id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.529 Rolnummer: A. 151196/IX-4506 Zaak: Arrest 178529 - Organisatie van de dienst - 14/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-24 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:29 Fiche Arrest nr 178.529 van 14 januari 2008 Openbaar ambt - Organisatie van de dienst Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.529 van 14 januari 2008 in de zaak A. 151.196/IX-
- In zake :
- Patrick MASSAGÉ,
- Vincent DRUEZ,
- Michel VAN BRUSSEL,
- Jean-Paul DELEUZE, die woonplaats kiezen bij advocaat P. LUYPAERS, kantoor houdende te HEVERLEE, Industrieweg 4, bus 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging, die woonplaats kiest bij advocaat E. JACUBOWITZ, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Patrick MASSAGÉ, Vincent DRUEZ, Michel VAN BRUSSEL en Jean-Paul DELEUZE op 28 april 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de minister van Landsverdediging waarbij gesteld wordt dat, in afwachting van de resultaten van een grondige doorlichting van de globale werking van het militair hospitaal, “de verantwoordelijke van het Brandwondencentrum zich (zal) terugtrekken”, “de mutatieaanvragen geschorst worden” en “de adjunct van de geneesheer kolonel PIRSON diens functie tussentijds (zal) waarnemen”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 12 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-4506-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 november 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat H.-K. CARÊME die, loco advocaat P. LUYPAERS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat E. JACUBOWITZ, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur St. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- Verzoekers zijn allen geneesheer, als chirurg tewerkgesteld in het brandwondencentrum van het militair hospitaal te Neder-Over-Heembeek. Med. Lt. Kol. J. PIRSON is hoofd van deze dienst. 1.
- In de nacht van 19 op 20 januari 2004 verricht Med. Lt. Kol. J. PIRSON bij een binnengekomen patiënt een aantal medische handelingen. Eerste en vierde verzoeker dienen op 20 januari 2004 daaromtrent klacht in bij de medische raad van het militair hospitaal. 1.
- Op 2 april 2004 brengt een ad hoc-enquêtecommissie, opgericht met het oog op het onderzoek van de feiten die Lt. Kol. PIRSON op 20 januari 2004 begaan heeft, verslag uit. Met betrekking tot drie inbreuken -het uitvoeren als anesthesist van een aan chirurgen voorbehouden medische handeling (escarrotomie); het niet oproepen van de chirurg van wacht; de verwijzing naar een training van het personeel om een behandeling van de patiënt te verantwoorden- wordt geoordeeld dat hem niet kan verweten worden medische handelingen gesteld te hebben die IX-4506-2/8 voorbehouden waren aan chirurgen, dat het, gelet op de bijzondere situatie van de verstandhouding binnen het ziekenhuis, verkeerd was de geneesheer van wacht niet op te roepen voor consult en dat hij een fout inzake het leiding geven heeft begaan door op de stafvergadering van 20 januari 2004 de behandeling van een patiënt te kaderen in de training van het paramedisch personeel. De commissie besluit dat uit de twee weerhouden inbreuken blijkt dat Lt. Kol. PIRSON gebreken vertoont op het vlak van het management en dat de samenwerking met de vier chirurgen -de vier verzoekers in deze zaak- nu en in de toekomst onmogelijk is. 1.
- Op 21 april 2004 stelt de minister van Landsverdediging de commissie Landsverdediging van de Kamer van Volksvertegenwoordigers in kennis van een beslissing die hij samen met de Chef Defensie genomen heeft. In die beslissing wordt gesteld dat, uitgaande van het verslag van de ad-hoc commissie en van een rapport van de commissie Landsverdediging van de Kamer, een grondige analyse van de globale werking van het militair hospitaal nodig is. De personen worden aangeduid die met de opdracht, die “vóór het groot verlof van dit jaar” beëindigd moet zijn, worden belast. De beslissing besluit: “Intussen, en onder geen enkel beding vooruitlopend op de besluiten die zullen getrokken worden uit deze grondige analyse, zal de verantwoordelijke van het Brandwondencentrum zich terugtrekken, zullen de mutatieaanvragen geschorst worden en zal de adjunct van de Geneesheer-Kolonel PIRSON diens functie tussentijds waarnemen en alles in het werk stellen om de continuïteit van de openbare dienst en de kwaliteit van de aan de patiënten verstrekte zorgen te verzekeren.” Het hiervóór geciteerd onderdeel van de beslissing van 21 april 2004 vormt het formeel voorwerp van het onderhavig beroep. 1.
