← België

Arrest 178741 - Varia (openbaar ambt) - 21/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.741 Rolnummer: A. 156861/IX-4685 Zaak: Arrest 178741 - Varia (openbaar ambt) - 21/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-28 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 07:30 Fiche Arrest nr 178.741 van 21 januari 2008 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.741 van 21 januari 2008 in de zaak A. 156.861/IX-4685. In zake : XXXX tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Pensioenen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 25 oktober 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 8 juni 2004 van de Commissie van beroep voor Vergoedingspensioenen waarbij zijn aanvraag tot herziening van de beslissing van 26 april 1999 van die Commissie onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op het arrest nr. 140.504 van 14 februari 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 21 maart 2005 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 5 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-4685-1/13 Gelet op de beschikking van 24 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 december 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. DEDECKER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van eerste attaché van Financiën J. HEEMERYCK, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten. 1.1. Verzoeker, beroepsmilitair op rust, vraagt op 17 augustus 1995 een vergoedingspensioen aan voor impotentie als gevolg van een operatieve ingreep in het militair ziekenhuis van Antwerpen op 21 oktober 1980. 1.2. Voordien, met name op 24 maart 1983, had geneesheer Dr. VAN CAMP, deskundige aangesteld door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, in het kader van een burgerlijke procedure die verzoeker ingesteld had tegen de Belgische Staat en Dr. GENOTTE die de operatie had uitgevoerd, de conclusie geformuleerd dat : “4.1. de operatieve ingreep door Dr. Genotte op 21.10.1980 volgens de regels van de kunst werd uitgevoerd en de naverzorging en behandeling eveneens lege artis gebeurde. De nabehandeling echter niet door patiënt werd gevolgd zodat de thans bestaande psychische impotentie hoofdzakelijk hieraan dient toegeschreven; 4.2. de bestaande atrofie van de rechter testis een verwikkeling is die - weliswaar niet frequent - maar mogelijk kan voorkomen bij dit soort ingreep; de hormonale deficientie tot substitutietherapie noodzaakt, die dient doorgege- ven zolang sexuele activiteit wordt gewenst”. IX-4685-2/13 1.3. Blijkens zijn verslag van 28 oktober 1997, is de geneesheer-expert van de Gerechtelijk Geneeskundige Dienst van oordeel dat “een oorzakelijk verband tussen de testisatrofie bilateraal en de operatie in het militair hospitaal Antwerpen in 1980 mogelijk (is)” en dat “door deze atrofie een verminderde hormoonproductie (testosterone) mogelijk (is)”. Hij besluit tot een aanrekenbare invaliditeit van 30 % op 1 augustus 1995. Op 11 juni 1998 verwerpt de Commissie voor vergoedings- pensioenen de aanvraag van verzoeker omdat “de operatie in het Militair Hospitaal te Antwerpen werd uitgevoerd op verzoek van belanghebbende zelf, die vooraf een formulier (...) ondertekende waarbij hij kennis nam van het feit dat de vasectomie gevolgen kon hebben” en omdat “een onderzoekscommissie, bestaande uit drie geneesheren, tot het besluit kwam dat de geneesheer van het Militair Hospitaal te Antwerpen bij de behandeling van verzoeker geen fout heeft gemaakt”. 1.4. Op 18 augustus 1998 tekent verzoeker beroep aan tegen deze beslissing. 