← België

Arrest 178889 - Varia (onderwijs en cultuur) - 24/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.889 Rolnummer: A. 101500/XII-2983 Zaak: Arrest 178889 - Varia (onderwijs en cultuur) - 24/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-08 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 07:32 Fiche Arrest nr 178.889 van 24 januari 2008 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.889 van 24 januari 2008 in de zaak A. 101.500/XII-2983. In zake : Sven D’HOOGHE, wonende te Sint-Truiden, Zerkingen 2A tegen : de ERASMUSHOGESCHOOL BRUSSEL, die woonplaats kiest bij advocaat S. Van Geeteruyen, kantoor houdende te 1080 Brussel, Leopold-II-laan 180. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Sven D’Hooghe op 9 maart 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “

  1. a)De beslissing van het bestuurscollege d.d. 18/12/2000 ‘om de opdracht van de heer D’Hooghe als preventieadviseur te beëindigen op 31/12/2000. Vanaf 01/01/2001 wordt de heer D’Hooghe voltijds tewerkgesteld in de dienst Infrastructuur met de graad A21’.
  2. b)De beslissing van onbekende datum om een ander personeelslid aan te trekken om de functie van intern preventieadviseur uit te oefenen”; Gelet op het arrest nr. 160.801 van 29 juni 2007 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 17 april 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-2983-1\10 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 januari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat V. Schalenbourg, die loco advocaat S. Van Geeteruyen verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.1. In het Belgisch Staatsblad van 31 januari 1998 verschijnt een vacaturebericht voor het “Ambt : adviseur veiligheid en algemene dienstverlening, graad A2” aan de Erasmushogeschool Brussel. In dat bericht luidt de “omstandige taakomschrijving” : “- leiding van de dienst veiligheid; - organisatie van de wettelijke organen voor veiligheid en gezondheid (dienst VGV, comité VGV, arbeidsgeneeskundige dienst); - uitvoering of coördinatie van uitvoering van alle wettelijke activiteiten binnen de organen voor veiligheid en gezondheid; - coördinatie veiligheidscontroles en -actieplannen; - via informatie, voorlichting en vorming een veiligheidsgevoel aankweken binnen de hogeschool; - opvolging wetgeving en reglementering terzake; - formuleren van veiligheidsadviezen; - leiding en coördinatie van algemene departementale en interdepartementale dienstverlening; - specifieke organisatie en beheer van volgende algemene dienstverlening : vervoer drukkerij, schoonmaak (inclusief personeel), restaurants; - meerjarenplanning m.b.t. algemene dienstverlening”. XII-2983-2\10 XII-2983-3\10 Verzoeker is sinds 1 maart 1998 bij achtereenvolgende aanstellingsbesluiten van het bestuurscollege, luidens het eerste aanstellingsbesluit, tijdelijk “aangesteld in volgende betrekking : 100/100 in de graad A2 vacant”, wat hem wordt meegedeeld als een aanstelling “in het vacante ambt van adviseur veiligheid, met een opdrachtvolume van 100%”, aan de Erasmushogeschool Brussel. 1.2. Op 14 december 1999 ondertekent verzoeker zijn functiebeschrijvingen, eensdeels, voor de dienst “Algemene directie - Preventie en Bescherming op het Werk” en, anderdeels, voor de dienst “infrastructuur”. Op 17 december 1999 beslist het bestuurscollege van de Erasmushogeschool Brussel : “De functiebeschrijving vast te leggen van [verzoeker], adviseur A2, als 50% adviseur preventie en bescherming op het werk en 50% adviseur infrastructuur”. Verzoeker tekent op 21 januari 2000 de kennisgeving van die beslissing voor ontvangst maar “niet akkoord”. Op 21 februari 2000 tekent verzoeker zowel bij de algemeen directeur als bij de voorzitter van het bestuurscollege bezwaar aan tegen de beslissing, waarbij hij doet gelden “dat voorafgaand aan de beslissing van het Bestuurscollege geen akkoord werd gevraagd van het comité of, bij ontstentenis daarvan de vakbondsafvaardiging”. 