- Op 7 mei 2004 bereiken verzoekers en de commandant van de medische component van Defensie een consensus waarbij verzoekers aanvaarden om hun weigering om vanaf 28 april 2004 nog patiënten te behandelen, met onmiddel-lijke ingang op te schorten. Er wordt onder meer overeengekomen dat in het militair hospitaal “minstens de medische deontologie en ethiek geldt, zoals deze geldt in de burgerlijke, niet-militaire ziekenhuizen” en dat Lt. Kol. PIRSON, diensthoofd, “onverkort teruggetrokken blijft in afwachting van de maatregelen en beslissingen die de commandant zal treffen op grond van de resultaten van de IX-4506-3/8 gemandateerde werkgroep”. De chef Defensie gaat op 7 mei 2004 akkoord met de bereikte overeenkomst. 1.
- Met arrest nr.131.903 van 28 mei 2004 schorst de Raad van State de beslissing van 21 april 2004 van de minister van Landsverdediging, en van 7 mei 2004 van de chef Defensie waarbij Lt. Kol. PIRSON tijdelijk uit zijn functie van diensthoofd van het brandwondencentrum ontheven wordt. Met arrest nr.132.223 van 9 juni 2004 schorst de Raad van State de beslissing van 1 juni 2004 van de commandant van de medische component van Defensie om Med. Lt. Kol. PIRSON tijdelijk te ontheffen uit zijn functie van diensthoofd en hem ter beschikking te stellen van de algemene directie Human Resources. Aan de verwerende partij wordt verbod opgelegd enige handeling te stellen die het hervatten van zijn opdracht door Lt. Kol. PIRSON belemmert. Met arrest nr.135.403 van 24 september 2004 schorst de Raad van State de beslissing van 20 september 2004 om Lt. Kol. PIRSON te muteren en T. BRUYNS aan te wijzen als diensthoofd van de afdeling “kritische zorgverstrek- king”. De Raad van State heeft vervolgens de geschorste beslissingen vernietigd met de arresten nrs. 151.518, nr. 151.519 en 151.520 van 22 november
- 1.
- Bij drie koninklijke besluiten van 23 februari 2005 wordt het door de eerste, tweede en vierde verzoeker aangeboden ontslag uit het ambt dat zij in de categorie van de beroepsofficieren van de medische dienst bekleden, aangenomen op 1 maart
- Met een koninklijk besluit van 2 juli 2005 wordt het door derde verzoeker aangeboden ontslag uit het ambt dat hij in de categorie van de beroepsof- ficieren van de medische dienst bekleedt, aangenomen op 1 juli
- IX-4506-4/8 De ontvankelijkheid
- Blijkens het verzoekschrift leggen de verzoekende partijen hun belang in het feit dat de bestreden beslissing definitief een einde stelt aan het onderzoek van de klachten die zij tegen Med. Lt. Kol. PIRSON ingediend hebben en hen verplicht verder als chirurg in het brandwondencentrum te blijven werken “in omstandigheden waarin deontologisch laakbare feiten onwettelijk en onzorgvuldig onderzocht worden en vervolgens gedoogd worden”. De audit over de globale werking van het hospitaal, waartoe besloten wordt, zal geen duidelijkheid brengen aangaande de misdragingen die zij aan het diensthoofd verwijten en vormt slechts een drogreden om Med Lt Kol PIRSON verder in bescherming te nemen en hem, zonder zorgvuldig onderzoek van de feiten die hem ten laste worden gelegd en zonder daaraan de gevolgen te verbinden die de medisch-deontologische regels opleggen, opnieuw te kunnen inschakelen in de nieuwe structuur die voor het militair hospitaal uitgewerkt wordt. De gedoogpraktijk waarvan de verwerende partij in dit geval blijk geeft, heeft tot gevolg dat verzoekers, die de medische deontologie en ethiek wel degelijk ernstig nemen, gedwongen worden om in het militair hospitaal te blijven werken en dat zij dat moeten doen in omstandigheden die niet stroken met de medische deontologie.