1.5. Blijkens zijn verslag van 29 oktober 1998 is de kamer van beroep van de Gerechtelijk Geneeskundige Dienst (hierna : de GGDB) van oordeel dat er een causaal verband bestaat tussen de ingreep en het letsel en dat de invaliditeit -nu bepaald op 20 %- aanrekenbaar is. Het verslag stelt op grond van de studie der stukken vast dat er “onmiddellijk een geleidelijke bilaterale testisatrofie (was)”, dat de operatie plaatsvond in “militair medisch milieu” en dat het om een ingreep ging die normaal geen belangrijke verwikkelingen inhoudt en dat de ondertekende verklaring geen betrekking had op de aanvaarding van het risico van impotentie. Op 26 april 1999 bevestigt de Commissie van beroep voor Vergoedingspensioenen (hierna : de Commissie van beroep) de beslissing van 11 juni 1998, met volgende verantwoording : “Overwegende dat betrokkene op eigen aanvraag een operatie liet uitvoeren in een militair hospitaal waarvan de oorzaak vreemd was aan de dienst en bovendien niet noodzakelijk was. Betrokkene had de vrije keuze tussen een burger- of een militair hospitaal. De onderzoekscommissie stelde in haar verslag dat er geen enkele fout gemaakt werd door de militaire geneesheren op 21 oktober 1980. Er mag dus van uitgegaan worden dat een dergelijke operatie in een burger hospitaal tot dezelfde invaliditeit zou geleid hebben. De schade heeft op zich geen verband met de dienst daar de oorzaak van de operatie vreemd is aan de dienst en alle nodige voorzorgsmaatregelen getroffen waren IX-4685-3/13 bij de operatie. Betrokkene was bovendien op de hoogte van de mogelijke risico’s. Overwegende dat art. 19 van de S.W.V.P. vereist dat de aanvrager in zijn aanvraag op straffe van nietigheid alle nodige inlichtingen moet vermelden over de aard der gebeurtenissen waaraan de aanvrager de door hem aangevoerde kwetsuren of lichaamsgebreken toeschrijft. Zulks is in onderhavig geval niet gebeurd. Betrokken aanvrager heeft geen inlichtingen verschaft noch stukken voorgelegd waaruit blijkt dat de oorsprong van de lichamelijke schade (nl. de kyste) in verband staat met de dienst (art. 3 van de S.W.V.P.) Het verzoek een aanvullend onderzoek te laten uitvoeren strekt er enkel toe de nietigheid van de aanvraag te herstellen en dient derhalve afgewezen te worden. De argumentatie in de besluiten is niet van die aard om de overtuiging van de commissie te wijzigen.” 1.6. Op 31 mei 2002 dient verzoeker een aanvraag in tot herziening van het vergoedingspensioen “wegens vergissing of nieuw feit (artikel 40)”. Hij steunt zijn aanvraag op verslagen van zijn adviserende geneesheren W. LOOSEN en R. VEREECKEN. 1.7. Op 8 mei 2003 concludeert de GGDB : “De heer XXXX werd op 21.10.1980 op zijn eigen verzoek in een militair ziekenhuis door een aangenomen geneesheer-uroloog geopereerd nl. excisie van bilaterale epididymiscysten en terzelfdertijd bilaterale vasectomie. Het arrest nr. 7660 dd. 01.03.1960 van de Raad van State zegt dat het ingrijpen van de Gezondheidsdiensten van het leger op de persoon van een militair in dienst -onderworpen aan de gezondheidszorgen zoals ze zijn ingericht door het leger- een dienstfeit is en dat men niet moet onderzoeken of er een verband bestaat tussen de aandoening die het ingrijpen veroorzaakt heeft en de verrichtingen van de dienst. Naar analogie met bovenvermeld arrest zegt de Medische Beroepskamer van Gent dat de heelkundige interventie, die de heerXXXX op 21.10.1980 onderging, moet beschouwd worden als een dienstfeit en dat de hieruit voortvloeiende sequelen aanrekenbaar zijn zonder aftrek van vreemde factoren en te ramen zijn op basis van de O.B.S.I. Raming: Globale schatting : 15% volgens O.B.S.I. art 499 Aftrek voor vreemde factoren : 0% Aanrekenbaar in % : 15%”. 1.8. Op 18 september 2003 legt de commissaris-verslaggever van de Commissie van beroep het dossier opnieuw voor aan de GGDB, met de volgende opdracht : “Gelieve te onderzoeken of er nieuwe gegevens zijn en of er een fout is begaan. De juridische argumentatie van een in kracht van gewijsde gegane beslissing kan niet aangevochten worden in een artikel 40. De interpretatie van het aangehaald arrest is bovendien onjuist. In het arrest nr 7661 wordt er gesteld IX-4685-4/13 dat een milicien die aan een appendice-ectomie geopereerd werd en ten gevolge van de anesthesie een invaliditeit overhoudt een invaliditeit kan toegekend worden omdat : “de milicien gedurende zijn dienst niet vrijstaat beroep te doen op de geneesheer van zijn keuze, maar dat hij zich aan de medische behande- ling, zoals zij door het leger is ingericht moet onderwerpen”. Omdat hij de keuze niet had is het een dienstfeit. Het betreft hier een beroepsmilitair die wel de keuze had en die koos voor een legerziekenhuis. Het risico bij een normale operatie waarbij geen fouten werden gemaakt ligt bij betrokkene. Bovendien stelt prof Van Camp (...): dat de operatieve ingreep en de naverzorging en behandeling door de legerarts volgens de regels van de kunst werd uitgevoerd (maar dat) de nabehandeling echter niet door de patiënt werd gevolgd.” 