id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.745 Rolnummer: A. 69252/IX-849 Zaak: Arrest 178745 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 21/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-29 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 07:30 Fiche Arrest nr 178.745 van 21 januari 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.745 van 21 januari 2008 in de zaak A. 69.252/IX-
- In zake : Clement RAEYMAEKERS, die woonplaats kiest bij advocaat E. CONRUYT, kantoor houdende te ASSE, Broekeweg 34 tegen : de POST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Clement RAEYMAEKERS op 6 juni 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de Bestuurder-Directeur van de Algemene directie Personeel waarbij de toepassing van het artikel 6, par. 2, van het reglement betreffende de verloven bij DE POST wordt gewijzigd”, welke werd meegedeeld bij dienstorder nr. 188 van 9 april 1996; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 15 januari 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 november 2007, datum waarbij de zaak wordt uitgesteld tot de openbare terechtzitting van 17 december 2007; IX-849-1/7 Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. VAN GINDERACHTER, die loco advocaat E. CONRUYT verschijnt voor de verzoeker, en van juriste L. VANHOOREN die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak
- De artikelen 6, § 2, en 31, § 1, van het reglement betreffende de verloven, goedgekeurd door de Raad van Bestuur van De Post op 13 december 1993, luiden als volgt: - Artikel 6, § 2: “Wanneer de ambtenaar, die een verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid of een verlof zonder wedde aanvraagt, nog een tegoed aan rust en/of een tegoed aan jaarlijks vakantieverlof van de vorige jaren bezit, worden deze tegoeden eerst aangezuiverd volgens het gevraagde regime. De periodes gedurende dewelke deze tegoeden worden aangezuiverd, worden in aanmerking genomen voor de berekening van de duur van de zes maanden waarvan sprake in §
- Gedurende deze periodes is de ambtenaar in dienstactivi- teit.” - Artikel 31, § 1: “De ambtenaar bekomt, op zijn verzoek, verlof zonder wedde voor een periode van tenminste één maand en ten hoogste twaalf maanden. Evenwel mag geen verlof zonder wedde aangevraagd worden, voor een duur van minder dan drie maanden gedurende de periode tussen 1 juni en 30 september. De aanvraag wordt ingediend tenminste één maand voor de aanvangsdatum van het verlof zonder wedde.”
- In januari 1995 vroeg en verkreeg de verzoeker verlof zonder wedde voor een periode van één maand. Gelet op zijn tegoed aan rust en verlof werd IX-849-2/7 het verlof met toepassing van het aangehaalde artikel 6, § 2, integraal omgezet in rust en vakantieverlof en bijgevolg volledig beschouwd als dienstactiviteit.
- Op 10 januari 1996 vroeg de verzoeker opnieuw verlof zonder wedde aan voor een periode van één maand, namelijk van 1 tot 31 mei
- Op 9 april 1996 vaardigt de bestuurder-directeur van de verwerende partij dienstorder nr. 188 uit in verband met het verlof zonder wedde. In dit dienstorder wordt gesteld dat de twee genoemde bepalingen zo moeten “geïnterpreteerd worden dat, naargelang van de minima vermeld in de eerste alinea (van artikel 31, § 1), de eerste maand of de eerste drie maanden van het verlof zonder wedde nooit bezoldigd worden, zelfs wanneer dat tot gevolg heeft dat het tegoed aan rust en/of jaarlijks vakantieverlof van de vorige jaren niet volledig wordt aangezuiverd”. Dit dienstorder vormt het voorwerp van het voorliggende beroep.
- Op 12 april 1996 wordt de verzoeker door zijn onmiddellijke chef ervan op de hoogte gebracht dat zijn verlof zonder wedde is toegestaan. De verzoeker bestrijdt deze laatste beslissing niet. Ten gronde 6.
- De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 12, § 1, van het syndicaal statuut van De Post. De verzoeker voert aan dat het bestreden dienstorder nieuwe regels toevoegt aan de bestaande regeling, vervat in artikel 6, § 2, van het reglement betreffende de verloven. Aangezien die nieuwe rechtsregels betrekking hebben op grondregels betreffende een aangelegenheid bedoeld in artikel 34, § 2, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, konden die nieuwe maatregelen, gelet op artikel 12, § 1, van het syndicaal statuut van De Post, slechts worden genomen na onderhandelingen in het Paritair Comité Post. Een dergelijke onderhandeling heeft echter niet plaatsgehad. 6.
- De verwerende partij antwoordt dat de bestreden omzendbrief niets anders doet dan de genoemde artikelen 6, § 2, en 31, § 1, van het reglement IX-849-3/7 betreffende de verloven interpreteren. Hij houdt geen wijziging in van artikel 6, § 2, en het gaat dus niet om een aanpassing van het personeelsstatuut. De verplichting om over een aangelegenheid te onderhandelen slaat slechts op hetgeen essentieel is, niet op hetgeen bijkomstig is. Te dezen gaat het om een bijkomstigheid, aangezien het directiecomité enkel een betere verwoording van artikel 6, § 2, van het reglement geeft. Daarover moest geen onderhandeling gevoerd worden. Het is trouwens in de lijn van dat standpunt dat in het paritair comité op 4 oktober 1993 is overeengekomen dat uitvoeringsbesluiten niet onderworpen zijn aan onderhandelingen, en dat ze slechts een overlegmaterie vormen. 6.3.
