← België

Arrest 178798 - Handelsvestigingen - 22/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.798 Rolnummer: A. 182914/X-14775 Zaak: Arrest 178798 - Handelsvestigingen - 22/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-29 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 07:31 Fiche Arrest nr 178.798 van 22 januari 2008 Economische zaken - Handelsvestigingen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.798 van 22 januari 2008 in de zaak A. 182.914/X-13.

  1. In zake :
  2. de v.z.w. UNIE VAN ZELFSTANDIGE ONDERNEMERS (UNIZO),
  3. de v.z.w. NATIONAAL VERBOND VAN ZELFSTANDIGE ELECTRICIENS EN HANDELAARS IN ELEKTRISCHE TOESTELLEN (NELECTRA),
  4. de v.z.w. UNIE VAN ZELFSTANDIGE ONDERNEMERS REGIO ANTWERPEN-MECHELEN (UNIZO REGIO ANTWERPEN-MECHELEN),
  5. de gemeente BRASSCHAAT, die woonplaats kiezen bij advocaat S. RONSE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 8b tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Economie en door het Interministerieel Comité voor de Distributie, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Tasson-Snelstraat
  6. tussenkomende partij : de n.v. MEDIA MARKT SATURN BELGIUM, die woonplaats kiest bij advocaten L. CORNELIS en K. LEUS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan
  7. DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. UNIE VAN ZELFSTANDIGE ONDERNEMERS (UNIZO), de v.z.w. NATIONAAL VERBOND VAN ZELFSTANDIGE ELECTRICIENS EN HANDELAARS IN ELEKTRISCHE TOESTELLEN (NELECTRA), de v.z.w. UNIE VAN ZELFSTANDIGE ONDERNEMERS REGIO ANTWERPEN-MECHELEN (UNIZO REGIO ANTWERPEN-MECHELEN) en de gemeente BRASSCHAAT op 2 mei 2007 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 28 februari 2007 van het Interministerieel Comité voor de Distributie waarbij het beroep ingediend door de n.v. MEDIA MARKT SATURN BELGIUM tegen de weigeringsbeslissing van het X-13.265-1/11 college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en waarbij aan de n.v. MEDIA MARKT SATURN BELGIUM machtiging wordt verleend voor de uitbreiding van een handelscomplex door inplanting van een elektrozaak met een verkoopoppervlakte van 3287 m², langs de Bredabaan te Schoten; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 14 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 oktober 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. RONSE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat E. DE LANGE, die loco advocaat J.-F. DE BOCK verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. LEUS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  8. Over de rechtspleging 1.
  9. Met een verzoekschrift van 24 mei 2007 heeft de n.v. MEDIA MARKT SATURN BELGIUM gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen. X-13.265-2/11 1.
  10. In haar verzoekschrift tot tussenkomst werpt de tussenkomende partij op dat bij de Raad van State enkel een vordering tot schorsing kan worden ingediend in zoverre die vordering gericht is tegen een orgaan met rechtspersoonlijkheid, zodat de vordering onontvankelijk is in zoverre deze gericht is tegen het Interministerieel Comité voor de Distributie, nu het deze instelling aan rechtspersoonlijkheid ontbreekt. In het verzoekschrift tot schorsing werden zowel het Interministerieel Comité voor de Distributie als de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid als tegenpartijen aangeduid. Nu het Interministerieel Comité voor de Distributie door het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het auditoraat niet als verwerende partij in de zaak werd betrokken, is deze exceptie zonder voorwerp.
  11. Over de ontvankelijkheid van de vordering De verwerende en de tussenkomende partij betwisten de ontvankelijkheid van de vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze excepties dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen te dezen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.
  12. Over de grondvoorwaarden tot schoring 3.
  13. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.2.
  14. De verzoekende partijen zetten het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij menen te zullen lijden in hun verzoekschrift als volgt uiteen : “IV. MOEILIJK TE HERSTELLEN ERNSTIG NADEEL
  15. Krachtens artikel 17, §2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de X-13.265-3/11 vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel (MTHEN) kan berokken.
  16. Door de bestreden beslissing is het de belanghebbende partij mogelijk om haar grootschalige winkel te openen, waardoor alle nadelen, in het bijzonder ten aanzien van de concurrentie en de mobiliteit een onmiddellijk en onherroepelijk effect zullen hebben.
