← België

Arrest 178799 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.799 Rolnummer: A. 182915/X-13266 Zaak: Arrest 178799 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-29 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 07:31 Fiche Arrest nr 178.799 van 22 januari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.799 van 22 januari 2008 in de zaak A. 182.915/X-13.

  1. In zake : de gemeente SCHOTEN, die woonplaats kiest bij advocaat Y. LOIX, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Economie en het Interministerieel Comité voor de Distributie, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Tasson-Snelstraat
  2. tussenkomende partij : de n.v. MEDIA MARKT SATURN BELGIUM, die woonplaats kiest bij advocaten L. CORNELIS en K. LEUS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan
  3. DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente SCHOTEN op 2 mei 2007 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 28 februari 2007 van het Interministerieel Comité voor de Distributie waarbij het beroep ingediend door de n.v. MEDIA MARKT SATURN BELGIUM tegen de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en waarbij aan de n.v. MEDIA MARKT SATURN BELGIUM machtiging wordt verleend voor de uitbreiding van een handelscomplex door inplanting van een elektrozaak met een verkoopoppervlakte van 3287 m², langs de Bredabaan te Schoten; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-13.266-1/13 Gelet op de beschikking van 14 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 oktober 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VAN LOMMEL, die loco advocaat Y. LOIX verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat E. DE LANGE, die loco advocaat J.-F. DE BOCK verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. LEUS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  4. Over de rechtspleging 1.
  5. Met een verzoekschrift van 24 mei 2007 heeft de n.v. MEDIA MARKT SATURN BELGIUM gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen. 1.
  6. In haar verzoekschrift tot tussenkomst werpt de tussenkomende partij op dat bij de Raad van State enkel een vordering tot schorsing kan worden ingediend in zoverre die vordering gericht is tegen een orgaan met rechtspersoonlijkheid, zodat de vordering onontvankelijk is in zoverre deze gericht is tegen het Interministerieel Comité voor de Distributie, nu het deze instelling aan rechtspersoonlijkheid ontbreekt. In het verzoekschrift tot schorsing werd enkel het Interministerieel Comité voor de Distributie als tegenpartij aangeduid. Nu het Interministerieel Comité voor de Distributie door het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het auditoraat niet als verwerende partij in de zaak werd betrokken, is deze exceptie zonder voorwerp. X-13.266-2/13
  7. Over de ontvankelijkheid van de vordering De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze exceptie dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen te dezen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.
  8. Over de grondvoorwaarden tot schorsing 3.
  9. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.2.
  10. De verzoekende partij zet het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij meent te zullen lijden in haar verzoekschrift als volgt uiteen : “HET MOEILIJK TE HERSTELLEN ERNSTIG NADEEL VI.1 Algemeen
  11. Krachtens artikel 17, § 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. In casu wordt aan de beide voormelde voorwaarden voldaan.
  12. Zonder enige twijfel is sprake van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van verzoekers. Dit wordt hieronder aangetoond. VI.2 HET NADEEL IN HOOFDE VAN DE GEMEENTE
  13. Uw Raad is van oordeel dat voor een openbare overheid als de verzoekende partij het bij artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste nadeel persoonlijk is indien de bestreden beslissing de uitoefening van de overheidstaak of de bestuursopdracht waarmee die overheid is belast, verhindert of bemoeilijkt.
  14. Uit uw rechtspraak kan afgeleid worden dat de gemeente een MTHEN kan inroepen voor zover concreet wordt aangetoond dat de bestreden beslissing de werking van haar diensten in het gedrang zou brengen, of ingrijpende gevolgen zou hebben voor de uitoefening van haar beleid of de vervulling van haar taken.
  15. Uw Raad is van oordeel dat het nadeel ernstig en moeilijk te herstellen is wanneer de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de werking van de diensten van verzoekende partij dermate in het gedrang zou brengen dat zij haar taken als gemeente niet meer zou kunnen uitoefenen en wanneer zij na een X-13.266-3/13 gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing niet over de vereiste rechtsmiddelen zou beschikken om het herstel te verkrijgen.
  16. De rechtspraak van uw Raad leert tevens dat het in de regel niet voldoende is dat een openbaar bestuur beweert gehinderd te worden in het beleid dat het zich voorgenomen heeft en beweert dientengevolge aan autoriteit in te boeten, opdat het zonder meer geloofd zou worden daardoor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te lijden. Uw Raad oordeelt dat, wanneer de gemeente meent ten gevolge van de belemmering van haar beleid een dergelijk nadeel te lijden, het zulks aannemelijk dient te maken aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens.
