← België

Arrest 178474 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 10/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.474 Rolnummer: A. 130586/VII-28571 Zaak: Arrest 178474 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 10/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-23 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 07:28 Fiche Arrest nr 178.474 van 10 januari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.474 van 10 januari 2008 in de zaak A. 130.586/VII-28.

  1. In zake : de n.v. LOOAKKER, die woonplaats kiest bij advocaat M. DOUTRELUIGNE, kantoor houdende te KORTRIJK, H. Consciencestraat 9 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaten G. MARTYN en F. VINCKE, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd.VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. LOOAKKER op 16 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 23 september 2002, houdende uitspraak over de vraag tot herziening van de beslissing van de Mestbank van 2 mei 2001 tot vaststelling van de nutriëntenhalte voor het mestbanknummer 37018052608 op de inrichting nr. 107241580, Ondankstraat 3 te WINGENE; Gezien de memorie van antwoord en de memorie van wederant- woord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 11 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-28.571-1/7 Gelet op de beschikking van 3 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 november 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. PIEN die, loco advocaat M. DOUTRELUIGNE verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. VINCKE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT
  3. Voorliggende betwisting gaat erom dat de verzoekende partij aanspraak wenst te maken op een andere berekeningsmethode van de nutriëntenhalte dan deze gehanteerd in de bestreden beslissing, en dit op grond van het bepaalde in artikel 33bis, § 3, 2/, van het meststoffendecreet.
  4. Wat de bevoegdheid van de Raad van State betreft, is het wenselijk is de in casu toepasselijke regelgeving toe te lichten : 2.
  5. Artikel 26, 4/, van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (meststoffendecreet) voegt in artikel 21 van het meststoffendecreet een paragraaf 6 in, die bepaalt dat er een superheffing SH1 en SH2 is, waarvan de opbrengst integraal wordt toegekend aan de Mestbank, lastens elke producent die meer dierlijke mest heeft geproduceerd dan de nutriëntenhalte bedoeld in artikel 33bis. Artikel 33bis van het meststoffendecreet werd ingevoegd bij artikel 29 van voornoemd decreet van 11 mei
  6. Paragraaf 1 bepaalt dat aan elke landbouwinrichting en/of een deel hiervan en/of aan elke veeteeltinrichting en/of een deel hiervan die voldoet aan de definitie van bestaande veeteeltinrichting of waarvan minstens sinds het aanslagjaar 1995 tijdig en regelmatig jaarlijks aangifte VII-28.571-2/7 werd gedaan bij de Mestbank een P2O5-nutriëntenhalte (NHp) en een N-nutriënten- halte (NHn) wordt "toegekend". Artikel 2 van het meststoffendecreet definieert een bestaande veeteeltinrichting en landbouwinrichting respectievelijk als volgt : "6/ bestaande landbouwinrichting : een inrichting die in toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning niet als hinderlijke inrichting is ingedeeld in één of meer rubrieken die betrekking hebben op diersoorten vermeld in artikel 5, en waarvan minstens voor wat betreft aanslagjaar 1993 voor 29 september 1993 aangifte gedaan werd bij de Mestbank; 7/ bestaande veeteeltinrichting : een inrichting die ten minste één stal omvat met een capaciteit die in toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning als hinderlijk is ingedeeld in één of meer rubrieken die betrekking hebben op diersoorten vermeld in artikel 5 en waarvoor de definitieve bouwvergunning werd verleend voor 1 september 1991 en waarvan minstens voor wat betreft aanslagjaar 1993 voor 23 september 1993 aangifte gedaan werd bij de Mestbank. In de aangifte die op de inrichting betrekking heeft, moeten de dieren zijn aangegeven. Worden in het kader van de toepassing van dit decreet ook als bestaande veeteeltinrichting beschouwd de inrichtingen waarvoor na 1 september 1991 en voor 1 september 1995 de definitieve bouwvergunning en milieuvergunning werden bekomen en die aan de vereiste aangifteplicht in het kader van dit decreet hebben voldaan". De nutriëntenhalte