← België

Arrest 178531 - Varia (fiscaliteit) - 14/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.531 Rolnummer: A. 185085/IX-5754 Zaak: Arrest 178531 - Varia (fiscaliteit) - 14/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-22 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 07:29 Fiche Arrest nr 178.531 van 14 januari 2008 Fiscaliteit - Varia (fiscaliteit) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.531 van 14 januari 2008 in de zaak A. 185.085/IX-5754. In zake : de BVBA INTERNATIONAL BUSINESS AND MARKETING COMPANY (IBMC), die woonplaats kiest bij advocaat F. LEBACQ, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 12 bus 3 tegen : de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, die woonplaats kiest bij advocaten D. LINDEMANS en A. WIRTGEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA INTERNATIONAL BUSINESS AND MARKETING COMPANY (IBMC) op 7 september 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 24 juli 2007 van het directiecomité van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (hierna “CBFA”) waarbij de aanvraag tot inschrijving van verzoekende partij in het register van de verzekeringstussenpersonen worden geweigerd; Gezien de memorie van antwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de kennisgeving van het verslag; Gelet op de beschikking van 29 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 januari 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-5754-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat N. STARCKX, die loco advocaat F. LEBACQ verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat A. WIRTGEN die in eigen naam en loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1. De verzoekster omschrijft zichzelf als een vennootschap die als verzekeringstussenpersoon actief is in de verzekeringssector. Zij treedt op als een verzekeringsmakelaar die verzekeringnemers en verzekeringsondernemingen met elkaar in contact brengt en tussen hen bemiddelt. Tot 17 augustus 2006 was de verzoekster ingeschreven in het register van de verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen, bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzeke- ringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen. Op de genoemde datum heeft het directiecomité van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (hierna: CBFA) vastgesteld dat die inschrijving van rechtswege vervallen was, wegens het ontbreken van een verzekering voor de burgerlijke aansprakelijkheid. Die beslissing is op 28 augustus 2006 ter kennis van de verzoekster gebracht. 2. Op 3 oktober 2006 dient de verzoekster een aanvraag in tot wederinschrijving in het bedoelde register. Na een wisseling van faxen en e-mails, in verband met ontbreken- de stukken, dient de verzoekster op 15 februari 2007 een nieuw aanvraagformulier in. Daarop wordt Philip Knight vermeld als enige effectieve leider van de vennootschap en als aandeelhouder die controle uitoefent over de vennootschap. IX-5754-2/11 Bij schrijven van 13 maart 2007 stelt de CBFA vragen in verband met het verdere gebruik van het nummer van de geschrapte inschrijving, onder meer op het briefpapier van de verzoekster. Ook worden vragen gesteld in verband met de activiteiten van een andere vennootschap, de bvba Philip Knight & Co., waarin Philip Knight als zaakvoerder blijkt op te treden. Uit het schrijven blijkt dat de CBFA vermoedt, op basis van gegevens vermeld op de website van die laatste vennootschap, dat deze activiteiten uitoefent waarvoor een inschrijving vereist is, terwijl zij geen toelating heeft om als verzekeringsbemiddelaar of als verzekeraar op te treden. Op 20 maart 2007 voert de dienst Tussenpersonen van de CBFA een inspectie uit op de zetel van de verzoekster. De inspecteur heeft er een onderhoud met Philip Knight. Blijkens het inspectieverslag van 21 maart 2007 is vooral ingegaan op de activiteiten van Philip Knight & Co. Er wordt vernomen dat deze vennootschap opereert als vertegenwoordiger van verzekeraars en in de hoedanigheid van “underwriter” risico’s in naam en voor rekening van verzekeraars onderschrijft en tarificaties opstelt. Volgens Philip Knight zouden dergelijke activiteiten niet beschouwd kunnen worden als verzekeringsbemiddeling, waarop door de inspecteur wordt medegedeeld dat de meeste zogenaamde “underwriters” wel degelijk zijn ingeschreven als tussenpersoon. Door Philip Knight wordt voorts ook meegedeeld dat hij destijds door de Controledienst voor de Verzekeringen (hierna: CDV) is geregistreerd als vertegenwoordiger in België van buitenlandse verzekeraars. Aan het einde van het bezoek vraagt de inspecteur een gedetailleerde, schriftelijke beschrijving van de activiteiten van Philip Knight & Co., alsmede nadere uitleg over de destijds aan die vennootschap toegekende registratie. Ten slotte wordt meegedeeld dat het onderzoek van de aanvraag van de verzoekster wordt opgeschort totdat er duidelijkheid is over de bedoelde activiteiten, gelet op de functie die Philip Knight als effectief leider in de twee vennootschappen uitoefent. Met een schrijven van 27 maart 2007 aan de verzoekster bevestigt de CBFA dat zij, in het kader van de aanvraag van de verzoekster, om mededeling van een aantal gegevens vraagt. Die gegevens worden nader gepreciseerd. Hierop volgt een reactie van de raadsman van de verzoekster. Met een schrijven van 12 april 2007 dringt hij aan op de inschrijving van zijn cliënte in het register. De bezwaren die uit het schrijven van de CBFA blijken hebben volgens IX-5754-3/11 zijn cliënte geen betrekking op haarzelf, maar op “een andere vennootschap met wie cliënte geen juridische binding heeft”. Op 24 april 2007 antwoordt de CBFA dat zij, op grond van artikel 10bis van de wet van 27 maart 1995, de verzoekster slechts kan inschrijven op voorwaarde dat: “1/ de personen die met de effectieve leiding worden belast, over de noodzakelijke professionele betrouwbaarheid, de vereiste beroepskennis als bepaald bij artikel 11, en de passende ervaring beschikken om deze functie waar te nemen; 2/ de CBFA in kennis is gesteld van de identiteit van, en gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid overtuigd is van de geschikt- heid van, de personen die rechtstreeks of onrechtstreeks de controle uitoefenen over de tussenpersoon”. De informatie die op 27 maart 2007 gevraagd is, past in “de beoordeling van de professionele betrouwbaarheid, passende ervaring en geschikt- heid van (

  1. de)effectief leider en controle-uitoefenende aandeelhouder (van de verzoekster), de heer Philip Knight”. De raadsman van de verzoekster reageert hierop met een schrijven van 10 mei 2007, waarin hij stelt dat het standpunt van de CBFA hem “onbegrijpe- lijk en vooral onjuist overkomt”. Hij herhaalt dat zijn cliënte en de bvba Philip Knight & Co. afzonderlijke vennootschappen zijn, die niets met elkaar te maken hebben. De raadsman deelt mee dat de bvba Philip Knight & Co. niettemin, om de aanvraag tot inschrijving van de cliënte niet in de weg te staan, de vermelding van “insurance underwriter”, leidend verzekeraar en mede-verzekeraar van haar website zal weghalen, zonder nadelige erkenning. Met een schrijven van 21 mei 2007 bevestigt de CBFA haar standpunt. Zij vraagt nogmaals om een antwoord op de vragen die zij aan de verzoekster gesteld heeft bij schrijven van 27 maart 2007, “inzake de activiteiten van (haar) zaakvoerder, Philip Knight, uitgeoefend binnen de vennootschap Philip Knight & Co.” Er wordt aangekondigd dat, bij gebreke van een antwoord binnen vijftien dagen, aan het directiecomité van de CBFA zal worden voorgesteld, enerzijds, om een strafklacht in te dienen tegen de bvba Philip Knight & Co. en haar zaakvoerder, Philip Knight, wegens het uitoefenen van activiteiten zonder over de vereiste erkenning te beschikken, en anderzijds, om de aanvraag tot inschrijving van de verzoekster te weigeren, “wegens het ontbreken van de noodzakelijke professio- IX-5754-4/11 nele betrouwbaarheid en geschiktheid in hoofde van haar enige zaakvoerder en aandeelhouder Philip Knight”. Op 8 juni 2007 antwoordt de raadsman van de verzoekster dat er in verband met de activiteiten van de bvba Philip Knight & Co. blijkbaar een misverstand is gerezen, te wijten aan de gebruikte terminologie. Volgens de verzoekster verzekert de genoemde vennootschap niet zelf, heeft zij geen contact met het publiek, en is zij geen verzekeringsmakelaar. Niettemin wordt aangekondigd dat die vennootschap eerstdaags een aanvraag bij de CBFA zal indienen. Ondertus- sen vraagt de verzoekster om de door haar gevraagde erkenning te krijgen. Op 24 juli 2007 beslist het directiecomité van de CBFA de aanvraag van de verzoekster tot inschrijving in het register van de verzekeringstus- senpersonen te weigeren. Die beslissing wordt bij schrijven van 27 juli 2007 aan de verzoekster ter kennis gebracht, ter attentie van haar zaakvoerder, Philip Knight. Uit dat schrijven blijkt dat de beslissing van het directiecomité steunt op de overweging dat niet voldaan is aan de voorwaarden vermeld in artikel 10bis, 1/ en 2/, van de wet van 27 maart 1995: “Aangezien de CBFA tot op heden vanwege I.B.M.C. geen antwoord ontving op de (op 27 maart 2007) gestelde vragen omtrent uw activiteiten uitgeoefend binnen de vennootschap Philip Knight & Co. BVBA, is de CBFA de mening toegedaan dat de noodzakelijke professionele betrouwbaarheid vereist in hoofde van u als effectief leider van I.B.M.C. niet wordt aangetoond, en is de CBFA tevens niet overtuigd van uw geschiktheid als controle- uitoefenende aandeelhouder.” De beslissing van 24 juli 2007 vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. 