  17. Uit deze rechtspraak kan afgeleid worden dat een MTHEN in hoofde van de gemeente erkend kan worden indien aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens kan aangetoond worden dat de bestreden beslissing de uitoefening van de overheidstaak of de bestuursopdracht waarmee die overheid is belast dermate verhindert of bemoeilijkt dat zij haar taken als gemeente niet meer kan uitoefenen. Er kan verwezen worden naar een arrest waarin uw Raad het volgende overwoog: ‘Overwegende dat, wat de tweede in artikel 17, § 2, gestelde voorwaarde betreft, het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Edegem op goede gronden betoogt dat ‘de gemeente een ernstig planologisch en ruimtelijk beleid na (streeft) evenals het behoud van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, (en dat) in de mate dat deze cultuurhistorisch waardevolle gebouwen dreigen verloren te gaan, ( ... ) het cultuurhistorisch patrimonium van de gemeente zonder twijfel een belangrijk cultureel erfrechtelijk goed (verliest) dat ( .. ) een ernstig nadeel (is) dat op grond van de huidige stedenbouwwetgeving als definitief moet worden aanzien, (enz.) dat bijgevolg het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Edegem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aantoont;’
  18. In casu kan op gelijkaardige wijze geargumenteerd worden. Hieronder worden achtereenvolgens volgende punten besproken: a. De bestuurstaak van de gemeente in verband met verkeer, mobiliteit, verkeersleefbaarheid b. De wijze waarop de uitoefening van deze bestuurstaak bemoeilijkt of onmogelijk gemaakt wordt (het persoonlijk nadeel) c. De ernst van dit nadeel d. Het moeilijk te herstellen karakter van dit nadeel VI.3 DE BESTUURSTAAK VAN DE GEMEENTE
  19. Art. 2 van het gemeentedecreet van 15 juli 2005 bepaalt dat de gemeenten beogen om op het lokale niveau bij te dragen tot het welzijn van de burgers en tot de duurzame ontwikkeling van het gemeentelijk gebied. Overeenkomstig artikel 41 van de Grondwet zijn ze bevoegd voor de aangelegenheden van gemeentelijk belang voor de verwezenlijking waarvan ze alle initiatieven kunnen nemen.
  20. Gelijkaardige, nog concreter omschreven bepalingen, vindt men in dit verband terug in art. 135, §2, van de nieuwe gemeentewet. Dit artikel werd door het Gemeentedecreet niet opgeheven en geldt nog steeds. Hierin is bepaald dat de gemeenten tot taak hebben te voorzien, ten behoeve van de inwoners, in een goede politie, met name over de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen en in openbare gebouwen.
  21. Uit voornoemde bepalingen blijkt dat de gemeente de bevoegdheid en de verantwoordelijkheid heeft om zorg te dragen voor het welzijn van de burgers, dient zorg te dragen voor de veiligheid en de rust op de openbare wegen en tevens tot taak heeft te waken over een duurzame ontwikkeling van het gemeentelijk gebied. Uit het gemeentedecreet blijkt bovendien dat de X-13.266-4/13 gemeente voor het opnemen van deze verantwoordelijkheid alle nodige initiatieven kan nemen. VI.4 HET NADEEL: DE UITOEFENING VAN DE BESTUURSTAAK WORDT BEMOEILIJKT, ZELFS ONMOGELIJK GEMAAKT
  22. Er is alleszins een nadeel: de uitoefening van de hoger weergegeven bestuurstaak wordt bemoeilijkt, ja zelfs onmogelijk gemaakt, zoals hieronder wordt aangetoond.
  23. In een socio-economische machtiging dient stelling genomen te worden over de ruimtelijke ligging van de handelsvestiging, nl. over de inpassing van de vestiging binnen plaatselijke ontwikkelingsprojecten of binnen het kader van het stedenpatroon, het effect van de vestiging inzake duurzame mobiliteit, meer bepaald het gebruik van de ruimte en de verkeersveiligheid. Indien er mobiliteitsproblemen te verwachten zijn, dient de machtiging geweigerd te worden.
  24. Het project waarvoor de machtiging gevraagd wordt heeft een negatieve impact op de mobiliteit en de verkeersveiligheid en verkeersleefbaarheid.
