id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.530 Rolnummer: A. 184252/IX-5688 Zaak: Arrest 178530 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 14/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-23 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:29 Fiche Arrest nr 178.530 van 14 januari 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.530 van 14 januari 2008 in de zaak A. 184.252/IX-
- In zake : Geert VAN HAEGENBORGH, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten P. PEETERS en A. VANDAELE, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177/
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Geert VAN HAEGENBORGH op 4 juli 2007 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het koninklijk besluit van 27 april 2007 tot benoeming van de directeur en de adjunct-directeurs van de gerechtelijke opleiding; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 24 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 november 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5688-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat D. LINDEMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat A. VANDAELE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten. 1.
- Het Instituut voor gerechtelijke opleiding is opgericht bij wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding. Artikel 12 van die wet bepaalt dat de directie belast is met het dagelijks bestuur van het Instituut. Zij is samengesteld uit een directeur van de gerechtelijke opleiding, bijgestaan door twee adjunct-directeurs. De directie omvat twee afdelingen. De ene afdeling oefent de opdrachten van het Instituut uit ten aanzien van de beroepsmagistraten van de rechterlijke orde, de plaatsvervangende magistraten, de raadsheren en rechters in sociale zaken, de rechters in handelszaken en de assessoren in strafuitvoeringszaken alsmede de gerechtelijke stagiairs. Deze afdeling wordt de “afdeling magistraten” genoemd. De andere afdeling oefent de opdrachten van het Instituut uit ten aanzien van de andere personen waarop de wet van toepassing is, zoals de referendarissen, de parketjuristen, de leden van de griffies enz. Deze afdeling wordt de “afdeling leden van het personeel die de rechterlijke macht assisteren” (verkort : afdeling personeel) genoemd. Aan het hoofd van iedere afdeling staat een adjunct-directeur. Luidens artikel 15, eerste lid, van de wet van 31 januari 2007 worden de directieleden voor een hernieuwbare termijn van zes jaar benoemd door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op de voordracht van de minister van Justitie en op advies van de Verenigde Benoemings- IX-5688-2/8 en Aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie. Artikel 15, tweede lid, bepaalt dat het competentieprofiel van de directieleden wordt opgesteld door de minister van Justitie, op advies van de Hoge Raad voor de Justitie. Luidens artikel 18 zijn de adjunct-directeurs van een verschillende taalrol. Artikel 19 bepaalt dat de adjunct-directeur aan het hoofd van de afdeling magistraten een magistraat van de rechterlijke orde is. 1.
- Krachtens het koninklijk besluit van 2 maart 2007 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding zijn de wettelijke bepalingen met betrekking tot de werking van de instelling in werking gesteld op 5 maart
- 1.
- Met een brief van 2 februari 2007 maakt de minister van Justitie aan de Hoge Raad voor de Justitie een ontwerp over van de profielen van de directeur en van de adjunct-directeurs van het Instituut voor de gerechtelijke opleiding. Op 14 februari 2007 brengt de Hoge Raad hierover advies uit. 1.
- Blijkens een nota van 18 februari 2007 aan de voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Justitie besliste de minister van Justitie het advies van de Hoge Raad voor de Justitie gedeeltelijk te volgen voor wat betreft het profiel van de directeur en van de adjunct-directeur “afdeling magistraten” en dat advies volledig te volgen voor het profiel van de adjunct- directeur “afdeling personeel”. 1.
- In het Belgisch Staatsblad van 5 maart 2007 wordt een oproep tot de kandidaten voor de functie van directeur en de twee functies van adjunct- directeur bekendgemaakt. In dezelfde oproep worden ook de profielen voor deze functies bekendgemaakt. 1.
- Met een brief van 30 maart 2007 stelt verzoeker zich kandidaat voor de functie van adjunct-directeur van de afdeling “leden van het personeel die de rechterlijke macht assisteren”. IX-5688-3/8 1.
- Op 27 april 2007 brengt de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie een advies uit waarin hij besluit dat verzoeker “volledige voldoening [geeft] in zijn huidige functie en zijn competenties [...] hem in staat [moeten] stellen de geambieerde functie op te nemen.” In een brief van 2 mei 2007 sluit de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie zich bij dat advies aan wat de bekwaamheid betreft van de betrokkene. 1.
- Naast verzoeker stellen zich nog vier andere personen, onder wie Thérèse Tuts, kandidaat voor de functie van adjunct-directeur van de afdeling personeel. Zij is Franstalig. Op 11 april 2007 brengt de procureur des Konings te Luik over haar een “zeer gunstig” advies uit. 1.
- Op 18 april 2007 brengt de Verenigde Benoemings- en Aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie advies uit. Zij gebruikt daarvoor tabellen waarin de verschillende elementen van het competentieprofiel door de leden van de commissie afzonderlijk werden geëvalueerd met de waardering “zeer geschikt”, “geschikt”, “minder geschikt” en “niet geschikt”. Voor verzoeker geeft dit het volgend resultaat : zeer geschikt : 3 geschikt : 6 minder geschikt : 10 niet geschikt : 3 Thérèse Tuts behaalt volgende eindvermelding : zeer geschikt : 10 geschikt : 7 minder geschikt : 5 niet geschikt 0 1.
- Met het thans bestreden koninklijk besluit van 27 april 2007 worden benoemd tot : - directeur van de gerechtelijke opleiding : Edith Van den Broeck, voor een ambtstermijn van zes jaar; - adjunct-directeur van de gerechtelijke opleiding : - Michel Rozie -Nederlandstalig-, belast met de afdeling “magistraten”, voor een ambtstermijn van zes jaar; IX-5688-4/8 - Thérèse Tuts -Franstalig-, belast met de afdeling “personeel die de rechterlijke macht bijstaat”, voor een ambtstermijn van zes jaar. Dit koninklijk besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 mei
- De voorwaarden voor de schorsing.