  17. Het mobiliteitsaspect is in dit verband zonder meer cruciaal. De belanghebbende partij zou haar vestiging immers realiseren langs de Bredabaan. Deze gewestweg is op vandaag bijzonder druk bereden en alle bijkomend verkeer, door het realiseren van nieuwe kleinhandelsactiviteiten, die sterk verkeersgenererend zijn, dreigt te zorgen voor een verkeersinfarct. Terzake moet erop gewezen worden dat vooral het stuk van de Bredabaan ten zuiden van de Hemelakkers problematisch kan worden. Dit is immers de toegangsweg naar de gemeente Brasschaat (vierde verzoekster). Vierde verzoekster verwijst in dit verband naar een recente studie uit 2006 van de Studiegroep Omgeving cvba die in haar opdracht werd gemaakt. Hierin kan het volgende gelezen worden (...): ‘Verkeersintensiteiten (..) De hoogste intensiteit is gemeten op de Bredabaan ten zuiden van het kruispunt met Hemelakkers. (..) In de avondspits verwerkt het zuidelijk deel van de Bredabaan zeer veel inkomend autoverkeer, met aantallen hoger dan duizend p. a. e. per uur. Het gaat om verkeer vanuit Antwerpen en van de E19 (afrit Merksem /Schoten). Doorstroming Het verkeer op de Bredabaan wordt in de dorpskern van Brasschaat gestremd door diverse oorzaken. Op verkeerstechnisch gebied zijn parkeerbewegingen, linksafbewegingen en kruispunten met verkeers- lichten de voornaamste redenen. Wanneer er obstructie ontstaat, brengt dit een plaatselijke congestie teweeg in de verkeersdoorstroming (..)’, Dit alles blijkt ook uit het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de gemeente Brasschaat. Vierde verzoekster verwijst naar dit structuurplan enkel maar om Uw Raad te wijzen op een aantal feitelijke gegevens van en rond de Bredabaan (zie het vijfde middel). Hierin kan bijvoorbeeld in het informatief gedeelte gelezen worden (...): ‘Door de congestie in het centrum van Brasschaat ontstaat er sluikverkeer in de Hemelakkers en de Oude Baan, dat verder afgewikkeld wordt via de Miksebaan.’ Dit alles heeft er vierde verzoekster toe genoopt een ongunstig advies uit te brengen naar aanleiding van de sociaal-economische aanvraag van de belang- hebbende partij. Door de bestreden beslissing zal het verkeer op de Bredabaan zonder meer toenemen. Deze weg kan echter geen toename van het verkeer meer verdragen nu er thans al sprake is op bepaalde ogenblikken van een werkelijke ‘congestie’ in het centrum van Brasschaat. Er dient terzake op gewezen te worden dat de locatie waar belanghebbende partij zich wenst te vestigen op amper honderd meter gelegen is van het grondgebied van vierde verzoekster. Elke toename van het verkeer, in casu een aanzienlijke toename veroorzaakt door de inplanting van een grootschalige kleinhandelszaak, heeft zodoende een onmiddellijke negatieve repercussie op de plaatselijke mobiliteit. Vierde verzoekster heeft hierop ook gewezen in haar adviesverstrekking. In de initiële weigeringsbeslissing van de gemeente Schoten werd het mobiliteits- aspect ten andere ook ernstig beklemtoond. Vierde verzoekster leidt een MTHEN indien de bestreden beslissing niet wordt geschorst door Uw Raad. Waar nu al sprake is van een ‘congestie’ op X-13.265-4/11 bepaalde tijdstippen door het talrijke verkeer op de Bredabaan, zal bij een aanzienlijke toename van het verkeer zonder meer sprake zijn van een werkelijk ‘infarct’, waardoor de gemeente Brasschaat de facto onbereikbaar dreigt te worden, wat niet alleen een structureel negatieve invloed heeft op de sociaal-economische uitrusting van deze gemeente en haar handelsapparaat, maar vooral een negatieve invloed heeft op de algemene mobiliteit en de verkeersveiligheid voor de weggebruikers. Vierde verzoekster kan dit als openbaar bestuur, zeker nu zij over een adviesbevoegdheid beschikt in het kader van de nieuwe handelsvestigingenwet, niet zonder meer negeren. Het feit dat vierde verzoekster daarenboven te maken heeft met een gewestweg brengt met zich mee dat zijzelf geen reële initiatieven kan nemen om aan dit alles te verhelpen (zie in die zin ook de overwegingen uit de initiële weigeringsbeslissing van de gemeente Schoten, ...). Nochtans stellen zich bijzonder ernstige problemen en uitdagingen indien men de bestreden beslissing wil uitvoeren: de slechte ontsluiting van de site, de te beperkte capaciteit van het kruispunt, de ontoereikende organisatie van de parking, het feit dat een verlening van de afslagstroken nodig is (allen weergegeven in het negatieve advies van de stad Antwerpen, ...) en de noodzaak van een ventweg tussen de Horstebaan en de op - en afrit van de E 19, zoals gesuggereerd in de bestreden beslissing zelf (...). Hierdoor is ontegensprekelijk sprake van een MTHEN in hoofde van vierde verzoekster nu een zo goed als onbereikbaarheid van haar centrum en de ernstige aard van de mobiliteitsproblemen gedurende de ganse periode van een annulatieprocedure onherroepelijke gevolgen zal hebben (op sociaal- economisch vlak, maar vooral op het vlak van mobiliteit en verkeers- veiligheid).
