← België

Arrest 178886 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 24/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.886 Rolnummer: A. 135025/XII-3826 Zaak: Arrest 178886 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 24/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-08 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 07:32 Fiche Arrest nr 178.886 van 24 januari 2008 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.886 van 24 januari 2008 in de zaak A. 135.025/XII-

  1. In zake : Rik RAEDT, die woonplaats kiest bij advocaat K. Vanthuyne, kantoor houdende te Izegem, Dam 25 tegen :
  2. het VLAAMS GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1
  3. de STAD IZEGEM. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rik Raedt op 4 april 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit van de Heer Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken dd. 21.02.2003, waarbij het beroep ingesteld door verzoeker tegen de beslissing dd. 02.12.2002 van de gemeenteraad van de Stad Izegem werd afgewezen en voormelde beslissing dd. 02.12.2002 werd goedgekeurd”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 5 september 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van verzoeker en de eerste verwerende partij; XII-3826-1/8 Gelet op de beschikking van 9 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Bottelier, die loco advocaat K. Vanthuyne verschijnt voor verzoeker, en van advocaat I. Van Den Bon, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten
  4. Bij arrest van 16 mei 2002 van het hof van beroep te Gent wordt verzoeker, beroepsbrandweerman bij de stad Izegem, strafrechtelijk veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van zes maanden met uitstel en een geldboete van i 247,89 of een vervangende gevangenisstraf van tien dagen, op grond van het feit als ambtenaar met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden valsheid te hebben gepleegd in de uitoefening van zijn bediening en gebruik te hebben gemaakt van valse stukken ten nadele van de stad Izegem. Na verzoeker op 4 november 2002 gehoord te hebben, besluit de gemeenteraad op 2 december 2002 verzoeker bij tuchtmaatregel, met onmiddellijke ingang, gedurende drie maanden te schorsen en tijdens die periode zijn wedde in te houden. Aan verzoeker wordt door de burgemeester en de waarnemende stadssecretaris met een aangetekende brief van 4 december 2002 meegedeeld : “Bij deze wordt u in kennis gesteld van de beslissing van de gemeenteraad van 02 december 2002 waarbij u -met onmiddellijke ingang- een schorsing uit uw ambt voor een periode van drie maanden wordt opgelegd; tijdens deze periode zal uw wedde worden ingehouden. U kan tegen deze sanctie beroep aantekenen, binnen de dertig dagen na de kennisgeving van dit besluit en bij aangetekend schrijven, bij de Vlaamse XII-3826-2/8 Minister voor Binnenlandse Aangelegenheden, Markiesstraat 1 te 1000 Brussel”. Verzoeker dient met een aangetekende brief van 19 december 2002 tegen de hem opgelegde tuchtmaatregel beroep in bij de Vlaamse minister bevoegd voor Binnenlandse Aangelegenheden. Met een faxbericht en brief van dezelfde datum aan het college van burgemeester en schepenen, herinnerd op 21 januari 2003, informeert de raadsman van verzoeker naar de motieven van de opgelegde tuchtmaatregel. De waarnemende stadssecretaris zendt met een faxbericht van 22 januari 2003 een afschrift van het tuchtbesluit van 2 december 2002 van de gemeenteraad naar de raadsman van verzoeker. Aan de diensten van de eerste verwerende partij delen de burgemeester en de waarnemende stadssecretaris met een brief van 7 februari 2003 onder andere mee dat van de tuchtbeslissing van de gemeenteraad met een aangetekend schrijven van 4 december 2002 aan verzoeker kennis werd gegeven, dat de motivering van deze beslissing omstandig werd verwoord in de notulering van het gemeenteraadsbesluit, maar op dat ogenblik niet werd meegestuurd omdat het proces-verbaal van de gemeenteraadsvergadering van 2 december 2002 pas op 20 januari 2003 door de gemeenteraad werd goedgekeurd. Op 21 februari 2003 neemt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken de bestreden beslissing om het tuchtbesluit van 2 december 2002 van de gemeenteraad van Izegem goed te keuren. Met betrekking tot het argument van verzoeker dat hem niet binnen de door artikel 307 van de nieuwe gemeentewet voorgeschreven termijn kennis is gegeven van de motivering van het tuchtbesluit, stelt het goedkeuringsbesluit van de minister : “Overwegende dat de raadsheer van betrokkene in zijn beroepschrift erop wijst dat bij het aangetekende schrijven van 4 december 2002 een tuchtsanctie werd opgelegd aan betrokkene van drie maanden schorsing, doch dat betrokkene hierbij geen kennis heeft kunnen nemen van de motivering; doch het Stadsbestuur heeft gewacht op de goedkeuring van de notulen van de gemeenteraad van 20 januari 2003, om de raadsman van betrokkene op 22 januari 2003 per fax op de hoogte te stellen van de motivering van het toekennen van de tuchtsanctie”. XII-3826-3/8 Voorwerp en ontvankelijkheid van het beroep
  5. De eerste verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat verzoeker geen belang heeft bij zijn beroep, omdat hij alleen de nietigverklaring vraagt van het goedkeuringsbesluit van de minister, terwijl de vernietiging van dat besluit er slechts toe kan leiden dat er geen uitdrukkelijk goedkeuringsbesluit meer is en het tuchtbesluit dan krachtens het decreet van 24 juli 1991 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de handelingen betreffende tucht- en sommige ordemaatregelen genomen ten opzichte van het gemeentepersoneel bedoeld in de nieuwe gemeentewet, geacht moet worden stilzwijgend te zijn goedgekeurd. In de laatste memorie merkt de eerste verwerende partij nog op dat “effectief gesteld [kan] worden” dat zij “bijzonder formalistisch” is, maar dat dit evenzeer geldt voor verzoeker.
