id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.741 Rolnummer: A. 156861/IX-4685 Zaak: Arrest 178741 - Varia (openbaar ambt) - 21/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-28 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 07:30 Fiche Arrest nr 178.741 van 21 januari 2008 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.741 van 21 januari 2008 in de zaak A. 156.861/IX-4685. In zake : XXXX tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Pensioenen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 25 oktober 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 8 juni 2004 van de Commissie van beroep voor Vergoedingspensioenen waarbij zijn aanvraag tot herziening van de beslissing van 26 april 1999 van die Commissie onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op het arrest nr. 140.504 van 14 februari 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 21 maart 2005 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 5 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-4685-1/13 Gelet op de beschikking van 24 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 december 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. DEDECKER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van eerste attaché van Financiën J. HEEMERYCK, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten. 1.1. Verzoeker, beroepsmilitair op rust, vraagt op 17 augustus 1995 een vergoedingspensioen aan voor impotentie als gevolg van een operatieve ingreep in het militair ziekenhuis van Antwerpen op 21 oktober 1980. 1.2. Voordien, met name op 24 maart 1983, had geneesheer Dr. VAN CAMP, deskundige aangesteld door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, in het kader van een burgerlijke procedure die verzoeker ingesteld had tegen de Belgische Staat en Dr. GENOTTE die de operatie had uitgevoerd, de conclusie geformuleerd dat : “4.1. de operatieve ingreep door Dr. Genotte op 21.10.1980 volgens de regels van de kunst werd uitgevoerd en de naverzorging en behandeling eveneens lege artis gebeurde. De nabehandeling echter niet door patiënt werd gevolgd zodat de thans bestaande psychische impotentie hoofdzakelijk hieraan dient toegeschreven; 4.2. de bestaande atrofie van de rechter testis een verwikkeling is die - weliswaar niet frequent - maar mogelijk kan voorkomen bij dit soort ingreep; de hormonale deficientie tot substitutietherapie noodzaakt, die dient doorgege- ven zolang sexuele activiteit wordt gewenst”. IX-4685-2/13 1.3. Blijkens zijn verslag van 28 oktober 1997, is de geneesheer-expert van de Gerechtelijk Geneeskundige Dienst van oordeel dat “een oorzakelijk verband tussen de testisatrofie bilateraal en de operatie in het militair hospitaal Antwerpen in 1980 mogelijk (is)” en dat “door deze atrofie een verminderde hormoonproductie (testosterone) mogelijk (is)”. Hij besluit tot een aanrekenbare invaliditeit van 30 % op 1 augustus 1995. Op 11 juni 1998 verwerpt de Commissie voor vergoedings- pensioenen de aanvraag van verzoeker omdat “de operatie in het Militair Hospitaal te Antwerpen werd uitgevoerd op verzoek van belanghebbende zelf, die vooraf een formulier (...) ondertekende waarbij hij kennis nam van het feit dat de vasectomie gevolgen kon hebben” en omdat “een onderzoekscommissie, bestaande uit drie geneesheren, tot het besluit kwam dat de geneesheer van het Militair Hospitaal te Antwerpen bij de behandeling van verzoeker geen fout heeft gemaakt”. 1.4. Op 18 augustus 1998 tekent verzoeker beroep aan tegen deze beslissing. 1.5. Blijkens zijn verslag van 29 oktober 1998 is de kamer van beroep van de Gerechtelijk Geneeskundige Dienst (hierna : de GGDB) van oordeel dat er een causaal verband bestaat tussen de ingreep en het letsel en dat de invaliditeit -nu bepaald op 20 %- aanrekenbaar is. Het verslag stelt op grond van de studie der stukken vast dat er “onmiddellijk een geleidelijke bilaterale testisatrofie (was)”, dat de operatie plaatsvond in “militair medisch milieu” en dat het om een ingreep ging die normaal geen belangrijke verwikkelingen inhoudt en dat de ondertekende verklaring geen betrekking had op de aanvaarding van het risico van impotentie. Op 26 april 1999 bevestigt de Commissie van beroep voor Vergoedingspensioenen (hierna : de Commissie van beroep) de beslissing van 11 juni 1998, met volgende verantwoording : “Overwegende dat betrokkene op eigen aanvraag een operatie liet uitvoeren in een militair hospitaal waarvan de oorzaak vreemd was aan de dienst en bovendien niet noodzakelijk was. Betrokkene had de vrije keuze tussen een burger- of een militair hospitaal. De onderzoekscommissie stelde in haar verslag dat er geen enkele fout gemaakt werd door de militaire geneesheren op 21 oktober 1980. Er mag dus van uitgegaan worden