- Volgens de bewoordingen van het bestreden dienstorder strekt dit ertoe een bepaalde interpretatie te geven aan de artikelen 6, § 2, en 31, § 1, van het reglement betreffende de verloven. Artikel 31, § 1, bepaalt onder meer dat het verlof zonder wedde tenminste één maand bedraagt, en dat het in de periode tussen 1 juni en 30 september minstens drie maanden bedraagt. Artikel 6, § 2, bepaalt dat, als de ambtenaar die een verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid of een verlof zonder wedde aanvraagt, nog een tegoed aan rust of een tegoed aan jaarlijks vakantieverlof van de vorige jaren bezit, deze tegoeden eerst worden aangezuiverd. Gedurende de periodes waarin deze tegoeden worden aangezuiverd, is de ambtenaar in dienstactiviteit en geniet hij dus een bezoldigd verlof. Artikel 6, § 2, stelt geen grenzen aan de mogelijkheid tot aanzuivering. Pas als het tegoed aan rust of jaarlijks vakantieverlof is aangezuiverd, valt het betrokken personeelslid onder het eigenlijke stelsel van verlof zonder wedde, dit is onbezoldigd verlof. Het bestreden dienstorder bepaalt dat de genoemde regels zo geïnterpreteerd moeten worden dat, naargelang van het geval, de eerste maand of de eerste drie maanden van het verlof zonder wedde nooit bezoldigd worden, zelfs niet als er nog een tegoed aan rust of een tegoed aan jaarlijks vakantieverlof is. Aldus beschouwd, kan het bestreden dienstorder niet geacht worden van louter interpretatieve aard te zijn. Met het bestreden dienstorder wordt immers beoogd om de mogelijkheid tot aanzuivering te beperken. Het gaat dan ook wel degelijk om een wijziging van de draagwijdte van artikel 6, §
- IX-849-4/7 6.3.
- Artikel 12, § 1, van het syndicaal statuut van De Post luidt als volgt: “De maatregelen van algemene draagwijdte in verband met de grondregelen betreffende de aangelegenheden voorzien in artikel 34, § 2, onderafdelingen A tot F, 7/, van de wet van 21 maart 1991 (betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven) kunnen niet genomen worden dan na onderhandeling in het Paritair Comité Post.” Tot de grondregelen bedoeld in artikel 34, § 2, van de wet van 21 maart 1991 behoren onder meer de regels die vooraf door het paritair comité zijn aangeduid als grondregelen betreffende het administratief statuut van het statutair personeel inzake “de verlofregeling” (artikel 34, § 2, A, 5/). Uit de door de verwerende partij voorgelegde notulen van de vergaderingen van het paritair comité van 4 oktober tot 19 november 1993 blijkt dat het administratief statuut van de postambtenaren en zijn bijlagen, waaronder het reglement betreffende de verloven, geacht worden te behoren tot de grondregelen. Het administratief statuut en de bijlagen ervan zijn trouwens op 13 december 1993 door de raad van bestuur aangenomen nadat daarover is onderhandeld in het paritair comité, zoals blijkt uit de aanhef van het desbetreffende besluit van de raad van bestuur van 13 december
- Daaruit kan worden afgeleid dat het voorwerp van het reglement betreffende de verloven behoort tot de grondregels, in de zin van artikel 34, § 2, van de wet van 21 maart
- Het is juist, zoals door de verwerende partij wordt aangevoerd, dat tijdens de vergadering van het paritair comité van 4 oktober 1993 is overeengekomen dat de reglementen ter uitvoering van het administratief statuut en de bijlagen slechts “overlegmaterie” zijn, en dat daarover dus niet onderhandeld moet worden. Die vaststelling is te dezen echter niet pertinent. Zoals gezegd, strekt het bestreden dienstorder immers niet tot de uitvoering van het reglement betreffende de verloven, maar beoogt het in werkelijkheid een wijziging van dat reglement, zij het onder de vorm van een interpretatie. Het aangehaalde artikel 12, § 1, van het syndicaal statuut van De Post heeft een algemene draagwijdte: voor elke maatregel van algemene draagwijdte in verband met de grondregelen betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 34, § 2, onderafdelingen A tot F, 7/, van de wet van 21 maart 1991, geldt dat ze slechts genomen kan worden na onderhandeling in het Paritair Comité Post. Er wordt geen onderscheid gemaakt naargelang het zou gaan om een essentiële dan wel IX-849-5/7 een bijkomstige regel. De regel vervat in artikel 6, § 2, van het reglement betreffende de verloven kan dan ook maar worden gewijzigd na onderhandelingen in het paritair comité. Uit het dossier blijkt niet dat er over het betrokken dienstorder is onderhandeld. Uit de notulen nr. 53 van de vergadering van het paritair comité van 21 maart 1996 blijkt integendeel dat de voorzitter de in het dienstorder geregelde aangelegenheid slechts als een materie voor louter overleg heeft beschouwd. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het dienstorder nr. 188 van de Bestuurder- Directeur van DE POST van 9 april 1996 in verband met de toepassing van de artikelen 6, § 2, en 31, § 1, van het reglement betreffende de verloven. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-849-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 21 januari 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-849-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.745 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.