← België

Arrest 178899 - Milieuvergunningen - 24/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.899 Rolnummer: A. 137877/VII-30074 Zaak: Arrest 178899 - Milieuvergunningen - 24/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-06 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 07:32 Fiche Arrest nr 178.899 van 24 januari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.899 van 24 januari 2008 in de zaak A. 137.877/VII-30.074. In zake : 1. de n.v. AANNEMINGSBEDRIJF PIECK, 2. Georges PIECK, die woonplaats kiezen bij advocaat D. VANHAELEWYN, kantoor houdende te MECHELEN, Louizastraat 37, bus 102 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-84. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. AANNEMINGSBEDRIJF PIECK en Georges PIECK op 13 juni 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 11 april 2003 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 26 september 2002, houdende het verlenen aan de eerste verzoekende partij van de vergunning voor het exploiteren van een sorteer- en breekinstallatie voor inerte materialen, gelegen aan de Tessenderloseweg te Diest, gegrond worden verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan de eerste verzoekende partij de gevraagde vergunning wordt geweigerd; Gelet op het arrest nr. 124.299 van 16 oktober 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partijen; VII-30.074-1/27 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 8 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 december 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat Th. RYCKALTS die, loco advocaat D. VANHAELEWYN verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat P. VANDENDAEL die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De eerste verzoekende partij legt zich toe op sloopactiviteiten. De recupereerbare materialen van de werven worden thans opgeslagen op een terrein gelegen aan de Tessenderloseweg 149 te Diest. Ter plaatse gebeurt ook het onderhoud en de bevoorrading van de bedrijfsvoertuigen. Op het bedrijfsterrein bevinden zich eveneens een metaalwerkplaats en een schrijnwerkerij. De exploitant van de inrichting beschikt over een exploitatievergunning "tot het inrichten van opslagplaatsen", verleend bij besluit van de bestendige deputatie van de provincie- raad van Brabant van 16 maart 1978. De geldigheidsduur van die vergunning verstrijkt op 16 maart 2008. VII-30.074-2/27 De exploitant heeft reeds enige tijd het plan opgevat om aan de overkant van de bestaande inrichting, aan de Tessenderloseweg , een eigen sorteer- en breekinstallatie voor inerte materialen in te richten. In het verleden werden reeds twee milieuvergunningsaanvragen met eenzelfde voorwerp ingediend. Die aanvragen zijn echter telkens uitgelopen op een weigering van de vergunning. 1.2. Op 23 mei 2002 dient de eerste verzoekende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een nieuwe aanvraag in voor de exploitatie van een sorteer- en breekinstallatie voor inerte materialen, gelegen aan de Tessenderloseweg te Diest. De aanvraag omvat in concreto : - een breekinstallatie met toebehoren en een opslagplaats voor gebroken en niet- gebroken beton- en mengpuin met een opslagcapaciteit van maximaal 10.000 m3 (20.000 ton); - een opslagplaats voor schroot met een maximumcapaciteit van 120 ton; - het lozen van maximaal 300 m3 huishoudelijk afvalwater via een individuele biologische waterzuivering in een open gracht; - een stroomgenerator met een vermogen van 400 kW; - de opslag van 12.000 liter stookolie in een bovengrondse dubbelwandige houder; - één verdeelslang voor het bevoorraden van de bedrijfsvoertuigen; - een labo voor kwaliteitscontrole; - twee hydraulische kranen van elk 125 kW, een bandenlader van 124 kW, een sorteerinstallatie van 123 kW en een breker met toebehoren van 300 kW (totaal vermogen 797 kW); - een dieselmotor met een nominaal vermogen van 400 kW. 1.3. Tijdens het openbaar onderzoek, dat naar aanleiding van de milieuvergunningsaanvraag plaatsvindt, worden 15 schriftelijke en 3 mondelinge bezwaren en opmerkingen ingediend. De omwonenden vrezen onder meer voor geluids-, geur- en stofhinder, grondwaterverontreiniging, verkeershinder, de verspreiding van kankerverwekkende stoffen en overlast door ongedierte. Er wordt tevens op gewezen dat de inrichting veeleer thuishoort op een industrieterrein en niet in een Kleine of Middelgrote Onderneming (KMO) -zone die in casu omringd is door natuurgebied en bebouwde percelen. 1.4. Op 26 september 2002 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde vergunning. Er worden een drietal VII-30.074-3/27 bijzondere voorwaarden opgelegd met betrekking tot de aan- en afvoerroute van de afvalstoffen, de uitvoering van een volledig akoestisch onderzoek en het voorzien van een sproei-installatie. 1.5. Met een op 6 november 2002 gedateerd schrijven stellen 17 buurtbewoners beroep in tegen het vergunningsbesluit van 26 september 2002. Grotendeels worden dezelfde bezwaren herhaald die reeds kenbaar werden gemaakt tijdens het openbaar onderzoek. Aan de eerste verzoekende partij wordt op 13 november 2002 een afschrift van het ontvankelijk bevonden beroepschrift toegezonden. Er wordt eveneens beroep ingesteld door het college van burgemeester en schepenen van de aangrenzende gemeente Tessenderlo. Met een schrijven van 12 november 2002 van de afdeling Milieuvergunningen wordt aan de aanvrager van de vergunning een afschrift van het beroepschrift toegezonden. De aanvrager wordt er op gewezen dat het beroep thans nog onvolledig is en dat hij op de hoogte zal worden gebracht van het gevolg dat aan het beroepschrift zal worden gegeven. 1.6. Op 28 november 2002 bevestigt de eerste verzoekende partij de ontvangst van bovenvermelde beroepschriften en wordt de wens uitgedrukt om gehoord te worden tijdens de beroepsprocedure. 1.7. In het kader van de beroepsprocedure worden verschillende adviezen uitgebracht : (