3. Met een schrijven van 8 augustus 2007 vraagt de verzoekster om de genoemde beslissing in te trekken, en om haar alsnog een inschrijvingsnummer toe te kennen. Zij herhaalt dat haar geen inschrijving geweigerd kan worden om redenen die niet met haarzelf, maar met de bvba Philip Knight & Co., een andere, afzonderlijke vennootschap, te maken hebben. Zij herhaalt eveneens dat de bvba Philip Knight & Co. inmiddels het nodige gevolg gegeven heeft aan alle opmerkin- gen die aan haar adres gemaakt werden. Op 28 augustus 2007 beslist het directiecomité van de CBFA om zijn beslissing van 24 juli 2007 te handhaven. Die beslissing wordt bij schrijven van IX-5754-5/11 29 augustus 2007 aan de verzoekster ter kennis gebracht. In dat schrijven wordt onder meer gesteld dat de verzoekster haar verzoek niet met nieuwe elementen motiveert. Ten gronde 4.1. De verzoekster roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van “het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur”. Volgens de verzoekster is de bestreden beslissing gesteund op het oordeel dat Philip Knight, als effectieve leider van de verzoekster, niet beschikt over de noodzakelijke professionele betrouwbaarheid, en dat hij niet geschikt is als controle-uitoefenende aandeelhouder. Voor dat oordeel verwijst de verweerster naar de vennootschap Philip Knight & Co. bvba. Het gaat hier echter om twee volledig afgezonderde vennootschappen, die niets met elkaar te maken hebben. De verwerende partij kan een inschrijving van de verzoekster niet weigeren om een reden die niet met haar te maken heeft, maar een andere vennootschap betreft. Er werd geen onderzoek gevoerd naar de verzoekster of naar haar zaakvoerder. De bestreden beslissing steunt dan ook op motieven die onbehoorlijk en niet afdoende zijn, met name doordat ze niet pertinent en niet draagkrachtig zijn. 4.2. In zoverre in het middel de schending wordt aangevoerd van “het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur”, wordt niet gepreciseerd om welk rechtsbeginsel het gaat, noch -a fortiori- waarin de schending van dat rechtsbeginsel zou bestaan. In zoverre is het middel onontvankelijk. 4.3. In zoverre in het middel voorts de schending wordt aangevoerd van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, moet opgemerkt worden dat artikel 6 van die wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing is op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Hieruit volgt dat op het stuk van de motiveringsverplichting de wet van 29 juli 1991 betreffende de IX-5754-6/11 uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet van suppletoire aard is. Artikel 9, § 1, vijfde lid, van de wet van 27 maart 1995 bepaalt dat in geval van weigering van een aanvraag tot inschrijving in het register van de verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen de CBFA deze weigering moet motiveren. Die wetsbepaling legt een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven bij de wet van 29 juli 1991. De bedoelde beslissingen van de CBFA vallen derhalve niet onder de toepassing van laatstge- noemde wet. Uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 9, § 1, vijfde lid, van de wet van 27 maart 1995. 