  25. In het besluit van 9 januari 2007 werd het probleem door de gemeente reeds gesignaleerd: ‘Overwegende dat de mobiliteit een belangrijk struikelblok vormt in dit dossier; dat het college zich terzake volledig schaart achter het door de stad Antwerpen geformuleerde advies en de hierin geformuleerde argumenten overneemt.’
  26. In het advies van stad Antwerpen, waarnaar verwezen werd, werd de problematiek als volgt aangegeven: 'Door het karakter van de Bredabaan (2x2 met middenberm) en de verschillende aansluitingen met de E19 en de Kapelsesteenweg is de ontsluiting van de site niet optimaal. Verkeer komende uit het zuiden (Merksem, Schoten) en vanaf Kapellen zal zonder problemen de site kunnen bereiken. Voor verkeer van Brasschaat of van de E19 richting Breda duiken er wel problemen op. Verkeer vanuit Brasschaat neemt best de oprit van de El 9 om direct de afrit richting Brasschaat te nemen. We kunnen ons echter afvragen of dit lokale verkeer niet te sterk zal conflicteren met het doorgaand verkeer of bestemmingsverkeer. Bovendien bestaat de kans dat de afrit het extra verkeer richting Media Markt niet aankan. Tot slot is deze oplossing niet de meest logische. Verkeer vanuit Brasschaat ziet in eerste instantie aan de linkerkant de Media Markt opduiken en zal geneigd zijn aan het volgende kruispunt terug te draaien. Hier komt men tot de vaststelling dat dit niet toegelaten is. Vervolgens zal men op zoek gaan naar de volgende doorsteek en kan men nog moeilijk naar de oprit uitwijken. Een deel van het verkeer zal bijgevolg verder rijden tot aan het kruispunt met de Horstebaan waar de capaciteit van het kruispunt momenteel te beperkt (is). Voor de ontsluiting van de site duiken er gelijkaardige problemen op. Al het verkeer dient via de uitrit ter hoogte van de E 19 de site te verlaten. Bijgevolg moet dit verkeer eerst richting Brasschaat rijden waarna verkeer richting Merksem, Schoten, Kapellen en richting E19 moet terugkeren aan het eerstvolgende kruispunt. Doordat het verkeer hier maar mondjesmaat kan terugkeren bestaat de kans dat de afslagstrook niet lang genoeg is. Omwille van de moeilijke bereikbaarheid is bij de uitbouw van Media Markt een duidelijke verkeerssignalisatie noodzakelijk. Wij dringen er dan ook op aan om bij de bouwaanvraag een signalisatieplan te voegen. Indien desondanks nog problemen opduiken kunnen bijkomende maatregelen noodzakelijk zijn zoals de verlenging van afslagstroken.
  27. Verschillende problemen worden aldus aangekaart: a. De ontsluiting van de site is niet optimaal X-13.266-5/13 b. De capaciteit op het kruispunt is te beperkt c. De organisatie van de parking is niet optimaal d. De verlenging van de afslagstroken lijkt aangewezen
  28. In het kader van de aanvraag die geleid heeft tot de thans bestreden beslissing, werd door de buurgemeente Brasschaat bezwaar geuit. Volgende punten kunnen hieruit worden afgeleid: a. De ligging van de vestiging, in de nabijheid van de afrit 5 van de E 19 Antwerpen-Breda en aan het kruispunt van de Kapelsesteenweg en de Bredabaan, zorgt voor een te zware belasting van de Bredabaan. b. Door de ligging van Mediamarkt aan het kruispunt Bredabaan- Kapelsesteenweg worden verhoogde verkeerstrafieken aangezogen welke zeer grote repercussies hebben op de verkeersafwikkeling. c. De Bredabaan en de Kapelsesteenweg zijn de belangrijkste invals- wegen van de gemeente Brasschaat en overbelasting van dit kruispunt heeft grote gevolgen voor Brasschaat, haar inwoners en doorgaand verkeer. d. De mediamarkt richt zich op het gebied ten noorden van Antwerpen tot aan de Nederlandse grens. De consumenten van deze regio die Mediamarkt zullen bezoeken, zullen de verkeerssituatie aan de Bredabaan extra belasten. Deze extra belasting zal tot gevolg hebben dat Brasschaat moeilijker bereikbaar wordt. e. De veiligheid van de fietsers die dagelijks deze site voorbijrijden dient eveneens in acht genomen te worden.