  1. a)de afdeling Natuur adviseert op 9 december 2002 ongunstig over de aanvraag. De adviesverlenende instantie is van oordeel dat door het verlenen van de gevraagde milieuvergunning de rust en de natuurwaarde van het aanpalende natuurgebied "Rodebos" bijkomend zal worden aangetast; (
  2. b)op 16 december 2002 stelt de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest voor om de vergunning te verlenen voor een beperkte termijn van vijf jaar; (
  3. c)de afdeling Monumenten en Landschappen maakt in haar advies van 17 december 2002 geen bezwaren tegen de inrichting kenbaar; VII-30.074-4/27 (
  4. d)de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen brengt op 19 december 2002 gunstig advies uit over de aanvraag; (
  5. e)het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij van 20 december 2002 is gunstig voor het lozen van huishoudelijk afvalwater in een open gracht; (
  6. f)de afdeling Natuur deelt op 8 januari 2003 mee dat door de beoogde activiteiten geen significante weerslag te verwachten is op het dichtstbijzijnde habitatrichtlijn- gebied "Demervallei"; (
  7. g)in het advies van 10 januari 2003 van de afdeling Milieuvergunningen wordt voorgesteld de vergunning te verlenen voor een termijn tot 16 maart 2008; (
  8. h)door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt op 13 januari 2003 voorgesteld om de beroepen ongegrond te verklaren en de gevraagde milieuvergunning te verlenen voor een periode die, samen met de geldigheidstermijn van de basisvergunning, eindigt op 16 maart 2008. 1.8. Op 11 april 2003 verklaart de verwerende partij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 26 september 2002 gegrond. De beroepen beslissing wordt opgeheven en aan de eerste verzoekende partij wordt de gevraagde vergunning geweigerd; 2. De ontvankelijkheid 2.1. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord opwerpt dat tweede verzoeker, die optreedt in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de eerste verzoekende partij, geen belang heeft bij de vordering omdat zijn belang niet te onderscheiden is van de rechtspersoon waarvan hij een orgaan is; 2.2. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord hiertegen wordt gesteld dat het belang van tweede verzoeker als "boegbeeld van de firma" "apert" is; 2.3. Overwegende dat blijkens het verzoekschrift tweede verzoeker optreedt in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de eerste verzoekende partij; dat VII-30.074-5/27 de vergunningsaanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit alleen is ingediend door de eerste verzoekende partij die de geplande inrichting wenst te exploiteren en dat aan die partij alleen de gevraagde vergunning is geweigerd; dat dienvolgens tweede verzoeker niet beschikt over de vereiste hoedanigheid en het vereiste directe belang om de vernietiging van het weigeringsbesluit te vragen; dat de vordering bijgevolg niet ontvankelijk is in zoverre zij uitgaat van tweede verzoeker; 3. De gegrondheid 3.1.1. Overwegende dat de eerste verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 23 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet), van artikel 51, §2, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de hoorplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel; dat zij betoogt dat de ingestelde administratieve beroepen zonder enige motivering ontvankelijk werden verklaard terwijl in een nota die zij had ingediend bij de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie nochtans omstandig werd uiteengezet dat die beroepen manifest onontvankelijk waren, dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tessenderlo immers geen rechtspersoonlijkheid bezit, dat de vereiste machtigingen voor het instellen van het beroep niet werden bijgebracht, dat daarenboven ernstige twijfels rijzen omtrent de tijdigheid van de ingestelde beroepen aangezien de beroepen beslissing dateert van 26 september 2002 en de beroepschriften pas op 6 november 2002 werden ingediend, dat de beroepsindieners in elk geval niet bewijzen dat hun beroep tijdig werd ingediend, dat het bestreden besluit ook geen antwoord verschaft op de opwerping dat de beroepsindieners niet alle formele ontvankelijkheidsvereisten hebben volbracht, zoals het bewijs van bekendmaking en de betaling van de verschuldigde taks, dat de ingestelde beroepen alleszins niet volledig waren binnen de beroepstermijn, en, ten slotte, dat het collectieve beroepschrift van de omwonenden niet kon worden toegelaten omdat er geen "geïndividualiseerd belang" uit blijkt; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tessenderlo en zeventien omwonenden met een ter post aangetekend schrijven van 6 november 2002 administratief beroep hebben ingesteld, dat uit het advies van de afdeling VII-30.074-6/27 Milieuvergunningen blijkt dat de beroepen beslissing werd bekendgemaakt door aanplakking vanaf 16 oktober 2002 tot 14 november 2002, dat het beroep werd ontvangen op 12 november 2002, dat de gemeente Tessenderlo en de omwonenden via deze aanplakking kennis