← België

Arrest 178548 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.548 Rolnummer: A. 152267/X-11914 Zaak: Arrest 178548 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-24 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 07:29 Fiche Arrest nr 178.548 van 15 januari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.548 van 15 januari 2008 in de zaak A. 152.267/X-11.

  1. In zake :
  2. Gerard PIENS,
  3. Marie VANDE VOORDE, die woonplaats kiezen bij advocaat A. CLABOTS, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Thonissenlaan 42-44 tegen :
  4. de gemeente HEUSDEN-ZOLDER, die woonplaats kiest bij advocaat D. VANDECASTEELE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Kolonel Dusartplein 34,
  5. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gerard PIENS en Maria VANDE VOORDE op 28 mei 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 25 februari 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heusden-Zolder waarbij aan G. HENDRICKX-INGHELS de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het oprichten van een eensgezinswoning te Heusden-Zolder, Gravenlaan 14, kadastraal bekend sectie F, nr. 417/c; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 8 mei 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekers en van de eerste verwerende partij; X-11.914-1/8 Gelet op de beschikking van 4 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 oktober 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. TIJINI, die loco advocaat A. CLABOTS verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat P. VAN WESEMAEL, die loco advocaat D. VANDECASTEELE verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat W. GILLARD, die loco advocaat B. KNAEPS verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT:
  6. De feiten 1.
  7. Op 23 mei 2003 (datum van ontvangstbewijs van de aanvraag) dienen G. HENDRICKX-INGHELS bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heusden-Zolder een aanvraag in tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een eengezinswoning te Heusden-Zolder, Gravenlaan, op een perceel kadastraal bekend sectie F, nr. 417/c. Het betrokken perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Hasselt-Genk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april 1979, in woonparkgebied gelegen. Het maakt tevens deel uit van een op 18 september 1964 door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heusden-Zolder behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 1.
  8. De gemachtigde ambtenaar heeft op 13 februari 2004 op voorstel van het college van burgemeester en schepenen een gunstig advies verstrekt om af te wijken van de voorschriften van de verkavelingsvergunning in zoverre de X-11.914-2/8 ontworpen woning wordt ingeplant op 8 meter van de rechter perceelsgrens, in plaats van op 10 meter zoals voorzien in voormelde voorschriften. 1.
  9. Tijdens het openbaar onderzoek dienen de verzoekers, eigenaars van het aanpalend perceel, een bezwaarschrift in. 1.
  10. Bij het bestreden besluit van 25 februari 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heusden-Zolder wordt het bezwaar van de verzoekers verworpen en de gevraagde stedenbouwkundige vergunning verleend.
  11. Ontvankelijkheid 2.
  12. Standpunt van de partijen 2.1.
  13. De verzoekers stellen in hun verzoekschrift inzake de tijdigheid van hun annulatieberoep wat volgt : “De termijn voor het instellen van het annulatieberoep, te weten binnen 60 dagen na de betekening is in acht genomen. De beslissing is nimmer betekend aan verzoekers. Zij zijn toevallig, naar aanleiding van een fietstocht, en op informele wijze, te weten gekomen dat een bouwvergunning werd verleend op 25.02.
  14. Teneinde bevestiging te krijgen van het effectief verleend zijn van deze bouwvergunning alsook om inzage en inzicht te krijgen in deze beslissing, heeft de raadsman van verzoekers middels schrijven dd. 13.04.2004 verzocht om nadere uitleg. Eerst in een schrijven dd. 21.04.2004 werden verzoekers dan in kennis gesteld van een gedeelte van de inhoud van de beslissing (te weten de motivering van de verwerping van het door hen ingediende bezwaar) alsook van de reden waarom op het bezwaar niet werd gereageerd. Deze datum moet dan ook in aanmerking worden genomen als vertrekpunt van de termijn van 60 dagen. Verzoekers hebben op diligente wijze, na de eerste informele geruchten omtrent het verleend zijn van een bouwvergunning, getracht ‘feitelijk kennis te nemen’ van de beslissing. Copie van de eigenlijke beslissing is tot op heden niet aan verzoekers medegedeeld, hoewel daartoe uitdrukkelijk werd verzocht. Zoals gezegd vernamen zij middels schrijven van de Gemeente gedateerd op 19.05.2004 en ontvangen op 26.05.2004 als volgt : ‘(...) Hierbij bevestigen wij de ontvangst van uw brief van 26 april 2004 om afschrift van het administratief dossier in het kader van de wet op de openbaarheid van bestuur. Uw aanvraag is behandeld op het schepencollege van 19 mei
  15. Gezien de indiener van de bouwvergunningsaanvraag geen toestemming heeft gegeven tot vrijgave van zijn gegevens aan derden, verzoeken wij hem X-11.914-3/8 om zijn toestemming, alvorens uw aanvraag verder te kunnen behandelen. (...)’ Desalniettemin geldt zoals gezegd dat datum van 21.04.2004 als eerste datum waarop verzoekers feitelijk kennis van de bestreden beslissing, temeer omdat op deze datum voor het eerst informatie is verleend die verzoekers op voldoende wijze inzicht heeft doen verwerven in de genomen beslissing”. 2.1.
