id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.667 Rolnummer: A. 181637/X-13212 Zaak: Arrest 178667 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 18/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-25 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-29 07:30 Fiche Arrest nr 178.667 van 18 januari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.667 van 18 januari 2008 in de zaak A. 181.637/X-13.
- In zake : Alfons DE MUYNCK, die woonplaats kiest bij advocaten L. BALCAEN en D. VAN RENNE, kantoor houdende te 9000 GENT, Gebroeders Vandeveldestraat 99 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
- tussenkomende partij : de n.v. DRUKKERIJ VERSTRAETE, die woonplaats kiest bij advocaten B. ROELANDTS en L. PROOT, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Alfons DE MUYNCK op 12 maart 2007 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 8 december 2006 van de Vlaamse regering houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Historisch gegroeid bedrijf NV Drukkerij Verstraete te Knesselare”, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 januari 2007; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 25 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 juni 2007; X-13.212-1/32 Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. BALCAEN, die verschijnt voor de verzoeker, van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat E. DE WITTE, die loco advocaten B. ROELANDTS en L. PROOT verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op artikel 90, § 1, vierde lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Rechtspleging Overwegende dat de n.v. DRUKKERIJ VERSTRAETE met een verzoekschrift van 4 april 2007 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen;
- De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 2.
- De verzoeker is eigenaar van enkele percelen die zijn gelegen te Knesselare, Urselseweg
- Ingevolge een op 8 april 1980 aan hem afgeleverde bouwvergunning heeft de verzoeker op één van die percelen een woning gebouwd die hij bewoont. Onmiddellijk palend aan de percelen van de verzoeker bevinden zich percelen die eigendom zijn van de n.v. VERSTRAETE. Sinds 1974 exploiteert de familie VERSTRAETE daar een drukkerij. Het bedrijf heeft daarvoor destijds de nodige vergunningen verkregen. Oorspronkelijk maakten zowel de percelen van de verzoeker als deze van de tussenkomende partij deel uit van een verkaveling voor open X-13.212-2/32 bebouwing met landelijk karakter waarvoor bij besluit van 10 december 1963 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Knesselare een vergunning is verleend. Door het bestreden besluit wordt de verkaveling opgeheven voor wat betreft de betrokken percelen van de tussenkomende partij. 2.
- Volgens de voorschriften van het bij koninklijk besluit van 24 maart 1978 vastgestelde gewestplan Eeklo-Aalter waren de betrokken percelen van de tussenkomende partij bestemd tot natuurgebied. 2.
- In de periode 1981-1985 zijn enkele bouwvergunningen voor uitbreidingen van het bedrijf van de tussenkomende partij afgeleverd op basis van de toen geldende uitzonderingsbepalingen voor zonevreemde bedrijven. 2.
- Een bijzonder plan van aanleg “Hellegat” genaamd, goedgekeurd bij besluit van de Vlaamse regering van 16 januari 1991, nam de bedrijfsterreinen op in een ambachtelijk gebied. Op grond van dat bijzonder plan van aanleg zijn nog verscheidene bouw- en milieuvergunningen voor uitbreidingen van het bedrijf verleend. Bij arrest nr. 78.487 van 3 februari 1999 heeft de Raad van State het voornoemde BPA vernietigd op grond dat niet voldaan was aan de voorwaarden om te kunnen afwijken van het gewestplan. 2.
- Inmiddels had de gemeente Knesselare het initiatief genomen om voor een aantal zonevreemde bedrijven, waaronder het bedrijf van de tussenkomende partij, een sectoraal bijzonder plan van aanleg op te maken. Dat sectoraal BPA zonevreemde bedrijven is door de gemeenteraad van de gemeente Knesselare op 6 oktober 1999 voorlopig aangenomen. Tijdens het openbaar onderzoek is onder andere door de verzoeker een bezwaarschrift ingediend. Op 9 februari 2000 heeft de gemeenteraad van Knesselare het sectoraal BPA definitief aangenomen. De bestendige deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen heeft op 16 maart 2000 een gunstig advies verleend. Bij besluit van 18 mei 2000 heeft de Vlaamse minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening het BPA gedeeltelijk goedgekeurd. X-13.212-3/32 Het bedoelde BPA bestaat uit elf deelplannen, waaronder het deelplan “1/13 Verstraete”. Dat deelplan voorziet voor de bedrijfssite van de tussenkomende partij in aangepaste bestemmingen, met name als zone voor nijverheidsgebouwen en aanverwante voorzieningen, zone voor private parkeerplaatsen, toeritten en laad- en losplaatsen, bufferzone-groene zone, zone voor woonbebouwing, kantoren en gemeenschapsvoorzieningen op basis van de bestaande bedrijfsvoering en zone voor schermgroen. Bedoeld BPA is onder andere door de verzoeker aangevochten in de zaak A 94.942/X-9.
- Bij arrest nr. 167.032 van 24 januari 2007 zijn de debatten heropend. Die zaak is nog hangende. 2.
- Door de Vlaamse regering was intussen op 3 februari 2006 het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP) “Historisch gegroeid bedrijf NV Drukkerij Verstraete te Knesselare” voorlopig vastgesteld. Tijdens het openbaar onderzoek, georganiseerd van 6 maart 2006 tot 4 mei 2006, heeft onder andere de verzoeker een bezwaarschrift ingediend. De provincieraad van Oost-Vlaanderen en de Vlaamse commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: Vlacoro) hebben respectievelijk op 19 april 2006 en op 12 september 2006 het ontwerp-GRUP voorwaardelijk gunstig geadviseerd. Op 30 oktober 2006 heeft de Raad van State, Afdeling Wetgeving, advies uitgebracht. Bij besluit van de Vlaamse regering van 8 december 2006 is het GRUP “Historisch gegroeid bedrijf NV Drukkerij Verstraete te Knesselare” definitief vastgesteld. Dit is het bestreden besluit. Het definitief vaststellingsbesluit is bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad van 9 januari 2007 bekendgemaakt. Het erbij gevoegde plan neemt de bedrijfssite op in een “zone voor bedrijfsactiviteiten van een historisch gegroeid bedrijf” met in overdruk “buffer”;
- Over de grondvoorwaarden tot schorsing 3.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen X-13.212-4/32 verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.2.
- Overwegende dat de verzoeker in zijn verzoekschrift tot schorsing in een eerste middel aanvoert wat volgt: “EERSTE MIDDEL, genomen uit de overtredingen van de verordenende stedenbouwvoorschriften van het GRUP. Doordat De door het bestreden besluit mogelijk gemaakte bouwuitbreiding en wijzigingen op de percelen van de N.V. Drukkerij Verstraete betreffen inbreuken tegen de volgende verordenende stedenbouwkundige voorschriften van het GRUP zelf A. artikel 1.1.
- Bestemming ‘Deze zone is bestemd voor het behoud van de huidige historisch gegroeide bedrijfsactiviteiten (drukkerij verpakkingen) aan de Urselseweg 150, te Knesselare. (...) Indien de huidige bedrijfsactiviteiten worden stopgezet, geldt de nabestemming reservegebied voor economische activiteiten.’ (...) B. artikel 1.1.
- Inrichting ‘De zone voor bedrijfsactiviteiten mag voor 50% volledig verhard worden en de bestaande bebouwde oppervlakte, zijnde 30% van de zone voor bedrijfsactiviteiten, dient behouden te blijven. (...) ‘Voor de gebouwen gelden de volgende principes: - De maximale bouwhoogte bedraagt 6 meter (...) - T.o.v. de aangrenzende residentiële functie aan de noordwestelijke hoekgrens van het plangebied, zijn in een strook van 50 meter vanaf de Urselseweg voor een breedte van 10 meter vanaf de westelijke plangrens gerekend enkel opslag van afgewerkte producten, parkeerplaatsen, kantoren en voorzieningen voor het personeel toegelaten; de bestaande woning kan behouden worden en verbouwd.’ (...) en artikel
- 1.
- Buffer ‘De bestaande landschappelijke groene inpassing in de streekeigen struiken en hoogstammige bomen dient in oppervlakteomvang, zijnde 50% van het bedrijfsperceel, behouden en onderhouden te worden op dusdanige wijze dat de natuurlijke kwaliteit van de omgeving kan ondersteund worden.’ C. artikel
- 1.
- Inrichting ‘(...) ‘Verhardingen, inclusief de verhardingen van de interne wegenis en van de parkeeroppervlaktes op vaste grond, moeten waterdoorlatend zijn...’ Toelichting. A. Geen enkel bewijs ligt voor dat de N.V. Drukkerij Verstraete voldoet aan de in de definitie vervatte specifieke eigenschappen van een ‘historisch gegroeid bedrijf’. Een historisch gegroeid bedrijf kan omschreven worden als ‘een bedrijf, dat morfologisch (= naar de vorm) en ruimtelijk verweven is met de omgeving en dat een specifieke sociaal-economische relatie heeft met de omgeving.’ (R. S.V. p. 448) - Er is evenwel geen enkele ‘morfologische noch ruimtelijke verwevenheid met de omgeving’; - De N.V. Drukkerij Verstraete heeft geen enkele ‘specifiek sociale relatie met de omgeving’, integendeel het verloedert, voor de Meetjeslanders en verzoeker die ter plaatse deelnemen aan lokaal zacht toerisme, hun nabij gelegen bosomgeving door drukte en landschapverstoring; X-13.212-5/32 - Als ‘specifieke economische relatie met de omgeving’ zijn er slechts de goedkope terreinen die het bedrijf hier eertijds kocht, waardoor zij onrechtmatig kon concurreren. - Er is geen ‘specifieke sociaal-economische relatie met de omgeving’, integendeel door zo afgelegen gesitueerd te zijn en slechts voorzien te zijn van één lijnbus om de 2 uur, moet het merendeel van het bedrijfspersoneel met eigen wagen komen werken, daar waar het Maldegemse filiaal van het bedrijf voorzien wordt van 4 buslijnen of de mogelijkheid biedt samen met buren die in de vele nabij gelegen bedrijven werken te carpoolen of kinderen mee te nemen naar 2 volledig uitgebouwde scholen dan wel te winkelen in de enorme keuze winkels die er in de nabijheid zijn. De grote werken uitgevoerd vóór het verkrijgen van de nodige vergunningen bewijzen de voorkennis door de N.V. Drukkerij Verstraete van de definitieve vaststelling van het bestreden besluit. De drukkerij stoort zich daarbij niet aan stedenbouw- noch milieuovertredingen. Aangaande het ‘behoud van de huidige bedrijfsactiviteiten’ wil verzoeker het volgende laten opmerken. - Volgens artikel 3.2.1 van het tekstgedeelte van de ‘Toelichtingnota’ bij het bestreden besluit, wordt vermeld onder - ‘Economische kenmerken: (...) De vestiging te Knesselare levert de kleinere meer gespecialiseerde oplages en sinds kort verzorgt een tweede vestiging te Maldegem druk op rollen en grote formaten.(...).’ - Mobiliteitsprofiel: De woon-werkverplaatsingen gebeuren hoofdzakelijk met de wagen (50 personeelsleden) of met langzaam verkeer (10 personeelsleden). Doordat de grote produkten-oplages niet meer in Knesselare worden gedrukt, (...)’ De huidige bedrijfsactiviteiten van de N.V. Drukkerij Verstraete zijn daarentegen offset drukken en de personeelsbezetting wordt volgens verzoeker manifest hoger dan de in deze toelichtingsnota beschreven 60 personeelsleden voor het filiaal aan de Urselseweg. Die activiteit en ook het aantal - 60 - werknemers zijn volgens artikel 1.1.