hebben gekregen van de beroepen beslissing zodat hun beroep van 6 november 2002 tijdig werd ingesteld, dat de gemeente Tessenderlo een publiekrechtelijke rechtspersoon is, dat volgens artikel 24, §1, 5/, van het milieuvergunningsdecreet elke rechtspersoon die ten gevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting rechtstreeks hinder kan ondervinden, beroep kan indienen; dat volgens de verwerende partij de voorgenomen inrichting zal worden ingeplant op het grondgebied van de gemeente Deurne (Diest) ter hoogte van de grens met de gemeente Tessenderlo, dat het dan ook niet onredelijk is om aan te nemen dat de natuurwaarden en de inwoners van de gemeente Tessenderlo hinder kunnen ondervinden van de exploitatie, dat het collectief beroepschrift van Maria DE SMET en 16 omwonenden ratione temporis ontvankelijk is, dat zij bovendien ook op 15 oktober 2002 via een schrijven van de stad Diest kennis van het besluit namen, dat uit geen enkel gegeven blijkt dat het beroep werd ingesteld door een feitelijke vereniging, dat integendeel alle ondertekenaars, weliswaar via een collectief beroepschrift, individueel beroep instellen waarbij ze dezelfde argumenten naar voor dragen, dat uit de vermeldingen van het collectief beroepschrift en dat van de gemeente Tessenderlo afdoende blijkt dat het bewijs van de betaling van de dossiertaks aan het beroepschrift werd gehecht; 3.1.3. Overwegende dat de eerste verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat objectief kan worden vastgesteld dat de motieven voor tijdigheid en het afdoende belang "geen hout snijden"; dat zij met betrekking tot de tijdigheid opmerkt dat de verzoekende partijen zelf een rondschrijven hebben georganiseerd aan alle omwonenden op 22 juli 2002, dat dit rondschrijven vermeldde : "Voor de derde maal wordt door ons bedrijf aan de Tessenderloseweg een milieuvergunning klasse I aangevraagd. Het betreft hier de aanvraag voor de exploitatie van een sorteer- en breekinstallatie voor inerte materialen en aanhorigheden, afkomstig van sloopwerken. Het oogmerk van deze activiteit is het hergebruik van deze materialen overeenkomstig het algemeen afvalstoffenbeleid van de Vlaamse Overheid. De aanvraag strekt er toe ons in orde te stellen met de steeds maar wijzigende milieuwetgeving. Ondertussen werd het openbaar onderzoek gestart. In het verleden hebben veel omwonenden bezwaar ingediend tegen de milieuvergunningsaanvraag. Wij hebben het gevoel dat deze bezwaren vaak voortkwamen uit een gevoel van onzekerheid en onbekendheid met betrekking tot activiteiten van onze inrichting en uit een gebrek aan communicatie van de kant van de NV PIECK. VII-30.074-7/27 Wij wensen de omwonenden met dit schrijven volledig in te lichten omtrent onze vergunningsaanvraag en benadrukken onze wens om in de toekomst te exploiteren in goed nabuurschap. Ons bedrijf is op dezelfde plaats gevestigd sinds 1964. Het biedt werkgelegenheid aan 65 personen. Tot op heden heeft het bedrijf nog nooit een geschil gehad met de omwonenden. Het is onze vaste intentie om zulks te bestendigen. De nieuw ingediende plannen en de voorziene substantiële investeringen sluiten elke vorm van hinder uit. Er worden geen giftige producten geproduceerd. Er zal geen sprake zijn van stofhinder, geurhinder of lawaaihinder. Er zullen geen vrachtwagens over de zandweg 'Tessenderloseweg' of door 'Varode Tessenderlo' rijden. Er zal immers enkel gebruik gemaakt worden van de reeds bestaande en gebruikte toegangswegen van het aannemingsbedrijf en het verdere transport naar de breekinstallatie wordt bijgevolg voorzien over de eigen terreinen. Wij nodigen U vriendelijk uit U te vergewissen van onze toekomstplannen in onze bedrijfszetel tijden(
  9. s)de werkuren of maak een afspraak met Dhr. PIECK Georges op Tel. nr.: 0475/66.22.30. Ter informatie zenden wij u in bijlage reeds enkele ontwerpfoto's. Als rasechte Diestenaars hopen wij op Uw steun te mogen rekenen bij de verdere milieuvriendelijke exploitatie van dit bedrijf dat voorziet in de inkomsten van 65 gezinnen. Als er klachten zijn vragen wij U beleefd deze onmiddellijk te melden zodat wij ogenblikkelijk de nodige actie kunnen ondernemen"; dat zij voorts stelt dat alle omwonenden voorafgaand in kennis werden gesteld van deze milieuvergunningsaanvraag, dat bijgevolg een bijzondere diligentie tot het opvolgen van deze aanvraag mag worden verwacht van de burger, indien deze zich door een aanvraag gegriefd voelt, dat in deze enkel de laattijdigheid van het beroep kon worden vastgesteld, dat men bovendien nalaat exact aan te duiden wanneer men van welke beslissing kennis kreeg, dat men enerzijds verwijst naar de aanplakking en anderzijds zegt te zijn aangeschreven door de stad Diest zelf, dat men bij gebreke aan eenduidigheid moet terugvallen op de diligentie van de bezwaarindieners, dat het bezwaar op onvolledige wijze werd ingesteld, dat het schrijven van de afdeling Milieuvergunningen hiervan getuigt, dat binnen de vervaltermijn een volledig en ontvankelijk beroep moet worden ingesteld, dat hieraan geen verder gevolg werd gegeven in het bestreden besluit; dat, volgens de eerste verzoekende partij, door de bezwaarindieners evenmin een persoonlijk belang werd geuit bij het indienen van één collectief bezwaarschrift, dat de loutere vermelding van "omwonende" daarbij onvoldoende is, dat het zeer duidelijk is dat de bezwaarindieners zich hebben verenigd tegen de eerste verzoekende partij, dat hierbij een feitelijke vereniging