  18. De overige verzoekende partijen, maar ook vierde verzoekster, wijzen Uw Raad ten slotte nog op het feit dat de inplanting van een grootschalige elektro-kleinhandelszaak de concurrentiepositie van de al aanwezige elektro- kleinhandelszaken, die allen zelfstandige ondernemers zijn voor wie eerste (...) verzoekster opkomt, ernstig zal aangetast worden. In die zin kan verwezen worden naar het negatieve advies van het Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie waarin op de laatste pagina uitdrukkelijk gewezen wordt op de te verwachten marktverstoring (...). Welnu, een dergelijke marktverstoring gedurende de duurtijd van een annulatieprocedure is naar karakter toe zonder meer onherroepelijk. Indien de verbruikers - mede door de mobiliteitsproblemen in en rond Brasschaat - de weg niet meer ‘vinden’ naar de bestaande kleinhandelszaken, dan brengt dit bijzonder ernstige sociaaleconomische gevolgen met zich mee die het kleinhandelslandschap structureel dreigt aan te tasten. Ook de zware mobiliteitsimpact, zoals hierboven beschreven onder 3, is inderdaad bijzonder relevant nu de zo goed als onbereikbaarheid van het centrum van Brasschaat voor de aldaar gevestigde handelaars een zware negatieve impact zal hebben op sociaaleconomisch vlak. Uit het eigen aanvraagdossier van belanghebbende partij blijkt ten andere hoe aanzienlijk de te verwachten omzet van de nieuwe vestiging zal zijn (...). Dit toont des te meer aan hoe groot de marktverstoring ter plaatse zal zijn voor de al bestaande elektro-kleinhandelszaken. Eén en ander wringt te meer nu een aantal bestaande elektro- kleinhandelszaken zonder meer genegeerd werden in het marktonderzoek dat werd gemaakt in het kader van de sociaaleconomische aanvraag (...).
  19. Verzoekers beschikken over een MTHEN”. X-13.265-5/11 3.2.
  20. De verwerende partij repliceert hierop als volgt : “V. GEEN MOEILIJK TE HERSTELLEN ERNSTIG NADEEL
  21. Opdat de Raad van State zou kunnen overgaan tot de schorsing van een administratieve rechtshandeling moet de verzoekende partij conform artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ook nog aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hem een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel berokkent. Vaststaande rechtspraak bepaalt ook dat de verzoekende partij op grond van concrete gegevens, en dus niet louter zich steunend op beweringen, het moeilijk te herstellen ernstig nadeel aantoont. In casu moeten verwerende partijen vaststellen dat in de uiteenzetting van dit nadeel, verzoekende partij naar geen enkel concreet document verwijst. Verzoekende partij brengt geen enkel bewijselement bij voor haar beweringen. Zij toont niet aan dat de verkeersleefbaarheid eventueel in het gedrang zou kunnen komen als gevolg van de bestreden beslissing. De verzoekende partij moet minstens cumulatief vier elementen aantonen: - het nadeel moet voortvloeien uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de vergunning (
  22. l.) - het nadeel moet ernstig zijn (4.2.) - het nadeel is moeilijk te herstellen (4.3.) - het nadeel is persoonlijk (4.4.). 4.
  23. Geen onmiddellijk nadeel
  24. Verzoekende partij beweert dat de bestreden beslissing onmiddellijk een invloed zal hebben op de verkeersdrukte. Deze bewering is echter louter hypothetisch. De N.V. Media Markt opent ter plaatse een volledige nieuwe handels- vestiging. In de eerste plaats moet zij zelf afwachten of zij inderdaad afdoend cliënteel zal over de vloer krijgen. In de tweede plaats staat, in geval het cliënteel inderdaad komt, niet vast dat dit cliënteel alleen ter plaatse zal komen voor de Media Markt. Een groot deel van het cliënteel zal de Media Markt ook binnen gaan omdat ze in de buurt reeds aan het winkelen zijn. Verzoekende partij draagt geen concrete bewijzen aan dat de bestreden beslissing effectief onmiddellijk het beweerd nadeel zal veroorzaken. Zo bewijst zij niet dat de gemeente Brasschaat praktisch onbereikbaar zou worden. 4.