- De verwerende partij betwist het belang van verzoeker bij het bestrijden van de benoeming tot directeur en van de benoeming tot adjunct-directeur van de afdeling magistraten, omdat hij zich geen kandidaat gesteld heeft voor de eerstvermelde betrekking en omdat hij, nu hij geen magistraat is, niet in aanmerking komt voor de laatstvermelde betrekking. Ter terechtzitting voert de raadsman van verzoeker aan dat de bestreden betrekking van directeur inmiddels opnieuw vacant verklaard is en dat, gelet op het taalevenwicht dat bij de benoeming van de directie moet bereikt worden, hij wel degelijk redenen heeft om de benoeming van alle directieleden te bestrijden.
- Als hierna zal blijken, is er reden om de vordering tot schorsing te verwerpen omdat een van de twee grondvoorwaarden die een schorsing kunnen verantwoorden niet vervuld is. De excepties worden niet onderzocht.
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- Wat de tweede voorwaarde betreft, voert verzoeker aan dat het opstarten van een nieuw vormingsinstituut een unieke uitdaging is en dat hij zich precies voor dat pionierswerk kandidaat gesteld heeft. Een vernietiging van de bestreden beslissingen zal niet kunnen beletten dat die opstart inmiddels gebeurd zal zijn en hij nog enkel directielid van “een bestaand, reeds functionerend vormingsinstituut” kan worden. Voorts ondergaat hij een specifiek moreel nadeel door het feit dat zijn score bij de Hoge Raad voor de Justitie nogal onbegrijpelijk is en dat over zijn beroepservaring en loopbaan gesteld is dat zij “weinig elementen IX-5688-5/8 van beheersnatuur aangeven”. In de veronderstelling dat het arrest over het annulatieberoep slechts gewezen wordt na afloop van het mandaat of op een ogenblik dat de carrière van verzoeker een wending genomen heeft en de Raad van State aldus zal vaststellen dat hij geen belang meer heeft bij de vernietiging, zal deze morele veroordeling met betrekking tot zijn zwakke prestatie op managementvlak -terwijl hij toch een jarenlange ervaring heeft als hoofd van gemeentepersoneel- blijven bestaan. Enkel een schorsing kan hem ter zake soelaas brengen.
- De verwerende partij stelt in haar nota met opmerkingen dat de verwijzing naar een pionierstaak niet volstaat om tot het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te kunnen besluiten en dat verzoeker na een vernietiging opnieuw kan kandideren. Verzoeker voert enkel een moreel nadeel aan en het is aangenomen dat dergelijk nadeel, behoudens bijzondere omstandigheden die erop wijzen dat de verzoeker het voorwerp is van verdachtmakingen, van afkeuring of van minachting, hersteld wordt door een vernietiging. De teleurstelling, volgend uit een niet-benoeming, is inherent aan elke kandidaatstelling en vormt geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Ook op de negatieve beoordeling van zijn kwaliteiten kan verzoeker geen nadeel gronden dat ernstig is en moeilijk te herstellen.
- Er zijn geen redenen om hic et nunc te stellen dat de Raad van State in de eerstkomende zes jaar geen uitspraak zal kunnen doen over het annulatieberoep. Dat het carrièreverloop van verzoeker kan leiden tot het teloorgaan van zijn actueel belang, is een argument dat -wegens te hypothetisch- ook niet in de beoordeling van het nadeel van verzoeker betrokken wordt.
- Verzoeker voert in essentie een moreel nadeel aan wegens het feit dat hij niet benoemd is. Het is aangenomen dat dergelijk nadeel in beginsel hersteld wordt door een vernietigingsarrest, tenzij specifieke redenen worden voorgelegd waaruit blijkt dat verzoeker het voorwerp is van afkeuring of minachting of wanneer de beslissing steunt op gegevens die de betrokkene in een slecht daglicht plaatsen. Verzoeker wijst er te dien aanzien op dat hij geen deel kan hebben aan het opstarten van een nieuwe instelling en dat het bestuur zijn managementkwaliteiten negatief beoordeeld heeft.
- Het mislopen van een benoeming is een risico dat verbonden is met elke kandidaatstelling en vormt als zodanig geen nadeel dat een schorsing kan verantwoorden. Het bijkomend nadeel, doordat de ambitie om een nieuwe instelling IX-5688-6/8 te helpen vormgeven gefnuikt wordt, maakt het nadeel van verzoeker nog niet voldoende ernstig, nu niet blijkt dat hij, bijvoorbeeld op grond van zijn beroeps- verleden, meer dan de andere kandidaten die ambitie mocht koesteren.
- Dat het bestuur de managementkwaliteiten van verzoeker miskend zou hebben -met name zijn ervaring als gemeentesecretaris ondergewaardeerd- betekent nog niet dat hij een ernstig nadeel lijdt. De eventuele onjuiste appreciatie van deze capaciteiten impliceert immers nog niet dat de verwerende partij hem afkeurt of hem in een slecht daglicht stelt. Het bestreden besluit neemt enkel aan dat zijn beroepservaring en zijn loopbaan niet van aard zijn om de rangschikking te wijzigen, wat betekent dat zijn managementkwaliteiten minder hoog aangeschreven staan dan deze van zijn medekandidate Thérèse Tuts, maar zonder negatieve bijklank voor hem.
- Verzoeker maakt niet aannemelijk dat de bestreden beslissingen hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkenen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-5688-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 14 januari 2008, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5688-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.530 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.874 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.