- van de verordende stedenbouwvoorschriften van het GRUP... te behouden, terwijl de N.V. Drukkerij Verstraete nu reeds deze bestemming overschrijdt in activiteit en personeelsaantal. - Volgens een werkaanbieding in de plaatselijke ‘Streekkrant’ van 16 juli 2006 (...), wenst de N.V. Drukkerij Verstraete haar ‘team te versterken met (m/v): ‘Productieverantwoordelijke Drukkerij motiverend teamcoach van: 60 medewerkers’ en ‘Productieverantwoordelijke Afwerking motiverend teamcoach van: 140 medewerkers.’ - In de ‘Motiveringsnota’ bij de bouwvergunning aangevraagd voor de site Urselseweg 150 Ursel op 22.12.2005 en verleend door de Gemeente Knesselare op 13.03.2006 aan de N.V. Drukkerij Verstraete wordt vermeld: ‘Verantwoording Aanvraag: De laatste stap is de globale herorganisatie en de inlichting van een deel der bestaande bedrijfsgebouwen, dit naar aanleiding der herlokalisatie van een aantal afdelingen naar Maldegem. De voorliggende aanvraag strekt ertoe een herinrichting tot stand te brengen. Bedoeling is dat de huidige activiteit in Ursel wordt toegespitst op het drukken zelf (press) en de afwerking ervan (postpress). Het voorbereiden en het aanmaken der drukplaten (prepress), onderzoek, ontwikkeling en hoofdadministratie gebeurt voortaan in Maldegem.’ (Het CBS van Knesselare liet aan verzoeker geen fotokopij toe, reden waarop hij in huidige procedure geen bewijsstuk kan voorleggen). Voor de activiteiten press en postpress zullen/zijn met andere woorden samen 200 extra medewerkers (worden) aangetrokken. Precies die activiteiten zijn ‘toegespitst’ in het filiaal te Ursel. X-13.212-6/32 Voormelde werkaanbieding en betreffende motiveringsnota bewijzen dat de N.V. Drukkerij Verstraete de productie op site te Ursel-Knesselare in belangrijke mate wil verhogen. De vermelde 200 werknemers betreffen 3,33 maal het aantal dat conform artikel 1.1.
- van de verordende stedenbouwvoorschriften van het GRUP toegelaten wordt. Een dergelijke personeelsbezetting is niet toelaatbaar in het kader van de reeds kritische draagkracht van betrokken gebied. Aangaande de ‘nabestemming als reservegebied voor economische activiteiten’, wil verzoeker opmerken dat de hoger aangehaalde feiten genoegzaam aantonen dat in loco eigenlijk geen enkele bedrijfsactiviteit op zijn plaats is. De nabestemming als reservegebied voor economische activiteiten gaat dan ook manifest in tegen het op het gewestplan ingekleurde natuurgebied, welke Vlacoro als nabestemming een beter alternatief vindt gezien de specifieke ligging (...). B. De voorgeschreven verhouding bebouwing, verharding en buffering wordt op heden reeds niet gerespecteerd. Alhoewel de gehele bufferoppervlakte op heden reeds te klein is, wordt de aan het perceel van verzoeker grenzende buffer in het bestreden besluit zelfs niet meer geëist volgens het verordenende grafisch plan bij het GRUP, meer zelfs, naast de woning op het bedrijventerrein is die buffer zelfs niet meer toegelaten. (cfr. art. 1.2 van de verordenende stedenbouwkundig voorschriften bij het GRUP). De maximaal toegelaten bouwhoogte van 6 meter (waarop dan nog afwijkingen zijn toegestaan) is een ware vloek voor de natuurlijke omgeving.
- De op het bedrijventerrein aanwezige verharding is in realiteit manifest groter dan aangegeven, waardoor de buffer kleiner is dan de verordende 50%. - In het advies van Vlacoro staat onder: ‘
- Bezwaar der Drukkerij Bedrijf vermoedt een rekenfout in de inrichtingsvoorschriften van het GRUP Ze toetst met de bestaande toestand die is: (...) PERCENTAGE BEBOUWING: 28,87 %’ PERCENTAGE VERHARDING: 18,84 % PERCENTAGE GROENVOORZIENING 52,27 - Omtrent het percentage bebouwing Volgens de bouwvergunning van 13 maart 2006 wordt die oppervlakte bebouwing 4.790,5 m². Rekening houdend met het percentage bebouwing van 28,87%, bedraagt de totale oppervlakte van het GRUP-perceel: 16.593 m² (4.790,5 / 28,87%), hetgeen - op 88 m² na - overeenstemt met het bedrijfsperceel volgens het ‘Grafisch Plan’ bij het GRUP. Op dat plan beslaat het bedrijfsperceel namelijk: 16.505 m² (nl. 11.828 m² volgens de Memorie van Toelichting bij het BPA van 18 mei 2000, en 4.677 m² voor het aanpalende perceel C 380d volgens het kadaster) (...): Het reële percentage bebouwing op het (bedrijfs)perceel t.o.v. de verordenende voorschriften van het GRUP bedraagt dan ook 29,02 % (4.790,5/16.505) en niet, zoals in het bezwaar van de N.V. Drukkerij Verstraete (...) vermeld 28,87%. Omtrent het percentage verharding Volgens de N.V. Drukkerij Verstraete bedraagt de oppervlakte verharding: 18,84 % of 3.126 m² (16.593 x 18,84%). Verzoeker merkt evenwel op: - dat op het plan BA 01 van 24 maart 1997 als getotaliseerde verharding wordt opgegeven: 1.668 m² (...) X-13.212-7/32 - dat op het plan gevoegd bij de vergunning van 2 oktober 2000 voor een parking van 50 wagens, als oppervlakte wordt opgegeven: 1.507m² (80 x [19 + 18,35] : 2). (...) - dat dit, opgeteld, 3.175 m² geeft, of 19, 13 % van de totale oppervlakte van het GRUP-perceel (3.175 / 16.593 m²), hetgeen ongeveer het percentage betreft dat de N.V. Drukkerij Verstraete opgeeft; - dat evenwel ook de op het ‘Aanlegplan bestaande toestand’ bij die parkingvergunning (...) illegaal aangelegde verhardingen, voor samen 1.150 m² , dienen in aanmerking genomen te worden, zodat de reële verharding 4.325m² bedraagt, zijnde 26,20% (4.325 / 16.505 m²); dat dit een manifeste overschrijding van 6,20 punten of 31 % is van de limiet van 20 % ! - dat 1.023 m² (16.505 ml x 6,2%) clandestien door de N.V. Drukkerij Verstraete (werd) verhard omdat het deels in de groenschermzone lag; het is samen met de vergunning voor de parking en zonder commentaar geregulariseerd. Omtrent het percentage bebouwing en verharding samen Het totale percentage bebouwing en verharding bedraagt 55,22%, zijnde 29,02 % en 26,20 %, zodat de 50% limiet wordt overschreden. Omtrent het percentage groenvoorziening Het percentage groenvoorziening van 52,27% uit het bezwaar van de N.V. Drukkerij Verstraete (zie advies van Vlacoro) kan dan ook niet correct zijn, nu er - na aftrek van de bebouwing en de verharding - nog slechts 44,78% of 7.389,5 m² (16.505 m² als RUP bedrijfsperceel - [4.790,5 als bebouwing + 4.3252 als verharding]) rest van de totale bedrijfsoppervlakte. - Subconclusie: De in artikel 1.1.
- Inrichting en 1.1.
- Buffer van de verordenende stedenbouwkundige voorschriften opgenomen percentages ‘voor bebouwing (30%), verharding exclusief bebouwing (20%) en groenvoorziening (50%)’ worden op heden reeds niet gerespecteerd. Het bestreden besluit is dan ook manifest foutief waar het op p. 2 §5 stelt: ‘de bebouwings- en verhardingsgraad zijn in de toelichtingsnota en de stedenbouwkundige voorschriften aangepast aan de meer reële percentages zijnde 30% bebouwing, 20% verharding exclusief bebouwing en 50% groenvoorziening’.
- Conform het GRUP is op het bedrijfsterrein aan de westgrens met het perceel van verzoeker tot 50 m van de weg geen groenvoorziening meer toegelaten. Niettegenstaande de verharding reeds 26,20% bedraagt, of 31% groter dan limiet van 20% (cfr. infra), vereist artikel 1.1.
- van de verordende stedenbouwkundige voorschriften voor de gebouwen o.a.: ‘T.o.v. de aangrenzende residentiële functie aan de noordwestelijke hoekgrens van het plangebied, zijn in een strook van 50 m vanaf de Urselseweg voor een breedte van 10 m vanaf de westelijke plangrens gerekend enkel opslag van afgewerkte producten, parkeerplaatsen, kantoren en voorzieningen voor het personeel toegelaten; de bestaande woning kan behouden worden en verbouwd. (...)’ Op grond van dit dwingend voorschrift kan op de 10 m brede strook direct palend aan het perceel van verzoeker (dat volledig gelegen is in een verkaveling voor landelijke gebouwen) nu praktisch alleen verhard of gebouwd worden. Dit ‘enkel (...) toegelaten’ dient - bij gebrek aan mogelijke alternatieven - gelezen te worden als ‘moet’. Dit houdt in dat de verkavelingsvergunning dient opgeheven te worden, waarvan de verkavelingvoorschriften in art.
- voorschrijven dat de percelen af te sluiten zijn met een levende haag. (...) Betreffende, op heden aanwezige haag is gemeenschappelijk want zij staat met onderling akkoord - op het terrein van de N.V. Drukkerij Verstraete op X-13.212-8/32 12 cm van de perceelgrens, op welke een afsluiting in lage betonplaten en staaldraadnet op kosten van beide partijen is geplaatst. Conform artikel 132 § 2 van het Decreet Ruimtelijk Ordening (hierna: DRO) kan een dergelijke opheffing slechts mits akkoord van de medekavelanten (lees: verzoeker) of ten dienste van het openbaar nut. Met haar bestreden besluit blijkt de verwerende partij te slagen in de opheffing van de verkavelingsvoorschriften, zonder enige nadere verantwoording. Daardoor wordt, precies aan de minder afgeschermde westzijde van het bedrijventerrein, op een diepte van 50 m (de kaveldiepte voor de landelijke woning van verzoeker) en een breedte van 10 m vanaf de perceelsgrens van verzoeker, de opslag van afgewerkte producten, parkeerplaatsen, kantoren en voorzieningen voor het personeel opgelegd. Op die wijze worden overtredingen van de N.V. Drukkerij Verstraete op de verkaveling met de wettelijke mantel dichtgedekt. Machtsoverschrijding ligt onbetwistbaar voor. De conform artikel 1.1.
- inrichting van de verordenende stedenbouwkundige voorschriften toegelaten bouwhoogte van 6 meter, heeft tot gevolg dat tot de plangrens over de ganse 50 m verkavelingsdiepte een bouwmuur van 6 m mogelijk zou kunnen worden. Dit is vanuit esthetisch oogpunt onaanvaardbaar.
- Zonder enige nadere opmerking in het GRUP, legt het verordenend grafisch plan aan de westzijde van het perceel van verzoeker geen buffer meer op voor de strook dieper dan 50 meter en gaande tot 90,50 meter, naast en achter de in 1973 en 1981 opgerichte gebouwen van de N.V. Drukkerij Verstraete. Aan de oostzijde daarentegen bestaat wel een buffer, en wel een van 25 op 45 meter breed. Het groenscherm is aldus geenszins rechtmatig verdeeld tussen de oost- en de westgrens. Hiermee wordt onder meer ingegaan tegen: - artikel 1.1.
