← België

Arrest 178486 - Varia (onderwijs en cultuur) - 10/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.486 Rolnummer: A. 186518/XII-5309 Zaak: Arrest 178486 - Varia (onderwijs en cultuur) - 10/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-21 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 07:28 Fiche Arrest nr 178.486 van 10 januari 2008 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.486 van 10 januari 2008 in de zaak A. 186.518/XII-

  1. In zake : Jan SMITS, die woonplaats kiest bij advocaat A. Smulders, kantoor houdende te Duffel, Wandelingstraat 57 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jan Smits op 2 januari 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de beslissing van 17 december 2007 van de raad van beroep voor het personeel van het Gemeenschapsonderwijs; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 3 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 januari 2008, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Smulders, die verschijnt voor verzoeker, en van adjunct van de directeur M. Broucke, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, XII-5309-1/4 OVERWEEGT WAT VOLGT :
  2. Verzoeker is leraar aan het CVO Meviza (Mechelen-Vilvoorde- Zaventem) bij de scholengroep nr. 10 van het Gemeenschapsonderwijs. Op 13 juli 2007 tekent verzoeker beroep aan bij de raad van beroep voor het personeel van het Gemeenschapsonderwijs tegen de evaluatie “onvoldoende” van 7 juni 2007 toegekend door de directeur van het CVO en tegen de evaluatie “onvoldoende” van 25 mei 2007 toegekend door de pedagogisch adviseur. Met de voorliggende vordering richt hij zich tegen de beslissing van 17 december 2007 waarbij de raad van beroep voor het personeel van het Gemeenschapsonderwijs beslist dit beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.
  3. De stukken van het administratief dossier doen de vraag rijzen of verzoeker wel op een behoorlijke wijze het georganiseerd administratief beroep bij de raad van beroep heeft uitgeput, en dus of hij wel op ontvankelijke wijze een annulatieberoep kan instellen -en de vordering tot schorsing, die er een accessorium van is- bij de Raad van State. Die vraag kan evenwel vooralsnog zonder antwoord blijven. Hierna zal immers blijken dat de vordering hoe dan ook niet voldoet aan ten minste één van de gestelde schorsingsvoorwaarden.
  4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verant- woorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  5. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid verstoort het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State op ernstige wijze, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende en eventueel tussenkomende partij aanzienlijk in het gedrang. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat XII-5309-2/4 ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door verzoeker op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Dit laatste impliceert dat verzoeker aan de hand van precieze en concrete gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen.
  6. In de nota met opmerkingen werpt verwerende partij geheel terecht op dat het gissen is naar de argumentatie desbetreffend van verzoeker. Weliswaar bevat het verzoekschrift een titel “dat inzake de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt geargumenteerd als volgt”. Wat dan volgt is echter een onderdeel over “het belang”, een onderdeel over “de tijdigheid” en een onderdeel over “de marginale toetsing”. Zelfs nog rekening houdende met het feit dat verzoeker in zijn uiteenzetting over het belang schrijft dat “er nu automatisch zal geoordeeld worden over ontslag, wat ongetwijfeld zijn invloed zal hebben binnen de 45 dagen” en dat “binnen de maand” de scholengroep nr. 10 “een tuchtsanctie [zal] moeten opleggen waardoor zij een gebonden bevoegdheid dient uit te oefenen”, en zonder thans te onderzoeken of een ontslag in de concrete situatie van verzoeker als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in aanmerking zou komen, dan nog heeft de Raad er het raden naar waarom de beslissing van de raad van beroep niet volgens de gewone schorsingsprocedure kan worden afgewerkt en waarom het nadeel dat verzoeker van een gebeurlijk ontslag dreigt te ondergaan zonder onmiddellijke schorsing van de voorliggende beslissing niet meer te weren is. Uit wat voorafgaat volgt dat aan de eerste grondvoorwaarde niet is voldaan. XII-5309-3/4 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  7. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  8. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari 2008, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5309-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.486 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.796 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.