is de maximaal toegelaten jaarlijkse productie aan dierlijke mest, ongeacht het aantal vergunde dieren. Zij geldt tot en met 31 december 2004 (artikel 33ter, § 1, 1/, a, van het meststoffendecreet, ingevoegd bij artikel 29 van het decreet van 11 mei 1999). Artikel 33bis, § 1, geeft duidelijk aan hoe deze nutriëntenhalte wordt bepaald. Het systeem komt er op neer dat het product wordt berekend van de gemiddelde veebezetting zoals aangegeven in de Mestbankaangifte met de daarop betrekking hebbende uitscheidingsnormen zoals vastgelegd in § 2 en zulks voor de productiejaren 1995, 1996 en 1997 (aanslagjaar 1996, 1997 en 1998). Het jaartal met de hoogste waarde wordt in aanmerking genomen. Artikel 33bis, § 3, van het meststoffendecreet bepaalt dat in afwijking van de algemene berekeningsmethode de Vlaamse regering een andere berekeningsmethode voor NHp en NHn kan bepalen in volgende vier gevallen : 1/ inrichtingen met diercategorieën die voor de aanslagjaren 1998, 1997 en 1996 moesten worden aangegeven onder de dieren- categorie "ander pluimvee"; hierbij moet rekening worden gehouden met de productiecijfers zoals bepaald in artikel 5, onder VII-28.571-3/7 III.3 voor struisvogels, III.4 voor kalkoenen en III.5 voor ander pluimvee; 2/ bestaande veeteeltinrichtingen waarvoor na 1 januari 1996 door de bevoegde overheid een milieuvergunning werd verleend; 3/ inrichtingen waarvan de exploitatie gedurende een periode geheel of gedeeltelijk onmogelijk is geweest ingevolge overmacht of toeval; 4/ producenten die zich in de periode tussen 1 januari 1995 en 1 januari 2000 voor de eerste maal als landbouwer in hoofdbe- roep hebben gevestigd en hiervoor een investering hebben gedaan en jonger zijn dan 40 jaar (ingevoegd bij artikel 52 van het decreet van 8 december 2000). Artikel 33bis, § 6, bepaalt dat de producent aan de Vlaamse regering een herziening en/of een andere berekeningsmethode kan vragen van de voor zijn inrichting of een deel hiervan gemaakte berekening van de nutriëntenhalte en dat de Vlaamse regering hieromtrent nadere regels kan vaststellen. Met het besluit van de Vlaamse regering van 3 maart 2000 ter uitvoering van de artikelen 11, § 1, 13/ en § 7, 33 en 33bis van voormeld meststoffendecreet (nutriëntenbesluit) vindt de regeling inzake de nutriëntenhalte verdere uitvoering. Artikel 4, §§ 1 en 2, van het besluit bepaalt dat de Mestbank de nutriëntenhalte van een inrichting berekent en de producent daarvan op de hoogte brengt. Artikel 5 schrijft voor dat de producent met betrekking tot de toekenning van de nutriëntenhalte een eenmalige herberekening kan vragen aan de Mestbank in de gevallen die deze bepaling opsomt. Vier van deze gevallen (§ 1, tweede lid, 2/, 3/, 4/ en § 1bis, 4/) zijn deze voorzien bij artikel 33bis, § 3, van het meststoffendecreet (zie supra). Een ander geval is dat waarbij de producent van oordeel is dat bij de berekening door de Mestbank een fout is gemaakt in de berekeningsmethode en/of in de bepaling van de nutriëntenhalte (§ 1, tweede lid, 5/) en is het geval waarbij de toepassing wordt gevraagd van voetnoot 1 bij artikel 33bis, § 1, van het meststoffendecreet waarbij voor melkkoeien de nutriëntenhalte VII-28.571-4/7 met een andere uitscheidingswaarde wordt berekend op basis van in de voetnoot vastgelegde regressievergelijkingen (§ 1, tweede lid, 2/). Bij elk van die gevallen wordt precies aangegeven welke nadere preciseringen en stukken van de exploitant worden gevraagd. Artikel 5, § 2 tot en met § 6quinquies, bepaalt hoe in de diverse gevallen de herberekening gebeurt. Zo wordt in de gevallen van overmacht of toeval, het verlenen van een milieuvergunning na 1 januari 1996 en het zich voor de eerste maal in de periode tussen 1 januari 1995 en 1 januari 2000 vestigen als landbouwer in hoofdberoep, de onderbouwde gemiddelde veebezetting voor het productiejaar 2000 in aanmerking genomen, in plaats van de gemiddelde veebezetting in de referentiejaren 1995, 1996 of
  7. Artikel 9 bepaalt dat indien de producent niet akkoord gaat met de op basis van onder meer artikel 5 aan zijn inrichting toegekende nutriëntenhalte, hij per aangetekende brief van de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu een herziening van de toegekende nutriëntenhalte kan vragen, die binnen de zestig dagen na postdatum van de aangetekende zending dient te beslissen; 2.