- Buffer van de verordenende stedenbouwkundige voorschriften: ‘De bestaande landschappelijke groene inpassing in de streekeigen struiken en hoogstammige bomen dient in oppervlakteomvang, zijnde 50% van het bedrijfsperceel, behouden en onderhouden te worden op dusdanige wijze dat de natuurlijke kwaliteit van de omgeving kan ondersteund worden.’ (...) - artikel 159 G.W., nu het bestreden besluit de bestemming natuurgebied niet verbetert of verfijnt; - artikel 8 van het Decreet Natuurbehoud ten gevolge waarvan ‘de overheid (...) er toe gehouden (is) de verdere achteruitgang van Natuurwaarden te voorkomen.’ - artikel 13.4.3 van KB van 28 december 1972 dat bepaalt: ‘Groengebieden zijn bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van natuurlijk milieu. Materiële belangen zijn ondergeschikt aan natuurwaarden.’ - het op p. 13 van de toelichtingsnota bij het bestreden besluit gestelde, nl. ‘landschappelijke integratie van het terrein (...)’ De landschappelijke groene inpassing is aangelegd en moet worden onderhouden als een groene strook tussen het bedrijfsperceel en de omgeving met de grootste oppervlakte rond de personeelsparking aan de oostelijke plangrens. - de vaste rechtspraak van Uw Raad, die stelt: - dat er tussen onverenigbare bestemmingen een buffer moet blijven bestaan - dat een buffer dient bewaard te worden als groene ruimte, waarin gebouwen niet toegelaten zijn. - de door de verkavelingsvoorschriften vereiste minimale bouwvrije zijtuinstrook van 4,00 m, terwijl in casu de afstand tussen de perceelsgrens en X-13.212-9/32 de gebouwen van de drukkerij aan de westzijde van het bedrijfsterrein slechts 3,60 m bedraagt; - de door twee B.P.A.’s opgelegde bufferstrook van 5 en 10 m; - de algemene regel voor de breedte van de buffer in andere RUP’s C. De door artikel 1.1.
- Inrichting van de verordenende stedenbouwkundige voorschriften gestelde voorwaarde dat ‘(...) ‘Verhardingen inclusief de verhardingen van de interne wegenis en van de parkeeroppervlaktes op vaste grond, (...) waterdoorlatend [moeten] zijn ...’ (...) was reeds als voorwaarde gesteld in voornoemd sectoraal B.P.A. zonevreemde bedrijven Knesselare - deelplan Verstraete van 18 mei
- De in het BPA vereiste waterdoorlaatbare parkingbodem is op plan en reëel niet meer dan gewoon beton met een afvoergeul/greppel naar de achterzijde van het terrein, met als gevolg dat bij harde regen het gecollecteerde water en dan opgewoelde slib de lozinggracht nog vlugger en meer doet overlopen in de nabijgelegen veedrinkpoel. Het eerste middel is bijgevolg gegrond”; 3.2.2.
- Overwegende dat in de mate dat de verzoeker refereert aan de bestaande toestand (activiteit en personeelsbezetting, verhouding bebouwing, verharding en buffering, waterdoorlatende verhardingen), deze zonder impact is op de legaliteit van het bestreden plan; dat bij het vaststellen van de bestemmingen in ruimtelijke uitvoeringsplannen de overheid er immers niet toe is gehouden de op dat ogenblik bestaande toestand in het plan te bevestigen en te bekrachtigen; dat plannen namelijk toekomstgericht zijn en stedenbouwkundige voorschriften kunnen vastleggen die afwijken van de bestaande toestand; 3.2.2.
- Overwegende dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV) het begrip “historisch gegroeid bedrijf” omschrijft als “een regionaal bedrijf, dat morfologisch en ruimtelijk verweven is met de omgeving en dat een specifieke sociaal-economische relatie heeft met de omgeving”; dat in het bestreden besluit daarover wordt overwogen: “Overwegende dat in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen ontwikkelingsperspectieven worden gegeven voor historisch gegroeide bedrijven, wat bedrijven betreft met een hoge toegevoegde waarde, een aanzienlijke tewerkstelling, en een internationale uitstraling, die gelegen zijn buiten de economische knooppunten; dat deze bedrijven verweven zijn met de omgeving en een specifieke sociaal economische relatie hebben met die omgeving, dat door de aard van hun bedrijfsactiviteiten en de schaal deze bedrijven een bovenlokale problematiek kennen en een afweging op Vlaams niveau vragen; Overwegende dat het bedrijf N.V. Drukkerij Verstraete te Knesselare volgens voornoemde kenmerken beschouwd wordt als een historisch gegroeid bedrijf; dat dit bedrijf volgens het op 18 mei 2000 goedgekeurd sectoraal bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven- deelplan Verstraete gelegen is in de zones ‘nijverheidsgebouwen en aanverwante voorzieningen’, ‘private parkeerplaatsen, toeritten, laad- en losplaatsen’, ‘bufferzone-groenzone’, ‘woonbebouwing, kantoren en gemeenschapsvoorziening op basis van de X-13.212-10/32 bestaande bedrijfsvoering’ en ‘schermgroen’; dat dit sectoraal bijzonder plan van aanleg een afwijking inhield van het definitief gewestplan; dat de gemeente Knesselare geselecteerd is als gemeente in het buitengebied; dat deze bovenlokale problematiek vraagt om een afweging op Vlaams niveau en de basis vormt voor voorliggend gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan”; dat in de toelichtingsnota van het bestreden GRUP, meer bepaald in het gedeelte dat betrekking heeft op de relatie met het RSV, het volgende wordt vermeld: “3.1.1 De bindende bepalingen In gemeenten buiten de economische knooppunten kan maximaal 500ha als bedrijventerrein voor historisch gegroeide bedrijven worden afgebakend. 3.1.2 Het richtinggevend gedeelte Om op lange termijn op vlak van economische activiteiten concurrentieel te blijven moet Vlaanderen ruimte en economie beter op elkaar afstemmen. De troeven voor het versterken van de economische potenties liggen in de concentratiegebieden voor economische activiteiten, namelijk de poorten en de economische knooppunten. Daarnaast maken ook bedrijven met hoge toegevoegde waarde, een aanzienlijke tewerkstelling, internationale uitstraling en imago in gemeenten buiten de economische knooppunten deel uit van de Vlaamse economische structuur. Uiteraard moet de ontwikkeling van deze bedrijven worden gegarandeerd. Een ‘historisch gegroeid bedrijf’ (RSV p. 452) is gelegen in een gemeente buiten de economische knooppunten, heeft een ruimtelijke problematiek die best op bovenlokaal niveau wordt afgewogen, is morfologisch en ruimtelijk verweven met de omgeving en heeft een specifieke sociaal-economische relatie met die omgeving. Omwille van de verantwoordelijkheid van de gemeente inzake de verlening en/of de advisering van de milieuvergunning, de kennis en inschatting van de plaatselijke toestand en met name de bepaling van de draagkracht van de ruimte, is het aan de gemeente deze problematiek te signaleren en een principieel standpunt in te nemen. De afweging en bestemming in een ruimtelijk uitvoeringsplan gebeurt door het Vlaams gewest, in overleg met de gemeente en de provincie. Wat betreft de bestemmingen in het gewestplan, kan een historisch gegroeid bedrijf ofwel gelegen zijn in industrie- of KMO-gebied, en een uitbreiding vragen in een aangrenzend open ruimtegebied, ofwel volledig zonevreemd gelegen zijn. De beoordeling van de ontwikkelings- en uitbreidingsmogelijkheden gebeurt in beide gevallen aan de hand van volgende principes uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (p. 453): - een maximale verweving van de economische activiteit met de activiteiten in haar (bebouwde of onbebouwde) omgeving wordt nagestreefd, waarbij goed nabuurschap het uitgangspunt moet vormen; - alle mogelijkheden en voorzieningen voor ontwikkeling op de bestaande locatie worden uitputtend aangewend; - de ruimtelijke implicaties bij een herlokalisatie worden afgewogen tegenover de ruimtelijke implicaties van een ontwikkeling op de bestaande locatie; - de ruimtelijke draagkracht van de omgeving mag niet worden overschreden; historisch gegroeide situaties en hinder zijn medebepalend voor de draagkracht; - er wordt ten aanzien van de ontwikkeling van de economische activiteit een maximale beleidszekerheid en beleidscontinuïteit nagestreefd, zowel in de ruimte als in de tijd; de verwachte ontwikkeling en uitbreiding van het bedrijf moeten goed ingeschat worden, evenals bedrijfseconomische implicaties, volgens het batneec-principe. X-13.212-11/32 Deze principes mogen niet los gezien worden van de vooropgestelde multifunctionele ontwikkelingen, en worden gekaderd binnen de uitgangshouding van duurzame ruimtelijke ontwikkeling met aandacht voor kwaliteit en gebaseerd op ruimtelijke draagkracht. De vestiging van Drukkerij Verstraete te Knesselare wordt beschouwd als een historisch gegroeid bedrijf, gelegen in een gemeente van het buitengebied. Reeds sinds 1973 zijn er drukkerij activiteiten op deze locatie gevestigd. Deze zijn sindsdien gedeeltelijk uitgebreid op deze locatie. Gezien de bovenlokale problematiek is een bestendiging van de drukkerij en een beperkte uitbreiding overwogen op gewestelijk niveau binnen de principes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. De ontwikkelingsmogelijkheden met kwalitatieve vereisten zijn vastgelegd in dit gewestelijk uitvoeringsplan. 3.2 Relatie met het Ruimtelijk Structuurplan - gebiedsgericht deel 3.2.1 Ruimtelijke elementen van de bestaande structuur In de analyse van de bestaande ruimtelijke structuur wordt eerst ingezoomd op de verschillende kenmerken van het bedrijf en de vraag tot bestendiging. Daarna wordt de ruimere omgeving van het bedrijf bekeken. Kenmerken van het bedrijf: Economische kenmerken: N.V. Drukkerij Verstraeten is opgestart als familiebedrijf en uitgegroeid tot een internationaal bedrijf. De drukkerij is gespecialiseerd in het drukken van etiketten voor levensmiddelen en onderhoudsproducten met hoogtechnologische specialisaties O.M. ‘in-mould-labelling’. De vestiging te Knesselare levert de kleinere meer gespecialiseerde oplages en sinds kort verzorgt een tweede vestiging te Maldegem druk op rollen en grote formaten. Door de bijzondere druktechniek op een recycleerbare mono-verpakking is het bedrijf vanaf 1992 uniek in België met milieuvriendelijke verpakkingsproducten en werd het bedrijf eind jaren '90 marktleider in Europa. De technologie levert een hoge toegevoegde waarde. In 2003 werd een omzet gerealiseerd van meer dan 41 miljoen euro. Van de geproduceerde goederen is ongeveer 25% bestemd voor de Belgische markt, 70% wordt geëxporteerd naar landen van de Eurpese Unie en 5% wereldwijd. Tot op heden heeft het bedrijf reeds 27,6 miljoen euro geïnvesteerd. De tewerkstelling van het bedrijf is sinds 1991 gegroeid van 27 personeelsleden naar 209 personeelsleden in