dat een dergelijke operatie in een burger hospitaal tot dezelfde invaliditeit zou geleid hebben. De schade heeft op zich geen verband met de dienst daar de oorzaak van de operatie vreemd is aan de dienst en alle nodige voorzorgsmaatregelen getroffen waren IX-4685-3/13 bij de operatie. Betrokkene was bovendien op de hoogte van de mogelijke risico’s. Overwegende dat art. 19 van de S.W.V.P. vereist dat de aanvrager in zijn aanvraag op straffe van nietigheid alle nodige inlichtingen moet vermelden over de aard der gebeurtenissen waaraan de aanvrager de door hem aangevoerde kwetsuren of lichaamsgebreken toeschrijft. Zulks is in onderhavig geval niet gebeurd. Betrokken aanvrager heeft geen inlichtingen verschaft noch stukken voorgelegd waaruit blijkt dat de oorsprong van de lichamelijke schade (nl. de kyste) in verband staat met de dienst (art. 3 van de S.W.V.P.) Het verzoek een aanvullend onderzoek te laten uitvoeren strekt er enkel toe de nietigheid van de aanvraag te herstellen en dient derhalve afgewezen te worden. De argumentatie in de besluiten is niet van die aard om de overtuiging van de commissie te wijzigen.” 1.6. Op 31 mei 2002 dient verzoeker een aanvraag in tot herziening van het vergoedingspensioen “wegens vergissing of nieuw feit (artikel 40)”. Hij steunt zijn aanvraag op verslagen van zijn adviserende geneesheren W. LOOSEN en R. VEREECKEN. 1.7. Op 8 mei 2003 concludeert de GGDB : “De heer XXXX werd op 21.10.1980 op zijn eigen verzoek in een militair ziekenhuis door een aangenomen geneesheer-uroloog geopereerd nl. excisie van bilaterale epididymiscysten en terzelfdertijd bilaterale vasectomie. Het arrest nr. 7660 dd. 01.03.1960 van de Raad van State zegt dat het ingrijpen van de Gezondheidsdiensten van het leger op de persoon van een militair in dienst -onderworpen aan de gezondheidszorgen zoals ze zijn ingericht door het leger- een dienstfeit is en dat men niet moet onderzoeken of er een verband bestaat tussen de aandoening die het ingrijpen veroorzaakt heeft en de verrichtingen van de dienst. Naar analogie met bovenvermeld arrest zegt de Medische Beroepskamer van Gent dat de heelkundige interventie, die de heerXXXX op 21.10.1980 onderging, moet beschouwd worden als een dienstfeit en dat de hieruit voortvloeiende sequelen aanrekenbaar zijn zonder aftrek van vreemde factoren en te ramen zijn op basis van de O.B.S.I. Raming: Globale schatting : 15% volgens O.B.S.I. art 499 Aftrek voor vreemde factoren : 0% Aanrekenbaar in % : 15%”. 1.8. Op 18 september 2003 legt de commissaris-verslaggever van de Commissie van beroep het dossier opnieuw voor aan de GGDB, met de volgende opdracht : “Gelieve te onderzoeken of er nieuwe gegevens zijn en of er een fout is begaan. De juridische argumentatie van een in kracht van gewijsde gegane beslissing kan niet aangevochten worden in een artikel 40. De interpretatie van het aangehaald arrest is bovendien onjuist. In het arrest nr 7661 wordt er gesteld IX-4685-4/13 dat een milicien die aan een appendice-ectomie geopereerd werd en ten gevolge van de anesthesie een invaliditeit overhoudt een invaliditeit kan toegekend worden omdat : “de milicien gedurende zijn dienst niet vrijstaat beroep te doen op de geneesheer van zijn keuze, maar dat hij zich aan de medische behande- ling, zoals zij door het leger is ingericht moet onderwerpen”. Omdat hij de keuze niet had is het een dienstfeit. Het betreft hier een beroepsmilitair die wel de keuze had en die koos voor een legerziekenhuis. Het risico bij een normale operatie waarbij geen fouten werden gemaakt ligt bij betrokkene. Bovendien stelt prof Van Camp (...): dat de operatieve ingreep en de naverzorging en behandeling door de legerarts volgens de regels van de kunst werd uitgevoerd (maar dat) de nabehandeling echter niet door de patiënt werd gevolgd.” 1.9. Op 15 oktober 2003 antwoordt de GGDB : “(...) Prof. Em. R. Vereecken (24.04.2001, in het dossier) toont in zijn verslag de onnauwkeurige diagnosestelling aan, idem de per- en postoperatoire follow-up (kort na de ingreep en later). Het verband tussen de ingreep en de gevolgen op het vlak van potentie zijn zeer duidelijk: - in het militair medisch dossier wordt reeds op 14.11.1980 genotificeerd dat er geen erecties meer waren - uit het biopsieprotocol (anatomopathologie Dr. Peremans, 28.10.1980) blijkt inderdaad dat een brede resectie werd uitgevoerd; de fragmenten fibro- adipeus weefsel wijzen erop. Ook werd betrokkene niet ingelicht over de mogelijkheid van een optredende testisastrofie vooraleer hij zijn toestemming gaf tot de ingreep. De Medische Beroepskamer meent uit het voorgaande dat er onzorgvuldig werd opgetreden bij deze ingreep in militair medisch milieu. In het vorige expertiseprotocol van de Kamer van Beroep te Brussel (nu te Leuven) werd een schatting gegeven, refererend naar de leeftijd van betrokkene op dat ogenblik: 67 jaar. Gezien we dienen te schatten op het ogenblik van de ingreep, wanneer de Heer XXXX 49 jaar oud was, wordt de invaliditeitsbepaling als volgt opgemaakt: toepassing van art. 493b i.p.v. 493c, in rationele raming met art. 499 aan 30%. We behouden aldus de invaliditeitsraming uit de eerste aanleg.” 