- De verwerende partij stelt dat de verzoekende partijen zich verzetten tegen een beslissing die de Raad van State niet kan vernietigen en dat de verzoekende partijen niet beschikken over het belang dat de wet vereist. Zo de Raad van State in het arrest nr. 131.903 van 28 mei 2004 inzake PIRSON heeft kunnen vaststellen dat de beslissing van 21 april 2004 voor de verzoeker zelf ernstige gevolgen had, dan bewijzen de verzoekende partijen niet dat de beslissing van 21 april 2004 hun persoonlijke rechtstoestand gewijzigd heeft of dat zij belet heeft dat dergelijke wijziging tot stand is kunnen komen. De verzoekende partijen leggen hun belang in het feit dat hun klachten tegen Med. Lt. Kol. PIRSON grondig worden onderzocht en duidelijk gekwalificeerd worden “op medisch, ethisch, deontologisch, disciplinair gebied en op functioneringvlak”, maar zij tonen daarmee het vernietig- baar karakter van de beslissing niet aan. De beslissing om een audit van het hospitaal uit te voeren wijzigt noch de rechtstoestand van Lt. Kol. PIRSON, noch van de verzoekende partijen en is voorbereidend van aard. De zogenaamde beslissing om Med. Lt. Kol. PIRSON toe te laten nog voort als arts en als anesthesist te functio-neren en om hem diensthoofd te laten van het brandwondencentrum bestaat niet, aangezien er precies besloten is Med. Lt. Kol. PIRSON tijdelijk uit de IX-4506-5/8 dienst te verwijderen “zonder vooruit te lopen op de besluiten die zullen getrokken worden uit de grondige analyse”. En ten aanzien van die bevolen tijdelijke terugtrekking van Med. Lt. Kol. PIRSON uit het brandwondencentrum tonen de verzoekende partijen geen belang aan. De verzoekende partijen verwijten de verwerende partij dat zij Med. Lt. Kol. PIRSON niet verboden heeft nog als arts en als anesthesist voort te werken en dat zij hem niet definitief de functie van diensthoofd ontnomen heeft, maar dat zij dergelijke beslissing niet kon treffen, kan reeds opgemaakt worden uit het arrest nr. 131.903 van 28 mei 2004 waarbij de tijdelijke terugtrekking van Med. Lt. Kol. PIRSON uit de dienst geschorst werd. Ook heeft de Raad van State in het arrest nr. 132.223 van 9 juni 2004 gewezen dat de tweede en vierde verzoekende partij niet konden tussenkomen in het geding betreffende de tijdelijke verwijdering van Lt. Kol. PIRSON uit de dienst. Eerstge- noemde partij niet omdat zij geen deel meer uitmaakt van het chirurgenteam. Laatstgenoemde niet omdat zij niet toelicht op welke wijze een schorsing haar juridische situatie zou beïnvloeden, omdat de verwijzing naar een probleem inzake de deontologie geen persoonlijk belang aantoont, omdat de Raad van State geen waardeoordeel kan uitspreken over alle personen die bij een bepaald besluitvor- mingsproces betrokken waren en omdat een ondergeschikte zich niet te mengen heeft in de discretionaire beoordeling die de bevoegde overheid uitoefent.
- Verzoekers repliceren dat de verwerende partij de verplichting had om, na het advies van de medische raad van het militair hospitaal, het dossier van de aan Med. Lt. Kol. PIRSON ten laste gelegde feiten verder af te handelen en daaraan de maatregelen te verbinden die zich vanuit medisch-deontologisch oogpunt opdrongen. Zij heeft integendeel een enquêtecommissie geinstalleerd en vervolgens Lt. Kol. PIRSON tijdelijk van zijn opdracht ontheven, zonder dat de medisch- deontologische aspecten van de zaak nog onderzocht worden.
