← België

Arrest 178895 - Milieuvergunningen - 24/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.895 Rolnummer: A. 185264/VII-37059 Zaak: Arrest 178895 - Milieuvergunningen - 24/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-01 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 07:32 Fiche Arrest nr 178.895 van 24 januari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.895 van 24 januari 2008 in de zaak A. 185.264/VII-37.059. In zake : 1. Arseen BAUWENS, 2. Olga VERWEIRE, die woonplaats kiezen bij advocaat F. CORYN, kantoor houdende te GENT, Casinoplein 19 tegen : de deputatie van de provincie OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partijen : 1. Roger STUYVAERT, 2. Kurt POPPE, die woonplaats kiezen bij advocaat J. OPSOMMER, kantoor houdende te OUDENAARDE, Kasteelstraat 8. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Arseen BAUWENS en Olga VERWEIRE op 26 september 2007 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 12 juli 2007 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Eeklo van 13 februari 2007, houdende weigering aan Roger STUYVAERT van de milieuvergunning voor het exploiteren van een varkenshouderij, gelegen aan de Kruiskenstraat te Eeklo, wordt ingewilligd, de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan Roger STUYVAERT de gevraagde vergunning wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; VII-37.059-1/8 Gelet op de beschikking van 30 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 december 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. DE ZUTTER die, loco advocaat F. CORYN verschijnt voor de verzoekende partijen, van jurist K. VAN KEYMEULEN, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. OPSOMMER, die verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De tussenkomst Overwegende dat met een verzoekschrift van 22 oktober 2007 Roger STUYVAERT, houder van de bestreden vergunning, en Kurt POPPE, vragen om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat dit verzoek kan worden ingewilligd; 2. De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 2.1. De eerste tussenkomende partij baat een veebedrijf uit aan de Peperstraat 55 te Eeklo. Zij heeft een vergunning voor het houden van 39 runderen en 615 varkens en voor 490 m³ mestopslag. Op 4 december 2006 dient zij een milieuvergunningsaanvraag in voor het herlocaliseren van haar bedrijf naar de Kruiskenstraat te Eeklo. Tevens vraagt zij de omvorming van de vergunde runderen naar varkens zodat de vergunning nog enkel 781 varkens omvat. Ook wordt een uitbreiding van de mestopslag tot 700 m3 vloeibare mest aangevraagd. Omdat zij op het nieuwe terrein een nieuwe varkensstal wenst te bouwen en dit een aanzienlijke VII-37.059-2/8 investering is, vraagt zij tevens de vroegtijdige hernieuwing van de vergunning voor twintig jaar aan. Het perceel aan de Kruiskenstraat is eigendom van Marc POPPE die toestemming geeft aan de eerste tussenkomende partij om er haar bedrijf op uit te baten. Uit het verzoekschrift in tussenkomst blijkt dat er tussen de eerste tussenkomende partij en de tweede tussenkomende partij en Mark POPPE een overeenkomst is gesloten waarbij laatstgenoemden het bedrijf van de eerste tussenkomende partij zullen overnemen eens het is geherlocaliseerd. Er worden 380, waarvan 372 identieke, bezwaarschriften ontvangen. Dientengevolge wordt er op vraag van de aanvrager een informatievergadering georganiseerd. Er worden adviezen uitgebracht : (

  1. a)De Vlaamse Landmaatschappij adviseert gunstig; (
  2. b)De gemeentelijke milieudienst adviseert ongunstig op grond van de volgende motieven : "- Alle vergunningsplichtige rubrieken van het bestaande bedrijf in de Peperstraat zijn in agrarisch gebied gelegen, hierdoor kan gesteld worden dat het bedrijf niet voldoet aan de voorwaarden om voor herlocalisatie in aanmerking te komen. - Er zijn in de aanvraag onduidelijkheden/tegenstrijdigheden of (
  3. er)ontbreekt de nodige informatie. / Het is onduidelijk of er huishoudelijk afvalwater zal geloosd worden en hoe dit zou gebeuren. / Er ontbreekt noodzakelijke informatie over het ammoniakemissiearme systeem S1: Er is geen dimensioneringsplan in de aanvraag aanwezig. Er wordt eveneens niet vermeld waar het spuiwater naar toe gaat. / Er is geen informatie beschikbaar over de herkomst van het bedrijfswater (...). Er is geen grondwaterwinning aangevraagd. - De locatie van de nieuwe inrichting is onverenigbaar met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening". Op 13 februari 2007 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Eeklo de aanvraag op grond van de onverenigbaarheid met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. 2.2. Op 12 maart 2007 stelt de eerste tussenkomende partij beroep in tegen deze weigeringsbeslissing. Op 2 april 2007 maakt zij haar argumentatie over. In het kader van de beroepsprocedure worden enkele adviezen ingewonnen : VII-37.059-3/8 (