- Mobiliteitsprofiel: De woon-werkverplaatsingen gebeuren hoofdzakelijk met de wagen (50 personeelsleden) of met langzaam verkeer (10 personeelsleden). Doordat de grote produkten-oplages niet meer in Knesselare worden gedrukt, werd het mogelijk om externe opslag te Aalter af te schaffen wat direct tot minder verkeersbewegingen heeft geleid. Momenteel zijn er 30 bestel- en vrachtwagens per dag die goederen leveren en/of ophalen. De laad- en losactiviteiten vinden plaats op het bedrijfsperceel zelf. De personeelsparking bevindt zich tevens volledig op het bedrijfsperceel. Het vrachtvervoer ontsluit via de N461 via Ursel naar de N499 te Eeklo of via de N461 en de N44 naar het hoofdwegennet zijnde de E
- Historische context: Het bedrijf is in 1950 opgestart als lokale drukker in het centrum van Ursel. In de periode 1973-1974 werden de drukkerij activiteiten verhuisd naar de Urselseweg 150 bij de woning van de toenmalige bestuurder van N.V. Drukkerij Verstraete. Op deze locatie zijn de hoofdactiviteiten van de drukkerij gevestigd. In 2002 werd om veiligheidsredenen, HACCP-normen (aparte opslag voor voedingsmiddelenverpakkingen) en omwille van door klanten geëiste kwaliteits- en leveringsgaranties een tweede vestiging op een bedrijfsterrein te Maldegem opgericht. Ruimtegebruik. X-13.212-12/32 Het bedrijf N.V. Drukkerij Verstraete heeft omwille van de opstelling van de productielijnen en omwille van de gescheiden opslagnormen voor grondstoffen en de HACCP-normen voor opslag van de afgewerkte producten (voedingsmiddelen verpakkingen) een oppervlakte van ongeveer 1,5 ha in gebruik bestemd als ambachtelijke zone. De vestiging bestaat sinds 1973-1974 en werd in 1978 op het gewestplan Eeklo-Aalter als natuurgebied bestemd. Deze bestemming werd door de goedkeuring van het Bijzonder Plan van Aanleg Hellegat op 16 januari 1991 gewijzigd in ambachtelijke zone. Op 3 februari 1999 echter werd dit Bijzonder Plan van Aanleg door de Raad van State vernietigd waardoor de gewestplanbestemming opnieuw vigeerde. Op 18 mei 2000 werd het bedrijfsperceel herbestemd door de goedkeuring van het sectoraal Bijzonder Plan van Aanleg zonevreemde bedrijven Knesselare waartegen een nietigingsverklaring bij de Raad van State werd gevorderd. Schaal, visuele en vormelijke aankleding: Het bedrijf is gelegen aan de Urselseweg/N461 waarlangs verspreide lintbebouwing is. In de directe omgeving van het bedrijf is het Koningsbos en aan de overzijde van de Urselseweg bevindt zich het Drongengoedbos met een militair domein en militair vliegveld. De bedrijfsgebouwen hebben een uniform voorkomen en de bedrijfswoning ligt tussen het bedrijfsgebouw en de aangrenzende woning. Op de aanpalende percelen werd door het bedrijf zelf bos aangeplant en de personeelsparking is ingekaderd in groenelementen. Ruimtelijke vraag van het bedrijf Het bedrijf vraagt bestendiging van de bestaande toestand en rechtszekerheid voor de continuïteit van de hoogtechnologische bedrijfsactiviteiten. Binnen de huidige omvang van de bedrijfssite op de Urselseweg wenst het bedrijf gedeeltelijk te herstructureren zodat er aparte ruimten gemaakt kunnen worden conform de HACCP-normen voor de opslag van voedingsmiddelenverpak- kingen. Ruimtelijke kenmerken van de omgeving Knesselare is een gemeente van het buitengebied min of meer centraal gelegen tussen het grootstedelijk gebied Gent en het regionaalstedelijk gebied Brugge. De gemeente wordt noordzuid doorsneden door de N44, een primaire weg I die een verbinding vormt tussen de hoofdwegen A10/E40 en A11/N
- Zuidwestelijk ligt het kanaal Gent-Oostende in de gemeente. Landschappelijk maakt het gebied van Knesselare waar het bedrijf ligt deel uit van de Cuesta van Oedelem-Zomergem. Knesselare heeft voornamelijk een landschappelijk open landbouwgebied met verspreidde bebouwing tussen het kanaal Gent-Oostende en de kernen van de gemeente. Daarnaast is er de bosrijke omgeving van het Koningsbos en het Drongengoedbos met militair domein en vliegveld. De Urselseweg/N461, die de scheiding vormt tussen deze twee bossen, verbindt het hoofddorp Knesselare en de woonkern Ursel. Langs deze weg komt verspreide lintbebouwing voor waaronder het betrokken bedrijf. 3.2.2 Visie en gewenste ruimtelijke ontwikkelingsperspectieven In het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voor het bestaand bedrijf N.V. Drukkerij Verstraete, wordt de bestendiging van de bestaande bedrijfssite en -activiteiten mogelijk gemaakt. Op die manier moet het bedrijf in de toekomst zo goed mogelijk blijven functioneren. Bij de inrichting van het bedrijventerrein van N.V. Drukkerij Verstraete moet gestreefd worden naar een zuinig ruimtegebruik, een maximale ruimtelijke kwaliteit, een optimale functionele organisatie, een goede landschappelijke integratie ten opzichte van de omgeving. Ruimtelijke concepten
- Voorzien in bestendiging van het historisch gegroeid bedrijf X-13.212-13/32 De doelstelling is om de bedrijfsactiviteiten op deze locatie te behouden met de huidige bedrijfsomvang. Gezien de nabijheid van belangrijke elementen van de open ruimtestructuur, dient de huidige omvang en bebouwingsgraad van de bedrijfssite beschouwd als een maximum binnen de huidige omstandigheden.
- Maximaal vrijwaren van het Koningsbos Het Koningsbos maakt deel uit van het fysisch systeem op Vlaams niveau met name het Vlaams Ecologisch Netwerk. De verspreide bebouwing langs de Urselseweg waaronder het bedrijf is een bestaand gegeven aan de rand van dit gebied. Om deze reden wordt het bedrijf enkel bestendigd en wordt de landschappelijke inkleding behouden”; dat de Vlacoro, naar aanleiding van het door de verzoeker tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaar, in haar advies d.d. 12 september 2006 onder meer stelt: “Vlacoro is van oordeel dat het bedrijf wel degelijk voldoet aan de ‘definitie’ van een historisch gegroeid bedrijf en dit om volgende redenen: Het bedrijf is op de betrokken locatie gevestigd sedert midden de jaren ’70, dus vóór het vastleggen van de gewestplanbestemming. Hiervoor werden destijds zowel de nodige stedenbouwkundige als de nodige milieuvergunningen afgeleverd. Sedertdien kende het bedrijf een gestage groei. De uitbreidings- en verbouwingswerken die hiermee gepaard gingen, werden steeds goedgekeurd op basis van de bepalingen voor zonevreemde bedrijven. Doorheen de jaren werden door het bedrijf talrijke inspanningen geleverd voor de ruimtelijke integratie van de bedrijfsgebouwen. Resultaat hiervan is de omstandige groenbuffer omheen de gebouwen en de aanplanting van een bos op het links aanpalend perceel. Het bedrijf is aldus ook morfologisch en ruimtelijk verweven met de onmiddellijke omgeving. Het bedrijf stelt een 60-tal personeelsleden te werk die voornamelijk woonachtig zijn in Knesselare zelf of de omliggende gemeenten. Dit bevestigd haar sociaal-economische relatie met de omgeving. (...)”; dat hetgeen de verzoeker aanbrengt ter betwisting van de kwalificatie van het bedrijf van de tussenkomende partij als “historisch gegroeid bedrijf” slechts blijk geeft van een andere persoonlijke invulling van de omschrijving van het begrip door het RSV en op het eerste gezicht niet leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit en de toelichtingsnota daaraan in concreto een foutieve invulling hebben gegeven; 3.2.2.
- Overwegende dat ook wat de verzoeker aanbrengt inzake de nabestemming als reservegebied voor economische activiteiten en inzake de maximaal toegelaten bouwhoogte van 6 meter, op het eerste gezicht niet zonder meer aantoont dat de overheid de perken van haar appreciatiebevoegdheid heeft overschreden; X-13.212-14/32 3.2.2.
- Overwegende dat hetzelfde geldt voor hetgeen hij aanbrengt met betrekking tot het niet opleggen door het grafisch plan aan de westzijde van zijn perceel van een buffer “voor de strook dieper dan 50 meter en gaande tot 90,50 meter, naast en achter de in 1973 en 1981 opgerichte gebouwen van de N.V. Drukkerij Verstraete”, terwijl er aan de oostzijde wel een buffer bestaat; dat immers, enerzijds, noch de gewestplanbestemming, noch de vroegere bijzondere plannen van aanleg, noch de uitdrukkelijk opgeheven verkavelingsvergunning, noch de eigen stedenbouwkundige voorschriften een criterium vormen voor de beoordeling van de legaliteit van het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan en, anderzijds, de door de verzoeker aangebrachte schending van artikel 8 van het decreet Natuurbehoud alsook van de “algemene regel voor de breedte van de buffer” niet concreet is toegelicht, waardoor enkel de persoonlijke appreciatie van de verzoeker, te weten het niet “rechtmatig verdeeld” zijn van de buffering tussen de oost- en westgrens, overblijft; dat die op zich op het eerste gezicht niet aantoont dat de overheid de grenzen van haar appreciatiebevoegdheid heeft overschreden; 3.2.2.
- Overwegende dat artikel 132, §2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), waarvan de verzoeker de schending inroept, betrekking heeft op de procedure inzake een aanvraag tot wijziging van een verkavelingsvergunning die door de eigenaar van een in een niet-vervallen verkaveling begrepen kavel is ingediend; dat er in casu echter geen sprake is van een dergelijke wijzigingsaanvraag, maar wel van de opheffing van “de betrokken delen van de verkaveling van 10 december 1963”; dat, zoals de verwerende partij terecht stelt, een verkavelingsvergunning steeds kan worden opgeheven door een ruimtelijk uitvoeringsplan van latere datum, op voorwaarde dat dit uitdrukkelijk wordt bepaald in het ruimtelijk uitvoeringsplan, hetgeen ook het geval is; Overwegende dat het eerste middel niet ernstig is; 3.3.