  8. De hiervoren op samengevatte wijze weergegeven reglementering heeft tot doel via het opleggen van superheffingen bij overschrijding van de toegekende nutriëntenhalte een stand-still te bewerkstelligen op niveau van landbouw- en veeteeltinrichtingen. Door het invoeren van "het nieuwe begrip 'nutriëntenhalte'" wordt belet dat een exploitant de gemiddelde veebezetting zou optimaliseren tot het vergunde maximum aantal dieren (Memorie van Toelichting bij ontwerp van decreet tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985, betreffende de milieuvergunning, Gedr. St., Vl. R., 1998-1999, nr. 1317, 1, 7 en 8). Aldus wordt door de bepaling van de nutriëntenhalte rechtstreeks het subjectief recht dat een exploitant put uit de hem verleende exploitatie- en milieuvergunningen overeenkomstig de vastgestelde regels afgebakend, desgevallend beperkt en bij overschrijden van de toegekende nutriëntenhalte wordt de exploitant aan een superheffing onderworpen. Daar tegenover staat dat de exploitant wiens inrichting aan de daartoe vastgestelde voorwaarden voldoet recht heeft op een bepaalde nutriëntenhalte die kan verschillen naargelang de basisberekeningsmethode toepasselijk is of naargelang hij aanspraak wenst te maken op een andere berekeningsmethode (zie supra). Zowel het recht op een nutriëntenhalte als de bepaling van de nutriëntenhalte volgens welke bereke- ningsmethode dan ook, liggen wettelijk vast en laten geen ruimte voor enige vrije VII-28.571-5/7 beoordeling. Het antwoord op de vraag of de exploitant wel in één van de gevallen verkeert die hem het recht geeft om aanspraak te kunnen maken op een nutriënten- halte en desgevallend op een andere berekeningsmethode is een kwestie van interpretatie van de toepasselijke regeling met inbegrip van de controle van de over te leggen stukken en niet van appreciatie ervan. Met andere woorden kan de overheid desbetreffend binnen de wettelijke grenzen niet meerdere beslissingen nemen, die alle wettig zijn. Indien de exploitant aantoont dat zijn inrichting voldoet aan de voorwaarden van artikel 33bis, § 1, van het meststoffendecreet, beschikt hij over een subjectief recht tot toekenning van een nutriëntenhalte overeenkomstig dezelfde paragraaf. Indien de exploitant aantoont dat hij in één van de gevallen voor het verlenen van een andere berekeningsmethode verkeert en dat hij voldoet aan de voorwaarden die desbetreffend worden gesteld, is de overheid verplicht de nutriëntenhalte berekend overeenkomstig de andere berekeningsmethode aan de exploitant toe te kennen en alsdan beschikt de exploitant over een subjectief recht tot toekenning van een nutriëntenhalte berekend overeenkomstig de andere toepasselijke berekeningsmethode. 2.
  9. Gelet op hetgeen voorafgaat, moet worden besloten dat het werkelijke voorwerp van de vordering een betwisting over subjectieve rechten betreft. De Raad van State is overeenkomstig artikel 144 van de Grondwet niet bevoegd om kennis te nemen van voorliggende vordering. Het beroep is onontvan- kelijk.
  10. Het komt gepast voor, gelet op de omstandigheden van de zaak, om de kosten van het beroep ten laste te leggen van het Vlaamse Gewest.
  11. Luidens artikel 144 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken van de rechterlijke macht. Bijgevolg is de Raad van State zonder rechtsmacht om kennis te nemen van een vordering tot toekeninning van een schadevergoeding die steunt op een beweerde fout vanwege de overheid in de zin van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek, VII-28.571-6/7 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel
  12. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari tweeduizend en acht, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. E. BREWAEYS. VII-28.571-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.474 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.