1.9. Op 15 oktober 2003 antwoordt de GGDB : “(...) Prof. Em. R. Vereecken (24.04.2001, in het dossier) toont in zijn verslag de onnauwkeurige diagnosestelling aan, idem de per- en postoperatoire follow-up (kort na de ingreep en later). Het verband tussen de ingreep en de gevolgen op het vlak van potentie zijn zeer duidelijk: - in het militair medisch dossier wordt reeds op 14.11.1980 genotificeerd dat er geen erecties meer waren - uit het biopsieprotocol (anatomopathologie Dr. Peremans, 28.10.1980) blijkt inderdaad dat een brede resectie werd uitgevoerd; de fragmenten fibro- adipeus weefsel wijzen erop. Ook werd betrokkene niet ingelicht over de mogelijkheid van een optredende testisastrofie vooraleer hij zijn toestemming gaf tot de ingreep. De Medische Beroepskamer meent uit het voorgaande dat er onzorgvuldig werd opgetreden bij deze ingreep in militair medisch milieu. In het vorige expertiseprotocol van de Kamer van Beroep te Brussel (nu te Leuven) werd een schatting gegeven, refererend naar de leeftijd van betrokkene op dat ogenblik: 67 jaar. Gezien we dienen te schatten op het ogenblik van de ingreep, wanneer de Heer XXXX 49 jaar oud was, wordt de invaliditeitsbepaling als volgt opgemaakt: toepassing van art. 493b i.p.v. 493c, in rationele raming met art. 499 aan 30%. We behouden aldus de invaliditeitsraming uit de eerste aanleg.” 1.10. Op 8 juni 2004 verklaart de Commissie van beroep de aanvraag tot herziening onontvankelijk. Deze beslissing, die het voorwerp vormt van onderhavig cassatieberoep, wordt verantwoord als volgt : “Aangezien de aanvrager geen materiële vergissing aanhaalt en zich baseert op nieuw feitenmateriaal dient de aanvraag beschouwd te worden als een aanvraag artikel 40 wegens nieuwe gegevens en niet wegens vergissing. De aanvrager duidt zelf niet aan welke procedure er door hem gevoerd wordt of tegen welke beslissing. De beslissing waarbij de impotentie na de operatie van 21.10.1980 wordt afgewezen is deze van de Commissie van beroep van 26 april 1999. De procedure artikel 40 wegens nieuwe gegevens is een uitzonderingsproce- dure en dient beperkt te worden tot de nieuwe feiten aangehaald in de herzieningsaanvraag. IX-4685-5/13 De commissie van beroep was destijds van oordeel dat de schade op zich geen verband met de dienst had daar de oorzaak van de operatie vreemd was aan de dienst en alle nodige voorzorgsmaatregelen getroffen waren bij de operatie. Betrokkene heeft, volgens de Commissie destijds, geen inlichtingen verschaft noch stukken voorgelegd waaruit blijkt dat de oorsprong van de lichamelijke schade (nl. de cyste) in verband staat met de dienst. De juridische redenering dat de oorsprong van de lichamelijke schade waardoor de operatie plaatsvond in verband moet staan met de dienst, heeft kracht van gewijsde doordat de beslissing niet werd aangevochten bij de Raad van State. Dergelijke redenering kan niet herzien worden door het inbrengen van medische attesten die andere medische gevolgtrekkingen inhouden. Bovendien werd er vermeld dat de onderzoekscommissie in haar verslag stelde dat er geen enkele fout werd gemaakt door de militaire geneesheren op 21 oktober 1980. In de huidige herzieningsaanvraag betoogt betrokkene dat voor het eerst sinds 1980 de heer XXXX in staat was de hand te leggen op een kopie van het medisch dossier zoals het voorkomt in het militair hospitaal te Antwerpen. Het nieuwe feitenmateriaal dat hierdoor naar voor wordt gebracht, is in staat om de verantwoordelijkheid van de militaire chirurg in het gedrang te brengen. Uit deze nieuwe stukken besluiten zowel dr. Loosen als prof. dr. Vereecken dat de impotentie rechtstreeks en uitsluitend te wijten is aan de ingreep en dat er onnauwkeurigheden begaan werden door de chirurg terzake. De aanvraag dient niet ontvankelijk te worden verklaard. Er is geen nieuw feitenmateriaal. Het volledig medisch dossier van het militair hospitaal