  25. Geen ernstig nadeel
  26. Talrijk zijn de arresten van de Raad Van State, die oordelen dat het louter vermeerderen van het verkeer (wat nog moet worden aangetoond), als gevolg van een nieuwe constructie, op zich geen ernstig nadeel is. De handelsvestiging bevindt zich aan een weg, die reeds druk wordt bezocht door het verkeer. Verwerende partijen menen niet dat deze bijkomende vestiging op een fundamentele wijze de reeds aanwezige hinder zal wijzigen. Uit cijfergegevens bij de aanvraag zouden een vijftigtal wagens per uur de parking verlaten, dit zou een toename in het verkeer betekenen van maximaal 2% indien er uitgegaan wordt van een verkeersdoorstroming van 1000 wagens per uur. In de veronderstelling van verzoekers dat het meer zou zijn, daalt het percentage. De hiernavolgende rechtspraak van uw Raad kan worden geciteerd: (...) Voor zover de toegangsweg effectief verzadigd zou zijn, blijkt uit de bijgebrachte mobiliteitsstudie dat bij een roulatie van 50 wagens per uur op de parking, de verkeersdrukte in de piekmomenten slechts met maximaal 2% zou toenemen (in de veronderstelling dat er 1000 wagens passeren). Deze toename is verwaarloosbaar en niet van aard een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel mee te brengen. 4.
  27. Geen moeilijk te herstellen nadeel X-13.265-6/11
  28. In huidige zaak zal door een eventuele vernietiging van de afgeleverde vergunning het beweerde nadeel onmiddellijk verdwijnen. Immers, als gevolg van de eventuele vernietiging zal de N.V. Media Markt niet meer in de mogelijkheid zijn om de handelsvestiging uit te baten. In dat geval zal ook de beweerde verkeershinder verdwijnen. Het aangevoerde nadeel is helemaal niet moeilijk te herstellen. 4.
  29. Geen persoonlijk nadeel
  30. Verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat zij in haar beleid nadeel zal ondervinden van de bestreden beslissing. De mogelijke negatieve impact op de mobiliteit maakt het beleid van verzoekende partij niet noodzakelijkerwijze onmogelijk. Integendeel, verzoekende partij heeft juist als bevoegde overheid de mogelijkheid aan eventuele verkeershinder te verhelpen door naar de toekomst maatregelen te nemen. De mogelijke verkeershinder, die de bestreden beslissing zal veroorzaken, heeft uitsluitend zijn effect op de plaatselijke bewoners en de personen, die in de buurt winkelen. Geen enkele van deze personen heeft echter een procedure ingeleid bij de Raad van State. De verkeershinder is echter niet eigen aan de gemeente, als publiekrechtelijk orgaan. Indien er verkeershinder zou zijn, situeert deze zich uitsluitend op het grondgebied van de gemeente Schoten. De gemeente Brasschaat kan bijgevolg dienaangaande geen enkel persoonlijk nadeel inroepen”. 3.2.
  31. De tussenkomende partij betwist eveneens op omstandige wijze het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van de verzoekende partijen. 3.
  32. Luidens artikel 17, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, tweede lid, 5/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, zoals het luidde op het ogenblik van het instellen van de vordering, bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen”. Uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift duidelijk en concreet dienen aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaan of dreigen te ondergaan en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen geen rekening kan worden gehouden. De verzoekende partijen mogen zich daarbij niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dienen integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaan of dreigen te ondergaan. X-13.265-7/11 3.3.
