id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.894 Rolnummer: A. 185140/VII-37053 Zaak: Arrest 178894 - Milieuvergunningen - 24/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-04 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 07:32 Fiche Arrest nr 178.894 van 24 januari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.894 van 24 januari 2008 in de zaak A. 185.140/VII-37.053. In zake : de stad EEKLO, die woonplaats kiest bij advocaat S. KEMPINAIRE, kantoor houdende te GENT, Putkapelstraat 105 tegen : de deputatie van de provincie OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partijen : 1. Roger STUYVAERT, 2. Kurt POPPE, die woonplaats kiezen bij advocaat J. OPSOMMER, kantoor houdende te OUDENAARDE, Kasteelstraat 8. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de stad EEKLO op 14 september 2007 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 12 juli 2007 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Eeklo van 13 februari 2007, houdende weigering aan Roger STUYVAERT van de milieuvergunning voor het exploiteren van een varkenshoude- rij, gelegen aan de Kruiskenstraat te Eeklo, wordt ingewilligd, de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan Roger STUYVAERT de gevraagde vergunning wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; VII-37.053-1/7 Gelet op de beschikking van 30 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 december 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. KEMPINAIRE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van jurist K. VAN KEYMEULEN, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. OPSOMMER, die verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De tussenkomst Overwegende dat met een verzoekschrift van 9 oktober 2007 Roger STUYVAERT, houder van de bestreden vergunning, en Kurt POPPE, vragen om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat dit verzoek kan worden ingewilligd; 2. De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. De eerste tussenkomende partij baat een veebedrijf uit aan de Peperstraat 55 te Eeklo. Zij heeft een vergunning voor het houden van 39 runderen en 615 varkens en voor 490 m³ mestopslag. Op 4 december 2006 dient zij een milieuvergunningsaanvraag in voor het herlocaliseren van haar bedrijf naar de Kruiskenstraat te Eeklo. Tevens vraagt zij de omvorming van de vergunde runderen naar varkens zodat de vergunning nog enkel 781 varkens omvat. Ook wordt een uitbreiding van de mestopslag tot 700 m3 vloeibare mest aangevraagd. Omdat zij op het nieuwe terrein een nieuwe varkensstal wenst te bouwen en dit een aanzienlijke VII-37.053-2/7 investering is, vraagt zij tevens de vroegtijdige hernieuwing van de vergunning voor twintig jaar aan. Het perceel aan de Kruiskensstraat is eigendom van Marc POPPE die toestemming geeft aan de eerste tussenkomende partij om er haar bedrijf op uit te baten. Uit het verzoekschrift in tussenkomst blijkt dat er tussen de eerste tussenkomende partij en de tweede tussenkomende partij en Mark POPPE een overeenkomst is gesloten waarbij laatstgenoemden het bedrijf van de eerste tussenkomende partij zullen overnemen eens het is geherlocaliseerd. Er worden 380, waarvan 372 identieke, bezwaarschriften ontvangen. Dientengevolge wordt er op vraag van de aanvrager een informatie- vergadering georganiseerd. Er worden adviezen uitgebracht: (
- a)De Vlaamse Landmaatschappij adviseert gunstig; (
- b)De gemeentelijke milieudienst adviseert ongunstig op grond van de volgende motieven : "- Alle vergunningsplichtige rubrieken van het bestaande bedrijf in de Peperstraat zijn in agrarisch gebied gelegen, hierdoor kan gesteld worden dat het bedrijf niet voldoet aan de voorwaarden om voor herlocalisatie in aanmerking te komen. - Er zijn in de aanvraag onduidelijkheden/tegenstrijdigheden of (
- er)ontbreekt de nodige informatie. º Het is onduidelijk of er huishoudelijk afvalwater zal geloosd worden en hoe dit zou gebeuren. º Er ontbreekt noodzakelijke informatie over het ammoniakemissiearme systeem S1: Er is geen dimensioneringsplan in de aanvraag aanwezig. Er wordt eveneens niet vermeld waar het spuiwater naar toe gaat. º Er is geen informatie beschikbaar over de herkomst van het bedrijfswater (...). Er is geen grondwaterwinning aangevraagd. - De locatie van de nieuwe inrichting is onverenigbaar met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening". Op 13 februari 2007 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Eeklo de aanvraag op grond van de onverenigbaarheid met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. 2.2. Op 12 maart 2007 stelt de eerste tussenkomende partij beroep in tegen deze weigeringsbeslissing. Op 2 april 2007 maakt zij haar argumentatie over. VII-37.053-3/7 In het kader van de beroepsprocedure worden enkele adviezen ingewonnen : (
- a)De Vlaamse Landmaatschappij adviseert op 16 april 2007 gunstig; (
- b)De afdeling Milieuvergunningen geeft op 23 april 2007 een gunstig advies; (
- c)Op 26 april 2007 adviseert ook het Intern Verzelfstandigd Agentschap Ruimtelijke ordening - Onroerend erfgoed Vlaanderen gunstig; (
- d)De provinciale milieudeskundige adviseert gunstig voor zover uit het opmetingsplan van de beëdigde landmeter blijkt dat er vergunningsplichtige activiteiten worden uitgeoefend in het woongebied met landelijk karakter op de huidige vestigingsplaats van het bedrijf; (