- Overwegende dat de verzoeker in zijn verzoekschrift tot schorsing in een tweede middel aanvoert wat volgt: “TWEEDE MIDDEL, genomen uit de schending van de artikelen 4 en 19§ 3DRO Doordat A. aan de doelstellingen van artikel 4 DRO -
(1)duurzame ruimtelijke ontwikkeling,
(2)ruimtelijke draagkracht en
(3)ruimtelijke kwaliteit -, op p. 315 van het richtinggevend gedeelte van het R.S.V. eveneens beschreven als X-13.212-15/32 ‘een uitermate aangepast instrument om duurzame ontwikkeling na te streven’, door het GRUP wordt voorbijgegaan; B. conform artikel 19 §3 DRO door de overheid bij het ontwikkelen van gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen in beginsel niet kan worden afgeweken van het richtinggevend gedeelte van het R.S.V., tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen of dringende sociale, economische of budgettaire redenen, en in die gevallen mits een uitgebreide motivering; Toelichting A. Conform de ‘Omzendbrief RO 2001/1’, die volgens de omzendbrief RO 2004/1 op heden nog steeds geldig is, gebeurt de ruimtelijke ordening vanuit de specifieke doelstelling van artikel 4 DRO waarbij de vergunningstoestand van de bedrijven in aanmerking wordt genomen. 1. de als uitgangspunt te nemen duurzame ruimtelijke ontwikkeling is in Ursel onmogelijk door de ecologisch rijke entourage, hetgeen in een overweging van de minister in voornoemd sectoraal B.P.A. zonevreemde bedrijven Knesselare deelplan Verstraete van 18 mei 2000 wordt bevestigd Ten bewijze van de rijke ecologische omgeving rondom het bedrijventerrein van de N.V. Drukkerij Verstraete: - in het zuiden: SBZ-H en GEN ‘Drongengoedbossen’ - in het westen tot 152 meter (diepte bedrijf): woning en tuin van verzoeker en tot 368m diep weiden in GEN - in het noorden: over 126m door de Urselseweg (Gewestweg nr. 461) - in het oosten: over 154m ‘eikenbos’ op perceel C 380e van de N.V. Drukkerij Verstraete: VEN (Vlaams Ecologisch Netwerk) - Volgens de richtinggevende kaart 6 van het Gemeentelijk Structuurplan Knesselare (...) ligt het grootste deel van het bedrijf in GEN-gebied (Grote Eenheid Natuur), zijnde een aaneengesloten gebied waar de natuurfunctie bovengeschikt is aan andere functies en waar natuur als hoofdgebruiker voorkomt. Kaart Ruimte Typologie (...), waarop de perceelgrenzen beter de ligging weergeven, toont aan dat de achterste 54 m van het GRUP-perceel in de ‘bosstructuur’-deel ‘Drongengoedbossencomplex’ van het GEN ligt. Dit komt omdat het 54m diepe perceel (C 379
- k)nog bos is en zelfs Biologisch Zeer Waardevol (...) want het perceel werd door de drukkerij in 1988 gerooid onder de opgelegde voorwaarde evenveel bomen terug te planten. (...) In 1991 werd op dat perceel C 379 k een gebouw opgericht. Het feit dat de bebouwingen in ‘Bosstructuur’ liggen, impliceert dat de activiteit er moet uitdoven. Het bestreden besluit zou in zone I van het voormelde B.P.A. van 18 mei 2000 alle voorschriften der bedrijfsgebouwen opheffen. Verzoeker betwijfelt sterk of dit zomaar zonder rechterlijke tussenkomst mogelijk is, zeker in het licht van artikel 6 van het Decreet Natuurbehoud en de Habitat-RL, die de instandhouding van de SBZ-H eisen. - de richtinggevende kaart 2 van GRS. Knesselare (...) toont aan dat de drukkerij diep in ‘Kwetsbaar gebied’ ligt. - in het voormelde B.P.A. van 18 mei 2000 werd (in laatste paragraaf van p. 6/7) overwogen: ‘dat het bestemmingsplan voor de betrokken locatie geen verdere ruimtelijke expansie meer zal verwezenlijken; dat verdere toekomstige expansie op deze locatie overigens niet verantwoord is en derhalve dient vermeden te worden op deze locatie; dat dit element tegemoet komt aan het principe in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen waarbij geen verdere groei van linten en verspreide bebouwing wordt toegelaten’ - in het R.S.V. wordt op p. 317 en 318 gesteld: ‘Geopteerd wordt om (...) in die delen met een buitengebiedkarakter een ‘buitengebiedbeleid’ te voeren met specifieke buitengebiedmaatregelen. X-13.212-16/32 Al is de bestaande ruimtelijke structuur het uitgangspunt voor de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van Vlaanderen, het vormt geen reden om een aantal ruimtelijke wantoestanden van het verleden te bestendigen. Instrumenten en maatregelen zijn noodzakelijk om de zo ontstane ruimtelijke structuur waar mogelijk kwalitatief te verbeteren. Deze visie wordt vertaald in een gewenste ruimtelijke structuur.’ (...) (Zie kaart 1 van het richtinggevende gedeelte van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Knesselare - (...)) Wat de ruimtelijke wantoestand betreft, verwijst verzoeker naar het vierde middel. 2. De ruimtelijke draagkracht komt niet alleen ‘in het gedrang’ door oppervlaktegrondwaterbezoedeling. Die draagkracht is reeds lang overschreden. Er wordt immers door de N.V. Drukkerij Verstraete geloosd in de grachten, poelen en weiden die behoren tot de SBZH, onder meer de habitat voor de kamsalamander. In het R.S.V. op p. 453 wordt gesteld: ‘3.2.6. Ontwikkelings- en uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande bedrijven buiten de bedrijventerreinen (...) De ruimtelijke draagkracht van de omgeving mag niet worden overschreden; de ruimtelijke draagkracht is niet in algemene regels te vatten, (.. deze wordt gebied per gebied bepaald (...) historische gegroeide situaties en hinder zijn mede bepalend voor de draagkracht’ In casu betreft het een SBZ-H, nl. de Drongengoedbossen. Een voor het afleggen van kamsalamanders eieren noodzakelijke diepe poel is er tijdens de oorlog aangelegd en door verzoeker vanaf 1977 tot op heden onderhouden. In 1976 werd de kamsalamander gezien bij het opknappen van de gracht waarin de drukkerij loost- en die gelegen is naast de weide van verzoeker. Natuurliefhebbers bezochten eens per jaar de veedrinkpoel aan die gracht. Ze zagen de achteruitgang van de conditie van de poel en stelden voor de afvoer naar de straat af te leiden. Daarop is evenwel door de gemeente niet ingegaan. Reden daarvoor is dat in 1973 werd de drukkerij was vergund met op het situatieplan een - geveinsde - gemeenteriolering (...) Door de N.V. Drukkerij Verstraete werd in 1981, 1985 en 1991 fel aan uitbreiding gedaan. Hemel- en afvalwater gaan naar (be-)sterfputten zonder afvoer op plan, maar reëel lozend in een gemeenschappelijke gracht in een SBZH. Daardoor nam de bezoedeling van de lozinggracht toe en slibte de poel praktisch dicht. Op het einde van het openbaar onderzoek (in september 1991) voor de exploitatievergunning voor de uitbreiding van 1991, werd de poel door de N.V. Drukkerij Verstraete gedempt (hetgeen in natuurgebied verboden
- is)om op die wijze een belangrijk bezwaar te vermijden. In februari 1992 werd een belangrijke lozing van olie en iets later van oplosmiddel geverbaliseerd waarbij geconstateerd werd dat er nog altijd geen lozingvergunning was. In 1994 is de zaakvoerder van de drukkerij hiervoor correctioneel veroordeeld. Sinds 1992 werden er ten laste van de N.V. Drukkerij Verstraete negen processen verbaal opgemaakt voor oppervlaktewaterbezoedeling. (...) De tegen 1 oktober 1994 geëiste waterzuivering kwam er in 1997 en is slechts ontworpen voor 49 werknemers. De eveneens tegen voornoemde datum geëiste scheiding van hemel- en afvalwater is er op heden nog steeds niet volledig. Het bestreden besluit spreekt enkel over de vrijwaring van het Koningsbos als VEN, doch dit ‘bos’ is ecologisch als GEN (Grote Eenheid Natuur) hoger X-13.212-17/32 geplaatst, net zoals het dichter, 50m achter het bedrijf en lager gelegen Kleitenbos. (...) De artikelen 14 en 25 §1 van het Decreet Natuurbehoud vereisen (...) maatregelen, onder meer om verdere schade aan natuurelementen te voorkomen en te beschermen tegen insijpelen. Dit alles toont aan dat de hinder allang en nog steeds de ruimtelijke draagkracht overschrijdt. 3. Bij de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied vanuit kwaliteitsoogpunt, ontbreekt de vereiste subsidiariteit. De recente provinciale en gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen geven de waardering der gemeenschap weer. Het GRUP hield daar geen rekening mee, hoewel op p. 308 van het R.S.V. de subsidiariteit wordt opgelegd. ‘Het begrip ruimtelijke kwaliteit wordt opgevat als de waardering van de ruimte. Kwaliteit in de zin van ‘waardering’ spreekt een oordeel of een wenselijkheid uit. - Een oordeel komt bv. tot uitdrukking in de bestemming (in casu een bosgebiedcomplex met biologische, historische en esthetische waarde). - Wenselijkheden vinden hun uitdrukking in beleidsuitspraken zoals bv. ‘verweving van elkaar ondersteunende functies’ of ‘enkel gebiedsgerichte activiteiten’. Ze geven de richting aan van waaruit in de ruimtelijke ordening problemen moeten worden opgelost. Ruimtelijke kwaliteit handelt dus niet in de eerste plaats om de hoedanigheid van het object op zich (hier intrinsieke kenmerken van het landschap) maar om de waarde die eraan wordt gehecht. Die waardering wordt in belangrijke mate mee bepaald door de betrokkenheid van de beoordelaar o.a. ....de gemeenschap (een recent oordeel is perfect gekend door de Ruimtelijke Provinciale en Gemeentelijke Structuurplannen) en niet door de kenmerken van de ruimte zelf. - Die waardering is sociaal-cultureel bepaald en is bijgevolg tijdsafhankelijk.’ (Cfr. ... - mogelijke bezwaren op basis van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan m.b.t. het betrokken gebied.) B. Waar de verwerende partij bij de definitieve goedkeuring van het GRUP, zoals aangetoond, manifest is afgeweken van het richtinggevend gedeelte van het R.S.V, komt deze kennelijke schending neer op een inbreuk op het in artikel 19 §3 DRO neergelegde principe, hetgeen een vernietigingsgrond voor Uw Raad betreft. (...) Ook het tweede middel is bijgevolg gegrond”; 3.3.2.1. Overwegende dat artikel 4 DRO luidt als volgt: “De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit”; X-13.212-18/32 dat artikel 19, §1, eerste lid DRO bepaalt dat ieder ruimtelijk structuurplan een bindend, een richtinggevend en een informatief gedeelte bevat; dat artikel 19, §3 DRO het richtinggevend gedeelte als volgt omschrijft: “Het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is het deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan een overheid bij het nemen van beslissingen niet mag afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. De uitzonderingsgronden voor een afwijking worden uitgebreid gemotiveerd. Ze mogen in geen geval een aanleiding zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen”; Overwegende dat, bij de implementatie van het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan in een ruimtelijk uitvoeringsplan en voornamelijk bij het opnemen van een perceel in een RUP en het onderwerpen ervan aan een voorschrift van bestemming, inrichting en/of beheer, de bevoegde overheden daartoe, in het licht van de in artikel 4 DRO bepaalde doelstellingen, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken; dat derhalve, wanneer een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan wordt vastgesteld in uitvoering van het RSV de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd is na te gaan of de bevoegde overheid bij de uitoefening van deze bevoegdheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; 3.3.2.2. Overwegende dat in het RSV “Deel 2: Gewenste Ruimtelijke Structuur - richtinggevend gedeelte”, “III.3. Gebieden voor economische activiteiten”, “3. Economische Knooppunten”, “3.2. Ontwikkelingsperspectieven”, onder “3.2.3. Differentiatie van bedrijventerreinen” onder meer wordt gesteld : “Voor historisch gegroeide bedrijven wordt het bedrijventerrein voor historisch gegroeide bedrijven ontwikkeld. Op Vlaams niveau wordt 500 ha voorzien voor de herlokalisatie en uitbreiding van historisch gegroeide bedrijven binnen de gemeenten die niet als economisch knooppunt zijn geselecteerd. Het Vlaams Gewest bakent, in overleg met de provincie en de gemeente, de bedrijventerreinen af voor de herlokalisatie en uitbreiding van historisch gegroeide bedrijven buiten de economische knooppunten. Het bedrijventerrein voor historisch gegroeide bedrijven sluit aan bij de huidige vestiging of de kern van het buitengebied”; X-13.212-19/32 dat voorts uit hetgeen wordt gesteld onder “3.2.6. Ontwikkelings- en uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande bedrijven buiten de bedrijventerreinen” blijkt dat de ontwikkelingsperspectieven van die bedrijven “vooral (worden) bepaald door de aard en het karakter van het bedrijf zelf en nog meer door de ruimtelijke draagkracht van de omgeving” en dat die “ruimtelijke draagkracht afhankelijk (