alsook het operatieverslag van 21.10.1998 zoals het opgevraagd werd door de dokters van dhr. XXXX bevonden zich reeds in het dossier (zie stuk IIIc en IIId) waarover de bestreden beslissing van 26 april 1999 uitspraak deed. Enkel komen dr. Loosen en prof. dr. Vereecken nu tot een andere medische interpretatie van de stukken die reeds in het dossier aanwezig waren en waarop de onderzoekscommissie zich gebaseerd heeft om te besluiten dat er geen fouten begaan werden. Een andere interpretatie van dezelfde stukken kan geen aanleiding geven tot een herziening artikel 40, zoals reeds menige malen door de Raad van State werd bevestigd. Nieuwe stukken die tot staving van de herzieningsaanvraag worden overgelegd, kunnen slechts door de Commissie worden in aanmerking genomen zo daarin gegevens voorkomen, die niet reeds vervat waren in het dossier van de beslissing waarvan nu de herziening wordt gevraagd. De onderzoekscommissie heeft zich destijds op dezelfde stukken gebaseerd als dewelke nu als nieuw worden bestempeld. Wat de besluiten van mtr. Hellenbosch betreft, erkent de raadsman dat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, waar ze haar motivering in rechte ontwikkelt, namelijk waar ze zegt dat de oorsprong van de schade geen verband houdt met de dienst en dat de heer XXXX de operatie in kwestie op eigen aanvraag in een militair ziekenhuis heeft laten uitvoeren. Hij komt evenwel op die erkenning terug met een (nuancerend) betoog luidens hetwelk de determinerende beweegreden van de beslissing in het onderzoek van de feiten zou liggen zodat de motivering in rechte als het ware zou opgeslorpt zijn door de motivering in feite; dit zou de poort naar de herziening openen. De commissie kan deze lezing niet in de termen van de beslissing terug-vinden. De motivering(

  1. en)in rechte en in feite zijn op zichzelf staand technisch wel onderscheiden figuren. De commissie heeft de ene gedachtegang door de andere laten volgen, zonder vermenging of intrinsieke afhankelijkheid. De verwijzing naar het arrest De Boeck van 6 juni 1961 gaat niet op omdat in deze zaak het nieuw attest van de geneesheer nieuwe informatie betreffende IX-4685-6/13 de feiten aanbracht en niet zoals hier een andere medische interpretatie van dezelfde stukken.” De grond van de zaak. 2. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 40 van de samengeordende wetten van 5 oktober 1948 op de vergoedings- pensioenen (hierna : de SWVP), van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de formele motiveringswet) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur -met name de materiële motiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht-. Hij is van oordeel dat zijn herzieningsaanvraag wel degelijk voldeed aan artikel 40 SWVP, waarin bepaald is dat elke beslissing inzake vergoedingspensioenen herzien kan worden wanneer zij op een vergissing berust of wanneer nieuwe gegevens aangevoerd worden die de herziening rechtvaardigen. Volgens artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 moet de motivering van een bestuurshandeling op afdoende wijze de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die eraan ten grondslag liggen. Bovendien moet de overheid haar beslissingen steunen op begrijpelijke, draagkrachtige en juridisch en feitelijk correcte motieven en moet zij haar beslissingen zorgvuldig voorbereiden. Volgens verzoeker voldoet zijn herzieningsaanvraag aan artikel 40 SWVP, aangezien de beslissing waarvan hij de herziening vraagt, op een vergissing berust. Immers, zijn adviserend geneesheer W. LOOSEN heeft kunnen vaststellen dat er geen klassieke vasectomie uitgevoerd werd maar dat er een bredere wegname gebeurd is, met name een “in toto”-epididymectomie, hetgeen de kans op atrofie verhoogt maar waarover hij nooit was ingelicht. Die vaststelling ontkracht het uitgangspunt van de Commissie van beroep dat er een klassieke vasectomie was uitgevoerd. Bovendien heeft de GGDB in zijn laatste onderzoek erkend dat de militaire geneesheer die de ingreep uitgevoerd heeft onzorgvuldig gehandeld heeft. Die “vergissing/nieuw element” rechtvaardigt een herziening omdat het de grondslag van de eerste beslissing beïnvloedt. De motieven op grond waarvan verzoeker een vergoedingspensioen geweigerd werd, zijn na het aan het licht komen van de vergissing, niet meer aanwezig. 