  29. Teneinde de bezwaren beter te kunnen kaderen wordt verwezen naar het plan opgenomen onder de titel ‘Feiten’ (...).
  30. In het kader van de door de gemeente gegeven opmerkingen is Brasschaat van mening dat een mobiliteitsstudie noodzakelijk is. Deze werd niet opgemaakt.
  31. De opmerkingen van de buurgemeente Brasschaat gelden nog meer voor het onmiddellijk aangrenzend gebied van de gemeente schoten, op wiens grondgebied de vestiging wordt ingeplant.
  32. In het advies uitgebracht door het Nationaal Sociaal-economisch comité voor de distributie (NSECD) van 22 oktober 2006 werd het volgende gesteld: ‘Een mobiliteitsstudie lijkt dan ook meer dan verantwoord om de te verwachte verkeerscongestie te bestuderen en gepaste oplossingen te formuleren’.
  33. Het NSECD verwacht dus een verkeerscongestie. Hiervoor moeten oplossingen gezocht worden. Deze zouden in een mobiliteitsstudie onderzocht moeten worden. Er is evenwel geen mobiliteitsstudie gemaakt.
  34. Ook in de bestreden beslissing wordt verwezen naar verkeersproblemen. Hierin wordt met zoveel woorden het volgende gesteld (...): ‘De inplanting van een bijkomende verkoopoppervlakte van 3 287 m² zal de verkeersdrukte langs deze weg nog versterken. Mits enkele aanpassingen kunnen de mobiliteitsproblemen beperkt worden.’
  35. in de bestreden beslissing zelf wordt aldus aangegeven dat er mobiliteitsproblemen zullen zijn. Deze zouden hoogstens ‘beperkt’ kunnen worden en dan nog slechts mits er ‘enkele aanpassingen’ gebeuren. De aanpassingen die zouden moeten gebeuren zijn de volgende: a. Het realiseren van een rond punt ter hoogte van de op- en afritten van de E 19 en/of ter hoogte van het kruispunt b. Het plaatsen van verkeerslichten aan de uitrit van de Media Markt c. Het voorzien van een ventweg tussen de Horstebaan en de op- en afrit van de E19 om op die manier de Bredabaan te ontlasten, zodat het ook veiliger zou worden ter hoogte van de uitrit voor Media Markt. d. Het clusteren van de in- en uitritten van de verschillende naast elkaar gelegen sites X-13.266-6/13 e. Het aanbrengen van bijkomende markeringen en voorzieningen voor fietsers en voetgangers.
  36. De gesuggereerde oplossingen hebben nooit het voorwerp uitgemaakt van een mobiliteitsstudie, zoals nochtans geadviseerd werd door het NSECD.
  37. Zonder (voorafgaande) aanpassingen zijn er hoe dan ook mobiliteits- problemen (die ernstig zijn zoals verderop wordt aangetoond). Mét de nodige aanpassingen worden de mobiliteitsproblemen niet vermeden, doch hoogstens beperkt. Het is in dat geval evenwel niet duidelijk wie deze 'aanpassingen' moet doen en op welk moment. Bovendien is het niet duidelijk hoe de gemeente zulks nog zou kunnen afdwingen op het moment dat de machtiging verleend is.
  38. Het project waarvoor de machtiging gevraagd wordt heeft, zo blijkt uit de bestreden beslissing zelf, een negatieve impact op de mobiliteit en de verkeersveiligheid en verkeersleefbaarheid. Hierdoor komt de rust en de veiligheid op de openbare wegen en daarmee ook het welzijn van de burgers in de gemeente in het gedrang. Hierdoor komt tevens de verantwoordelijkheid van de gemeente in het gedrang en wordt negatief ingegrepen op domeinen die ontegensprekelijk tot de bevoegdheid van de gemeente behoren. De gemeente heeft immers tot taak te waken over het welzijn van de burgers, te zorgen voor een duurzame ontwikkeling van het gemeentelijk gebied en zorg te dragen voor een goede politie met het oog op het garanderen van de rust en de veiligheid op de wegen. Door de bestreden beslissing wordt de uitoefening van deze bestuursopdracht van de gemeente bemoeilijkt. De gemeente kan haar door het gemeentedecreet en de nieuwe gemeentewet toegekende taken niet zorgvuldig uitoefenen.