1.3. Op 18 december 2000 beslist het bestuurscollege : “de opdracht van [verzoeker] als preventieadviseur te beëindigen op 31.12.2000. Vanaf 01.01.2001 wordt [hij] voltijds tewerkgesteld in de dienst infrastructuur als adviseur infrastructuur met de graad A21”. Het voorwerp van het beroep 2. De Raad van State herinnert er aan reeds in het tussenarrest van 29 juni 2006 te hebben vastgesteld, wat het voorwerp van het beroep betreft, “dat verzoeker, zoals gesteld in het auditoraatsverslag, in wezen en enkel bestrijdt dat hij formeel was aangeworven voor een voltijdse opdracht in het ambt van adviseur veiligheid en door de bestreden beslissing volledig van de -in het vacaturebericht voor de betrekking omstandig beschreven- taakomschrijving wordt afgesneden, om XII-2983-4\10 voltijds tewerkgesteld te worden als adviseur infrastructuur in de dienst infrastructuur”. De ontvankelijkheid van het beroep 3. Verwerende partij betwist het actueel belang van verzoeker. Over het actueel belang van verzoeker hoeft echter geen uitspraak gedaan nu immers, zoals hierna zal blijken, het beroep in elk geval als ongegrond moet worden verworpen. De gegrondheid van het beroep Stelling van de partijen 4.1. In het inleidend verzoekschrift voert verzoeker twee middelen aan. In het tussenarrest heeft de Raad reeds vastgesteld dat verzoeker verzaakt aan het tweede middel, zodat thans nog enkel het eerste middel onderzocht moet worden. Hierin voert verzoeker de schending aan van de materiële motiveringsplicht en van het redelijkheidsbeginsel. Hij licht het middel toe als volgt : “3.1.1. De door de bestreden beslissing ingeroepen motieven zijn de volgende : ‘In het kader van een goed administratief beheer en gelet op de nakende grote infrastructuurwerken is het noodzakelijk om de heer ing. S. D’hooghe voor 100 % in te zetten in de dienst infrastructuur’. Deze motieven kunnen niet als deugdelijk beschouwd worden. Verzoeker kan nog aannemen dat grote infrastructuurwerken tijdelijk een extra inzet als adviseur infrastructuur vergen, het getuigt echter geenszins van ‘goed administratief beheer’ om de functie van adviseur PBW volledig te schrappen. De hogeschool dreigt hiermee immers haar wettelijke verplichtingen inzake preventie en bescherming op het werk niet meer te kunnen nakomen. De tegenpartij heeft zulks blijkbaar ook ingezien en is inmiddels overgegaan tot het aantrekken van een ander personeelslid om de functie van intern preventieadviseur uit te oefenen. Volgens verzoeker getuigt ook dit echter allerminst van een goed administratief beheer : er is immers al een statutaire functie (nl. die van verzoeker) die als hoofddoelstelling heeft om de leiding van de dienst veiligheid waar te nemen, dus ook de functie van intern preventieadviseur uit te oefenen. De handelwijze van de tegenpartij komt erop neer dat de statutaire functie van verzoeker wordt uitgehold en dat zijn kerntaken voortaan door een ander (contractueel?) personeelslid zullen worden uitgeoefend. Verzoeker ziet niet goed in op welke manier deze aanpak zou kunnen beschouwd worden als zijnde een daad van goed beheer. Verzoeker wil er bovendien op wijzen dat de bestreden beslissing voor onbepaalde duur werd genomen, zonder te refereren aan begin of einde van de infrastructuurwerken. De band tussen de ingeroepen XII-2983-5\10 infrastructuurwerken en de bestreden beslissing is dan ook veel kleiner dan de bestreden beslissing wil doen geloven. 3.1.2. Verder is het zo dat de gewijzigde functieomschrijving niet in overeenstemming te brengen is met de formele omschrijving van het ambt dat verzoeker bekleedt en het bijbehorende takenpakket. Verzoeker wil hiervoor teruggrijpen naar de publicatie van het vacante ambt in het Belgisch Staatsblad. 9. Ambt : adviseur veiligheid en algemene dienstverlening, graad A2 (...) Omstandige taakomschrijving : - Leiding van de dienst veiligheid - Organisatie van de wettelijke organen voor veiligheid en gezondheid (dienst VGV, comité VGV, arbeidsgeneeskundige dienst); - Uitvoering van of coördinatie van uitvoering van alle wettelijke activiteiten binnen de organen voor veiligheid en gezondheid; - Coördinatie veiligheidscontroles en -actieplannen; - Via informatie, voorlichting en vorming een veiligheidsgevoel aankweken binnen de hogeschool; - Opvolging wetgeving en reglementering terzake; - Formuleren van veiligheidsadviezen; - Leiding en coördinatie van algemene departementale en interdepartementale dienstverlening; - Specifieke organisatie en beheer van volgende algemene dienstverlening : vervoer, drukkerij, telefonie, schoonmaak (inclusief personeel), restaurants; - Meerjarenplanning m.b.t. algemene dienstverlening. Uit voorgaand overzicht van het takenpakket en uit de omschrijving van het