  4. a)De Vlaamse Landmaatschappij adviseert op 16 april 2007 gunstig; (
  5. b)De afdeling Milieuvergunningen geeft op 23 april 2007 een gunstig advies; (
  6. c)Op 26 april 2007 adviseert ook het Intern Verzelfstandigd Agentschap Ruimtelijke ordening - Onroerend erfgoed Vlaanderen gunstig; (
  7. d)De provinciale milieudeskundige adviseert gunstig voor zover uit het opmetingsplan van de beëdigde landmeter blijkt dat er vergunningsplichtige activiteiten worden uitgeoefend in het woongebied met landelijk karakter op de huidige vestigingsplaats van het bedrijf; (
  8. e)Op de zitting van 5 juni 2007 hoort de Provinciale Milieuvergunningscommissie de eerste tussenkomende partij en de vertegenwoordiger van de stad Eeklo. De verklaringen van laatstgenoemde worden als volgt weergegeven in het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie : "De vertegenwoordiger van de Stad voert de stelling aan dat er geen vergunningsplichtige activiteiten zijn die binnen het woongebied liggen. Bovendien is de locatie van de nieuw in te planten inrichting een groot open gebied, met langs de ene kant 600 m en langs de andere kant 1 km velden. Als bewijs en documentatie wordt een luchtfoto van de locatie neergelegd. De vertegenwoordiger van de Stad verklaart dat de Stad Eeklo al gedurende meer dan 10 jaar een beleid voert dat tot doel strekt de (...) landschapswaarde van de open ruimte te behouden. In dat verband wordt verwezen naar een gelijkaardig dossier van het bedrijf NRC (een mestverwerkingsinstallatie): de exploitatie was gelegen op dezelfde locatie en de vergunning is toen geweigerd om dezelfde reden. Het vergunnen van de verplaatsing i.k.v. de huidige aanvraag zou betekenen dat een beleid van meer dan 10 jaar in duigen zou vallen". De Provinciale Milieuvergunningscommissie treedt de argumenten van de stad Eeklo bij en geeft een ongunstig advies. 2.3. Op 12 juli 2007 kent de verwerende partij de vergunning toe. Zij legt een aantal bijzondere voorwaarden op. De vergunning wordt op 17 juli 2007 betekend. Op 24 juli 2007 worden enkel pagina's vervangen waarin een fout voorkwam; 3. De ontvankelijkheid van de vordering Overwegende dat de tussenkomende partijen een aantal excepties opwerpen; Overwegende dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de door de tussenkomende partijen opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties VII-37.059-4/8 uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die excepties alleen nodig is, indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; 4. De schorsingsvoorwaarden Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.1. Overwegende dat de verzoekende partijen, wat betreft de tweede voorwaarde, drie elementen aanvoeren, met name visuele hinder, verkeers- en geurhinder en lawaaihinder; dat zij met betrekking tot visuele hinder stellen dat zij op ongeveer 400 meter van de plaats waar de inrichting zal worden geëxploiteerd wonen en vanuit hun tuin rechtstreeks zicht hebben op het betrokken perceel, dat door de aard en de omvang van de op te richten bouwwerken hun zicht op ernstige wijze zal worden belemmerd en gehinderd; met betrekking tot verkeershinder en geurhinder zijn zij van oordeel dat de uitbating van een bedrijf voor industriële varkenskweek hinder zal meebrengen door het periodiek transport van varkens, voeder en mest, dat er ontegensprekelijk ook geurhinder zal zijn van de stal en de mestopslag en dat er een uitstoot zal zijn van ontelbare stofdeeltjes, bacteriën en ziektekiemen; met betrekking tot lawaaihinder wijzen zij op de permanent draaiende ventilatoren en het bijna dagelijks vrachtwagentransport van en naar het bedrijf; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de provinciale milieudeskundige van oordeel was dat, gelet op het feit dat het om een veeleer kleinschalig varkensbedrijf gaat, en gelet op de technieken die zullen worden gebruikt en de afstand van de woningen tot het bedrijf, de vrees voor geur- en lawaaihinder onterecht is; dat zij er op wijst dat de meest dichtbije woningen op 400 meter afstand van de geplande inrichting liggen; met betrekking tot de visuele hinder, merkt zij op dat een inrichting die op 400 meter afstand ligt bezwaarlijk