  33. De eerste drie verzoekende partijen zijn alle belangenverenigingen die in hoofdzaak de beroepsbelangen van hun leden, handelaars, wensen te bevorderen. Als verenigingen kunnen de eerste drie verzoekende partijen in rechte opkomen voor de collectieve belangen van hun leden. Voor het bevelen van de schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratieve akte is evenwel vereist dat door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, die verenigingen zelf een persoonlijk moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaan of dreigen te ondergaan. Met betrekking tot hun moeilijk te herstellen ernstig nadeel verwijzen de eerste drie verzoekende partijen, samengevat, naar de concurrentieverstoring ten nadele van de reeds aanwezige elektro-kleinhandelaars. Dit ingeroepen nadeel maakt geen persoonlijk nadeel uit in hoofde van de eerste drie verzoekende partijen, maar hoogstens een nadeel dat hun leden, de facto slechts een beperkt deel van hun leden, individueel zouden kunnen ondergaan. Voorts dient te worden vastgesteld dat de eerste drie verzoekende partijen zich beperken tot de algemene bewering dat door “de inplanting van een grootschalige elektro-kleinhandelszaak de concurrentiepositie van de al aanwezige elektro-kleinhandelaars (...) ernstig zal aangetast worden”. Zij maken daarmee onvoldoende concreet aannemelijk dat de inplanting van de nieuwe vestiging een dermate concurrentieverstorend effect zal hebben dat dit in hun hoofde een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou uitmaken. De verwijzing naar het negatieve advies van het Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie en naar het aanvraagdossier van de tussenkomende partij vermag evenmin zulks te doen, te meer daar blijkens dit laatste “de grote ketens reeds veel langer actief (zijn) op de Belgische markt en een zeker klantenbestand opgebouwd (hebben)” en “de ervaring (hebben) (...) om de concurrentie met Media Markt aan te gaan”, terwijl “de kleine electrowinkels door de komst van Media Markt vaak een positieve invloed (ondervinden)” en “een andere filosofie” en “een ander doelpubliek” hebben. Het ingeroepen nadeel is niet ernstig. 3.3.
  34. Met betrekking tot haar moeilijk te herstellen ernstig nadeel verwijst de vierde verzoekende partij in hoofdzaak naar de toename van het verkeer op de Bredabaan, die een mogelijk verkeersinfarct en de onbereikbaarheid van haar centrum tot gevolg zou hebben, wat zowel een invloed zou hebben op de algemene mobiliteit en de verkeersveiligheid van de weggebruikers als op “de aldaar gevestigde handelaars”. X-13.265-8/11 Voor een openbare overheid als de vierde verzoekende partij is het bij artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste nadeel persoonlijk indien de bestreden beslissing de uitoefening van de overheidstaak of de bestuursopdracht waarmee die overheid is belast, verhindert of in ernstige mate bemoeilijkt. Het nadeel van een gemeente kan dan ook niet worden gelijkgesteld met het nadeel dat haar inwoners lijden. De vierde verzoekende partij maakt op geen enkele concrete wijze aannemelijk dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de werking van haar diensten in het gedrang zou brengen of ingrijpende gevolgen zou hebben voor de uitoefening van haar beleid of de vervulling van haar taken. Zowel wat betreft de ingeroepen mobiliteitsproblematiek, als de beweerde negatieve invloed op de op haar grondgebied gevestigde handelaars, dient vastgesteld dat de vierde verzoekende partij niet aantoont welk ruimtelijk en socio- economisch beleid dat zij thans op haar grondgebied voert of van plan is te voeren, door de geplande vestiging van de tussenkomende partij, overigens op het grondgebied van een andere gemeente, wordt verhinderd of bemoeilijkt, noch dat dergelijk beleid door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing dermate zou worden verhinderd of bemoeilijkt dat dit in haar hoofde een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou uitmaken. De vierde verzoekende partij verwijst onder meer naar een in haar opdracht opgestelde studie “Leefbare Doortocht Bredabaan” van de Studiegroep Omgeving. Het dient vastgesteld te worden dat daarmee enkel gegevens worden bijgebracht over de bestaande verkeersstromen op de Bredabaan, zonder dat wordt ingegaan op de mogelijke impact van de geplande vestiging van de tussenkomende partij op deze verkeersstromen. Ook de opmerkingen van de stad Antwerpen, waar de vierde verzoekende partij naar verwijst, brengen geen duidelijke, concrete en vaststaande gegevens bij omtrent de impact van de geplande vestiging op de verkeersstromen. Het dient bijgevolg te worden vastgesteld dat, in zoverre het ingeroepen nadeel niet eerder een nadeel uitmaakt in hoofde van haar inwoners of de op haar grondgebied gevestigde handelaars, de vierde verzoekende partij onvoldoende concrete gegevens aanbrengt waaruit kan blijken dat het verkeer in die mate zal toenemen dat dit in haar hoofde een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt of dreigt uit te maken. Blijkens een door de tussenkomende partij voorgelegde mobiliteitsstudie dient de omvang van de beweerde nieuwe verkeersstromen (met 2%) overigens gerelativeerd te worden. X-13.265-9/11 In zoverre de vierde verzoekende partij verwijst naar de belangen van de op haar grondgebied gevestigde handelszaken, beroept zij zich niet op een persoonlijk nadeel. Ook het in hoofde van de vierde verzoekende partij ingeroepen nadeel is dus niet ernstig. Er is dan ook niet voldaan aan één van de door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  35. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. MEDIA MARKT SATURN BELGIUM in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  36. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  37. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-13.265-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig januari 2008, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-13.265-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.798 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.245 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.