ontstaat, dat geen van deze "onontvankelijkheidskwesties" in het bestreden besluit werd onderzocht noch werd gemotiveerd waarom geen verder onderzoek naar deze kwesties werd ingesteld; 3.1.4. Overwegende dat de eerste verzoekende partij in haar laatste memorie aan haar eerder ontwikkelde argumentatie toevoegt dat haar nota en alle VII-30.074-8/27 hierin opgenomen punten van onontvankelijkheid zonder enige motivering buiten beschouwing werden gelaten; dat de visie dat niet ieder punt omtrent de ontvankelijkheid steeds moet worden opgenomen in deze niet relevant is, dat niet aan haar kan worden gevraagd om stukken bij te brengen waaruit blijkt dat ten aanzien van het beroep van de omwonenden niet de vereiste documenten werden bijgebracht, dat zij moeilijk een negatief bewijs kan bijbrengen, dat de vaststelling dat deze documenten niet in het administratief dossier kunnen worden aangetroffen, minstens niet door de verwerende partij worden bijgebracht, boekdelen spreekt; 3.1.5. Overwegende dat noch het milieuvergunningsdecreet, noch Vlarem I, noch de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat de verwerende partij, in haar uitspraak over het beroep, het vervuld zijn van de ontvankelijkheidsvoorwaarden en -formaliteiten stuk voor stuk vermeldt; dat het bestreden besluit uitdrukkelijk aangeeft dat de beroepen beslissing door aanplakking is bekendgemaakt van 16 oktober 2002 tot 14 november 2002 en dat beide administratieve beroepen door de beroepsinstantie zijn ontvangen op 12 november 2002; dat louter op grond van deze gegevens vaststaat dat de beroepen tijdig zijn ingediend; dat, immers, overeenkomstig artikel 51, §2, 3/, van Vlarem I de termijn om beroep in te stellen voor derden-belanghebbenden, die aangewezen zijn op de bekendmaking om kennis te krijgen van de in eerste aanleg genomen beslissing over de ingediende vergunningsaanvraag, slechts ingaat de dag na afloop van de termijn van bekendmaking van de in eerste aanleg genomen beslissing over de vergunningsaanvraag; dat het aldus van geen belang is om te weten wanneer de beroepsindieners feitelijk kennis hebben gekregen van de beroepen beslissing; dat de verplichting tot diligentie hier niet ter zake doet; dat hetzelfde geldt met betrekking tot het "rondschrijven"; dat dit rondschrijven immers geen beslissing over een milieuvergunningsaanvraag is waartegen derden- belanghebbenden op ontvankelijke wijze beroep kunnen instellen; dat inzake het voldaan zijn aan de formele ontvankelijkheidsvoorwaarden van het beroep, geen concrete gegevens worden aangevoerd waaruit blijkt dat aan de vereiste formaliteiten niet is voldaan; dat op het einde van het beroepschrift van de omwonenden vermeld staat dat het stortingsbewijs van de dossiertaks en een attest van bevestiging van de bekendmaking als bijlage bij het beroepschrift worden gevoegd; dat de eerste verzoekende partij zelfs geen begin van bewijs levert dat de voornoemde bijlagen niet zijn bijgevoegd; dat uit geen enkel element van het administratief dossier blijkt dat er ten aanzien van het beroep van de omwonenden onregelmatigheden zijn gerezen met betrekking tot de betaling van de verschuldigde dossiertaks of het verplicht bijvoegen van het attest van bekendmaking; dat met VII-30.074-9/27 betrekking tot het persoonlijk belang, er geen enkele twijfel over bestaat dat elk van de ondertekenaars zich in het beroepschrift beroept op een persoonlijk belang als omwonende van de inrichting die hinder of nadeel van de geplande activiteiten meent te kunnen ondervinden; dat door de loutere omstandigheid dat omwonenden hun bezwaren bundelen en één gezamenlijk beroepschrift indienen, geen collectief belang ontstaat dat onderscheiden is van de individuele belangen van de omwonenden; dat in zulk geval evenmin een "feitelijke vereniging" van omwonenden ontstaat, zelfs al wordt één van hen aangeduid als contactpersoon; dat de indieners van het beroep zonder onderscheid woonachtig zijn ofwel aan de Varode ofwel aan de Tessenderloseweg te Tessenderlo; dat in het beroepschrift alle ondertekenaars hun woonplaats hebben vermeld; dat de eerste verzoekende partij geen enkel concreet gegeven of een begin van bewijs aanvoert waaruit blijkt dat de indieners van het beroep op hun woonplaats geen rechtstreekse hinder van de geplande inrichting kunnen ondervinden, zoals vereist wordt door artikel 24, §1, 5/, van het milieuvergunningsdecreet; dat, gelet op alles wat voorafgaat, vastgesteld wordt dat het beroepschrift van de omwonenden tijdig en regelmatig is ingediend, zodat de verwerende partij dienvolgens rechtsgeldig was gevat om over de vergunningsaanvraag uitspraak te doen; dat in het beroep van de omwonenden wordt aangevoerd dat de inrichting "thuishoort op een beter uitgerust industrieterrein"; dat dit argument betrekking heeft op het decisief weigeringsmotief van het bestreden besluit; dat er derhalve geen onderzoek wordt gewijd aan de verscheidene grieven aangevoerd in verband met de ontvankelijkheid van het beroepschrift van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tessenderlo; dat, zelfs al zou blijken dat dit beroep onontvankelijk is, deze vaststelling het bestreden besluit niet vitieert; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.2.1. Overwegende dat de eerste verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van artikel 52 van Vlarem I, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het zorgvuldigheidsbeginsel, de motiveringsplicht, het rechtszekerheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, en van machtsoverschrijding doordat het bestreden besluit, vooreerst, zonder bijzondere en afdoende motivering afwijkt van "zowat alle adviserende instanties en van het advies van de gewestelijke milieuvergunningscommissie", vervolgens aangeeft dat een opslagplaats van 10.000 m3 gebroken en niet gebroken puin niet als kleine opslagplaats kan worden gecatalogeerd conform de bestemming KMO-zone en ambachtelijke bedrijven, waardoor de inrichting niet verenigbaar is met de stedenbouwkundige bestemming, en ten slotte schijnt te stellen, op basis van de subadviezen van de afdeling Natuur VII-30.074-10/27 die niet worden bijgevoegd, dat de exploitatie de natuurwaarde en rust in een aanpalend natuurgebied, een Grote Eenheid Natuur (hierna : GEN), aantast; dat zij voorts van oordeel is dat wanneer een overheid zich niet aansluit bij een advies, zij een niet voor de hand liggende beslissing neemt waardoor in de formele motivering moet worden vermeld om welke afdoende reden het advies niet wordt gevolgd, dat een overheid haar beslissing afdoende moet motiveren op basis van een zorgvuldig onderzoek van de feiten en met inachtname van de motieven die aanleiding hebben gegeven tot een advies van een deskundig orgaan, dat het manifest onredelijk is om op deze wijze van deskundige adviezen af te wijken en geen vergunning te verlenen, dat de overheid bij het nemen van beslissingen zorgvuldig en consistent tewerk moet gaan en zich bij het nemen van beslissingen moet baseren op bestaande en relevante feiten en dat de burger mag vertrouwen op een consistent beslissingspatroon in hoofde van de overheid; dat de eerste verzoekende partij toelicht dat in het bestreden besluit wordt overwogen dat een opslagplaats van 20.000 ton gebroken en niet gebroken puin niet als een kleine opslagplaats kan worden gecatalogeerd conform de bestemming KMO-zone en ambachtelijke bedrijven, waardoor de inrichting niet verenigbaar is met de stedenbouwkundige bestemming, dat deze formulering incorrect, nietszeggend en minstens niet afdoende is om af te wijken van het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, de adviezen van de bevoegde stedenbouwkundige instanties en van de eerdere beslissing van de verwerende partij zelf, dat het niet bijvoegen van ongunstige adviezen waarnaar wordt verwezen, een schending van de formele motiveringsplicht inhoudt, dat deze adviezen bovendien incorrect lijken te zijn zodat het bestreden besluit deze niet kon bijvallen, dat zulks op de meest expliciete wijze blijkt uit de weerlegging van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, dat de redengeving van de verwerende partij bovendien niet bleek "te spelen" bij haar eerste beslissing van 5 oktober 2001 waarbij de eerste verzoekende partij op de meest expliciete wijze werd gestuurd richting een nieuwe vergunningsaanvraag; dat zij ten slotte stelt dat de verwerende partij in het bestreden besluit "duidelijk onvoldoende gemotiveerd" afwijkt van het voorstel van de "milieuvergunningscommissie", dat het bestreden besluit op onvolledige gegevens steunt daar het geen rekening houdt met de door haar, de provincie en de "adviserende instanties aangebrachte juridisch-technische argumentatie"; 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord van oordeel is dat het aangevoerde middel de rechtens vereiste feitelijke grondslag mist, dat het bestreden besluit uitvoerig motiveert waarom van het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt afgeweken en waarom het VII-30.074-11/27 advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen niet wordt gevolgd, dat het bestreden besluit terecht voorhoudt dat door de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen geen expliciete toetsing gebeurde van de bestaanbaarheid van de inrichting met het planologisch bestemmingsgebied en evenmin van de verenigbaarheid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving, dat de omstandigheid dat in vroegere adviezen de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen ook gunstig adviseerde, aan deze vaststelling geen afbreuk doet temeer deze adviezen en het thans voorliggend geschil niet ter zake zijn, aangezien zij bij de totstandkoming van het bestreden besluit niet werden betrokken; dat de verwerende partij voorts stelt dat het tweede weigeringsmotief betrekking heeft op het negatieve advies van de afdeling Natuur, dat in de aanhef van het bestreden besluit naar dit advies en het aanvullend advies wordt verwezen, dat beide adviezen zich in het administratief dossier bevinden en dat de verzoekende partij hiervan kennis kon nemen, dat van enige schending van de formele motiveringsplicht dan ook geen sprake is, dat het bestreden besluit terecht stelt dat het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie voorbijgaat aan het ongunstig advies van de afdeling Natuur; 3.2.3. Overwegende dat de eerste verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord toevoegt dat men in de laatste overwegingen van het bestreden besluit het volgende leest : "dat de gewestelijke milieuvergunningscommissie het ongunstige subadvies van de afdeling Natuur weerlegt door te stellen dat er, gelet op de aard van de milieuhinder (lawaaihinder, rustverstoring) en de afstand, geen significante negatieve impact te verwachten valt op de habitats en soorten in het dichtstbijzijnde habitatrichtlijngebied, noch voor het 23ste Europees Vogelrichtlijngebied, dat zich ongeveer op 6 km afstand