id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.810 Rolnummer: A. 184216/X-13348 Zaak: Arrest 178810 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-31 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 07:31 Fiche Arrest nr 178.810 van 22 januari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.810 van 22 januari 2008 in de zaak A. 184.216/X-13.
- In zake :
- Luc BOONE,
- Frédéric NOUTS,
- Ann DEMUYNCK, die woonplaats kiezen bij advocaten S. RONSE en J. BELEYN, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 6/24 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Luc BOONE, Frédéric NOUTS en Ann DEMUYNCK op 2 juli 2007 hebben ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van het besluit van 31 maart 2007 van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar houdende toekenning van de stedenbouwkundige vergunning aan ir. Tom ROELANTS, afdelingshoofd van de administratie Wegen en Verkeer, voor het bouwen van verlichtingspylonen met GSM-installatie op de kruising van de R8 met de Gullegemsestraat te Kortrijk, kadastraal bekend sectie C, zonder nummer; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 13 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 oktober 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; X-13.348-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. BELEYN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat P. LOUAGE die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT:
- De feiten 1.
- Op 6 oktober 2005 wordt door het afdelingshoofd van de administratie wegen en verkeer een stedenbouwkundige aanvraag ingediend die betrekking heeft op gronden gelegen aan de kruising van de R8 (Ring rond Kortrijk) en de Gullegemsestraat, op het grondgebied van de stad Kortrijk. Het terrein is gesitueerd in een woongebied (gewestplan Kortrijk), onmiddellijk grenzend aan een gebied voor snelverkeersweg (de Ring) met bijbehorende bufferzone. Het is de bedoeling om vier bestaande verlichtingspylonen, die zich nu bevinden aan de beide bovengrondse kruispunten aan weerszijden van de brug over de Ring, te vervangen door vier nieuwe pylonen van 25 meter hoog, met telkens op de top GSM-antennes en ongeveer in het midden van de lengte van de constructie verlichtingsarmaturen met een lange arm. 1.
- Op 14 oktober 2005 wordt het dossier door de afdeling stedenbouwkundige vergunningen van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap voor advies overgemaakt aan verschillende instanties en aan de stad Kortrijk. 1.
- Het stadsbestuur van Kortrijk organiseert van 4 november tot 4 december 2005 een openbaar onderzoek, waarbij op het aanplakkingsformulier vermeld staat dat de aanvraag “het plaatsen van 4 nieuwe verlichtingspylonen met een hoogte van 25m, het aanbrengen van antennes en plaatsen van bijhorende technische installatie” tot voorwerp heeft. X-13.348-2/11 Tijdens dit openbaar onderzoek wordt door niemand bezwaar ingediend. 1.
- In vergadering van 28 februari 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Kortrijk een voorwaardelijk gunstig advies over de aanvraag. 1.
- Met een besluit van 31 maart 2006 verleent de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar de gevraagde vergunning. Een door het college gesuggereerde voorwaarde in verband met het groenscherm wordt overgenomen. Een andere geadviseerde voorwaarde, met betrekking tot het voorleggen van een rapport van het B.I.P.T. wordt overbodig geacht, omdat het desbetreffende technisch dossier online consulteerbaar is op de website van het B.I.P.T.
- De voorwaarden voor de schorsing Overeenkomstig artikel 17, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 2.
- Eerste middel 2.1.
- Standpunten van de partijen 2.1.1.
- De verzoekers voeren in een eerste middel aan wat volgt: “I. Eerste middel: schending van de artikelen 109 + 127 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening: schending van het openbaar onderzoek; schending van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunningen en verkavelingsaanvragen (in het bijzonder de artikelen 3 en 5); schending van het zorgvuldigheidsbeginsel; schending van het redelijkheidsbeginsel X-13.348-3/11
- Het openbaar onderzoek is bedoeld om belanghebbenden de gelegenheid te geven hun bezwaren en opmerkingen te doen gelden en om de overheid de nodige gegevens te bezorgen, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. De regels die verband houden met de bekendmaking van de aanvraag zijn dan ook substantieel van aard . De aanplakbrief in het bijzonder dient met de nodige zorg en precisie de gegevens te vermelden die derden-belanghebbenden in staat moeten stellen om afdoende kennis te nemen van het voorwerp van de ingediende aanvraag.