  39. Eens de bestreden beslissing uitvoering kent, is er geen weg terug. Er zullen, zoals in de bestreden beslissing zelf wordt aangegeven, hoe dan ook mobiliteitsproblemen zijn. Het zou bijzondere inspanningen vergen van de gemeente om deze in goede banen te leiden. De gemeente is overigens beperkt in haar mogelijkheden. Alle aanpassingen die worden voorgesteld om de verkeersproblemen te beperken (rond punt, ventweg, markeringen, verlengen afslagstroken, clustering van de inritten, ... ) zijn immers noch in handen van de gemeente, noch in handen van de aanvrager. Een aantal aanpassingen dienen door het gewest te gebeuren (rond punt op gewestweg, verlengen afslagstroken, markeringen), andere aanpassingen dan weer vragen het akkoord van andere eigenaars of de opmaak van een RUP met bijhorende onteigening (bv. clustering van de inritten).
  40. Al deze maatregelen zijn, als de overheid al bereid zou zijn en financieel in de mogelijkheid zou zijn om ze te nemen, niet van de ene op de andere dag te verwezenlijken. Kortom, de uitvoering van de bestreden beslissing confronteert de lokale overheid met een probleem om de haar wettelijk opgedragen taken inzake verkeer te vervullen. Dit is uiteraard een nadeel in hoofde van de gemeente. VI.5 HET NADEEL IS ERNSTIG
  41. Door de bestreden beslissing wordt de gemeente verhinderd haar decretale en wettelijke taken te vervullen en zorg te dragen voor de verkeers- leefbaarheid in de gemeente. De bestreden beslissing brengt immers de verkeersleefbaarheid in het gedrang. Mobiliteitsproblemen en verkeershinder zijn in de rechtspraak van uw Raad reeds meermaals erkend als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Zo overwoog uw Raad reeds het volgende: ‘dat tenslotte de verwerende partij en de tussenkomende partij niet kunnen worden gevolgd waar zij stellen dat de verkeershinder niet concreet wordt uitgelegd en een algemeen fenomeen is, zodat het nadeel niet dienend is, minstens niet ernstig; dat terzake de verkeershinder een evident nadeel is en ongetwijfeld het beweerde algemeen fenomeen overstijgt; overwegende dat het nadeel ernstig is; dat het bovendien moeilijk te herstellen is;’ X-13.266-7/13
  42. Uw Raad overwoog tevens het volgende: ‘Overwegende dat het aannemelijk is, zoals door de verzoekers wordt gesteld, dat de uitbreiding van de capaciteit van het feestzalencomplex, zonder dienovereenkomstige uitbreiding van de parkeercapaciteit, aanleiding geeft tot hinder, dat, zoals uit de bespreking van het ernstig bevonden middel blijkt, zowel de gemeenteraad als de minister zich trouwens bewust waren van het ontstaan van hinder; dat de verzoekers, die in de omgeving van het feestzalencomplex wonen, kunnen vrezen dat zij de bijkomende hinder in hun onmiddellijke omgeving zullen ondervinden; dat, zoals uit de bespreking van het ernstig bevonden middel blijkt, het bestreden bijzonder plan van aanleg geen dwingende voorschriften bevat ter beperking van de geluids- en verkeersoverlast; Overwegende dat de verzoekers aldus, en in die mate, het bestaan van het risico op een ernstig nadeel, rechtstreeks voortvloeiend uit het bestreden bijzonder plan van aanleg, aannemelijk maken; dat het feit dat de exploitant in het evenementenplan maatregelen voorstelt om de te verwachten problemen op te lossen, niet afdoet aan het feit dat de hinder ten gevolge van het bijzonder plan van aanleg kan ontstaan; dat de schorsing van een bestuurshandeling er precies toe strekt om het ontstaan zelf van een ernstig nadeel te voorkomen; Overwegende dat het bedoelde nadeel, dat geleden zal worden telkens als het aantal bezoekers de beschikbare parkeercapaciteit overtreft, bovendien moeilijk te herstellen is;’
  43. Ook in andere arresten wordt verkeershinder/verkeerstoename aanvaard als MTHEN 2
  44. Het is duidelijk dat verkeershinder/verkeerstoename volgens de rechtspraak van de Raad van State met succes kan ingeroepen worden als MTHEN.
  45. Ook in casu zullen mobiliteitsproblemen ontstaan welke bovendien ernstig en moeilijk te herstellen zijn. Zoals hoger vermeld, blijkt zulks alleen reeds uit de bestreden beslissing waarin met zoveel woorden het volgende wordt gesteld (...): ‘De inplanting van een bijkomende verkoopoppervlakte van 3 287 m² zal de verkeersdrukte langs deze weg nog versterken. Mits enkele aanpassingen kunnen de mobiliteitsproblemen beperkt worden.’