- is)van de ruimtelijke structuur, van het ruimtelijk functioneren van een gebied en (...) eveneens afhankelijk (
- is)van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van het gebied en van de aard en het karakter van het bedrijf en haar activiteit” waarbij “de gemeente (...) de ruimtelijke draagkracht van de betrokken omgeving kwalitatief (zal) moeten bepalen omdat dit niet in een algemene norm is vast te leggen”; 3.3.2.3. Overwegende dat in de toelichtingsnota onder “3.2. Relatie met het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen - gebiedsgericht deel” de verschillende kenmerken van het bedrijf (economische kenmerken, mobiliteitsprofiel, historische context, ruimtegebruik) en de vraag tot bestendiging zijn onderzocht alsook de ruimtelijke kenmerken van de omgeving van het bedrijf (ligging in Cuesta van Oedelem-Zomergem, landschappelijk open landbouwgebied en bosrijke omgeving van Koningsbos en Drongengoedbos); dat op grond van de analyse van die kenmerken onder de hoofding “3.2.2. Visie en gewenste ruimtelijke ontwikkelingsperspectieven” de ruimtelijke concepten als volgt zijn gedefinieerd: “1. voorzien in bestendiging van het historisch gegroeid bedrijf De doelstelling is om de bedrijfsactiviteiten op deze locatie te behouden met de huidige bedrijfsomvang. Gezien de nabijheid van belangrijke elementen van de open ruimtestructuur, dient de huidige omvang en bebouwingsgraad van de bedrijfssite beschouwd als een maximum binnen de huidige omstandigheden; 2. maximaal vrijwaren van het Koningsbos Het Koningsbos maakt deel uit van het fysisch systeem op Vlaams niveau met name het Vlaams Ecologisch Netwerk. De verspreide bebouwing langs de Urseleweg waaronder het bedrijf is een bestaand gegeven aan de rand van dit gebied. Om deze reden wordt het bedrijf enkel bestendigd en wordt de landschappelijke inkleding behouden”; dat de toelichtingsnota onder punt 3.2.3. volgende verantwoording geeft voor de opname in een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan: “De problematiek van het historisch gegroeid bedrijf n.v. Drukkerij Verstraete is door de gemeente onder de aandacht gebracht op het Vlaams niveau. Binnen de subsidiariteit wordt dit bedrijf door zijn huidige totale omvang op twee locaties afgewogen op bovenlokaal niveau, omwille van het economisch belang van het bedrijf”; X-13.212-20/32 dat onder punt 3.4 een passende beoordeling lijkt te zijn gebeurd ten aanzien van de als speciale beschermingszones te beschouwen gebieden, te weten het Habitatrichtlijngebied “Bossen en heiden zandig Vlaanderen: oostelijk deel”; dat daarbij uitdrukkelijk is vermeld dat de Koningsbossen als biologisch zeer waardevol staan gekarteerd en duidelijk onder Europese bescherming vallen; dat eveneens melding is gemaakt van het feit dat het gebied ook is aangeduid omwille van de kamsalamander, die kwetsbaar is voor vervuiling en verdroging alsook voor verdwijning van een geschikte habitat die hij vindt in grote vegetatierijke poelen; dat daarin tot het besluit wordt gekomen dat de herbestemming geen betekenisvolle effecten op bodem, oppervlakte- en grondwaterkwaliteit en kwantiteit heeft en evenmin geluidshinder en rustverstoring veroorzaakt voor de vermelde habitats en soorten, aangezien zij de bestaande toestand bestendigt, geen bijkomend direct ruimtebeslag voor bedrijfsinfrastructuren en -activiteiten impliceert en geen wijziging inhoudt van de milieuvereisten die met het vergunningenbeleid aan het bedrijf zijn opgelegd en dienen te worden nageleefd; 3.3.2.4. Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat de overheid heeft gemeend dat op basis van een analyse van de bestaande en gewenste ruimtelijke structuur en de kenmerken van het bedrijf een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kon worden opgemaakt dat de bestendiging van het bedrijf toelaat binnen de grenzen van het bestaande bouwvolume en de bestaande bebouwingsgraad; dat de verzoeker in gebreke blijft aan te tonen dat de overheid bij die beoordeling zou zijn uitgegaan van onjuiste gegevens; dat de omstandigheid dat hij zich niet kan terugvinden in die beoordeling en het gegeven dat de tussenkomende partij zich in het verleden zou hebben schuldig gemaakt aan inbreuken tegen de milieuvereisten, niet genoegzaam aantonen dat de overheid de perken van haar appreciatiebevoegdheid zou hebben overschreden door de bestendiging van het bestaand bedrijf opnieuw planologisch mogelijk te maken of dat “manifest” zou zijn afgeweken van de richtinggevende bepalingen van het RSV; dat het tweede middel bijgevolg niet ernstig is; 3.4.1. Overwegende dat de verzoeker in zijn verzoekschrift tot schorsing in een derde middel aanvoert wat volgt: “DERDE MIDDEL, genomen uit de onterechte verwerping van de voorhanden zijnde voorwaardelijke adviezen en het ontbreken van en/of de onbehoorlijke weerlegging van de gedurende het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren. X-13.212-21/32 Artikel 42 §5 DRO bepaalt ‘Vlacoro brengt na openbaar onderzoek gemotiveerd advies uit bij de Vlaamse regering.’ De voorwaardelijke adviezen zijn in de definitieve vaststelling op onwettige wijze afgewezen, andere adviezen zijn onwettig. Doordat A. het voorwaardelijke advies van de provincie niet conform het Decreet Natuurbehoud is weerlegd; B. het voorwaardelijk advies van Vlacoro (nabestemming als natuurgebied) niet werd aanvaard C. de via de gemeente-Lovendegem ingewonnen adviezen conform artikel 42 §2, 1/ en §4 niet wettig zijn D. de tijdens het openbaar onderzoek - onder meer door verzoeker - geformuleerde schriftelijke bezwaren niet of onbehoorlijk werden weerlegd. Toelichting A. Het bestreden besluit stelt op p. 2 §3 m.b.t.het advies van Vlacoro: gunstig mits voldaan wordt aan vermelde voorwaarden en opmerkingen. In casu blijft het betrokken GRUP-perceel van de N.V. Drukkerij Verstraete, conform de definitie van het het R. S.V. (p. 573 Natuurgebied) ‘zoneren’. Vlacoro was van oordeel dat ‘gezien de specifieke ligging van het bedrijf (...) de nabestemming Natuurgebied een beter alternatief is voor voorgestelde nabestemming in het RUP.’ (...) In het bestreden besluit wordt op p. 2 laatste paragraaf evenwel gesteld dat ‘aldus wordt afgeweken van het advies van Vlacoro....’, hetgeen niets meer of minder impliceert dan dat niet voldaan werd aan de door Vlacoro opgelegde voorwaarden en opmerkingen. Dit houdt in dat niet kan staande gehouden worden dat het advies van Vlacoro ‘gunstig’ is. B. Het bestreden besluit stelt op p. 3 dat het RUP perceel het VEN binnen het ‘Bosgebied der cuesta van Zomergem-Oedelem’ opheft. In de kolom van de op te heffen voorschriften van tabel 3.6 van de Toelichtingsnota' is evenwel geen sprake van betreffend VEN. - Dit is verwarrend omdat, teneinde de nodige subsidies te bekomen, de N.V. Drukkerij Verstraete zich eertijds engageerde ‘voor een bosaanplanting zoals beschreven in de brochure 'Bebossing van landbouwgrond’. Te beplanten oppervlakte; 5.006m².’ Deze oppervlakte werd effectief gesubsidieerd voor bosaanleg en -onderhoud en werd logischerwijze VEN-gebied. De gesubsidieerde VEN-oppervlakte ligt deels in het GRUP-perceel 380 d, nl. voor een oppervlakte van 407 m². - De provincieraad motiveerde zijn ‘voorwaardelijk gunstig advies’ voor het GRUP met: ‘De bebossing van het aangrenzende perceel als landschappelijke inpassing van het bedrijf was een doorslaggevend element in het kader van de goedkeuring van het BPA.(...) Overwegende dat bij de goedkeuring van het Vlaams Ecologisch Netwerk (lste fase) op 18 juli 2003 een deel van het bedrijfsperceel (een beboste bufferzone) opgenomen werd in het VEN, wat volgens de voorliggende toelichtingsnota, een cartografische fout betreft en dus wordt opgeheven; Overwegende dat er duidelijk dient gemotiveerd te worden waarom die beboste buffer-geen meerwaarde biedt aan het VENgebied ‘bosgebied van de cuesta van Zomergem-Oedelem’ vooraleer men dit deel VEN-gebied zomaar kan schrappen; Overwegende dat de bedrijfssite gelegen is binnen een in het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan geselecteerde ankerplaats en relictzone; Dat dit beleidsmatig inhoudt dat deze zones maximaal bewaard worden en dat nieuwe functies maximaal in het landschap worden geïntegreerd; X-13.212-22/32 Dat uit het gewestelijk RUP blijkt dat de bestaande groene inpassing en de gerealiseerde bosuitbreiding niet volledig hard kan worden gemaakt door ze niet te tekenen als aparte bestemmingszone op bestemmingsplan, Dat de bebossing van het aangrenzende perceel als landschappelijke inpassing van het bedrijf een doorslaggevend element was in het kader van de goedkeuring van het sectoraal BPA van 2000; Overwegende dat bepaalde eisen die gesteld worden aan de inhoudelijke elementen niet altijd volledig vertaald worden in de verordenende stedenbouwkundige voorschriften, zoals bijvoorbeeld dat de buffer dient te bestaan uit hoog- en laagstammig streekeigen groen.’ (uit: advies van de Provincieraad op p. 5 van Advies van Vlacoro) (...) Verzoeker wenst op te merken: - dat er in casu struiken aanwezig zijn, doch enkel aan de omtrek van de percelen van de N.V. Drukkerij Verstraete ; - dat het 20% wintergroen dat voornoemd B.P.A. dd. 18.05.2000 eiste om functioneel te zijn, door het GRUP ten onrechte niet werd geëist. In zijn daaropvolgend advies schrijft Vlacoro: ‘Vlacoro treedt de provincieraad bij in dit voorwaardelijk gunstig advies en onderschrijft bovenvermelde opmerkingen. Vlacoro gaat dan ook akkoord met de installatie van een groenbuffer (bouwvrije strook) aan de oostelijke zijde van het bedrijf, die weliswaar niet opgenomen is in dit VEN-gebied’ Dat dit laatste evenwel deels foutief wordt gesteld, nu een deel van de als VEN opgenomen 5.006 m² ‘landbouwgrond’ (om de subsidie te kunnen bekomen) op het GRUP-perceel ligt. Volgens artikel 17 §3 van het Decreet Natuurbehoud - waarnaar het bestreden besluit in zijn aanhef (twee alinea) zelf verwijst - wordt ‘een volgens artikel 21 vastgesteld afbakeningsplan (...) van rechtswege opgeheven voor bet onderdeel waarvoor nadien een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in werking treedt dat aan dit onderdeel een bestemming geeft waardoor dit laatste niet meer krachtens artikel 20 van dit decreet zou kunnen worden aangeduid als GEN of GENO’. Die verantwoording vereist de opheffing van het VEN, hetgeen in het bestreden besluit niet is gebeurd. Een dergelijke opheffing kon ook niet, nu een ‘buffergebied’ volgens artikel 20. 