- Op de gele aanplakbrief werd de aanvraag omschreven als “Het plaatsen van 4 nieuwe verlichtingspylonen met een hoogte van 25 m, het aanbrengen van antennes en het plaatsen van bijhorende technische installatie” .
- Verzoekers menen stellig misleid te zijn door de omschrijving van het aangevraagde en voelen zich de kans ontnomen om op te komen tegen wat finaal vergund werd, met name GSM-masten (met telkens een verlichtings- armatuur). Inderdaad valt uit de ongetwijfeld bewust vage en verkeerde omschrijving door de aanvrager , zelf een overheidsinstantie, op generlei wijze af te leiden dat in wezen de bouw van GSM -masten beoogd werd. Zelf(s) enige verwijzing naar telecommunicatie ontbreekt. Het gaat hier in wezen helemaal niet over een “verlichtingspyloon”, maar over een GSM -mast met (handig) één enkele verlichtingsarmatuur eraan (...). Geen zinnig mens zal beweren dat verlichting het hoofddoel van de pijlers is. Minstens moet aangenomen worden dat de omschrijving van het aangevraagde te vaag is en niet correspondeert met het werkelijk bedoelde. Waarom werd niet gewoon gewag gemaakt van vier GSM -masten (met telkens één verlichtingsarmatuur)?
- Verwerende en potentieel tussenkomende partij zullen hier waarschijnlijk tegenin brengen dat verzoekers toch kennis konden nemen van het bouwdossier. Dit verweer kan niet slagen. Het is in de aanplakbrief dat het voorwerp van de aanvraag afdoende moet geduid worden, waarna burgers of omwonenden desgevallend verdere onderrichtingen kunnen nemen op het gemeentehuis. Anders oordelen is elke waarde aan deze vormvereiste van het openbaar onderzoek ontnemen. Verzoekers konden zelfs niet vermoeden dat het in deze om GSM - zendmasten ging.
- Alzo wordt natuurlijk een loopje genomen met de verplichting tot het voeren van een openbaar onderzoek. Eén en ander getuigt evenmin van zorgvuldige en redelijke vergunningverlening. (...)”. 2.1.1.
- De verwerende partij repliceert in haar nota onder andere dat ieder redelijk denkend mens bij de vermelding van de hoogte van de pyloon
(25m)en van de termen “antennes” en “bijhorende technische installatie” minstens dient te vermoeden dat het niet enkel de bouw van verlichtingspylonen betrof. Het kwam dan ook aan de verzoekers toe om zich als normaal voorzichtige oplettende burgers te gaan informeren omtrent de draagwijdte van de bouwaanvraag, middels inzage van het bouwdossier op het gemeentehuis. X-13.348-4/11 2.1.
- Bespreking 2.1.2.
- Van de in het middel opgesomde geschonden geachte decretale of reglementaire normen lijkt alleen het vierde lid van artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen ten deze echt relevant te zijn. Deze bepaling luidt als volgt: “De aanvrager gebruikt een correct ingevuld formulier volgens model I, gevoegd als bijlage I bij dit besluit, in geval van een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning. Hij gebruikt een correct ingevuld formulier, volgens model II, gevoegd als bijlage II bij dit besluit, ingeval van een verkavelingsaanvraag”. 2.1.2.
- De verzoekers betwisten niet dat op de aanplakbrief was vermeld dat de aanvraag betrekking heeft op het plaatsen van 4 verlichtingspylonen met een hoogte van 25m, het aanbrengen van antennes en het plaatsen van bijhorende technische installatie. Prima fracie is deze omschrijving niet foutief en correspondeert zij met hetgeen reëel werd aangevraagd en vergund. Bovendien bevat ze voldoende aanwijzingen om de verzoekers voldoende in te lichten - desgevallend na het inwinnen van bijkomende informatie - over het werkelijk voorwerp van de aanvraag. Ook de ingeroepen rechtsbeginselen lijken dan ook niet geschonden te zijn. Het middel is dan ook niet ernstig. 2.
