← België

Arrest 178873 - Uitleveringen - 23/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.873 Rolnummer: A. 186727/XIV-29995 Zaak: Arrest 178873 - Uitleveringen - 23/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-29 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 07:32 Fiche Arrest nr 178.873 van 23 januari 2008 Vreemdelingen - Uitleveringen Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.873 van 23 januari 2008 in de zaak A. 186.727/XIV-29.995 In zake : Aziz KOCAK, die woonplaats kiest bij: Advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Aziz KOCAK, van Turkse nationaliteit, op 16 januari 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 21 december 2007 van de Minister van Justitie waarbij de uitlevering van verzoeker “aan de regering van Turkije wordt toegestaan op grond van de feiten waarvan de uitlevering wordt gevraagd”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 17 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 januari 2008 om 11.30 uur; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. JESPERS die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat B. DERVEAUX die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de feitelijke gegevens door de verwerende partij niet worden betwist; dat de bestreden beslissing als volgt luidt: XIV-29.995-1/5 “Gezien de brief dd. 23.05.2007 van de FOD Buitenlandse Zaken alsmede de verbale nota dd. 21.05.2007 nr. 153 van de Turkse ambassade te Brussel waarbij de uitlevering wordt gevraagd van de Turkse onderdaan KOCAK Aziz geboren te Aksaray, Turkije op 01.01.1964; Gezien de daarbij overlegde stukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank (Cour d’Assise) van Aksaray dd. 06.12.
  2. Deze titel werd uitgevaardigd wegens feiten die naar Belgisch recht omschreven zijn als: afpersing met bedreiging met gebruik van een wapen en het illegaal bezit van een wapen. Deze feiten werden gepleegd op Turks grondgebied op 02.10.2000; Gezien het advies uitgebracht door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Antwerpen op 13.11.2007; Gelet op het Europees uitleveringsverdrag van 13 december 1957; Gelet op de uitleveringsweten van 1 oktober 1833 en 15 maart 1874; Overwegende dat de feiten zowel naar Belgisch als naar Turks recht strafbaar zijn gesteld en dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.1 van voornoemd Uitleveringsverdrag; Overwegende dat de verjaring van de strafvordering noch naar Belgisch, noch naar Turks recht is bereikt; Overwegende dat de feiten geen politiek misdrijf of een daarmee samenhangend misdrijf uitmaken;: Overwegende dat niet is gebleken dat het verzoek tot uitlevering dat op een misdrijf van gemeen recht berust, is ingegeven om de opgeëiste persoon wegens zijn ras, zijn godsdienst, zijn nationaliteit of zijn politieke gezindheid te vervolgen of te straffen, noch dat zijn positie om een van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed; Overwegende dat evenmin is gebleken dat er ernstige risico’s bestaan dat de persoon, indien hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende Staat wordt onderworpen aan een flagrante rechtsweigering of aan foltering of onmenselijke en onterende behandeling; Overwegende dat bijgevolg aan de voorwaarden en de formaliteiten inzake de uitlevering is voldaan, Besluit Artikel
  3. De uitlevering van KOCAK Aziz(/01.01.1964, Aksaray, Turkije) wordt aan de regering van Turkije toegestaan wegend de feiten op grond waarvan de uitlevering wordt gevraagd.”;
  4. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineer de wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.
  5. Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde betreft, de verwerende partij de uiterst dringende noodzakelijkheid niet betwist; XIV-29.995-2/5 2.2.
  6. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “EERSTE MIDDEL: Schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Schending van art. 3 EVRM, art. 6 EVRM op zich en in combinatie met art. 13 EVRM. Schending van de zorgvuldig- heidsplicht. Wat betreft het voor verzoeker onbekend advies en de verwijzing naar een voor verzoeker onbekend advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Antwerpen Eerste onderdeel, De bestreden beslissing stelt: "Gezien het advies uitgebracht door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Antwerpen op 13.11.2007". Verzoeker stelt vast dat alvorens de bestreden beslissing aan hem werd betekend hij geen kennis heeft gekregen van de door de Kamer van Inbeschuldigingstelling afgeleverde adviezen. Verzoeker meent dat deze handelswijze een ernstige schending is van art. 3 van de Wet Motivering Bestuurhandelingen. Verzoeker verwijst naar een arrest van de Raad van State dd. 16.09.1999 waarin herhaald werd welke principes de overheid dient te volgen ingeval van verwijzing naar adviezen. De Wet Motivering Bestuurshandelingen verplicht de overheid, behoudens uitdrukke- lijk vastgelegde uitzonderingen, de handelingen te motiveren die zij beoogt. De rechtspraak aanvaardt de verwijzing naar gegevens die vreemd zijn aan de kern van de beslissing zelf- onder meer naar adviezen - op voorwaarde dat de overheid verzoeker kennis heeft gegeven van deze gegevens of indien bewezen wordt dat verzoeker, uiterlijk ten tijde van de kennisgeving van de betwiste beslissing, ervan kennis heeft gehad. Indien verzoeker krachtens enige tekst de mogelijkheid heeft van deze gegevens kennis te nemen, dan betreft het hier slechts een mogelijkheid, terwijl de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wettelijke verplichting