1/ wel kan worden aangeduid als GEN. Daaruit volgt dat zelfs de gehele bufferzone - perceel 380d en 380 e (...) - op het GRUP perceel dat aan het VEN paalt, als VEN moet worden aanzien (... - gebieden van het VEN en IVON). De ‘cartografische fout’ verwoord in de Toelichtingsnota onder 3.3.2 Bestaande juridisch Toestand op p. 9/ 13 is dus in geen geval fout en Vlacoro had dus geen enkele reden om de oostelijke bufferzone niet als VEN gebied aan te nemen. Waar gesteld werd ‘De provincieraad geeft gunstig advies mits rekening te houden met de opmerkingen’. moet opnieuw vastgesteld worden dat geen rekening gehouden werd met die opmerkingen. In het licht daarvan werd ten onrechte gesteld dat het provinciaal advies gunstig was. C. Artikel 42 §2, l/ en §4 DRO laat enkel adviezen toe die gericht zijn aan de gemeente waar het GRUP-perceel zich bevindt (Knesselare dus) of aan het Vlaamse Gewest. Adviezen, gecamoufleerd onder ‘bezwaren’ gericht aan de gemeente Lovendegem, zijn derhalve onwettig. Er blijft dus geen enkel gunstig advies over ! D. De tijdens het openbaar onderzoek, onder meer door verzoeker, geformuleerde bezwaren zijn helemaal niet of onbehoorlijk weerlegd. X-13.212-23/32 - cfr. het bezwaar van verzoeker inzake de percentages gebouwen, verharding en groenvoorziening (Cfr. supra - eerste middel, B) - Ook de bezwaren van Natuur en Landschappen Meetjesland ondergingen ditzelfde euvel. Waar conform het bestreden besluit voor de ligging in ecologisch rijk gebied eerst voor bestendiging zou geopteerd zijn omdat ‘duidelijk blijkt dat de impact op de omgeving aanvaardbaar is’, blijkt dit laatste nergens uit. Daarentegen liggen ten laste van de N.V. Drukkerij Verstraete wel 9 processen verbaal, 2 correctionele veroordeling, 3 in vooronderzoek, en een verval van strafvordering door betaling van een geldsom voor, alle voor o.m. oppervlaktewaterbezoedeling in de SBZ-H. Zie ook hoger m.b.t. de ruimtelijke draagkracht (cfr. tweede middel, B.) - Vlacoro meende in haar advies het volgende te kunnen stellen - ‘Dat uit de passende beoordelingen’ in het voorstel geen betekenisvolle aantasting der natuurlijke kenmerken van die speciale beschermingszones wordt verwacht.’ Verzoeker is van oordeel dat deze vaststelling van Vlacoro niet gebaseerd is op reële feiten (bv. olie op de gracht en de lozing van blauwe loog in GEN- gebied en tevens SBZ-H) doch - tragisch genoeg - wel op de bewoordingen van het voorstel van RUP zelf. - ‘Geen betekenisvolle effecten op bodem, oppervlakte- noch grondwater zijn te verwachten, de milieu-eisen der vergunningen worden in acht genomen.’ Daarbij is het problematisch dat de handhaving van de door de N.V. Drukkerij Verstraete veroorzaakte milieu-inbreuken onafdoende is. Zo werd bv. voor de lozing op 04.05.2005 zelfs geen P.V. opgemaakt, niettegenstaande twee beloften daartoe van de verbaliserende ambtenaren en 9 voorliggende overtredingen. (...) Zo zijn, zoals eerder aangehaald, in de riolering nog 4 illegale besterfputten aanwezig, die bovendien te dicht bij de gracht liggen (conform art. 4.3.3.1. VLAREM II dienen deze op minimum 50 m van de gracht te liggen). Die putten laten het afvalwater in de bodem sijpelen en bezoedelen op die wijze, naast de bodem, ook het grond- en oppervlaktewater (o.a. van de drinkpoelen). - ‘Ook de habitatsoorten (waaronder de kamsalamander) zullen geen repercussies ondervinden van de aanwezigheid van het bedrijfsterrein.’ Cfr. de hoger reeds aangehaalde milieuproblematieken. Verzoeker kan moeilijk geloven dat, ondanks een toename van de productie van de N.V. Drukkerij Verstraete, de milieukwaliteit zou verbeteren. Het derde middel is bijgevolg eveneens gegrond”; 3.4.2. Overwegende dat een verzoekende partij in de fase van het kort geding “ernstige” middelen moet aanvoeren, dat wil zeggen middelen die op het eerste gezicht, bij een eerste lezing, ontvankelijk en gegrond lijken, zodat de vernietiging van de bestreden beslissing quasi onafwendbaar is; dat een verzoekende partij derhalve, op straffe van de middelen als niet ernstig verworpen te zien, bij het formuleren van haar middelen zich tot het essentiële moet beperken, hetgeen impliceert dat zij zeer nauwkeurig moet aanvoeren welke precieze rechtsregel of rechtsprincipe zij geschonden acht en al even nauwkeurig moet vermelden waarin de schending precies bestaat; X-13.212-24/32 Overwegende dat de uiteenzetting van de verzoeker niet aan deze vereiste voldoet; dat het derde middel, zoals geformuleerd, derhalve niet ontvankelijk is; 3.5.1. Overwegende dat de verzoeker in zijn verzoekschrift tot schorsing in een vierde middel aanvoert wat volgt: “VIERDE MIDDEL, genomen uit de onbehoorlijke opmaak van het GRUP met talrijke, essentiële fouten. Doordat A. in de ‘Bestaande Toestand 2000’ de oppervlakte van de clandestiene verharding van de bedrijfsterreinen door de N.V. Drukkerij Verstraete ontbreekt, terwijl deze verharding (met fundering en beton) in de bufferzone werd aangelegd. (...) B. in de ‘Bestaande Juridische Toestand’ de bouwvergunningen die dateren van na 1997 ontbreken. C. Verzoeker verwijst ook naar de in zijn voorgaande middelen opgeworpen wetsschendingen. Toelichting B. De volgende vergunningen werden tot op heden aan de N.V. Drukkerij Verstraete afgeleverd. 1. Bouwvergunningen: - 1ste bouwvergunning: Opm. verzoeker: conform de verkavelingvoorschriften staat de op de percelen van de N.V. Drukkerij Verstraete opgerichte woning 5,30 m te dicht bij de weg en werd ze 2m te diep gebouwd. Daarvoor werd de enige op dat ogenblik reeds bestaande woning moedwillig en tegen de realiteit in - 5,30 m dichter bij de weg getekend. 2de bouwvergunning: Opm. verzoeker: de drukkerij staat 7,30 m in verkaveling voor landelijke gebouwen (moedwillig vertekend) en op bestaande toestand staat een (op heden nog steeds) niet aanwezige gemeenteriolering. 3de, (4 en 5de) bouwvergunning: Opm. verzoeker: de uitbreidingen waren veel te groot volgens de toen geldende regels zodat in cumul de som der gebouwen 78 % te groot is. 6de bouwvergunning: Opm. verzoeker: dit betreft de vergunning voor de uitbreiding op basis van het in 1991 onterecht toegekende B.P.A. Die uitbreiding staat op een zonder vergunning gerooid bos, en de bouwvergunning is in 1999 vernietigd en sindsdien niet geregulariseerd. 7de bouwvergunning van 1996: Opm. verzoeker: dit betreft de vergunning voor de snijafdeling van het bedrijf; het betrof een gesubsidieerde investering van 230 mio ex-BEF, die een afwezige - gemeenteriolering vereiste. 8ste bouwvergunning: O p m. v e r z o e k e r : b e t reft de vergunning voor een afvalwaterzuiveringsinstallatie op het perceel waar een bos diende heraangeplant te worden. 9de bouwvergunning van 1 april 1997: Opm. verzoeker: dit betreft een vergunning voor een overdekte staanplaats voor bedrijfsvoertuigen op het perceel waar een bos diende heraangeplant te worden; het betreft een aanbouw aan het ingevolge de 6de (onterecht verleende) X-13.212-25/32 bouwvergunning opgerichte gebouw. Op het bijhorende plan van 27 maart 1997 staat een verbinding getekend met een onbestaande gemeenteriolering. De volgende vergunningen werden in de Toelichtingsnota onder titel 3.3.2 ‘Bestaande Juridische Toestand’ ten onrechte en in weerwil van de realiteit niet vermeld: 10de bouwvergunning: Opm. verzoeker: dit betreft een vergunning voor een parking voor 50 wagens, verleend op basis van voornoemd sectoraal B.P.A. zonevreemde bedrijven Knesselare - deelplan Verstraete van 18 mei 2000. De in voornoemd sectoraal BPA toegestane uitbreiding bedroeg 0,5032 ha, maar werd volgens het plan van de parking 5.714 m², zijnde 682 m² of 13,50% te groot (zie supra 3de middel Deel B) ! Volgens dat BPA moet er omheen de parking een buffer komen (zone 3). Struiken zijn er slechts op de omtrek en de opgelegde 20% wintergroen ontbreekt De in het BPA vereiste waterdoorlaatbare parkingbodem is op plan en in realiteit gewoon beton met een afvoergeul naar achter zodat de overstroming van grachten nog sneller en veelvuldiger voorkomt. 11de bouwvergunning: Opm. verzoeker: dit betreft de regularisatie van de bouwvergunning van 1996 voor de Snijafdeling. De bouwvergunning van 1991, die in 1999 werd vernietigd, is volgens de Technische Dienst van de gemeente en gewestelijke dienst ruimtelijke ordening niet geregulariseerd, ten gevolge waarvan betreffend gebouw onvergund is. Ook de 8ste en 9de bouwvergunningen, verleend op basis van het naderhand vernietigde B. P.A. van 1991, werden niet geregulariseerd. Geen enkele Bouwvergunning is dus op heden wettig. 2. Milieuvergunningen: - lozingvergunning: is in 1994 bekomen (20 jaar te laat door een gemeenteriolering te veinzen bij drie valse aanvragen) na een correctionele veroordeling; - milieuvergunning van 24 februari 1994: deze eiste reeds de scheiding van afval van hemelwater en dat is op heden nog maar deels het geval. Zo gaat de dakafloop van de in 1985 opgerichte gebouwen nog deels bij het afvalwater, dat deels via sterfputten in de grond sijpelt; - milieuvergunning van 27 juli 1994: deze eiste een afvalwaterzuivering vóór 1 oktober 1994 en de akoestische inkapseling van de sterkste geluidsbron, doch die laatste kwam er pas in april 1997 en de waterzuiveringsinstallatie is op heden nog steeds niet volledig af. Het vierde middel is bijgevolg gegrond”; 3.5.2. Overwegende dat het vierde middel om dezelfde redenen als vermeld bij het onderzoek van het derde middel, niet ontvankelijk is; 3.6.1. Overwegende dat de verzoeker in zijn verzoekschrift tot schorsing in een vijfde middel aanvoert wat volgt: “VIJFDE MIDDEL, genomen uit de schending van het standstill-beginsel Doordat Artikel 23 G.W. het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu inhoudt, hetgeen voor de overheden een standstill-verplichting inhoudt, wat X-13.212-26/32 betekent dat zij zonder dwingende redenen het via de milieuwetgeving bereikte beschermingsniveau niet mogen afbouwen. Ook artikel 1.2.1.1. §2 van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid beschouwt het stand still-beginsel tot de algemene beginselen van milieubeleid. Ook artikel 8 (vrijwaring ecologische milieukwaliteit), artikel 13 (algemene maatregelen ter bevordering van het natuurbehoud) en - onrechtstreeks - artikel 9 (soortgericht beleid) van het Decreet Natuurbehoud verwijzen naar het standstill-beginsel. Dit beginsel houdt in dat een verdere achteruitgang van de huidige toestand van het milieu moet worden tegengegaan. Toelichting Dit standstill-beginsel komt conform artikel 159 G.W. resp. artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State door Uw Raad voor rechterlijke toetsing in aanmerking. Uit bovenstaande feitenweergave blijkt onbetwistbaar dat het bestreden besluit een kennelijke schending van dit standstill-beginsel incorporeert zeker doordat het aantal werknemers zoals hoger aangetoond binnen onafzienbare tijd van 50 tot 20
(0)zal stijgen. Het vijfde middel is bijgevolg gegrond”; 3.6.
- Overwegende dat het standstill-beginsel eraan in de weg staat dat de bevoegde overheid het beschermingsniveau dat geboden wordt door de van toepassing zijnde regelgeving in aanzienlijke mate vermindert, zonder dat er daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang; dat dit beginsel op het eerste gezicht een ruime appreciatiebevoegdheid lijkt toe te laten in hoofde van de overheid belast met het vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan; dat het niet lijkt in te houden dat de bestemmingsvoorschriften die op grond ervan in een plan van aanleg zijn voorzien, niet zouden kunnen worden gewijzigd; Overwegende dat het bestreden GRUP voorziet in de herbestemming en de bestendiging van een historisch gegroeid bedrijf binnen de huidige omvang en bebouwingsgraad en onder meer als doelstelling heeft om het aanpalende Koningsbos maximaal te vrijwaren; dat een mogelijke stijging van het aantal werknemers in de gegeven omstandigheden niet zonder meer een verdere achteruitgang van de huidige toestand van het milieu impliceert; Overwegende dat de verzoeker op het eerste gezicht niet aannemelijk maakt dat er een aanzienlijke achteruitgang is van het door de vroegere regelgeving geboden beschermingsniveau; dat het vijfde middel niet ernstig is; 3.7.