  6. Verzoekers middelen komen er in essentie op neer dat de eerste verwerende partij ten onrechte de onwettigheden waardoor de tuchtbeslissing van 2 december 2002 is aangetast, onverlet heeft gelaten. Waar de eerste verwerende partij niet in het kader van een hervormingstoezicht is opgetreden, maar alleen in het kader van een goedkeuringstoezicht, oefenen de middelen aldus kritiek uit én op de niet-goedkeuringsbeslissing én op het niet-goedgekeurde besluit. In het licht van de aangevoerde middelen is er derhalve reden om de beslissing van 2 december 2002 van de gemeenteraad van Izegem mee tot het voorwerp van het onderhavige beroep te rekenen. Hieruit volgt dat de exceptie van de eerste verwerende partij grond mist.
  7. Overigens zou de exceptie nóg verworpen moeten worden, ook indien wordt aangenomen dat de gemeenteraadsbeslissing niet tot het voorwerp van het beroep behoort. In voorkomend geval immers heeft de enkele vernietiging van de bestreden goedkeuring, die is genomen binnen de termijn van artikel 6 van het voormelde decreet van 24 juli 1991, niet tot gevolg dat het besluit van de tuchtoverheid geacht moet worden te zijn goedgekeurd, maar dat er vanaf de XII-3826-4/8 betekening van het vernietigingsarrest een nieuwe termijn ingaat voor de toezichthoudende overheid om het besluit al dan niet goed te keuren. De grond van de zaak Stelling van de partijen
  8. Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van artikel 307 van de nieuwe gemeentewet. Hij betoogt dat deze wetsbepaling voorschrijft dat de met redenen omklede tuchtbeslissing binnen een termijn van tien werkdagen ter kennis moet worden gebracht, dat ze anders als ingetrokken moet worden beschouwd en voor dezelfde feiten geen tuchtvervolging meer kan worden ingesteld, dat hij de minister daarop heeft gewezen in zijn beroepschrift van 19 december 2002, maar dat de minister deze grief niet eens heeft ontmoet.
  9. De eerste verwerende partij reageert in de memorie van antwoord dat in het bestreden goedkeuringsbesluit is aangegeven dat de notulen van de gemeenteraadsvergadering van 2 december 2002 pas op 20 januari 2003 werden goedgekeurd en dat ze, met inbegrip van de motivering die reeds op 2 december 2002 bestond, op 22 januari 2003 aan verzoeker ter kennis werden gebracht. Zij laat voorts gelden dat artikel 307 van de nieuwe gemeentewet enkel voorziet in een sanctie bij het niet zonder verwijl ter kennis brengen van de tuchtbeslissing als zodanig, doch niet bij het niet zonder verwijl ter kennis brengen van de motivering van die beslissing, dat de tuchtbeslissing binnen een termijn van tien werkdagen ter kennis moet worden gebracht, wat te dezen ook is gebeurd, dat verzoeker dat trouwens niet betwist, dat de toezichthoudende overheid heeft aanvaard dat de tuchtoverheid slechts kennis heeft gegeven van de redenen die de tuchtbeslissing omkleden op het ogenblik dat de notulen waren goedgekeurd, dat die kennisgeving na de goedkeuring van de notulen zonder verwijl is gebeurd.