3. De verwerende partij antwoordt daarop dat volgens artikel 40 SWVP enkel feitelijke vergissingen of nieuwe gegevens met uitsluiting van juridische vergissingen aanleiding kunnen geven tot een herziening. Zij betoogt dat IX-4685-7/13 de herziening wegens nieuwe gegevens een uitzonderingsprocedure is die beperkend uitgelegd moet worden en waarbij de Commissie enkel nagaat of er nieuwe gegevens voorhanden zijn met betrekking tot de feiten die het voorwerp uitmaken van de oorspronkelijke aanvraag en die voorheen niet gekend of onderzocht werden. Zodoende is een aanvraag tot herziening niet ontvankelijk wanneer als nieuwe gegevens een operatieverslag en een kopie van het medisch dossier worden aangevoerd, terwijl deze stukken zich reeds in het dossier bevonden. Een verschil- lende interpretatie van dezelfde feitelijke gegevens door de GGDB of door verzoekers geneesheren is geen nieuw feit zoals bedoeld in artikel 40 SWVP en een juridische interpretatie, die in kracht van gewijsde gegaan is, kan niet gewijzigd worden door nieuwe medische attesten. In de oorspronkelijke beslissing is aangenomen dat de schade, ontstaan wegens een operatie waarvan de oorzaak geen verband houdt met de dienst, niet valt onder de SWVP en in het kader van een herzieningsprocedure moet niet onderzocht worden of dergelijke juridische redenering wel juist is. Juridische vergissingen moeten door middel van een procedure bij de Raad van State rechtgezet worden, maar dit is te dezen niet gebeurd. Een verschil in appreciatie van gegevens, die voordien reeds aan de beroepscommissie werden voorgelegd en die ongewijzigd zijn gebleven, is geen vergissing. De vraag om uit dezelfde feiten een ander besluit te trekken kan geen aanleiding geven tot herziening. Een herzieningsaanvraag die verwijst naar een nieuwe interpretatie van stukken die reeds in het dossier aanwezig waren is geen aanvraag die steunt op nieuwe feiten. Wanneer derhalve een onderzoekscommissie destijds tot de conclusie is gekomen dat de chirurg die de operatie van verzoeker uitgevoerd heeft, niets ten laste gelegd kon worden en wanneer de raadslieden van verzoeker daar nu een ander medisch oordeel over formuleren, dan brengen zij geen nieuwe feiten aan in de zin van voornoemd artikel 40 maar verbinden zij hier enkel een andere conclusie aan. De beroepscommissie oordeelt eigenmachtig of de aangevoerde stukken nieuwe gegevens bevatten die van aard zijn om de oorspronk- elijke beslissing te wijzigen. Wanneer de Commissie oordeelt dat er geen nieuwe feitelijke gegevens worden aangebracht, motiveert zij genoegzaam haar beslissing. 4. Verzoeker herhaalt in zijn memorie van wederantwoord dat het volgens Dr. LOOSEN cruciale anatomo-pathologisch gegeven dat een veel bredere wegname gebeurd is dan in het geval van een klassieke vasectomie, nooit eerder onderzocht is door de aangestelde expert. Het gaat dan ook niet om een andere medische interpretatie van dezelfde feiten, maar wel om nieuwe feiten, die wel uit hetzelfde dossier komen, maar nooit eerder ten gronde onderzocht zijn en tot totaal IX-4685-8/13 andere besluiten leiden. Hij vindt het voorts bizar dat, nu het dossier tweemaal door de GGDB onderzocht werd op vraag van de commissaris-verslaggever, de herzieningsaanvraag toch nog onontvankelijk verklaard is, zeker nu de tweede vraag van de commissaris-verslaggever aan de GGDB, ertoe strekte na te gaan of er nieuwe gegevens voorhanden waren dan wel of er een vergissing begaan was, hetgeen erop wijst dat getwijfeld werd aan de niet-ontvankelijkheid van de herzieningsaanvraag. 5. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker nog dat zijn aanvraag tot herziening steunt op nieuwe elementen “of” een vergissing, dat er in ieder geval geen sprake is van een andere beoordeling van dezelfde feitelijke gegevens, nu er een vergissing begaan is door geen rekening te houden met het -doorslaggevend- feitelijk gegeven dat er meer is uitgevoerd dan een klassieke vasectomie. In die zin kan er niet alleen gesproken worden van een vergissing, maar ook van een nieuw feit. Dat in één welbepaald document -het klinisch blad- gesproken wordt over epididymectomie, mag er niet doen toe besluiten dat dit gegeven niet onbekend was, aangezien het deskundig verslag van dr. VAN CAMP uitgegaan is van een klassieke vasectomie en dat uitgangspunt de aandacht volledig afgeleid heeft. 