  16. De tweede verwerende partij citeert in haar memorie van antwoord eerst de artikelen 19 en 30 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en stelt voorts wat volgt : “Op grond van deze bepalingen stelt artikel 4, derde lid van het Regentsbesluit van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling (bestuursrechtspraak) van de raad van state, dat de beroepen verjaren 60 dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gehad. Wanneer de bestreden bestuursakte niet moet worden bekendgemaakt, noch aan de verzoeker betekend, neemt de beroepstermijn een aanvang op de dag waarop hij er feitelijk kennis van heeft (...). Iedere belanghebbende moet de nodige waakzaamheid aan de dag leggen zoniet zou hij naar eigen goeddunken het tijdstip kunnen uitstellen waarop hij de kennis kan opdoen vereist om een annulatieberoep in te stellen (...). Er wordt integendeel verwacht dat men onverwijld op informatie uitgaat. (...). In het arrest (...) heeft de Raad van State deze verplichting gestoeld op de beginselen van behoorlijk bestuur die niet alleen inhouden dat het bestuur zich naar de redelijkheid moet gedragen tegenover de burger, maar ook het omgekeerde. De burger die zich niet zo gedraagt, kan zich niet beklagen over schendingen van rechtsaanspraken die hij had kunnen voorkomen door zich wel zo te gedragen (...). Onder vigeur van het decreet van 22 oktober 1996 hebben de omwonenden of andere belanghebbenden, de verplichting, binnen een redelijke termijn nadat de bouwwerken zijn aangevat, kennis te nemen van de op het terrein aangeplakte mededeling en gebruik te maken van het inzagerecht in de afgeleverde bouwvergunning. In casu geven verzoekers te kennen dat zij eerder toevallig, naar aanleiding van een fietstocht, op informele wijze, te weten waren gekomen dat een bouwvergunning werd afgeleverd op 25.2.
  17. Op p. 2 van het verzoekschrift maken verzoekers melding van het feit dat deze fietstocht zich voordeed op 18.3.2003 (bedoeld wordt ongetwijfeld 18.3.2004) Dat verzoekers dienaangaande zelf het volgende vermelden : ‘Slechts zeer toevallig zagen verzoekers tijdens een fietstocht 18.3.2003 dat een plakkaat werd aangebracht op het perceel grond, en waaruit zij zelf besloten dat inmiddels wellicht een bouwvergunning zou zijn afgeleverd’. Dat de wederpartij er vooreerst op wijst dat het weinig waarschijnlijk is dat verzoekers de aanwezigheid van het plakkaat eerder op toevallige wijze ontdekten tijdens een fietstocht. Immers, in het verzoekschrift halen verzoekers zelf aan dat zij een aangrenzend perceel bewonen, zodat de bemerking van het plakkaat zeker niet eerder toevallig is geschied. X-11.914-4/8 Nu verzoekers zelf te kennen geven dat zij op 18.3.2004 op de hoogte waren van het feit dat een bouwvergunning werd afgeleverd, dient te worden besloten dat het verzoekschrift, dat op 1.6.2004 ter griffie van de Raad van State werd neergelegd buiten de termijn van 60 dagen werd overgemaakt”. 2.1.
  18. De verzoekers repliceren in hun memorie van wederantwoord dat de termijn voor het instellen van het annulatieberoep in acht werd genomen, dat zij, in tegenstelling tot hetgeen het Vlaamse Gewest opwerpt, niet het aangrenzende perceel bewonen maar eigenaar zijn van dat perceel, dat zij op 18 maart 2004 hebben vastgesteld dat op het betreffende perceel bomen waren gerooid, en dat zij toen hun zoektocht naar de toedracht hiervan zijn begonnen. Voorts voeren zij in deze memorie niets wezenlijks meer toe aan hetgeen zij reeds hebben uiteengezet. 2.1.
  19. De verzoekers nuanceren in hun laatste memorie dat, in tegen- stelling tot hetgeen zij hebben uiteengezet in het verzoekschrift, er geen plakkaat op het perceel was aangebracht, doch dat de bomen op het perceel, voor zover nodig voor de realisatie van een te bouwen woning, gerooid waren, en dat dit hen “vaag” deed “vermoeden” dat er beweging in het dossier was. 2.1.