4.4.1. De bestreden beslissing steunt uitdrukkelijk op het feit dat de verzoekster niet voldoet aan de vereisten bedoeld in artikel 10bis, 1/ en 2/, van de wet van 27 maart 1995. Die bepaling luidt als volgt: “De verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen met de hoedanigheid van rechtspersoon worden bovendien slechts ingeschreven, en hun inschrijving wordt slechts gehandhaafd, op voorwaarde dat: 1/ de personen die met de effectieve leiding worden belast, over de noodzakelijke professionele betrouwbaarheid, de vereiste beroepskennis als bepaald bij artikel 11, en de passende ervaring beschikken om deze functie waar te nemen; 2/ de CBFA in kennis is gesteld van de identiteit van, en gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid overtuigd is van de geschikt- heid van, de personen die rechtstreeks of onrechtstreeks de controle uitoefenen over de tussenpersoon; de verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen informeren de CBFA over elke wijziging in bedoelde controle.” Op grond van die bepaling dient de verwerende partij bij de beoordeling van een aanvraag tot inschrijving, uitgaande van een rechtspersoon, rekening te houden met onder meer de professionele betrouwbaarheid van de bestuurders of de zaakvoerders en de geschiktheid van de controle-uitoefenende aandeelhouders om controle uit te oefenen. Niets belet de verwerende partij om bij het onderzoek naar de kwaliteiten van de betrokken personen rekening te houden met hun activiteiten in IX-5754-7/11 een andere vennootschap. Dit is des te meer geoorloofd als die andere vennootschap eveneens in de verzekeringssector werkzaam is. 4.4.2. Door de verzoekster wordt niet betwist dat het hiervóór bedoelde onderzoek diende te slaan op Philip Knight, door haar opgegeven als de enige effectieve leider van de vennootschap en als de enige controle-uitoefenende aandeelhouder. In dit verband wordt in het schrijven van de verwerende partij van 27 juli 2007 de volgende motivering gegeven: “In navolging van een inspectie ter plaatse op 20 maart 2007 werd u per schrijven d.d. 27 maart 2007 in het kader van het hangende aanvraagdossier van I.B.M.C. bijkomende uitleg gevraagd omtrent verzekerings(bemiddelings)activiteiten via de BVBA Philip Knight & Co. Tevens werd een lijst opgevraagd van de verzekeringsondernemingen waarvoor deze vennootschap zou optreden als zogenaamde ‘Underwriter’, alsmede een kopie van de door de verzekeringsondernemingen daartoe verleende volmach- ten. Ook werd een kopie opgevraagd van de stukken waaruit zou blijken dat de BVBA Philip Knight & Co. voor dergelijke activiteiten destijds vanwege de ex- CDV een erkenningsnummer zou zijn toegekend. Deze informatie werd aan I.B.M.C. gevraagd teneinde (
  2. de)professionele betrouwbaarheid (van Philip Knight) en (zijn) geschiktheid als enige effectieve leider en controle-uitoefenende aandeelhouder te kunnen beoordelen. U deelde ons (via uw raadsman, Meester François Lebacq), in antwoord hierop mee niet te kunnen ingaan op onze vragen omwille van het feit dat de BVBA Philip Knight & Co. als een juridisch onderscheiden entiteit dient te worden beschouwd, die volledig losstaat van I.B.M.C. Per schrijven d.d. 24 april 2007 hebben wij nadere toelichting verstrekt omtrent de inschrijvingsvoor- waarden en -procedure en werd u opnieuw gevraagd om te antwoorden op de gestelde vragen. Per aangetekend schrijven d.d. 21 mei 2007 werd u nogmaals verzocht om te antwoorden binnen een termijn van vijftien dagen. Aangezien de CBFA tot op heden vanwege I.B.M.C. geen antwoord ontving op de gestelde vragen omtrent uw activiteiten uitgeoefend binnen de vennoot- schap Philip Knight & Co. BVBA, is de CBFA de mening toegedaan dat de noodzakelijke professionele betrouwbaarheid vereist in hoofde van u als effectief leider van I.B.M.C. niet wordt aangetoond, en is de CBFA tevens niet overtuigd van uw geschiktheid als controle-uitoefenende aandeelhouder.” Uit die motieven blijkt dat de beslissing steunt op een beoordeling van de professionele betrouwbaarheid van de zaakvoerder van de verzoekster en diens geschiktheid om controle uit te oefenen over de verzoekster. Dat daarbij uitsluitend rekening wordt gehouden met de activiteiten van Philip Knight in het kader van de bvba Philip Knight & Co., een van de verzoekster onderscheiden vennootschap, doet aan die vaststelling geen afbreuk. IX-5754-8/11 De aangehaalde motieven zijn bovendien pertinent, in het licht van de bij artikel 10bis van de wet van 27 maart 1995 gestelde vereisten, en zij kunnen de beslissing tot weigering van de aanvraag tot inschrijving dragen. In zoverre in het middel een schending van de formele motive- ringsplicht wordt aangevoerd, mist het feitelijke grondslag. 