is die rust op de administratieve overheid welke deze bestuurshandelingen heeft gesteld. De eenvoudige bewering van de tegenpartij, in zijn laatste memorie, volgens welke aan verzoeker mondeling kennis zou zijn gegeven van het advies van de beroepskamer, na het vonnis van laatstgenoemde, volstaat niet om te bewijzen dat verzoeker van het advies kennis had. (R.v.St. nr. 82.265, 16 september 1999, A.P.M 1999 (samenvatting), 161) Verzoeker meent hieruit af te leiden dat de motivering van een beslissing verwijzingen mag bevatten naar gegevens die vreemd zijn aan de kern van de beslissing zelf. Echter er wordt uitdrukkelijk bepaald dat deze gegevens gekend moeten zijn door de bestuurde op het ogenblik dat er een beslissing ten aanzien van hem betekend wordt. Dat verzoeker bovendien verplicht is zonder een kopie van het advies een vordering tot schorsing in te leiden in de wetenschap dat hij na inzage van het stuk waartoe hij gerechtigd is, geen nieuw middel zou kunnen aanvoeren. Dat dit de effectiviteit van onderhavig rechtsmiddel in het gedrang brengt. Dat verzoeker op generlei wijze kritiek zou kunnen uiten op het door de KI uitgebrachte advies of over de gevolgtrekkingen door gedaagde uit het advies van de KI. Dat zodoende verzoeker derhalve niet beschikt over een daadwerkelijk rechtsmiddel om zijn gegronde klachten inzake art. 6 EVRM of het gebrek aan procedurele waarborgen in Turkije aan te klagen, gebrek waarvan gedaagde zich moet vergewissen dat het niet bestaat. Dat bijgevolg artikel 13 EVRM (recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel) geschonden wordt. Dat deze schending niet ongedaan wordt gemaakt door het gegeven dat verzoeker mogelijk lopende de procedure kennis krijgt van het advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling daar lopende de procedure geen nieuwe rechtsmiddelen meer kunnen ontwikkeld worden. Dat verzoeker zich onmogelijk kan verdedigen tegen een beslissing waarvan hij de inhoud niet kan kennen op het ogenblik dat hij onderhavig verzoekschrift neerlegt en de rechtsmiddellen ontwikkelt. Dat de bestreden beslissing op generlei wijze de inhoud van het advies weergeeft en zelfs niet aangeeft of het advies nu al dan niet adviseert verzoeker uit te leveren. Dat de motiveringsplicht bijgevolg geschonden is. Tweede onderdeel, XIV-29.995-3/5 Met betrekking tot het advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling wordt niet gemotiveerd en uit de bestreden beslissing blijkt niet of al of niet rekening is gehouden met het advies en of de beslissing eensluidend of niet eensluidend het advies is. Alleszins dient ten aanzien van een niet bindend (in casu) advies te worden vermeld dat wanneer de overheid ervan afwijkt, wat in casu mogelijk kan zijn, dient gemotiveerd te worden waarom het advies niet gevolgd is (I. Opdebeeck, Formele motivering van bestuurshandelingen, Die Keure Brugge 1999, p. 157). Dit gebeurt in casu niet. Zelfs zo de bestreden beslissing eensluidend aan het advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling zou zijn dient dit advies als een belangrijk onderdeel van de procedure te worden beschouwd- anders zou de regelgever ze niet voorschrijven - en dient de bestreden beslissing te motiveren waarom dit advies wel gevolgd werd, rekening houdend met het gegeven dat verzoeker tijdens de debatten voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling een uitgebreide argumentatie met betrekking tot execepties en verweer tegen de uitlevering had ontwikkeld in besluiten en deze besluiten als processtuk aanwezig zijn (moeten zijn) in het dossier dat bij de Belgische Staat voorlag bij het nemen van de bestreden beslissing. Verzoeker meent dan ook dat de motiveringsplicht die specifiek bestaat met betrekking tot advies geschonden is daar de loutere vermelding van het advies niet volstaat als invulling van de motiveringsverplichting. Artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan die beslissing, en dat de gegeven motivering afdoende dient te zijn. Aan de motiveringsplicht is in casu geenszins voldaan.”; 2.2.
  7. Overwegende dat in het bestreden besluit wordt gesteld dat aan de voorwaarden en de formaliteiten voor uitlevering is voldaan; dat aangezien het advies van de K.I. niet is meegedeeld aan verzoeker, uit een dergelijke algemene formulering, die uiteindelijk op ieder uitleveringsbesluit kan worden toegepast, niet kan worden afgeleid dat in casu aan de uitleveringsvoorwaarden effectief is voldaan, te meer daar verzoeker deze voorwaarden voor de KI heeft betwist; dat de bestreden beslissing bijgevolg genomen is met schending van de formele motiveringsplicht; dat het eerste middel in die mate ernstig lijkt; 2.
  8. Overwegende dat, wat de derde voorwaarde betreft, de verwerende partij het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet betwist;
  9. Overwegende dat is voldaan aan de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde cumulatieve voorwaarden, XIV-29.995-4/5 BESLUIT: Artikel
  10. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Minister van Justitie van 21 december 2007 waarbij de uitlevering van KOCAK Aziz “aan de regering van Turkije wordt toegestaan op grond van de feiten waarvan de uitlevering wordt gevraagd”. Artikel
  11. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwin- tig januari tweeduizend en acht, door : HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.995-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.873 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.725 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.