ambt zelf blijkt dat het ambt uit twee grote onderdelen bestaat : veiligheid en algemene dienstverlening. De eerste functieomschrijving die werd opgesteld (50% adviseur PBW en 50 % adviseur infrastructuur) lijkt hiermee nog in overeenstemming te kunnen worden gebracht, hoewel in het omstandig takenpakket eigenlijk meer nadruk wordt gelegd op het aspect veiligheid. De bestreden beslissing, die minstens een halvering van het takenpakket van verzoekers functie inhoudt, is hiermee echter niet in overeenstemming te brengen. Zelfs wanneer men aanneemt dat de tegenpartij over een zekere discretionaire bevoegdheid beschikt bij het vastleggen van de precieze functieomschrijving dan nog kan deze niet zover gaan dat het belangrijkste deel van het takenpakket wordt afgenomen; dergelijke beslissing is kennelijk onredelijk”. 4.2. Verwerende partij geeft in de memorie van antwoord vooreerst een gedetailleerd overzicht van haar bouwprogramma, stellende dat niet ontkend kan worden dat zij voor grote infrastructuurwerken staat. Vervolgens betoogt zij in artikel 163 van het hogescholendecreet de decretale rechtsgrondslag te vinden om, geconfronteerd met een vacante betrekking in het kader van grote infrastructuurwerken, te voorzien in de opvulling van die vacature door een ambtswijziging. In die zin heeft zij niet de functieomschrijving van verzoeker gewijzigd, zo betoogt verwerende partij, maar XII-2983-6\10 zijn individuele betrekking gewijzigd in het kader van de behoeften van de hogeschool. 4.3. Verzoeker repliceert in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie dat verwerende partij aan het begrip “ambtswijziging” een draagwijdte geeft die strijdig is met artikel 2, 27/, van het hogescholendecreet zodat de bestreden beslissing alleen om deze reden al vernietigd dient te worden als verwerende partij op artikel 163 van het hogescholendecreet zou hebben gesteund. Een ambtswijziging vereist immers de aanwezigheid van twee ambten, wat in casu niet het geval is. Ondergeschikt houdt hij het oorspronkelijk aangevoerde middel staande. De aanwezige kennis van het personeel wordt onoordeelkundig aangewend en ook budgettair is de bestreden beslissing minder voordelig. Beoordeling van het middel 5. Artikel 163 van het toentertijd toepasselijke decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in Vlaanderen (hogescholendecreet) luidt : “Het hogeschoolbestuur kan, rekening houdend met de behoeften van de hogeschool, betrekkingen intern of extern vacant verklaren voor de graden waarin in de personeelsformatie van het administratief en technisch personeel werd voorzien. De vacante betrekkingen van het administratief en technisch personeel kunnen worden toegewezen hetzij door werving, hetzij door bevordering, hetzij door ambtswijziging”. Een “betrekking” is, luidens artikel 2, 30/, van het hogescholendecreet, “de concrete werkgelegenheid in een bepaald ambt”. Luidens artikel 2, 26/, van hetzelfde decreet moet onder “ambt” worden verstaan, “een functie die door een personeelslid in de hogeschool wordt uitgeoefend, door de Vlaamse Gemeenschap wordt gefinancierd en waarvan de arbeidsvoorwaarden in hoofdzaak in onderhavige rechtspositieregeling vastgelegd zijn”. Waar evenwel de “ambten” van het onderwijzend personeel van de hogescholen worden opgesomd in artikel 101 van het hogescholendecreet, bepaalt artikel 153 van hetzelfde decreet over het administratief en technisch XII-2983-7\10 personeel enkel dat het “een graad [bekleedt] die voorkomt in de tabel van de loopbaanstructuur”. Blijkens artikel 152 van het decreet bepaalt deze tabel, die wordt vastgesteld door de Vlaamse regering, “de graden, alsook de toelatings- en diplomavoorwaarden en de salarisschalen voor elk van deze graden”. Ten tijde van de bestreden beslissing is aan de genoemde decreetsbepalingen uitvoering gegeven bij het besluit van 12 juni 1995 van de Vlaamse regering houdende vaststelling van de loopbaanstructuur en van de salaris- schalen van het administratief en technisch personeel van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (ondertussen opgeheven bij besluit van 21 februari 2003). Artikel 14 van het besluit van 12 juni 1995 schaft de vroegere ambtsbenamingen af en de bijlage 2 bij dit besluit zorgt voor de inschakeling van die oude ambten in de nieuwe graden en salarisschalen. Hieruit blijkt dat voor het administratief