visuele hinder kan veroorzaken, laat staan een ernstig nadeel kan berokkenen, dat er bovendien in de vergunning werd opgelegd dat een groenscherm rond de VII-37.059-5/8 inrichting moet worden aangeplant; dat zij er voorts op wijst dat, aangezien er nog een stedenbouwkundige vergunning moet worden verleend, er uit het bestreden besluit zelf geen enkele vorm van schending van de open ruimte kan voortvloeien, dat de vergunning immers is geschorst zolang er geen stedenbouwkundige vergunning is verleend en zal vervallen indien deze zou worden geweigerd; 4.3. Overwegende dat de tussenkomende partijen, samen met de verwerende partij, stellen dat de milieuvergunning nog is geschorst zolang er geen stedenbouwkundige vergunning is verleend, dat het uitzicht van de verzoekende partijen niet wordt geschaad door het bestreden besluit aangezien het geen constructie vergunt, dat de stedenbouwkundige vergunning nog moet worden afgeleverd zodat de verzoekende partijen nog over alle mogelijke middelen beschikken om het aspect goede ruimtelijke ordening op te volgen in de stedenbouwkundige vergunningsprocedure; dat zij voorts stellen dat volgens het bestreden besluit, de geur- en lawaaihinder beperkt zijn tot een aanvaardbaar niveau, dat bovendien de algemene en sectorale voorwaarden van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) en de specifiek door het bestreden besluit opgelegde voorwaarden garanderen dat de hinder in casu tot een absoluut minimum wordt beperkt, dat indien de exploitant zich niet aan de sectorale voorwaarden zou houden, dit een zaak is van toezicht op het naleven van de vergunningsvoorwaarden; 4.4. Overwegende dat de aangevoerde visuele hinder niet rechtstreeks voortvloeit uit de bestreden milieuvergunning, zodat dit nadeel niet in aanmerking komt; dat, wat de aangevoerde geurhinder van de stal en de mestopslag betreft, de verzoekende partijen zelf stellen dat hun tuinen op 400 meter en zuidelijk ten opzichte van de inplantingsplaats van het geplande bedrijf gelegen zijn; dat de afstand tussen hun woningen en het bedrijf ver boven de door Vlarem II voorgeschreven minimale afstand ligt; dat de overheersende windrichting zuidwestelijk is zodat eventuele geurhinder en stofuitstoot veeleer van de woningen van de verzoekende partijen wordt weggeblazen dan naar hen toe; dat in die omstandigheden, de verzoekende partijen niet hardmaken dat, niettegenstaande het aanwenden van een biologische luchtwasser, de exploitatie van de inrichting voor hen toch een ernstige geurhinder zal teweegbrengen; dat de vrees voor de uitstoot van ontelbare stofdeeltjes, bacteriën en ziektekiemen niet meer dan als een loutere bewering kan worden aangemerkt; dat met betrekking tot het aangevoerde nadeel van de verkeershinder, kan worden vastgesteld, vooreerst, dat de eerste VII-37.059-6/8 tussenkomende partij, aanvrager van de vergunning, in haar beroepschrift aangeeft dat, op basis van de ervaring met haar huidig bedrijf dat dezelfde grootte heeft als het geplande bedrijf, aangezien het een herlocalisatie betreft, de aanvoer van veevoeder en het afvoeren van mest maximum 53 vrachtwagens per jaar betreft en vervolgens dat de provinciale milieudeskundige het bezwaar in verband met de vele fietsers die de Kruiskenstraat gebruiken, niet overtuigend acht omdat het bedrijf niet van die aard is dat er een extreme verkeersstroom zal worden gecreëerd; dat de verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat er overmatig vrachtwagenverkeer zal ontstaan waardoor zij dagelijks onaanvaardbare verkeershinder zullen ondergaan; dat wat de geluidshinder ten gevolge van de ventilatoren betreft, de eerste tussenkomende partij in haar beroepschrift berekent dat de in de milieuvergunningsaanvraag voorgestelde geluidsarme ventilatoren zelfs in de meest ongunstige omstandigheden slechts tot 250 meter hoorbaar zijn; dat dit wordt bijgetreden door de provinciale milieudeskundige; dat de verzoekende partijen slechts beweren, doch niet hardmaken waarom de ventilatoren voor hen toch ernstige geluidshinder zullen teweegbrengen; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van Roger STUYVAERT en Kurt POPPE in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. VII-37.059-7/8 Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig januari tweeduizend en acht, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-37.059-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.895 Gerelateerde publicatie(
  9. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.324 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.