id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.500 Rolnummer: A. 184199/XIV-29579 Zaak: Arrest 178500 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 10/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-25 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 07:28 Fiche Arrest nr 178.500 van 10 januari 2008 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.500 van 10 januari 2008 in de zaak A. 184.199/XIV-29.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. VAN ROSSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat 93 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Chinese nationaliteit, op 29 juni 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing VB/07- 0045/ON14778 van 27 april 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij het beroep tegen de beslissing van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot weigering van de erkenning van de status van vluchteling van 19 januari 2007, wordt verworpen; Gelet op de beschikking nr. 986 van 19 juli 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 december 2007; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-29.579-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. DASSEN die, loco Advocaat S. VAN ROSSEM verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché R. LARNO, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Schending van de motiveringsverplichting Verzoeker werd geweigerd als vluchteling door de raad voor vreemdelingenbetwisting- en en kreeg evenmin het subsidiair beschermingsstatuut. Dat verzoeker zich niet kan verzoenen met de motivering waarom hij niet erkend wordt en hem het subsidiaire beschermingsstatuut werd geweigerd. Dat de enige motivering luidt: "Het beroep is niet ontvankelijk wegens ontstentenis van het wettelijke vereiste rechtmatig belang en wegens het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit”. Dat men blijkbaar zijn beslissing alleen hierop steunt. Dat verzoeker wel degelijk een rechtmatig belang had bij het instellen van zijn beroep en nu nog steeds!!! Verzoeker is afkomstig uit Tibet en kan onmogelijk terug naar zijn land van herkomst. Bovendien werd er nooit getwijfeld aan zijn identiteit. Verzoeker riskeert een ernstige bedreiging van zijn leven of persoon als gevolg van het willekeurige geweld in zijn land. Dat de raad voor vreemdelingenbetwistingen hier totaal geen rekening mee heeft gehouden. Men had dienen te onderzoeken of verzoeker wel degelijk terug kon naar zijn land van herkomst en dit is totaal niet het geval. Dat men de voorwaarden om te ressorteren onder de vluchtelingenconventie of om het subsidiaire beschermingsstatuut toe kennen in zijn hoofde totaal niet onderzocht heeft! Dat ondanks de aanvraag voor het subsidiaire beschermingsstatuut hier ook niet wordt op ingegaan. Dat dit niet wordt gemotiveerd waarom dit wordt geweigerd. Dat verzoeker meent dat de huidige situatie en het feit dat zijn situatie nog niet gewijzigd is hij recht heeft op het subsidiaire beschermingsstatuut. Dat men hier dan wel degelijk kan spreken van een gebrekkige motivering. Dit is een duidelijke fout in de motiveringsverplichting. Dat het duidelijk is dat de voorwaarden van de beide artikels voor hem persoonlijk niet onderzocht zijn. Dat de voorwaarden die aan de basis liggen van zijn aanvraag nog wel degelijk aanwezig zijn. Dat hij ook in de huidige context nog steeds angst heeft. Dat verzoeker dan ook meent dat zijn aanvraag niet op een zorgvuldige wijze werd behandeld. Dat er geen rekening werd gehouden met de situatie van de Tibetanen in China. Dat er een beslissing genomen werd zonder zijn persoonlijke situatie te onderzoeken. Dat dit echter alleen op zich geen reden tot weigering kan zijn. De raad voor vreemdelingenbetwistingen moet op de dag van de zitting oordelen of er daadwerkelijk gevaar bestaat bij een eventuele terugkeer. XIV-29.579-2/5 Doch men moet hierbij nog wel rekening houden met alle argumenten. Gelet op de precaire situatie van Tibetanen in China, kan men toch niet verwijzen naar een algemeen rechtsbeginsel en het feit dat verzoeker geen rechtmatig belang zou hebben als enige motivering om tot weigering over te gaan! De huidige beslissing en de argumentatie die ervoor gegeven wordt is dan ook niet redelijk gelet op de gevolgen die huidige beslissing voor verzoeker heeft. Dat hij dan ook nog steeds een concreet gevaar loopt. Dat in huidige casu er een gebrekkige motivering is aangezien beslissingen in bestuurszaken dienen gemotiveerd te worden zodanig dat de motivering de beslissing draagt en verzoeker duidelijk maakt waarom tot een dergelijke weigering werd overgegaan. Dat de motivering in huidig geval verschillende gebreken vertoont aangezien op generlei wijze werd aangetoond