- Overwegende dat de verzoeker in zijn verzoekschrift tot schorsing in een zesde middel aanvoert wat volgt: X-13.212-27/32 “ZESDE MIDDEL, genomen uit de schending van de materiële en formele motiveringsplicht van de verwerende partij, onder meer neergelegd in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen Doordat De verwerende partij het bestreden besluit niet alleen niet afdoende motiveert, doch daarbij in haar motivering ook manifest foutieve gegevens en feiten opneemt die in tegenstrijd zijn met de realiteit. Terwijl - luidens artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen elke bestuurshandeling afdoende moet worden gemotiveerd; dit betekent dat de beslissing pertinent moet zijn (de motieven moeten te maken hebben met de beslissing), de motivering moet draagkracht hebben en er moet voldaan zijn aan de evenredigheidsvereiste (de omvang van de motivering in rechte en in feite moet evenredig zijn met het belang van de genomen beslissing); - de materiële motivering van de bestreden beslissing uiteraard niet op verkeerde gegevens mag zijn gebaseerd; Toelichting Verzoeker verwijst naar de uiteenzetting in zijn voorgaande middelen, waaruit blijkt dat van een omstandige, nauwgezette en correcte motivering geen sprake is. Daarbij is onder meer gebleken dat de bestreden beslissing zowel in haar bepalingen die verordenende kracht hebben als in haar bepalingen zonder verordenende kracht manifeste fouten en zelfs wetsinbreuken bevat. Ook het zesde middel is overduidelijk gegrond”; 3.7.
- Overwegende dat artikel 1, eerste streepje van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de wet van 29 juli 1991) bepaalt dat voor de toepassing van die wet onder “bestuurshandeling” een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking moet worden verstaan die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur; dat artikel 38, §1, tweede lid DRO bepaalt: “Een ruimtelijk uitvoeringsplan bevat: 1° een grafisch plan dat aangeeft voor welk gebied of welke gebieden het plan van toepassing is; 2° de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer; 3° een weergave van de feitelijke en juridische toestand; 4° de relatie met het ruimtelijk structuurplan of de ruimtelijke structuurplannen waarvan het een uitvoering is; 5° in voorkomend geval, een zo mogelijk limitatieve opgave van de voorschriften die strijdig zijn met het ruimtelijk uitvoeringsplan en die opgeheven worden; 6° in voorkomend geval, het ruimtelijk veiligheidsrapport, het planmilieueffectenrapport en/of de passende beoordeling. Het grafische plan dat aangeeft voor welk gebied of welke gebieden het plan van toepassing is en de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften hebben verordenende kracht”; X-13.212-28/32 dat een ruimtelijk uitvoeringsplan, waaronder een gewestelijke RUP, dan ook geen bestuurshandeling lijkt te zijn in de zin van de wet van 29 juli 1991; dat het middel, in zoverre de schending van voornoemde wet wordt aangevoerd, niet ernstig is; Overwegende evenwel dat elke administratieve akte of reglement moet zijn gesteund op in rechte en in feite aanvaardbare motieven die moeten blijken, zoniet uit de beslissing zelf, dan toch uit het administratief dossier; dat de voorgaande middelen waarnaar de verzoeker verwijst, voor zover al ontvankelijk, niet ernstig werden bevonden; dat het middel, in zoverre de schending van het algemeen motiveringsbeginsel wordt aangevoerd, niet ontvankelijk is; 3.8.
- Overwegende dat de verzoeker in zijn verzoekschrift tot schorsing in een zevende middel aanvoert wat volgt: “ZEVENDE MIDDEL. genomen uit de onwettige toekenning van het sectoraal B.P.A. zonevreemde bedrijven Knesselare op basis waarvan het GRUP werd uitgewerkt Doordat A. de beslissing van de regionale commissie, voorafgaande aan de goedkeuring van voornoemd sectoraal B.P.A., niet volgens de regels van artikel 3 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 11 februari 1987 is geschied; B. het gemeentelijk opgemaakt sectoraal B.P.A. onwettig is, nu het een bovenlokale problematiek betrof. C. dit B.P.A. evenwel als basis heeft gediend voor huidig bestreden besluit. Toelichting A. Het voornoemde sectoraal B.P.A. zonevreemde bedrijven Knesselare, goedgekeurd bij Ministerieel Besluit van 18 mei 2000, werd foutief gunstig geadviseerd, namelijk zonder (her-)stemming door de Streekcommissie bij de toen over het B.P.A. hernomen bespreking. Artikel 3 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 11 februari 1987 houdende vaststelling van het reglement van orde van de streekcommissies van advies voor de Ruimtelijke Orde in het Vlaamse Gewest - dat van kracht was tot 1 februari 2002 en m.a.w. zéker gold ten tijde van het ontstaan van het B.P.A. van 18 mei 2000 - stelde: ‘Als de helft der leden van de Streekcommissie van Advies niet aanwezig is, dan kan de commissie tijdens de eerstvolgende vergadering over dezelfde agendapunten geldig beslissen, ongeacht het aantal aanwezige leden.’ a. Op de vergadering van de Streekcommissie van 10 december 1999 was het agendapunt: ‘om in toepassing van art. 19 van het stedenbouwdecreet van 22-10-96 advies uit te brengen over het dossier betreffende het ontwerp bpa zone vreemde bedrijven der Gemeente Knesselare, in het secretariaat ontvangen op 2511 99.’ De vergadering van 10 december 1999 was de eerste - niet de ‘eerstvolgende’ - over het omstreden agendapunt, nl. het sectoraal BPA Knesselare. X-13.212-29/32 Op die vergadering kon er conform voornoemd Besluit van de Vlaamse Regering van 11 februari 1987 niet rechtsgeldig gestemd worden, nu er slechts 13 van de 32 leden op aanwezig waren. Dit blijkt zelfs uit de laatste zin der notulen: ‘Dient een beslissing terzake te verdagen bij gebrek aan het vereiste aanwezigheidsquorum, doch stelt voor (met 6 stemmen voor, 4 tegen en 3 onthoudingen) gunstig advies te verlenen’. b. De vergadering van - 14 januari 2000 betrof de ‘'eerstvolgende’. Op die vergadering waren 15 stemgerechtigden aanwezig. De notulen m.b.t het ‘bpa 1/ 13 - Verstraete’ zijn dezelfde als die van de vergadering van 10 december 1999, doch nu in de verleden tijd. Zo wordt de voorlaatste zin hier: ‘Diende een beslissing terzake te verdagen bij gebrek aan het vereiste aanwezigheidsquorum, doch stelde voor (met 6 stemmen voor, 4 tegen en 3 onthoudingen) gunstig advies te verlenen.’ Als bijkomende tekst volgt: ‘Herneemt de behandeling van dit dossier en bevestigt de gevoerde bespreking; Beslist aldus het BPA Zonevreemde bedrijven van Knesselare gunstig te adviseren.’ Er is op de ‘eerstvolgende’ vergadering dus helemaal geen sprake geweest van enige (her-)stemming, hetgeen niet alleen wettelijk vereist is (want het betrof de eerstvolgende vergadering over het zelfde ontwerp-BPA) maar ook logisch zou geweest zijn gezien er toch 2 stemgerechtigden meer aanwezig waren. De gemeentelijke opmaak van het sectoraal B.P.A. van 18 mei 2000 is onwettig, nu het B.P.A. geenszins een lokale problematiek betrof. Het bovenlokale karakter wordt in het bestreden besluit zelf overigens sterk benadrukt. - cfr. bestreden besluit op p. 3 ‘Overwegende dat in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen ontwikkelingsperspectieven worden gegeven voor historisch gegroeide bedrijven, wat bedrijven betreft met een hoge toegevoegde waarde, een aanzienlijke tewerkstelling, en een intemationale uitstraling, die gelegen zijn buiten de economische knooppunten; dat deze bedrijven verweven zijn met de omgeving en een specifieke sociaal economische relatie hebben met die omgeving, dat door de aard van hun bedrijfsactiviteiten en de schaal deze bedrijven een bovenlokale problematiek kennen en een afweging op Vlaams niveau vragen; (...) dat de gemeente Knesselare geselecteerd is als gemeente in het buitengebied; dat deze bovenlokale problematiek vraagt om een afweging op Vlaams niveau en de basis vormt voor voorliggend gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan; (...) - cfr. Toelichtingsnota, onder punten 3.1.2: ‘(...) best op een bovenlokaal niveau wordt afgewogen C. Zowel omwille van zijn wetsgeschiedenis (zie A.) als omwille van zijn louter gemeentelijk opmaak (zie B.), is voornoemd B.P.A. onwettig. Nochtans heeft dat B.P.A., dat op grond van artikel 159 G.W. geen gevolg kan ressorteren, als basis gediend voor het bestreden besluit. Bij gebrek aan een voorhanden zijnde geldig B.P.A., diende het GRUP te vertrekken van een nieuw lokaal bedrijfsterrein dat geen aansluiting vormt met enig bestaand bedrijventerrein en waarvoor een oppervlakte in natuurgebied was toegekend van: - volgens het BPA van 1991 (vernietigd op 3 februari 1999) 1,1828 ha - volgens RUP's normatieve grafisch plan, perceel C 380 d: 0,4677ha Samen 1,6505 ha X-13.212-30/32 Conform het R.S.V. (p. 451) kunnen gemeenten in het buitengebied een maximale uitbreiding verkrijgen van 5,0000 ha per hoofddorp (Knesselare, hoofddorp samen met Ursel, woonkern). Dit houdt in dat het bestreden besluit 16.505/50.000 = 0,33 of 33% inneemt van de richtinggevende maximale uitbreiding, en dit zonder één werkgelegenheid meer te creëren, en dit in Knesselare, waar het bedrijventerrein sinds jaren 5 ha wil uitbreiden... Ook het zevende middel is tot slot overduidelijk gegrond”; 3.8.
- Overwegende dat de verzoeker in wezen onder het zevende en laatste middel de onwettigheid opwerpt van het sectoraal bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven Knesselare van 18 mei 2000, inzonderheid het deelplan ‘1/13 Verstraete’; Overwegende dat het bestreden GRUP overeenkomstig artikel 41, § 2 DRO is opgemaakt in uitvoering van het RSV; dat de geëigende procedure is gevolgd; dat de verzoeker ten onrechte er van uitgaat dat voornoemd sectoraal BPA de grondslag heeft gevormd voor het bestreden GRUP; dat het betoog van de verzoeker ter ondersteuning van zijn exceptie van illegaliteit derhalve geen nader onderzoek behoeft; Overwegende dat onder de bespreking van het tweede middel is gebleken dat het RSV ontwikkelingsperspectieven biedt aan historisch bestaande bedrijven buiten de economische knooppunten; dat daarbij is geconcludeerd tot het op het eerste gezicht niet overschreden zijn van de appreciatiebevoegdheid die de overheid terzake heeft, noch tot het manifest geschonden zijn van het richtinggevend gedeelte van het RSV; Overwegende dat het zevende middel derhalve niet tot de vernietiging van het bestreden GRUP kan leiden en dan ook niet ontvankelijk is; 3.
- Overwegende dat niet is voldaan aan één van de door artikel 17, §2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, X-13.212-31/32 BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. DRUKKERIJ VERSTRAETE in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien januari 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-13.212-32/32 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.667 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.774 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div