- In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat het feit dat het door hen aangeboden ontslag uit het kader van de beroepsofficieren is aanvaard, geen reden mag zijn om hun het vereiste belang bij het annulatieberoep te ontzeggen. Zij hebben met name nog een tastbaar belang bij een vernietiging, in die zin dat het moreel belang dat zij aanvankelijk bezaten - werken in omstandig- heden die niet te verenigen waren met de medische deontologie, doordat medisch- deontologische fouten begaan door hun hiërarchische meerdere, op onwettige en georganiseerde wijze door het bestuur werden gedoogd- nog steeds aanwezig is, terwijl zij, zoals blijkt uit hun aanvraag en de gunstige adviezen van hun meerderen, IX-4506-6/8 hun ontslag hebben aangevraagd wegens de fouten die de verwerende partij begaan heeft door hen met name te verplichten om als chirurg in het hospitaal te blijven werken in omstandigheden waarin deontologisch strafbare feiten onvolledig onderzocht werden en gedoogd werden.
- De verzoekende partijen tonen aan dat hun ontslagaanvraag inderdaad verband houdt met de onwil van de verwerende partij om op hun grieven, waarop zij met het annulatieberoep een antwoord wensen te krijgen, in te gaan. In die zin is er geen reden om hen op grond van die ontslagaanvraag het actueel belang bij het beroep te ontzeggen.
- De verzoekende partijen, allen chirurg in het brandwondencen- trum van het militair hospitaal te Neder-Over-Heembeek, verzetten zich tegen de beslissing waarbij het diensthoofd van het brandwondencentrum verplicht wordt zich tijdelijk uit die functie terug te trekken, waarbij de mutatieaanvragen tijdelijk geschorst worden en waarbij de adjunct van Med. Lt. Kol. PIRSON de functie van diensthoofd tijdelijk overneemt. Zij willen vastgesteld zien dat die beslissing hen verplicht om voort te werken in omstandigheden die zij niet wensen, met name in een klimaat waarin de onregelmatigheden, begaan door het diensthoofd, worden gedoogd en waarin de medische deontologie met de voeten wordt getreden. Volgens hen diende het diensthoofd onvoorwaardelijk uit de dienst verwijderd te worden.
- Na het indienen van het beroep is de beslissing om Med. Lt. Kol. PIRSON tijdelijk in het brandwondencentrum te vervangen, door de Raad van State geschorst en vernietigd. Aangezien deze expliciete beslissing derhalve geacht wordt nooit genomen te zijn en dus onbestaande is, kan er ook geen sprake meer zijn van een daarin besloten impliciete beslissing waarbij geweigerd wordt Med. Lt. Kol. PIRSON definitief te vervangen. Wat dat betreft heeft het beroep geen voorwerp meer.
- In de bestreden beslissing wordt ook gesteld dat, in afwachting van de uit te voeren audit, “de mutatieaanvragen geschorst worden”. De beslissing is algemeen geformuleerd. Geen van de verzoekende partijen toont aan of beweert dat zij dergelijke mutatieaanvraag ingediend heeft. Zij ontwikkelen ten aanzien van die beslissing ook geen specifiek belang. Het staat dus niet vast dat die beslissing hun persoonlijke rechtstoestand beïnvloed heeft en met name dat zij zich wegens die IX-4506-7/8 schorsing verplicht gezien hebben in het brandwondencentrum te blijven. Wat dat betreft is het beroep niet ontvankelijk.
- Begrepen als onderdeel van de impliciete weigering om Med. Lt. Kol. PIRSON niet definitief uit de dienst te weren zodat zij in voor hen onaanvaard- bare omstandigheden verder moeten werken, volgt die beslissing het lot van de impliciete beslissing die de verzoekende partijen tot het eigenlijk voorwerp van hun beroep hebben gemaakt. Het beroep heeft ook wat dat betreft geen voorwerp meer. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een vierde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 14 januari 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-4506-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.529 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.