  46. Uit de bestreden beslissing kunnen de verschillende ernstige en moeilijk te herstellen nadelen worden gedistilleerd: a. Verkeersdruk / verkeersoverbelasting. i. De ontsluiting van de site is niet optimaal (zie het advies van stad Antwerpen) ii. De capaciteit van het kruispunt is te beperkt (zie het advies van stad Antwerpen) iii. De Bredabaan geraakt overbelast. Dit is de reden waarom een ventweg tussen de Horstebaan en de op- en afrit van de E19 wordt voorgesteld (zie de bestreden beslissing). b. Moeilijke verkeersdoorstroming. i. De ontsluiting van de site is niet optimaal (zie het advies van stad Antwerpen) ii. De capaciteit van het kruispunt is te beperkt (zie het advies van stad Antwerpen) iii. De afslagstrook is niet lang genoeg (zie het advies van stad Antwerpen) iv. Dit is de reden waarom een rond punt, lichten en een ventweg zouden voorzien moeten worden (zie de bestreden beslissing). c. Verkeersonveiligheid voor mobilisten, fietsers en voetgangers. X-13.266-8/13 i. Dit is de reden waarom een ventweg zou moeten voorzien worden, nl. opdat het ook veiliger zou worden ter hoogte van de uitrit voor Media Markt (zie de bestreden beslissing). ii. Dit is ook de reden waarom bijkomende voorzieningen voor fietsers en voetgangers zouden moeten aangebracht worden (zie de bestreden beslissing).
  47. Verkeersdruk, verkeersoverlast, moeilijke verkeersdoorstroming en verkeersonveiligheid zijn ernstige nadelen. Zij zijn ook moeilijk te herstellen. In de bestreden beslissing zelf wordt aangegeven wat allemaal nog gerealiseerd zou moeten worden om mobiliteitsproblemen te beperken (zelfs nog niet te vermijden): rondpunt, lichten, ventweg, markeringen. Dit gebeurt niet van de ene dag op de andere. Wie dient er voor te zorgen? Hoe zal het worden afgedwongen? Geen enkele van al deze maatregelen is al genomen. Er is ook geen enkele garantie dat deze genomen zouden worden. De gemeente kan zulks uiteraard niet meer afdwingen op het moment dat de bestreden beslissing uitwerking heeft.
  48. De situatie is des te ernstiger gezien zowel de gemeente Brasschaat als het NSECD expliciet hebben aangegeven dat een mobiliteitsstudie noodzakelijk is. Deze werd niet uitgevoerd. De problemen worden erkend, maar de oplossingen werden niet bestudeerd!
  49. De verschillende ernstige verkeersproblemen die zullen ontstaan, kunnen niet, laat staan alleen door de lokale overheid worden opgelost en al zeker niet op korte termijn. Er ontstaat met andere woorden een verkeers(veiligheids)probleem op het gemeentelijk grondgebied dat als een voldongen feit wordt opgedrongen, terwijl de gemeente wel de verantwoordelijkheid heeft om in te staan voor de verkeersleefbaarheid op haar grondgebied. De gemeente wenst geen verkeersoverlast, verkeersonleefbaarheid en al zeker geen verkeersslachtoffers ten gevolge van verkeersonveilige en verkeersonleefbare situaties. Hiervoor zorg dragen is één van de kerntaken van de gemeente. Het afbreuk doen aan deze kerntaak is alleszins een ernstig nadeel. VI.6 HET NADEEL IS MOEILIJK TE HERSTELLEN
  50. De moeilijke herstelbaarheid van het ernstig nadeel valt uiteen in twee luiken: a. Enerzijds vereist het oplossen van de verkeersproblemen die er hoe dan ook zullen zijn (zie de bestreden beslissing zelf) heel wat ‘aanpassingen’. Deze werden evenwel niet bestudeerd. Een mobiliteits-studie werd niet gemaakt, hoewel geadviseerd door de gemeente Brasschaat en het NSECD. Deze aanpassingen gebeuren ook niet van vandaag op morgen. Bovendien zijn verschillende van deze aanpassingen, zoals vermeld, noch in handen van de gemeente, noch in handen van de aanvrager. Hoe zou de gemeente dan het geschapen verkeersprobleem kunnen herstellen? b. Anderzijds is het duidelijk dat, indien de bestreden beslissing niet geschorst wordt, de problematiek zich voordoet:

(1)er zullen verkeersopstoppingen zijn,
(2)de verkeersdoorstroming zal moeilijk verlopen,
(3)er ontstaat een onveilige situatie. Dat er verkeers- problemen zullen zijn wanneer er geen oplossingen voorhanden zijn, staat overigens expliciet te lezen in de bestreden beslissing. Deze problemen kunnen niet hersteld worden en kunnen zelfs aanleiding geven tot fatale gevolgen. Een verkeersonveilige situatie geeft aanleiding tot verkeersslachtoffers. Dit is uiteraard een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, ook voor de gemeente die in de onmogelijkheid is eraan te verhelpen en die het probleem ook nadien niet meer kan herstellen. VI.7 BESLUIT X-13.266-9/13