6. De Commissie van beroep is een administratief rechtscollege. Als zodanig zijn de beginselen van behoorlijk bestuur en de wet van 29 juli 1991, die zich richten tot de organen van het actief bestuur, niet van toepassing op haar besluitvorming. Krachtens artikel 149 van de Grondwet en de artikelen 6 en 13 van het besluit van de Regent van 15 juni 1949 tot bepaling van de rechtspleging voor de commissies voor vergoedingspensioenen is zij er wel toe verplicht haar beslissingen formeel te motiveren. Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht. 7. Artikel 40 SWVP bepaalt : “Alle beslissingen inzake vergoedingspensioenen (...) kunnen herzien worden wanneer bevonden wordt dat de eerste beslissing op een vergissing berust of wanneer nieuwe gegevens aangevoerd worden en de herziening rechtvaardigen. (...)”. Verzoeker heeft in zijn aanvraag tot herziening, ingediend op 31 mei 2002, gevraagd om een nieuw onderzoek “op basis van nieuwe elementen of een vergissing”. Hij brengt daarvoor een op 30 mei 2002 gedagtekend verslag bij IX-4685-9/13 van zijn medisch adviseur dr. W. LOOSEN en een aan laatstgenoemde gerichte nota van 24 april 2001 van Prof. dr. R. VEREECKEN. 8. In de loop van de herzieningsprocedure heeft verzoeker nooit toegelicht welke vergissing de commissie van beroep in haar eerste beslissing gemaakt zou hebben. De commissaris-verlaggever heeft in zijn advies duidelijk uiteengezet dat de herziening gevraagd werd “omwille van nieuwe feiten” en verzoeker heeft in zijn conclusies die duidelijke stellingname niet tegengesproken. Integendeel, hij maakt daarin uitdrukkelijk gewag van zijn “herzieningsaanvraag (artikel 40 - wegens nieuwe gegevens)” en vraagt de herzieningsaanvraag ontvankelijk te verklaren omdat de “nieuwe attesten van dr. LOOSEN en dr. VEREECKEN een ‘nieuw feit’ vormen”. Rekening houdend met die gegevens heeft de Commissie van beroep terecht beslist dat de aanvraag beschouwd moet worden als een aanvraag wegens nieuwe gegevens en niet wegens vergissing, te weten een dwaling omtrent de feitelijke toedracht van de zaak. Binnen de grenzen van het geding kan de Raad van State niet uitmaken of, afgaande op het verslag van dr. LOOSEN, de beslissing van de Commissie van beroep op een vergissing berust. In zoverre het middel aanvoert dat de herzieningsaanvraag op grond van het bestaan van een vergissing niet onontvankelijk verklaard kon worden, is het niet ont- vankelijk. 9. De herziening is niet ontvankelijk verklaard omdat verzoeker in zijn aanvraag geen nieuwe gegevens - “geen nieuw feitenmateriaal” - aangebracht heeft. De Commissie van beroep oordeelt dat het volledig medisch dossier en het operatieverslag van 21 oktober 1980 opgenomen waren in het dossier waarover de Commissie van beroep op 26 april 1999 uitspraak gedaan heeft en dat het verslag van de adviserend geneesheer W. LOOSEN van verzoeker -en het daarbij gevoegde verslag van de door hem geraadpleegde dr. VEREECKEN- slechts een verschillende medische interpretatie geeft van de stukken die reeds op 26 april 1999 deel uitmaakten van het dossier. Verzoeker heeft zijn aanvraag tot herziening gestaafd met de verklaring van 30 mei 2002 van zijn adviserend geneesheer W. LOOSEN. Daarin zet de geneesheer uiteen dat hij, na inzage gekregen te hebben van het medisch dossier uit het militair hospitaal en van het operatieverslag van 21 oktober 1980, tot het besluit gekomen is dat het oorspronkelijk de bedoeling was een hydrocoele te behandelen -waarbij onmogelijk testisatrofie kan optreden- maar dat de geneesheren IX-4685-10/13 verzoeker behandeld hebben voor spermatocoele en zij derhalve geen klassieke vasectomie uitgevoerd hebben maar een epididymectomie, waarbij bloedvaten kunnen beschadigd worden, hetgeen dan de testisatrofie en de impotentie van verzoeker verklaart. Volgens die verklaring heeft dr. GENOTTE, die de ingreep van 21 oktober 1980 uitgevoerd heeft, van deze epididymectomie geen gewag gemaakt tijdens het verhoor waarop gerechtelijk deskundige VAN CAMP zijn conclusies gesteund heeft, hoewel dat gegeven nochtans van cruciaal belang is, omdat het de impotentie van verzoeker verklaart en van belang is voor de vaststelling van de verantwoordelijkheid van de geneesheer die de operatie uitgevoerd heeft. 