldus geen enkele twijfel over bestaat dat het beroepschrift ook een aan de voorzitter van de Provinciale Milieuvergunningscommissie gerichte vraag om te worden gehoord, bevat; dat met betrekking tot de tweede voorwaarde, met name de vereiste dat de vraag om te worden gehoord uiterlijk twintig kalenderdagen na de datum van de verzending van de kennisgeving tot ontvankelijkheid van het beroep bedoeld in artikel 50,1/,c), wordt gesteld, niet wordt ingezien, zoals de verwerende partij beweert, waarom een aanvrager-beroepsindiener pas geldig zou kunnen verzoeken om te worden gehoord over zijn beroep, nadat eerst kennis werd gegeven van het ontvankelijk bevinden ervan; dat artikel 24, §4, van Vlarem I immers zo moet worden gelezen dat diegene die wenst te worden gehoord dit uiterlijk twintig kalenderdagen na de datum van de verzending van de kennisgeving tot ontvankelijk- heid van het beroep moet vragen; dat hierboven is vastgesteld dat reeds het beroepschrift van 10 juni 2004 de uitdrukkelijke vraag bevat om te worden gehoord door de Provinciale Milieuvergunningscommissie; dat aldus vaststaat dat de vraag van de verzoekende partij om te worden gehoord tijdig is gesteld; dat het ten slotte geenszins wordt betwist dat de verzoekende partij niet is gehoord door de Provinciale Milieuvergunningscommissie; dat het eerste middel kennelijk gegrond is, VII-33.350-6/7 BESLUIT: Artikel
  13. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 7 oktober 2004 waarbij het beroep ingesteld door de n.v. BAK-CONSULT tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem van 17 mei 2004, houdende weigering van de vergunning tot het veranderen door uitbreiding van een krattenwasserij, gelegen aan de Wijnegemsteenweg 25 te Wommelgem, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, de vergunning wordt verleend om de inrichting te veranderen door uitbreiding, de vergunning wordt geweigerd voor de opslag van meer dan 100 ton kunststoffen in een lokaal en de opslag van kunststoffen in open lucht, en de melding van de lozing van bedrijfsafvalwater als onontvankelijk wordt beoordeeld. Artikel
  14. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari tweeduizend en acht, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-33.350-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.458 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.