- Tweede middel 2.2.
- Standpunt van de partijen 2.2.1.
- De verzoekers voeren in hun tweede middel aan wat volgt: “II. Tweede middel: geen of geen afdoende beoordeling van de goede ruimtelijke ordening; schending van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de goede ruimtelijke ordening; schending van artikel 19, derde lid van het koninklijk besluit van 28 december 1972 houdende de inrichting en toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen; schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 28 juli 1991 houdende de formele motivering van bestuurshandelingen; schending van het algemeen beginsel dat elke overheid oplegt haar beslissingen materieel te motiveren; schending van het redelijkheidsbeginsel; schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. X-13.348-5/11 l. Algemeen wordt aangenomen dat de overheid, wanneer zij een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning beoordeelt, de verplichting heeft de aanvraag te toetsen aan de eisen van de ‘goede (plaatselijke) ruimtelijke ordening’. Dat de vergunningsverlenende overheid een aanvraag hierop heeft getoetst moet blijken uit de motivering van de beslissing. De vergunnings- verlenende overheid mag zich niet beperken tot algemeenheden of holle frases. Deze verplichting vloeit voort uit het bepaalde in artikel 4 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, samengelezen met de formele motiveringswet
- Ook het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel vereisen dat nagegaan wordt of een bouwaanvraag in overeenstemming is met de ‘goede (plaatselijke) ruimtelijke ordening’. Het oordeel van de vergunningsverlenende overheid moet redelijk en zorgvuldig zijn.
- Uw Raad moet zich bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening door de bevoegde vergunningsverlenende overheid beperken tot een zogenaamde marginale toetsing. Zij mag zich in het bijzonder, het beginsel van scheiding der machten, niet in de plaats stellen van de vergunningsverlenende overheid. Wel dient zij desgevallend uitgenodigd na te gaan of de motivering ‘afdoende is’ en of de afweging van de bevoegde overheid niet kennelijk onredelijk en onzorgvuldig is.
- Desbetreffend wensen verzoekers er op te wijzen dat: • de afweging die verwerende partij maakt ‘met name dat de ruimtelijke en architecturale impact op de omgeving verwaarloosbaar is’ kennelijk onjuist is en enkel getuigt van een kennelijke onredelijke en onzorgvuldige beoordeling / inschatting van de feiten. Verzoekers verwijzen opnieuw naar hun stuk 3 waaruit enkel blijkt dat de ‘verlichtingspylonen’ werkelijk landschapsbepalende elementen dreigen te worden met een ernstige impact op het woon- en leefklimaat van de omwonenden, waaronder verzoekers. Eén en ander is werkelijk onbegrijpbaar waar zelfs de aanvrager in zijn aanvraagdossier gewag maakte van visuele impact, maar één en ander (verkeerdelijk) nuanceerde door de aanwezigheid van bestaande hoogstammige bomen (cf. administratief dossier); • ook de vergelijking die terzake gemaakt wordt met een verlichtingspaal is toch werkelijk bij de haren gegrepen en compleet onjuist. Opnieuw verwijzen verzoekers naar hun stuk 3; • de aanwezigheid van ‘een grootschalige weginfrastructuur’ (N8) en de beperkte oppervlakte van het vergunde zijn terzake irrelevant. Waar het natuurlijk over gaat is dat verzoekers nu geconfronteerd dreigen te worden met bijzondere lijvige en grote GSM -masten terwijl zij vroeger, o.m. door de aanwezigheid van het nodige groen, nog van een fraai zicht konden genieten.
- Verzoekers menen dat de afweging die de bevoegde overheid m.b.t. de goede plaatselijke ruimtelijke ordening maakt werkelijk onbegrijpbaar en manifest (kennelijk) verkeerd is. (...)”; 2.2.1.
- In haar nota repliceert de verwerende partij dat er in het bestreden besluit een concrete ruimtelijke afweging werd gemaakt en dat de verzoekers grotendeels kritiek leveren op de opportuniteit van de pylonen op de betreffende locatie. X-13.348-6/11 2.2.
- Bespreking 2.2.2.
