id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.742 Rolnummer: A. 184753/IX-5704 Zaak: Arrest 178742 - Personeel van de rechterlijke orde - 21/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-31 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 07:30 Fiche Arrest nr 178.742 van 21 januari 2008 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.742 van 21 januari 2008 in de zaak A. 184.753/IX-5704. In zake : Freddy MANNAERT, die woonplaats kiest bij advocaat E. DE LANGE, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan 7 tegen : 1. het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, dat woonplaats kiest bij advocaten G. VAN THUYNE en B. DALLE, kantoor houdende te BRUSSEL, Tervurenlaan 268A 2. het Brussels Instituut voor Milieubeheer. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Freddy MANNAERT op 27 september 2007 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen en de nietigverklaring van het besluit van 27 juli 2007 van de Minister van Leefmilieu, Energie en Waterbeleid van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, waarbij de afzetting bij tuchtmaatregel van verzoeker, opgelegd bij ministerieel besluit van 17 april 2007, definitief wordt bevestigd, alsook “voor zover als nodig” van het bedoelde ministerieel besluit van 17 april 2007 ; Gelet op het arrest nr. 174.127 van 27 augustus 2007 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen; Gezien de nota van de eerste verwerende partij; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door eerste auditeur B. THYS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-5704-1/9 Gelet op de beschikking van 14 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 januari 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DE LANGE, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat B. DALLE, die verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. THYS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1. De verzoeker is bij besluit van de federale Minister van Openbare Werken van 17 juni 1982 en met toepassing van het koninklijk besluit van 11 augustus 1972 ter bevordering van de tewerkstelling van mindervaliden in de rijksbesturen, als rijksambtenaar benoemd. Met ingang van 1 januari 1990 is hij overgedragen aan het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Sedert 1 november 1993 is hij verbonden aan het Brussels Instituut voor Milieubeheer, waar hij de graad van beambte (rang E1) bekleedt. 2. Op 25 augustus 2005, 22 december 2005, 23 mei 2006 en 26 oktober 2006 heeft de adjunct-directeur-generaal van het Brussels Instituut voor Milieubeheer aan de verzoeker tuchtstraffen opgelegd, inzonderheid omwille van het herhaaldelijk niet volgen van de voorgeschreven administratieve procedures met betrekking tot de afwezigheid en het niet respecteren van de werktijden. De opgelegde tuchtstraffen betreffen respectievelijk een inhouding van 20% van de wedde gedurende drie maanden, een inhouding van 10% van de wedde gedurende drie maanden en, tot twee keer toe, een lagere inschaling (van E103 naar E102 en van E102 naar E101). IX-5704-2/9 3. Met brieven van 5 en 7 februari 2007, respectievelijk aan de verzoeker overhandigd en ter post aangetekend toegestuurd, deelt de hiërarchische overste aan de verzoeker mee dat hij, ondanks de reeds eerder gevoerde tuchtproce- dures, opnieuw moet vaststellen dat betrokkene “nog steeds de administratieve procedures in verband met verloven en andere afwezigheden niet opvolgt”. De hiërarchische overste vermeldt voorts dat hij het niet aanvatten van de werktaak zonder geldige reden, het op het laatste ogenblik en zonder geldige reden opnemen van verlof en het laattijdig aanvatten van de werktaak, als tuchtfeiten aanziet. Hij deelt zijn beslissing mede om tegen de verzoeker andermaal een tuchtprocedure aan te vatten en roept hem op om over de hem ten laste gelegde feiten te worden gehoord. Na afloop van het verhoor deelt de hiërarchische overste bij brief van 16 maart 2007 aan de verzoeker mee dat hij voorstelt om hem de tuchtstraf van de afzetting op te leggen. Op 17 april 2007 beslist de Minister van Leefmilieu, Energie en Waterbeleid om tegen de verzoeker de tuchtstraf van de afzetting uit te spreken. Deze beslissing wordt aan de verzoeker betekend met een schrijven dat dezelfde dag ter post aangetekend wordt. De ontvangstkaart wordt op 2 mei 2007 door de verzoeker ondertekend. De