en technisch personeel van de hogescholen uit oogpunt van de toepasselijke Vlaamse regelgeving, de bepaling van het ambt geschiedt aan de hand van de overeenstemmende graad en salarisschaal. Conform met die opvatting definieert artikel 2, 27/, van het hogescholendecreet de “ambtswijziging” als “de aanstelling of benoeming van een personeelslid van de hogeschool in een ander ambt of een andere graad, zoals bedoeld in artikel 152, binnen de hogeschool”. Concreet toegepast op verzoeker, wordt zijn “ambt” bepaald door de graad A2 waarin hij is aangesteld en zijn “betrekking” door de concrete tewerkstelling -tot aan de thans bestreden beslissing- als preventie-adviseur en als adviseur infrastructuur. Voor elk van die betrekkingen is hij overigens onderworpen aan een aparte functiebeschrijving. 6. Volgens verwerende partij is de bestreden beslissing een toewijzing van een betrekking bij wijze van ambtswijziging krachtens artikel 163 van het hogescholendecreet. De Raad van State stelt evenwel vast dat verzoeker bekleed was en bleef met de graad A2 zodat van een ambtswijziging “in een andere graad”, geen sprake is. XII-2983-8\10 In haar procedurestukken miskent verwerende partij dan ook de strekking van de bestreden beslissing. Nergens is daarin sprake van een ambtswijziging en zij heeft ook niet zulk een gevolg. Nu verwerende partij zich in de procedurestukken zonder reden beroept op de in artikel 163 van het hogescholendecreet bedoelde ambtswijziging, kan verzoeker in de memorie van wederantwoord ook niet zinvol de schending van dat begrip ambtswijziging inroepen. 7. Zoals het middel oorspronkelijk dan weer is aangevoerd -de motiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel- en toegelicht, kan verzoeker moeilijk ontkennen dat hij de betrekking van adviseur infrastructuur reeds vóór de thans bestreden beslissing vervulde. Al was dat mogelijk niet van harte, in rechte heeft hij zich daartegen niet verzet. Hij was daarvoor onderworpen aan een afzonderlijke functiebeschrijving en uit de stukken van het administratief dossier blijkt zelfs dat hij de ene functie in de voormiddag uitoefende en de andere in de namiddag, in twee aparte bureaus. De “grote infrastructuurwerken”, in detail opgesomd door verwerende partij, worden door verzoeker niet in twijfel getrokken. Het materiële motief dat in de bestreden beslissing wordt gegeven strookt derhalve met de realiteit. In die omstandigheden komt het de Raad van State, die niet in de plaats van verwerende partij het personeelsbeleid of het “goed administratief beheer” moet voeren, niet als “kennelijk onredelijk” voor als verwerende partij maatregelen neemt als de voorliggende om zich op die nakende werken in te stellen en als zij het nuttig gevonden heeft om verzoeker in de lijn van zijn reeds vroeger opgestelde functiebeschrijving van 17 december 1999, die ongewijzigd blijft, voltijds als adviseur infrastructuur te belasten en daartoe zijn opdracht als adviseur preventie te beëindigen. Als dusdanig maakt die beslissing toepassing van het beginsel van de veranderlijkheid van de openbare dienst, luidens welk de overheid die bevoegd is om de personeelsleden te benoemen ook bevoegd is om hun ambtsbevoegdheden te wijzigen en hun nieuwe taken op te dragen. In de toelichting bij het middel zet verzoeker nog uiteen dat zijn nieuwe opdracht niet strookt met de functiebeschrijving waaronder hij is aangenomen. Vooreerst herhaalt de Raad de vaststelling dat verzoeker zijn XII-2983-9\10 functiebeschrijving van adviseur infrastructuur toentertijd heeft ondertekend zonder ze aan te vechten. Mocht het voorts al zo zijn dat verzoeker met zijn toelichting bedoelt dat verwerende partij door het beëindigen van zijn opdracht als preventie- adviseur een of andere onwettigheid begaat, dan ziet de Raad niet hoe die eventuele onwettigheid is te koppelen aan het door verzoeker in het middel geschonden genoemde redelijkheidsbeginsel of de motiveringsplicht. Zoals ze zijn toegelicht, zijn de aangevoerde beginselen van behoorlijk bestuur niet geschonden. Het middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig januari 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2983-10\10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.889 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.801 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.