- Voor het gebied waarin de ontworpen constructie gelegen is, blijkt geen goedgekeurd algemeen of bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan te bestaan, en het gebied blijkt evenmin gelegen te zijn binnen een behoorlijk vergunde verkaveling. In dat geval is het de taak van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar om te onderzoeken of de bouwaanvraag beantwoordt aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Het in het middel ingeroepen artikel 19, derde lid van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen houdt een bevestiging in van het bedoelde beginsel. 2.2.2.
- Volgens artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moet de motivering van een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking “afdoende” zijn. Concreet betekent dit dat de opgegeven redenen het betrokken besluit moeten kunnen dragen. Toegespitst op de beoordeling van de verenigbaarheid van een aanvraag met de goede ruimtelijke ordening, volgt uit de voornoemde wetsbepaling dat de stedenbouwkundige vergunning duidelijk de met de plaatselijke aanleg of de ruimtelijke ordening verband houdende redenen moet opgeven waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt. Deze redengeving moet des te concreter en preciezer zijn wanneer het besluit afwijkt van een voorafgaand ongunstig advies, ook al is dit niet bindend, dat op duidelijke en concrete elementen is gesteund. 2.2.2.
- De gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar motiveert de bestreden beslissing als volgt: “De aanvraag betreft de oprichting van vier verlichtingspylonen waarop telkens de installaties voor één GSM-operator kunnen worden aangebracht. De afdeling Monumenten en Landschappen (archeologie) bracht op 21 oktober 2005 een gunstig advies uit. Het Bestuur van de Luchtvaart bracht op 28 november 2005 een gunstig advies uit (...). De aanvraag is gelegen in woongebied grenzend aan bufferzone en gebied voor snelverkeersweg. Een gemeenschapsvoorziening en openbare nutsvoorziening is niet strijdig met de bestemming woongebied (overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de X-13.348-7/11 gewestplannen). Artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen is van toepassing. Dit artikel stelt dat vergunningen slechts worden afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening; De installatie (pyloon, technische kasten) neemt slechts een beperkte oppervlakte in. Bovendien is de pyloon qua hoogte
(25m)niet als uitzonderlijk of storend te beschouwen in een woongebied, gelet op zijn slanke uitbouw. De constructies worden voorzien langsheen de R
- Gelet op de bestaande grootschalige weginfrastructuur, en de slanke uitbouw, vergelijkbaar met een verlichtingspaal, is de ruimtelijke en architecturale impact op de omgeving verwaarloosbaar. Over de aanvraag werd een openbaar onderzoek gehouden. Er werden geen bezwaren ingediend. Het project heeft een beperkte oppervlakte en zorgt niet voor een versnelde afvoer van het hemelwater zodat in redelijkheid moet geoordeeld worden dat geen schadelijk effect voor het watersysteem wordt veroorzaakt. De watertoets is dus gunstig. Met betrekking tot het gezondheidsaspect kan verwezen worden naar het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 houdende de normering van zendmasten voor elektromagnetische golven tussen 10 MHz en 10 GHz, dat door de federale overheid werd uitgevaardigd. Dit koninklijk besluit legt gezondheidsnormen vast die 4 keer strenger zijn dan die van de wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en 200 keer strenger zijn dan de effectieve risicogrens. Op die wijze wordt het voorzorgsprincipe volledig gerespecteerd. Alle nieuwe en bestaande installaties moeten aan de normen van dit koninklijk besluit voldoen. Het BIPT heeft tot taak via metingen toe te zien op de naleving ervan. De vergunningverlenende overheid kan er dan ook in alle redelijkheid van uit gaan dat het gezondheidsaspect voldoende onder controle is en het verlenen van deze stedenbouwkundige vergunning niet in de weg staat. De gemeente vraagt aan de aanvrager een rapport van het BIPT voor te leggen. Hierover kan opgemerkt worden dat het technisch dossier online consulteerbaar is op de website van het BIPT (www.sites.bipt.be). Deze voorwaarde moet bijgevolg niet worden opgelegd. Omwille van de bovenstaande argumentatie kan de vergunning worden afgegeven”. Het besluit lijkt aldus op voldoende concrete gegevens te steunen en zijn motieven, die aan de goede ruimtelijke ordening zijn ontleend, lijken de beslissing te kunnen dragen. De motivering lijkt dan ook afdoende te zijn. 2.2.2.