10. Voor zijn stelling brengt dr. LOOSEN geen nieuwe feitelijke gegevens aan. Hij steunt zich op de studie van het medisch dossier. Het wordt niet betwist dat het medisch dossier dat hij heeft ingezien, geen nieuw bewijsmateriaal bevatte, maar dat het zich ook reeds bevond in het dossier dat door de Commissie voor vergoedingspensioenen was samengesteld en waarover de Commissie van beroep bij haar uitspraak van 26 april 1999 beschikte. Dr. LOOSEN heeft uit de studie van het medisch dossier opgemaakt dat er, naast een klassieke vasectomie, ook een epididymectomie op verzoeker was uitgevoerd. Dat feit, dat vermeld staat op het klinisch blad H2-3 waarop dr. GENOTTE de uitgevoerde ingreep omschrijft, was evenwel ook bekend aan de Commissie van beroep. De omstandigheid dat dit gegeven bij het onderzoek van de oorspronkelijke aanvraag van een vergoedingspensioen mogelijk minder aandacht gekregen heeft, doet niets af aan de vaststelling dat het gegeven als zodanig bekend was toen de Commissie haar eerste beslissing nam. Het verslag van dr. LOOSEN bevat een appreciatie van stukken die de Commissie van beroep kende. Het behandelt dus geen nieuw gegeven en bevat geen nieuwe informatie over de feiten. Dat de deskundige VAN CAMP bij het opmaken van zijn verslag in de burgerlijke zaak, die verzoeker tegen de Belgische Staat ingesteld heeft, het uitvoeren van een epididymectomie over het hoofd heeft gezien, is in het kader van het onderzoek dat hier gevoerd wordt niet relevant. 11. Artikel 40 SWVP maakt de herziening wegens nieuwe gegevens mogelijk wanneer nieuwe feitelijke gegevens worden aangebracht. Een nieuwe beoordeling van feitelijke gegevens waarover de Commissie van beroep bij het IX-4685-11/13 treffen van haar eerste besluit beschikte kan geen aanleiding geven tot dergelijke herziening. In die omstandigheden heeft de Commissie van beroep wettig kunnen beslissen dat het verslag van dr. LOOSEN neerkwam op “een andere interpretatie van dezelfde stukken” zodat de aanvraag onontvankelijk was. Artikel 40 SWVP is niet miskend en het bestreden besluit is terdege gemotiveerd. 12. Het middel is niet gegrond. 13. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van de redelijke termijn-eis als beginsel van behoorlijk bestuur. Hij stelt dat de uitspraak over zijn herzieningsaanvraag meer dan twee jaar op zich heeft laten wachten. 14. De verwerende partij is van oordeel dat de Commissie van beroep wel degelijk binnen een redelijke termijn uitspraak gedaan heeft. 15. Zoals bij de bespreking van het eerste middel gesteld, kan de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur als zodanig niet ingeroepen worden tegen beslissingen van jurisdictionele organen. Bovendien wordt niet ingezien welk voordeel het gegrond verklaren van dit middel aan verzoeker kan opleveren, aangezien dergelijke vernietiging niet impliceert dat zijn aanvraag ingewilligd moet worden of dat zij ontvankelijk is. 16. Het middel is niet ontvankelijk. 17. Er is reden om bij elke publicatie van het onderhavig arrest met toepassing van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State, de identiteit van verzoeker niet te vermelden. IX-4685-12/13 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het cassatieberoep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het cassatie- beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Artikel 3. Bij de publicatie van dit arrest wordt de identiteit van verzoeker niet opgenomen. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 21 januari 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-4685-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.741 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.504 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.