verzoeker maakt de voormelde beslissing “voor zover als nodig” mede tot voorwerp van de voorliggende vordering tot schorsing. Met een schrijven van 3 mei 2007, op 4 mei 2007 ter post aangetekend, stelt de verzoeker tegen de genoemde beslissing beroep in bij de Gemeenschappelijke Raad van Beroep voor de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Nadat de verzoeker is gehoord, beslist de raad van beroep op 5 juni 2007 dat het beroep ontvankelijk, maar niet gegrond is. De raad van beroep adviseert de aan de verzoeker opgelegde tuchtstraf te handhaven. Met een aangetekende brief van 27 juli 2007 deelt de Minister van Leefmilieu, Energie en Waterbeleid aan de verzoeker mee dat zij de lopende evaluatieprocedure, in het kader waarvan verzoekers beroep tegen zijn beroepson- geschiktheidsverklaring na een tweede negatieve evaluatie inmiddels door de raad van beroep werd verworpen, voorlopig opschort tot aan de definitieve beslissing in de tuchtprocedure. De minister stelt dat de tuchtprocedure tegen de verzoeker minstens gedeeltelijk betrekking heeft op feiten die aan de basis liggen van diens IX-5704-3/9 tweede negatieve evaluatie en dat zij de rechten van verdediging van de verzoeker dienaangaande zo adequaat mogelijk wil waarborgen. Dezelfde dag nog beslist de minister om de tuchtstraf van de afzetting, opgelegd bij het genoemde ministerieel besluit van 17 april 2007, definitief te bevestigen. Deze beslissing, die met een aangetekende brief van 30 juli 2007 aan de verzoeker wordt betekend, vormt het principale voorwerp van de voorliggende vordering. Aanwijzing van de verwerende partijen 4. In zijn verzoekschrift tot schorsing wijst de verzoeker het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, “vertegenwoordigd door de Minister van Leefmilieu, Energie en Waterbeleid”, aan als de enige verwerende partij in de zaak. In zijn verslag is de auditeur-verslaggever van oordeel dat de genoemde minister te dezen niet is opgetreden als orgaan van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, maar als orgaan van het Brussels Instituut voor Milieube- heer, waarvan de verzoeker thans personeelslid is. Dit instituut is een instelling van openbaar nut behorend tot de categorie A, in de zin van artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut. Volgens de auditeur is het deze laatste rechtspersoon die als verwerende partij in de voorliggende zaak dient op te treden, en dient het Brussels Hoofdstedelijk Gewest buiten de zaak te worden gesteld. Voor de terechtzitting zijn zowel het Brussels Hoofdstedelijk Gewest als het Brussels Instituut voor Milieubeheer opgeroepen. Beide partijen zijn verschenen, vertegenwoordigd door dezelfde raadsman. Ter zitting is namens de twee partijen aangevoerd dat de minister bij het nemen van het besluit van 17 april 2007 is opgetreden als orgaan van het Brussels Instituut voor Milieubeheer, maar dat door het beroep tegen dat besluit de tuchtprocedure bij een andere overheid is terechtgekomen, namelijk het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Als organen van het Gewest zijn dan achtereenvolgens opgetreden: de Gemeenschappelijke Raad van Beroep voor de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de minister. Volgens de twee partijen is het dan ook het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en niet het Brussels Instituut voor Milieubeheer, dat als verwerende partij dient op te treden. IX-5704-4/9 5. Uit de bepalingen van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelij- ke Regering van 26 september 2002 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in verband met de tuchtregeling blijkt dat, voor de ambtenaren van een graad van rang A3 of lager, de tuchtstraf in eerste aanleg wordt uitgesproken door een bepaald orgaan van de betrokken instelling, met uitzondering van onder meer de afzetting, die wordt uitgesproken door “de benoemende overheid” (artikel 283, 1/). In beroep wordt, indien het advies van de raad van beroep overeenstemt met de beslissing van de bevoegde overheid in eerste aanleg, de straf definitief bevestigd door een bepaald orgaan van de betrokken instelling, met uitzondering van onder meer de afzetting, die wordt uitgesproken door “de benoemende overheid” (artikel 306, § 2 juncto § 1, 1/). De “benoemende overheid” is, in de instellingen behorende tot categorie A, “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.