  20. De eerste verwerende partij repliceert in haar laatste memorie dat het ingestelde annulatieberoep laattijdig werd ingesteld en derhalve niet- ontvankelijk is. 2.
  21. Onderzoek van de exceptie 2.2.
  22. De bestreden stedenbouwkundige vergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekers er kennis van hebben gehad of geacht moeten worden er kennis van te hebben gehad. Het mag evenwel niet in de macht van een potentiële verzoeker liggen, wanneer hij in de mogelijkheid is om kennis te nemen van een bestuurshandeling die hij eventueel met een annulatie- beroep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere X-11.914-5/8 belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen van dien. Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een even- wichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengen mee dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de mogelijkheid die hem toentertijd door artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, gewijzigd bij de wetten van 22 april 1970 en 22 december 1970, geboden werd om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. Eens die redelijke termijn is verstreken, neemt de termijn van zestig dagen om een annulatieberoep in te dienen een aanvang. 2.2.
  23. In het verzoekschrift tot nietigverklaring wordt omtrent de kennisname door de verzoekers van de bestreden beslissing o.m. het volgende gesteld: “Slechts zeer toevallig zagen verzoekers tijdens een fietstocht 18.03.2003 dat een plakkaat werd aangebracht op het perceel grond, en waaruit zij zelf besloten dat inmiddels dan wellicht een bouwvergunning zou zijn afgeleverd”, en “De beslissing is nimmer betekend aan verzoekers. Zij zijn toevallig, naar aanleiding van een fietstocht, en op informele wijze, te weten gekomen dat een bouwvergunning werd verleend op 25.02.2004”. De kennis door de verzoekers van het bestaan van de bestreden stedenbouwkundige vergunning wordt voorts bevestigd in de brief van 13 april 2004 van hun raadsman aan het college van burgemeester en schepenen, waarin wordt gesteld dat “slechts zeer toevallig op 18.03.2003 (lees 2004) cliënten te weten kwamen dat de bouwvergunning inmiddels zou zijn afgeleverd op 25.02.2004”, en waaruit aldus blijkt dat de verzoekers op dat ogenblik reeds de precieze datum van afgifte van de thans bestreden stedenbouwkundige vergunning kenden. 2.2.
  24. Uit hetgeen voorafgaat blijkt afdoende dat de verzoekers reeds op 18 maart 2004 kennis hadden van het feit dat een stedenbouwkundige vergunning X-11.914-6/8 voor de oprichting van een eengezinswoning op het betrokken perceel was verleend. De beroepstermijn heeft op dat ogenblik een aanvang genomen. Het beroep is ingesteld op 28 mei 2004, dit is na het verstrijken van de beroepstermijn. 2.2.
  25. De argumentatie van de verzoekers dat “zij eerst in een schrijven dd. 21.04.2004 in kennis werden gesteld van een gedeelte van de inhoud van de beslissing (te weten de motivering van de verwerping van het door hen ingediende bezwaar) alsook van de reden waarom op het bezwaar niet werd gereageerd” en dat derhalve “deze datum dan ook in aanmerking moet worden genomen als vertrekpunt van de termijn van 60 dagen” en dat zij “op diligente wijze, na de eerste informele geruchten omtrent het verleend zijn van een bouwvergunning, getracht hebben ‘feitelijke kennis te nemen’ van de beslissing”, doet aan de voormelde vaststelling geen afbreuk. De beroepstermijn van zestig dagen gaat immers in op het ogenblik dat een verzoeker een voldoende kennis heeft van het bestaan, de aard en de draagwijdte van een vergunning en niet op het ogenblik waarop hij kennis neemt van het griefhoudend karakter ervan. Uit de gegevens van de zaak, inzonderheid uit het feit dat de verzoekers tijdens het openbaar onderzoek een bezwaar hebben ingediend, blijkt dat zij een voldoende kennis hadden van de aard en de draagwijdte van de betrokken stedenbouwkundige vergunning. De argumentatie in de laatste memorie dat zij op 18 maart 2004 enkel vaststelden dat er bomen waren gerooid en op dat ogenblik enkel een “vaag vermoeden” hadden dat er beweging was in het dossier, kan, gelet op hetgeen zij voordien verklaarden én op de hiervoor vermelde inhoud van de brief van hun raadsman aan het gemeentebestuur van Heusden- Zolder, niet worden aangenomen. 2.2.
  26. Het beroep is laattijdig ingesteld. De exceptie van niet- ontvankelijkheid is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  27. Het beroep wordt verworpen. X-11.914-7/8 Artikel
  28. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekers. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien januari 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.914-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.548 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.