1.10. Op 8 juni 2004 verklaart de Commissie van beroep de aanvraag tot herziening onontvankelijk. Deze beslissing, die het voorwerp vormt van onderhavig cassatieberoep, wordt verantwoord als volgt : “Aangezien de aanvrager geen materiële vergissing aanhaalt en zich baseert op nieuw feitenmateriaal dient de aanvraag beschouwd te worden als een aanvraag artikel 40 wegens nieuwe gegevens en niet wegens vergissing. De aanvrager duidt zelf niet aan welke procedure er door hem gevoerd wordt of tegen welke beslissing. De beslissing waarbij de impotentie na de operatie van 21.10.1980 wordt afgewezen is deze van de Commissie van beroep van 26 april 1999. De procedure artikel 40 wegens nieuwe gegevens is een uitzonderingsproce- dure en dient beperkt te worden tot de nieuwe feiten aangehaald in de herzieningsaanvraag. IX-4685-5/13 De commissie van beroep was destijds van oordeel dat de schade op zich geen verband met de dienst had daar de oorzaak van de operatie vreemd was aan de dienst en alle nodige voorzorgsmaatregelen getroffen waren bij de operatie. Betrokkene heeft, volgens de Commissie destijds, geen inlichtingen verschaft noch stukken voorgelegd waaruit blijkt dat de oorsprong van de lichamelijke schade (nl. de cyste) in verband staat met de dienst. De juridische redenering dat de oorsprong van de lichamelijke schade waardoor de operatie plaatsvond in verband moet staan met de dienst, heeft kracht van gewijsde doordat de beslissing niet werd aangevochten bij de Raad van State. Dergelijke redenering kan niet herzien worden door het inbrengen van medische attesten die andere medische gevolgtrekkingen inhouden. Bovendien werd er vermeld dat de onderzoekscommissie in haar verslag stelde dat er geen enkele fout werd gemaakt door de militaire geneesheren op 21 oktober 1980. In de huidige herzieningsaanvraag betoogt betrokkene dat voor het eerst sinds 1980 de heer XXXX in staat was de hand te leggen op een kopie van het medisch dossier zoals het voorkomt in het militair hospitaal te Antwerpen. Het nieuwe feitenmateriaal dat hierdoor naar voor wordt gebracht, is in staat om de verantwoordelijkheid van de militaire chirurg in het gedrang te brengen. Uit deze nieuwe stukken besluiten zowel dr. Loosen als prof. dr. Vereecken dat de impotentie rechtstreeks en uitsluitend te wijten is aan de ingreep en dat er onnauwkeurigheden begaan werden door de chirurg terzake. De aanvraag dient niet ontvankelijk te worden verklaard. Er is geen nieuw feitenmateriaal. Het volledig medisch dossier van het militair hospitaal alsook het operatieverslag van 21.10.1998 zoals het opgevraagd werd door de dokters van dhr. XXXX bevonden zich reeds in het dossier (zie stuk IIIc en IIId) waarover de bestreden beslissing van 26 april 1999 uitspraak deed. Enkel komen dr. Loosen en prof. dr. Vereecken nu tot een andere medische interpretatie van de stukken die reeds in het dossier aanwezig waren en waarop de onderzoekscommissie zich gebaseerd heeft om te besluiten dat er geen fouten begaan werden. Een andere interpretatie van dezelfde stukken kan geen aanleiding geven tot een herziening artikel 40, zoals reeds menige malen door de Raad van State werd bevestigd. Nieuwe stukken die tot staving van de herzieningsaanvraag worden overgelegd, kunnen slechts door de Commissie worden in aanmerking genomen zo daarin gegevens voorkomen, die niet reeds vervat waren in het dossier van de beslissing waarvan nu de herziening wordt gevraagd. De onderzoekscommissie heeft zich destijds op dezelfde stukken gebaseerd als dewelke nu als nieuw worden bestempeld. Wat de besluiten van mtr. Hellenbosch betreft, erkent de raadsman dat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, waar ze haar motivering in rechte ontwikkelt, namelijk waar ze zegt dat de oorsprong van de schade geen verband houdt met de dienst en dat de heer XXXX de operatie in kwestie op eigen aanvraag in een militair ziekenhuis heeft laten uitvoeren. Hij komt evenwel op die erkenning terug met een (nuancerend) betoog luidens hetwelk de determinerende beweegreden van de beslissing in het onderzoek van de feiten zou liggen zodat de motivering in rechte als het ware zou opgeslorpt zijn door de motivering in feite; dit zou de poort naar de herziening openen. De commissie kan deze lezing niet in de termen van de beslissing terug-vinden. De motivering(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.