waarom verzoeker zijn angst voor vervolging niet aannemelijk kan maken en men gewoon overgaat tot het nemen van de weigeringsbe- slissing. Hij heeft tevens onderstreept dat zijn redenen onder de Conventie vallen minstens het verkrijgen van het subsidiaire beschermingsstatuut. Op al deze elementen wordt niet ingegaan en verzoeker kan zich dan ook niet verzoenen met een dergelijke motivering om over te gaan tot weigering van zijn aanvraag. Buiten de gronden voor vervolging moet men nog nagaan of op dit ogenblik verzoeker concreet een ernstig gevaar loopt op schade indien hij zou terugkeren, dit heeft men nagelaten te doen. Dat verzoeker nogmaals het werkelijke gevaar wenst te benadrukken dat hij loopt bij een eventuele terugkeer. De vrijheid van godsdienst, meningsuiting en vereniging in Tibet wordt ernstig beperkt, en willekeurige arrestaties en oneerlijke processen zijn schering en inslag. Tientallen gewetensgevangenen, onder wie boeddhistische monniken en nonnen, zitten nog achter de tralies, waar ze het gevaar lopen te worden gemarteld of mishandeld. Het 'patriottisch educatief programma' gelanceerd door de Chinese autoriteiten in 1996 om de controle te verkrijgen over de kloosters en de abdijen en om de invloed van de verbannen Dalai Lama te ondermijnen, gaat nog steeds door. Gelet op het bovengaande is het voor verzoeker werkelijk onmogelijk om terug te keren naar Tibet. De problematiek ter plekke is dus zeer ernstig en de beslissing van de raad voor vreemdelingenbetwistingen is dan ook onbegrijpelijk met betrekking tot het niet toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus. Dat verzoeker dan ook met aandrang vraagt huidige beslissing te willen vernietigen omwille van de gebrekkige motivering en onzorgvuldige behandeling. Dat dit nooit de bedoeling kan zijn van de nieuwe wet m.b.t. het subsidiaire bescher- mingsstatuut.”;
- Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van de motiverings- plicht omdat deze gebaseerd is op het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit”; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker drie uitlopende feitenrelazen heeft gegeven waarom hij zich verplicht zag zijn land van herkomst, China en Tibet in het bijzonder, te ontvluchten; dat op basis van deze vaststelling de Vaste Beroepscommissie voor vluchteling- en terecht kon beslissen dat verzoeker optrad met een bedrieglijk oogmerk, te meer daar hij luidens de bestreden beslissing zelf toegeeft in zijn eerste interview te hebben gelogen; dat de toekenning van het subsidiaire beschermingsstatuut wordt geregeld in artikel 48/4 van de XIV-29.579-3/5 wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) dat als volgt luidt: “Art. 48/
- §
- De subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend aan de vreemdeling, die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt en die geen beroep kan doen op artikel 9ter, en ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in paragraaf 2 en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen en niet onder de uitsluitingsgronden zoals bepaald in artikel 55/4, valt. §
- Ernstige schade bestaat uit: a) doodstraf of executie; of, b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of c) ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.”; dat in casu blijkt dat verzoeker zich beroept op problemen die hij had in Tibet, luidens zijn laatste versie van de feiten, omwille van het gegeven dat hij voordien in India had verbleven en dit door anderen naar buiten werd gebracht waardoor hij problemen met de autoriteiten kreeg; dat in de bestreden beslissing wordt vastgesteld dat dit element, het verblijf in India, dat onmiskenbaar van invloed was bij de beslissing om het beweerde land van herkomst te ontvluchten, pas op het interview ten gronde voor het eerst ter sprake kwam; dat een dergelijke houding eveneens invloed heeft op het kader waarin de vraag om subsidiaire bescherming, conform artikel 48/8 van de Vreemdelingenwet, dient te worden beantwoord; dat, aangezien verzoeker niet heeft aangetoond, gelet op de vastgestelde bedrieglijkheid waarmee hij is tewerk gegaan, effectief uit Tibet te zijn gevlucht alvorens in België asiel te hebben aangevraagd, evenmin staande kan worden gehouden dat de subsidiaire bescherming in dit ruimtelijke kader dient te worden beoordeeld; dat dient besloten dat de bestreden beslissing op afdoende wijze heeft gemotiveerd waarom eveneens de subsidiaire bescher- ming niet kan worden verleend aan verzoeker; dat het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, XIV-29.579-4/5 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.579-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.500 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.