  1. Er is een nadeel in hoofde van de gemeente. Dit is ernstig en bovendien moeilijk te herstellen”. 3.2.
  2. De verwerende partij repliceert hierop als volgt : “IV. GEEN MOEILIJK TE HERSTELLEN ERNSTIG NADEEL
  3. Opdat de Raad van State zou kunnen overgaan tot de schorsing van een administratieve rechtshandeling moet de verzoekende partij conform artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ook nog aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hem een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel berokkent. Vaststaande rechtspraak bepaalt ook dat de verzoekende partij op grond van concrete gegevens, en dus niet louter zich steunend op beweringen, het moeilijk te herstellen ernstig nadeel aantoont. In casu moeten verwerende partijen vaststellen dat in de uiteenzetting van dit nadeel, verzoekende partij naar geen enkel concreet document verwijst. Verzoekende partij brengt geen enkel bewijselement bij voor haar beweringen. Zij toont niet aan dat de verkeersleefbaarheid eventueel in het gedrang zou kunnen komen als gevolg van de bestreden beslissing. De verzoekende partij moet minstens cumulatief vier elementen aantonen: - het nadeel moet voortvloeien uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de vergunning (
  4. l.) - het nadeel moet ernstig zijn (4.2.) - het nadeel is moeilijk te herstellen (4.3.) - het nadeel is persoonlijk (4.4.) 4.
  5. Geen onmiddellijk nadeel
  6. Verzoekende partij beweert dat de bestreden beslissing onmiddellijk een invloed zal hebben op de verkeersdrukte. Deze bewering is echter louter hypothetisch. De N.V. Media Markt opent ter plaatse een volledige nieuwe handels- vestiging. In de eerste plaats moet zij zelf afwachten of zij inderdaad afdoend cliënteel zal over de vloer krijgen. In de tweede plaats staat, in geval het cliënteel inderdaad komt, niet vast dat dit cliënteel alleen ter plaatse zal komen voor de Media Markt. Een groot deel van het cliënteel zal de Media Markt ook binnen gaan omdat ze in de buurt reeds aan het winkelen zijn. Verzoekende partij draagt geen concrete bewijzen aan dat de bestreden beslissing effectief onmiddellijk het beweerd nadeel zal veroorzaken. 4.
  7. Geen ernstig nadeel '
  8. Talrijk zijn de arresten van de Raad van State, die oordelen dat het louter vermeerderen van het verkeer (wat nog moet worden aangetoond), als gevolg van een nieuwe constructie, op zich geen ernstig nadeel is. De handelsvestiging bevindt zich aan een weg, die reeds druk wordt bezocht door het verkeer. Verwerende partijen menen niet dat deze bijkomende vestiging op een fundamentele wijze de reeds aanwezige hinder zal wijzigen. Uit cijfergegevens bij de aanvraag zouden een vijftigtal wagens per uur de parking verlaten, dit zou een toename in het verkeer betekenen van maximaal 2% indien er uitgegaan wordt van een verkeersdoorstroming van 1000 wagens per uur. In de veronderstelling van verzoekers dat het meer zou zijn, daalt het percentage. De hiernavolgende rechtspraak van uw Raad kan worden geciteerd: (...) Voor zover de toegangsweg effectief verzadigd zou zijn, blijkt uit de bijgebrachte mobiliteitsstudie dat bij een roulatie van 50 wagens per uur op de parking, de verkeersdrukte in de piekmomenten slechts met maximaal 2% zou toenemen, (in de veronderstelling dat er 1000 wagens passeren). Deze toename X-13.266-10/13 is verwaarloosbaar en niet van aard een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel mee te brengen. 4.