5.1. De verzoekster roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van artikel 10bis van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen. De verzoekster herinnert eraan dat artikel 10bis van de wet van 27 maart 1995 bepaalt dat een verzekeringstussenpersoon met de hoedanigheid van rechtspersoon wordt ingeschreven op voorwaarde dat de personen die met de effectieve leiding worden belast, over de noodzakelijke professionele betrouwbaar- heid, de vereiste beroepskennis als bepaald bij artikel 11, en de passende ervaring beschikken om deze functie waar te nemen, en dat de CBFA in kennis is gesteld van de identiteit van, en gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid overtuigd is van de geschiktheid van, de personen die rechtstreeks of onrechtstreeks de controle uitoefenen over de tussenpersoon. Volgens de verzoekster houdt de bestreden beslissing geen rekening met die criteria. Uit het aanvraagdossier blijkt immers zeer duidelijk dat Philip Knight, haar enige effectieve leider en enige controle-uitoefenende aandeelhouder, voldoet aan de genoemde vereisten. De verzoekster wijst erop dat Philip Knight het beroep van verzekeringsmakelaar aanleerde van zijn vader, die zijn hele leven actief was in de verzekeringssector, dat hij in 1969 toetrad tot de door zijn vader gestichte maatschappij, dat hij sedert 1 september 1969 het beroep van vastgoedmakelaar uitoefent, en dat hij onder meer stage heeft gelopen bij de “Commercial Union” en “Alexander Hawden” in Londen. Philip Knight beschikt dan ook over een beroepservaring van meer dan 30 jaar, zodat de vereiste beroepskennis, betrouwbaarheid en geschiktheid niet in twijfel getrokken kunnen worden. 5.2.1. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht kan de Raad van State zijn beoordeling van de betrouwbaarheid en de geschiktheid van een persoon niet in de plaats stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Hij is wel bevoegd om na te gaan of de administratieve overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met IX-5754-9/11 name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Te dezen kan de Raad van State dan ook niet zelf nagaan of Philip Knight voldoet aan de vereisten bepaald bij artikel 10bis van de wet van 27 maart 1995, en kan hij enkel nagaan of het directiecomité van de CBFA op grond van de gegevens van het dossier in redelijkheid tot de conclusie is kunnen komen dat Philip Knight niet beschikt over de noodzakelijke professionele betrouwbaarheid en niet geschikt is om controle uit te oefenen over de verzoekster. 5.2.2. De verzoekster betwist niet dat zij geen antwoord heeft gegeven op de vragen die de verwerende partij haar in verband met Philip Knight heeft gesteld. Zoals de verwerende partij in haar brieven van 24 april, 21 mei en 27 juli 2007 uitlegt, werd de betrokken informatie gevraagd teneinde onder meer de professionele betrouwbaarheid en de geschiktheid van Philip Knight als enige effectieve leider en controle-uitoefenende aandeelhouder te kunnen beoordelen. Nu de gevraagde informatie betrekking had op de regelmatigheid, vanuit het oogpunt van de wet van 27 maart 1995, van de activiteiten van de bvba Philip Knight & Co., waarvan Philip Knight eveneens zaakvoerder was, kon de verwerende partij in redelijkheid van oordeel zijn dat een bevredigend antwoord op die vragen nodig was om te kunnen concluderen dat Philip Knight professioneel betrouwbaar en geschikt was. Omgekeerd kon de verwerende partij uit het uitblijven van een antwoord op die vragen in redelijkheid afleiden dat het bewijs niet geleverd was dat Philip Knight aan de genoemde vereisten voldeed. Ter betwisting van het oordeel van de verwerende partij verwijst de verzoekster naar de opleiding die Philip Knight heeft genoten en naar de jarenlange ervaring die hij heeft opgedaan, om daaruit af te leiden dat de vereiste beroepskennis, betrouwbaarheid en geschiktheid niet in twijfel kunnen worden getrokken. Afgezien van het feit dat niet blijkt dat die gegevens aan de verwerende partij zijn voorgelegd voordat de bestreden beslissing is genomen, of zelfs voordat de beslissing van 28 augustus 2007 is genomen, moet vastgesteld worden dat opleiding en ervaring wel pertinent zijn voor de beoordeling van de beroepskennis van een persoon, maar dat uit een bepaalde opleiding en ervaring niet noodzakelijk volgt dat de betrokkene ook professioneel betrouwbaar en geschikt geacht moet worden. De verzoekster maakt dan ook niet aannemelijk dat de conclusie van de IX-5754-10/11 verwerende partij in verband met de professionele betrouwbaarheid en geschiktheid van Philip Knight kennelijk onredelijk is. Het tweede middel kan niet aangenomen worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 14 januari 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5754-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.531 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.