- e)Op de zitting van 5 juni 2007 hoort de Provinciale Milieuvergunningscommissie de eerste tussenkomende partij en de vertegenwoordiger van de verzoekende partij. De verklaringen van laatstgenoemde worden als volgt weergegeven in het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie : "De vertegenwoordiger van de Stad voert de stelling aan dat er geen vergunningsplichtige activiteiten zijn die binnen het woongebied liggen. Bovendien is de locatie van de nieuw in te planten inrichting een groot open gebied, met langs de ene kant 600 m en langs de andere kant 1 km velden. Als bewijs en documentatie wordt een luchtfoto van de locatie neergelegd. De vertegenwoordiger van de Stad verklaart dat de Stad Eeklo al gedurende meer dan 10 jaar een beleid voert dat tot doel strekt de (...) landschapswaarde van de open ruimte te behouden. In dat verband wordt verwezen naar een gelijkaardig dossier van het bedrijf NRC (een mestverwerkingsinstallatie): de exploitatie was gelegen op dezelfde locatie en de vergunning is toen geweigerd om dezelfde reden. Het vergunnen van de verplaatsing i.k.v. de huidige aanvraag zou betekenen dat een beleid van meer dan 10 jaar in duigen zou vallen". De Provinciale Milieuvergunningscommissie treedt de argumenten van de verzoekende partij bij en geeft een ongunstig advies. 2.3. Op 12 juli 2007 kent de verwerende partij de vergunning toe. Zij legt een aantal bijzondere voorwaarden op; 3. De ontvankelijkheid van de vordering Overwegende dat de tussenkomende partijen het belang van de verzoekende partij ontkennen; VII-37.053-4/7 Overwegende dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de door de tussenkomende partijen opgeworpen exceptie uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; 4. De schorsingsvoorwaarden Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.1. Overwegende dat de verzoekende partij, wat betreft de tweede voorwaarde, aanvoert dat indien de schorsing niet wordt uitgesproken en de vergunning wordt uitgevoerd, er niet gemakkelijk zal kunnen worden overgegaan tot het herstel van de plaats in zijn oorspronkelijke toestand, dat bij belangenafweging moet worden vastgesteld dat de schade aan de open ruimte ernstiger is dan het niet uitvoeren van de milieuvergunning, dat het algemeen belang duidelijk primeert op het privaat belang, dat het nadeel niet voortvloeit uit de stedenbouwkundige vergunning die zal worden afgeleverd omdat deze vergunning betrekking heeft op de inplanting, de vorm, de materialen van het op te richten gebouw, dat het nadeel effectief voortkomt uit het afleveren van de milieuvergunning die de basis vormt om een stedenbouwkundige vergunning aan te vragen, dat door op die plaats een inrichting toe te laten, de open ruimte op een onherstelbare wijze wordt aangetast, dat daardoor het volledig planologisch beleid van de verzoekende partij wordt doorkruist; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partij ten onrechte stelt dat de schending van de open ruimte niet voortkomt uit de eventuele stedenbouwkundige vergunning, dat het onjuist is dat de stedenbouwkundige vergunning enkel betrekking heeft op de inplanting, de vorm en de materialen van het op te richten gebouw, dat ook de open ruimte een belangrijk aspect is dat in het kader van de aanvraag van de bouwvergunning in overweging wordt genomen; dat zij voorts van oordeel is dat het bestreden besluit VII-37.053-5/7 enkel stelt dat er milieuhygiënisch geen bezwaren zijn om de gevraagde herlocalisatie te vergunnen; dat wat de planologische en stedenbouwkundige aspecten betreft, de verwerende partij evenwel verwijst naar de koppeling tussen bouwvergunning en milieuvergunning; dat zij, ten slotte, aanvoert dat, aangezien de stedenbouwkundige vergunning nog moet worden verleend, er geen enkel moeilijk te herstellen en ernstig nadeel in de vorm van een schending van de open ruimte kan voortvloeien uit het bestreden besluit, dat de vergunning immers is geschorst zolang er geen stedenbouwkundige vergunning is verleend en vervalt indien deze zou worden geweigerd; 4.3. Overwegende dat ook de tussenkomende partijen stellen dat de milieuvergunning nog is geschorst zolang er geen stedenbouwkundige vergunning is verleend, dat het een loutere bewering is dat herstel in de oorspronkelijke toestand niet meer mogelijk zou zijn, dat voor zover de milieuvergunning actief zou worden door verlening van een bouwvergunning voor het oprichten van een varkensstal, voor de verzoekende partij nog rechtsmiddelen openstaan die de bouw van de stal kunnen tegenhouden, zo daar al enige rechtsgrond voor zou bestaan; 4.4. Overwegende dat het aangevoerde nadeel neerkomt op een aantasting van het door de verzoekende partij gevoerde beleid van de open ruimte door de vestiging van een bedrijf in wat nu nog een onbebouwde strook landbouwgebied is; dat dit in hoofde van de verzoekende partij een moreel nadeel is; dat de inrichting niet zal zijn gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied maar in eenvoudig agrarisch gebied, hetgeen een effect heeft op de beoordeling van de inname van open ruimte door een landbouwinrichting; dat het moreel nadeel van de verzoekende partij derhalve niet als ernstig wordt aangenomen; dat de aantasting van de open ruimte niet gebeurt door het gunnen van het bedrijf maar wel door de constructie van een gebouw; dat daarvoor een stedenbouwkundige vergunning nodig is; dat er aldus geen rechtstreeks doch slechts een onrechtstreeks verband tussen de verleende milieuvergunning en de aantasting van de open ruimte is; dat het enkele feit dat de bestreden vergunning werd verleend in een zone waarvoor de stad een beleid van open ruimte voert, niet als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan worden beschouwd; dat de realisatie van de milieubeleidsvisie van een stad immers onvermijdelijk wordt beperkt door de bevoegdheden van andere overheden; dat het door de verzoekende partij aangevoerde moreel nadeel, met name het doorkruisen van het door haar beoogd VII-37.053-6/7 ruimtelijk beleid, aldus niet rechtstreeks voortvloeit uit de bestreden milieuvergunning; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van Roger STUYVAERT en Kurt POPPE in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig januari tweeduizend en acht, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-37.053-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.894 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.323 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div