  10. Verzoeker repliceert in de memorie van wederantwoord dat de mededeling van de motivering uitdrukkelijk is opgelegd door artikel 307, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet, hetwelk in de sanctie voorziet dat bij gebreke aan mededeling van de motivering binnen tien werkdagen de beslissing als ingetrokken moet worden beschouwd, dat de eerste verwerende partij in de bepaling van artikel 307 van de nieuwe gemeentewet ten onrechte een opsplitsing onderkent XII-3826-5/8 tussen de mededeling van de beslissing eensdeels en de kennisgeving van de motieven anderdeels, dat niettegenstaande hij op 19 december 2002 uitdrukkelijk heeft medegedeeld dat hem dan nog geen motivering bekend was, de tweede verwerende partij tot na 20 januari 2002 heeft gewacht om hem de motivering ter kennis te brengen. Beoordeling
  11. Artikel 307 van de nieuwe gemeentewet luidt : “Van de met redenen omklede beslissing wordt zonder verwijl kennis gegeven aan de betrokkene, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door overhandiging tegen ontvangstbewijs. Wordt van de beslissing geen kennis gegeven binnen de termijn van tien werkdagen, dan wordt ze als ingetrokken beschouwd. Tuchtvervolging voor dezelfde feiten kan niet worden ingesteld. In de kennisgeving van de beslissing wordt melding gemaakt van de bij de wet bepaalde rechtsmiddelen en van de termijn waarbinnen ze uitgeoefend kunnen worden”. De aangehaalde voorschriften laten geen twijfel: het is “de met redenen omklede beslissing” waarvan binnen de termijn van tien werkdagen kennis moet worden gegeven. De memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat aanleiding gaf tot de wet van 24 mei 1991 die de geciteerde bepalingen in de nieuwe gemeentewet heeft ingevoegd, is niet minder duidelijk (Parl. St. Kamer 1990-91, nr. 1400/1, 15) : “De beslissing, de motivatie inbegrepen, moet binnen een termijn van tien werkdagen worden betekend aan de betrokkene hetzij bij ter post aangetekend schrijven, hetzij door overhandiging tegen ontvangstbewijs. De termijn begint te lopen de dag volgend op de beslissing. Geschiedt de betekening niet, dan vervalt de tuchtstraf”. De eerste verwerende partij maakt dan ook ten onrechte een onderscheid tussen eensdeels de mededeling van de genomen tuchtbeslissing en anderdeels de kennisgeving van de motivering van die beslissing.
  12. In casu werd de tuchtbeslissing door de gemeenteraad genomen op 2 december
  13. Er bestaat tussen de partijen geen betwisting over dat de kennisgeving van de beslissing aan verzoeker, met een brief van 4 december 2002, slechts melding maakte van het beschikkend gedeelte van die beslissing, doch niet XII-3826-6/8 van de motivering. Slechts met een faxbericht van 22 januari 2003 werd aan verzoeker een afschrift van het gehele tuchtbesluit, met inbegrip dus van de motivering, toegezonden. Dit is ruimschoots buiten de termijn van tien werkdagen bepaald in artikel 307 van de nieuwe gemeentewet. De omstandigheid dat de notulen van de gemeenteraads- vergadering van 2 december 2002 pas op 20 januari 2003 door de gemeenteraad werden goedgekeurd, verandert daar niets aan. Het gemotiveerde tuchtbesluit werd wel degelijk op 2 december 2002 genomen en was ook onmiddellijk uitvoerbaar. Om te voldoen aan het voorschrift van artikel 307 van de nieuwe gemeentewet diende van de genomen tuchtbeslissing en haar motivering aan verzoeker kennis te worden gegeven binnen een termijn van tien werkdagen vanaf 2 december
  14. Nu dat niet is gebeurd, moet de aan verzoeker opgelegde tuchtmaatregel krachtens het tweede lid van de bedoelde wetsbepaling als ingetrokken worden beschouwd.
  15. Uit het voorgaande volgt dat het tweede middel de eerste verwerende partij terecht verwijt het tuchtbesluit van 2 december 2002 van de gemeenteraad van Izegem te hebben goedgekeurd en dat er dienvolgens reden is om de ministeriële goedkeuring van 21 februari 2003 te vernietigen evenals ten andere, ter wille van de rechtszekerheid en de duidelijkheid in het rechtsverkeer, het tuchtbesluit van 2 december 2002 zelf. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  16. Vernietigd worden de beslissing van 2 december 2002 van de gemeenteraad van Izegem om Rik Raedt bij wege van tuchtstraf voor een periode van drie maanden te schorsen met wedde-inhouding, evenals het besluit van 21 februari 2003 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken om de gemeenteraadsbeslissing goed te keuren. XII-3826-7/8 Artikel
  17. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig januari 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3826-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.886 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.