  9. Geen moeilijk te herstellen nadeel
  10. In huidige zaak zal door een eventuele vernietiging van de afgeleverde vergunning het beweerde nadeel onmiddellijk verdwijnen. Immers, als gevolg van de eventuele vernietiging zal de N.V. Media Markt niet meer in de mogelijkheid zijn om de handelsvestiging uit te baten. In dat geval zal ook de beweerde verkeershinder verdwijnen. Het aangevoerde nadeel is helemaal niet moeilijk te herstellen. 4.
  11. Geen persoonlijk nadeel
  12. Verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat zij in haar beleid nadeel zal ondervinden van de bestreden beslissing. De mogelijke negatieve impact op de mobiliteit maakt het beleid van verzoekende partij niet noodzakelijkerwijze onmogelijk. Integendeel, verzoekende partij heeft juist als bevoegde overheid de mogelijkheid aan eventuele verkeershinder te verhelpen door naar de toekomst maatregelen te nemen. De mogelijke verkeershinder, die de bestreden beslissing zal veroorzaken, heeft uitsluitend zijn effect op de plaatselijke bewoners en de personen, die in de buurt winkelen. Geen enkele van deze personen heeft echter een procedure ingeleid bij de Raad van State. De verkeershinder is echter niet eigen aan de gemeente, als publiekrechtelijk orgaan”. 3.2.
  13. De tussenkomende partij betwist eveneens op omstandige wijze het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. 3.
  14. Luidens artikel 17, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, tweede lid, 5/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, zoals het luidde op het ogenblik van het instellen van de vordering, bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen”. Uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen geen rekening kan worden gehouden. De verzoekende partij mag zich daarbij niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dient integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat of dreigt te ondergaan. X-13.266-11/13 Met betrekking tot haar moeilijk te herstellen ernstig nadeel verwijst de verzoekende partij in hoofdzaak naar de verwachte verkeers- en verkeersveiligheidsproblemen op haar grondgebied. Voor een openbare overheid als de verzoekende partij is het bij artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste nadeel persoonlijk indien de bestreden beslissing de uitoefening van de overheidstaak of de bestuursopdracht waarmee die overheid is belast, verhindert of in ernstige mate bemoeilijkt. Het nadeel van een gemeente kan dan ook niet worden gelijkgesteld met het nadeel dat haar inwoners lijden. De verzoekende partij maakt op geen enkele concrete wijze aannemelijk maakt dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de werking van haar diensten in het gedrang zou brengen of ingrijpende gevolgen zou hebben voor de uitoefening van haar beleid of de vervulling van haar taken. In zoverre de verzoekende partij verwijst naar artikel 2 van het Gemeentedecreet en artikel 135, § 2 van de Nieuwe Gemeentewet, dient vastgesteld te worden dat zij daarmee niet concreet en specifiek aantoont welk ruimtelijk beleid dat zij thans, op basis van de door haar ingeroepen bepalingen, op haar grondgebied voert of van plan is te voeren, door de geplande vestiging van de tussenkomende partij wordt verhinderd of ernstig wordt bemoeilijkt, noch dat dergelijk beleid door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing dermate zou worden verhinderd of bemoeilijkt dat dit in haar hoofde een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou uitmaken. Wat de ingeroepen verkeersproblematiek betreft, volstaat de verzoekende partij met te verwijzen naar het standpunt van de gemeente Brasschaat, de opmerkingen van de stad Antwerpen en haar eigen weigeringsbeslissing, die overigens zelf steunt op en aansluit bij de opmerkingen van de stad Antwerpen. Het dient te worden vastgesteld dat, in zoverre het ingeroepen nadeel niet eerder een nadeel uitmaakt in hoofde van haar inwoners, de verzoekende partij daarmee onvoldoende concrete en vaststaande gegevens aanbrengt waaruit kan blijken dat de verkeersonveiligheid in die mate zal toenemen en de uitoefening van haar taken dermate zal verhinderen, dat dit in haar hoofde een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt of dreigt uit te maken. Bovendien dient, blijkens een door de tussenkomende partij voorgelegde mobiliteitsstudie, de omvang van de beweerde nieuwe verkeersstromen (met 2%) gerelativeerd te worden. X-13.266-12/13 Er is dan ook niet voldaan aan één van de door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  15. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. MEDIA MARKT SATURN BELGIUM in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  16. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  17. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig januari 2008, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-13.266-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.799 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.211.103 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.