- Wat betreft de aangevoerde schending van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, maken de verzoekers op het eerste gezicht niet aannemelijk dat deze bepaling kan worden ingeroepen bij het individueel onderzoek van de vergunningsaanvragen, nu dit artikel veeleer betrekking lijkt te hebben op de voorschriften die in acht moeten worden genomen bij het opmaken van plannen van aanleg. Bijgevolg kan deze bepaling in de huidige stand van het geding niet dienstig worden ingeroepen. X-13.348-8/11 2.2.2.
- In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht mag de Raad van State zijn beoordeling van de goede ruimtelijke ordening niet in de plaats stellen van die van de bevoegde overheid. Hij is wel bevoegd om na te gaan of die overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Op het eerste gezicht maken de verzoekers niet concreet aannemelijk dat de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat. Het middel is niet ernstig. 2.
- Derde middel 2.3.
- Standpunt van de partijen 2.3.1.
- De verzoekers voeren in hun derde middel het volgende aan: “III. Schending van artikel 23 van de gecoordineerde grondwet; schending van het redelijkheidsbeginsel
- Artikel 23 van de Grondwet stipuleert dat éénieder het recht heeft om een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgt de Grondwet het recht op een gezond leefmilieu en de bescherming van de gezondheid.
- Verzoekers menen dat voormelde bepaling, alsmede het in hoofding vermelde rechtsbeginsel, geschonden wordt door de inplanting van vier GSM-masten te vergunnen in en onmiddellijk aansluitend bij een woongebied met binnen een radius van 400 m. o.m. ook een grote schoolgemeenschap. Verzoekers verwijzen naar wat zij terzake onder de hoofding MTHEN hebben uiteengezet. Schadelijke effecten voor de gezondheid kunnen niet uitgesloten worden. Dienaangaande ondervraagd verwijst de Minister zelf naar verder onderzoek. Daarenboven werden de risicowaarden zelf (de gehanteerde standaarden) recent heel ernstig en gefundeerd op de korrel genomen. Eén en ander getuigt minstens van een te vergaande onvoorzichtigheid, die niet te verenigen valt met de in hoofding vermelde bepalingen. (...)”. 2.3.1.2 In haar nota repliceert de verwerende partij onder andere dat het gezondheidsaspect dient gerelateerd te worden aan het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 houdende de normering van zendmasten voor elektromagnetische golven tussen 10 MHz en 10 GHz, dat gerespecteerd wordt. X-13.348-9/11 2.3.
- Bespreking 2.3.2.
- Luidens artikel 23 van de gecoördineerde Grondwet moet het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu worden gewaarborgd door de wet of het decreet, zodat artikel 23 van de gecoördineerde Grondwet geen rechtstreekse werking heeft en de aangevoerde schending ervan op het eerste gezicht niet kan leiden tot de schorsing van het bestreden besluit. 2.3.2.
- De overheid die bevoegd is inzake ruimtelijke ordening kan voor de beoordeling van de risico’s voor de gezondheid, van een constructie in beginsel voortgaan op de beoordeling van de ter zake bevoegde overheid, zoals die haar uitdrukking heeft gevonden in een bij koninklijk besluit vastgestelde normering. Dienaangaande wordt in het bestreden besluit verwezen naar het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 houdende de normering van zendmasten voor elektromagnetische golven tussen 10 MHz en 10 GHz en wordt erop gewezen dat dit besluit gezondheidsnormen vastlegt die vier keer strenger zijn dan die van de Wereldgezondheidsorganisatie en 200 keer strenger dan de effectieve risicogrens. De verzoekers betwisten dit niet. Er kan dan ook prima facie niet worden gewaagd van “een te vergaande onvoorzichtigheid” noch van een schending van het redelijkheidsbeginsel. Het middel is niet ernstig.
- Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. X-13.348-10/11 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig januari 2008, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-13.348-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.810 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.408 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div