van de inrichting bevindt dat dit echter ook de letterlijke conclusie was van de afdeling Natuur in haar advies van 8 januari 2003 en dat dit dus niet als weerlegging van het ongunstig advies kan beschouwd worden, gezien dit ongunstig advies op andere gronden was gesteund; dat de afdeling Natuur in haar 1e advies van 9 december 2002 immers ongunstig adviseerde omwille van de aantasting van de natuurwaarde en rust in het aanpalende natuurgebied, met name Rodebos en omgeving, zijnde een grote eenheid natuur; dat deze verstoring wordt geconcretiseerd in het subadvies van 8 januari 2003, waarin een aantal zeldzamer vogelsoorten worden aangehaald die een geschikte habitat vinden in het aanpalend natuurgebied; dat de afdeling Natuur op 8 januari 2003 het ongunstig advies van 9 december 2002 dan ook bevestigd; dat dit advies wordt bijgetreden"; dat zij hieruit afleidt dat, vooreerst, de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie het ongunstige subadvies van de afdeling Natuur weerlegt door het aanduiden van de beperkte impact van de aanvraag op de te beschermen gebieden, vervolgens, de VII-30.074-12/27 afdeling Natuur dit standpunt aangaf in haar advies van 8 januari 2003 en, ten slotte, het bestreden besluit stelt dat deze beoordeling geen uitstaans heeft met het negatieve standpunt van de afdeling Natuur daar deze nog andere beoordelingsgronden aangeeft waardoor er wel een stoornis zou zijn; dat zij van oordeel is dat deze bepaling zeer contradictorisch is, dat indien de afdeling Natuur immers zelf vaststelt dat er geen stoornis is wegens de afstand tot het vogelrichtlijn- en habitatgebied, het tegenstrijdig lijkt dat zij anderzijds wijst op de milieuhinder die onoverkomelijk zou zijn, dat dergelijke visie niet te bevatten is, dat niet aan de motiveringsplicht wordt tegemoetgekomen met betrekking tot de andere elementen die de afdeling Natuur in aanmerking zou nemen ten opzichte van de te vergunnen inrichting; 3.2.4. Overwegende dat de eerste verzoekende partij in haar laatste memorie stelt dat het bestreden besluit geen concrete afweging maakt, dat het enkel verwijst naar een arrest van de Raad van State omtrent een inrichting met gelijkaardige activiteiten, dat het bestreden besluit "lijkt aan te geven" dat, aangezien de Raad van State in een arrest aangaf dat het "verre van evident" is dat een mechanische behandeling tot 4.000 m 3 verenigbaar is met de gewestplanbestemming, zulks automatisch zo is ten aanzien van een opslagplaats van 10.000 m3, dat zulks geen afdoende motivering inhoudt, gelet op het feit dat de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen na een in concreto beoordeling wel tot een verenigbaarheid besloot, dat bij het citeren van een arrest niet mag worden voorbijgegaan aan het gegeven dat verschillende situaties niet zomaar gelijkgesteld mogen worden, dat het geciteerde arrest geen definitieve bewoordingen omtrent hoeveelheden aangeeft, dat de betreffende beslissing werd vernietigd aangezien de Raad van State van oordeel was dat de bestreden beslissing de motivering aangaande de verenigbaarheid steunde op twee overwegingen dewelke hiertoe niet in aanmerking kunnen komen, met name omdat de inrichting ver verwijderd is van woongebieden, er in de onmiddellijke omgeving enkel andere bedrijven staan, en de dichtstbijzijnde woning zich op ongeveer 350 meter bevindt zodat "de hinder ervan beperkt kan blijven"; 3.2.5. Overwegende dat het bestreden besluit een eerste weigeringsmotief bevat dat verband houdt met de ligging van de geplande inrichting in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's. volgens het toepasselijke gewestplan; dat de stedenbouwkundige beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag in de volgende motieven van het bestreden besluit wordt uitgedrukt : VII-30.074-13/27 VII-30.074-14/27 "dat de inrichting gelegen is in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's volgens het gewestplan 'Aarschot-Diest' vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 7 november 1978; dat deze gebieden volgens artikel 8.2.1.3 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen bestemd zijn voor kleine opslagplaatsen van goederen, gebruikte voertuigen en schroot, met uitzondering van afvalproducten van schadelijke aard; dat de aanvraag onder meer een opslagplaats voor gebroken en niet-gebroken beton- en mengpuin met een opslagcapaciteit van maximaal 10.000 m³ (20.000 ton) bevat; dat het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van 19 december 2002 concludeert dat de inrichting verenigbaar is met de voor het terrein geldende planologische voorschriften; dat echter geen expliciete toetsing gebeurde aan bovengenoemd stedenbouwkundig voorschrift; dat in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's enkel kleine opslagplaatsen van goederen toegelaten zijn; dat bezwaarlijk kan gesteld worden dat een opslagplaats van 20.000 ton gebroken en niet-gebroken puin nog als een kleine opslagplaats kan gecatalogeerd worden; dat in arrest nr. 111.396 van de Raad van State, voor een inrichting met gelijkaardige activiteiten, het volgende gesteld is : 'dat nochtans het verre van evident is dat een inrichting waarin onder meer inerte afvalstoffen van meer dan 1.000 m³ (tot 4.000 m³) waaronder bouwafval, mechanisch worden behandeld door middel van een breek- en zeefinstallatie, alsmede asfaltpuin mechanisch worden behandeld, wel verenigbaar is met het bestemmingsvoorschrift 'gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's'; ...'; dat de Raad van State aldus concludeert dat duidelijk moet geargumenteerd worden of een opslagplaats nog als 'kleine opslagplaats van goederen' kan bestempeld worden om de verenigbaarheid met het stedenbouwkundig voorschrift aan te tonen; dat deze vraag a fortiori moet gesteld worden voor een opslagplaats van 10.000 m³; dat moet geconcludeerd worden dat het hier niet meer gaat om een kleine opslagplaats en de gevraagde inrichting dus niet verenigbaar is met de bestemming als gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's; dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, dus niet verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften"; dat voornoemde motieven, die betrekking hebben op het voorwerp van de vergunningsaanvraag en de kenmerken van de aangevraagde activiteiten, niet stereotypisch of nietszeggend zijn; dat om aan de formele motiveringsplicht te voldoen, het voldoende is dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de adviezen in andersluidende zin niet worden gevolgd en de in beroep verdedigde stellingen niet worden aangenomen; dat het advies van de Gewestelijke Milieuvergunnings- commissie bij de "Gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid met de omgeving en de goede plaatselijke ordening" in algemene bewoordingen heeft overwogen dat "vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt verenigbaar is met de toepasselijke VII-30.074-15/27 ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften"; dat nergens in dat advies aandacht wordt besteed aan het concrete voorwerp van de vergunningsaanvraag; dat de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie op geen enkele manier uitdrukkelijk heeft gemotiveerd dat een opslagplaats voor 10.000 m3 inerte materialen verenigbaar is met de bestemming van een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's; dat, aangezien het bestreden besluit op deze punten wel is onderbouwd met concrete motieven, het besluit ook niet kan afwijken van het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie dat met betrekking tot de stedenbouwkundige beoordeling slechts een nietszeggende standaardformulering bevat; dat de door de eerste verzoekende partij aangehaalde adviezen van 24 augustus 2000 en 29 maart 2001 van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, niet zijn uitgebracht in het kader van de vergunningsprocedure die tot het thans bestreden besluit heeft geleid; dat de verwerende partij dan ook met die adviezen geen rekening moest houden; dat het advies van 19 december 2002 van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, uitgebracht in de onderhavige vergunningsprocedure, evenmin omstandig motiveert of de opslag van 10.000 m3 puin kan worden ingepast in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's; dat het bestreden besluit uitdrukkelijk ingaat op voornoemd advies en op een onderbouwde manier verantwoordt waarom dat gunstig advies niet wordt bijgetreden; dat de eerste verzoekende partij niet kan worden bijgevallen wanneer zij stelt dat, in een naar aanleiding van een voorgaande vergunningsaanvraag genomen beslissing van 5 oktober 2001, geen stedenbouwkundige bezwaren zijn geopperd tegen de exploitatie van de identieke inrichting ter plaatse; dat dit standpunt niet opgaat, alleen al op grond van de vaststelling dat de verwerende partij ter verantwoording van haar gewijzigd standpunt steun vindt in een arrest van de Raad van State dat werd gewezen na voornoemde beslissing van 5 oktober 2001; dat geen rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel er zich tegen verzet dat de vergunningverlenende overheid zich voor de interpretatie van de toepasselijke gewestplanvoorschriften laat leiden door de ter zake relevante arresten van de Raad van State, waardoor zij zich gebeurlijk niet gebonden acht door de zienswijze die werd uitgedrukt in eerdere beslissingen over een milieuvergunningsaanvraag; dat het bestreden besluit een tweede weigeringsmotief bevat dat als volgt luidt : "dat de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie het ongunstig subadvies van de afdeling Natuur weerlegt door te stellen dat er, gelet op de aard van de milieuhinder (lawaaihinder, rustverstoring) en de afstand, geen significante negatieve impact te verwachten valt op de habitats en soorten in het dichtstbijzijnde habitatrichtlijngebied, noch voor het 23ste Europees Vogelrichtlijngebied, dat zich ongeveer op 6 km afstand van de inrichting bevindt; dat dit echter ook de letterlijke conclusie was de afdeling Natuur in VII-30.074-16/27 haar advies van 8 januari 2003 en dat dit dus niet als weerlegging van het ongunstig advies kan beschouwd worden, gezien dit ongunstig advies op andere gronden was gesteund; dat de afdeling Natuur in haar 1e advies van 9 december 2002 immers ongunstig adviseerde omwille van de aantasting van de natuurwaarde en rust in het aanpalende natuurgebied, met name Rodebos en omgeving, zijnde een grote eenheid natuur; dat deze verstoring wordt geconcretiseerd in het subadvies van 8 januari 2003, waarin een aantal zeldzamere vogelsoorten worden aangehaald die een geschikte habitat vinden in het aanpalend natuurgebied; dat de afdeling Natuur op 8 januari 2003 het ongunstig advies van 9 december 2002 dan ook bevestigt; dat dit advies wordt bijgetreden"; dat wanneer een vergunningverlenende overheid concludeert dat de inrichting of de activiteiten afstuiten op een stedenbouwkundige onverenigbaardheid, zij de vergunning moet weigeren, aangezien het een gebonden bevoegdheid betreft, zodat eventuele bijkomende weigeringsmotieven een volstrekt overtollig karakter hebben; dat de eerste verzoekende partij geen voor de stedenbouwkundige toetsing van de vergunningsaanvraag relevant feitelijk gegeven aanduidt dat in feite onjuist zou zijn; dat alleen al om die reden, het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel moet worden verworpen; dat, gelet op wat voorafgaat, het tweede middel niet gegrond is; 3.3.1. Overwegende dat de eerste verzoekende partij in het derde middel de schending aanvoert van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van artikel 7.2. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : het inrichtingsbesluit), van de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, van het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht, het rechtszekerheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het beginsel "patere legem quam ipse fecisti", en van machtsoverschrijding; dat zij stelt dat de verwerende partij op grond van ondeugdelijke en niet-afdoende motieven heeft besloten tot de stedenbouwkundige onverenigbaarheid van een opslagplaats voor 10.000 m3 puin met de bestemming van gebied voor KMO' s en ambachtelijke bedrijven; dat zij van oordeel is dat de overheid die uitspraak moet doen over de vergunningsaanvraag naar recht en redelijkheid moet oordelen of de inrichting al dan niet een ambachtelijk bedrijf is, dat de overheid bij de beoordeling van de feitelijkheden talrijke beoordelingscriteria, zoals de hinderlijkheid, de grootte van de onderneming, de relatie tot de omgeving, de bestaande wegeninfrastructuur, de tewerkstelling, de aard van de productie en/of bewerking, de weerslag op het milieu en dergelijke in aanmerking moet nemen, dat dit niet is gebeurd, dat dit des te meer klemt aangezien dit conflicteert met de visie van de bevoegde stedenbouwkundige instanties en met de eerdere beslissing van de verwerende partij zelf; dat de eerste VII-30.074-17/27 verzoekende partij voorts stelt dat het duidelijk is dat omtrent de stedenbouwkundige bestaanbaarheid met het geldende bestemmingsvoorschrift een duidelijke positieve houding opzichtens haar bestaat, dat de houding van de stedenbouwkundige instanties bovendien het "privilège du préable" geniet, waardoor het advies omtrent de stedenbouwkundige verenigbaarheid en bestaanbaarheid als wettelijk vermoeden geldt, dat een afwijking alleen kan worden aanvaard onder de omstandigheden dat de overheid wettige motieven heeft om van het advies af te wijken en uit de formele motivering van het besluit blijkt op grond van welke precieze, juiste en pertinente motieven zij afwijkt van het advies, dat naast en omwille van de gebrekkige motivering ook duidelijk blijkt dat men in het bestreden besluit terugkomt op eerder ingenomen standpunten, dat zulks haak staat op de elementaire rechtszekerheid, dat de in dit middel aangehaalde beginselen van behoorlijk bestuur niet alleen worden miskend, dat tevens de bevoegdheid van de beslissingnemende overheid mateloos wordt overschreden, daar men zich in de plaats wenst te stellen van de stedenbouwkundige administratie; 3.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord de in dit middel gewraakte overweging uit het bestreden besluit citeert; dat deze overweging als volgt luidt : "Dat de inrichting gelegen is in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's volgens het gewestplan 'Aarschot-Diest' vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 7 november 1978; dat deze gebieden volgens artikel 8.2.1.3 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen bestemd zijn voor kleine opslagplaatsen van goederen, gebruikte voertuigen en schroot, met uitzondering van afvalproducten van schadelijke aard; dat de aanvraag onder meer een opslagplaats voor gebroken en niet-gebroken beton- en mengpuin met een opslagcapaciteit van maximaal 10.000 m³ (20.000 ton) bevat; dat het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van 19 december 2002 concludeert dat de inrichting verenigbaar is met de voor het terrein geldende planologische voorschriften; dat echter geen expliciete toetsing gebeurde aan bovengenoemd stedenbouwkundig voorschrift; dat in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's enkel kleine opslagplaatsen van goederen toegelaten zijn; dat bezwaarlijk kan gesteld worden dat een opslagplaats van 20.000 ton gebroken en niet-gebroken puin nog als een kleine opslagplaats kan gecatalogeerd worden; dat in arrest nr. 111.396 van de Raad van State, voor een inrichting met gelijkaardige activiteiten, het volgende gesteld is : dat nochtans het verre van evident is dat een inrichting waarin onder meer inerte afvalstoffen van meer dan 1.000 m³ (tot 4.000 m³) waaronder bouwafval, mechanisch worden behandeld door middel van een breek- en zeefinstallatie, alsmede asfaltpuin mechanisch worden behandeld, wel verenigbaar is met het bestemmingsvoorschrift 'gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's' ...'; dat de Raad van State aldus concludeert dat duidelijk moet geargumenteerd worden of een opslagplaats nog als 'kleine opslagplaats van goederen" kan bestempeld worden om de verenigbaarheid met het stedenbouwkundig VII-30.074-18/27 voorschrift aan te tonen; dat deze vraag a fortiori moet gesteld worden voor een opslagplaats van 10.000 m³; dat moet geconcludeerd worden dat het hier niet meer gaat om een kleine opslagplaats en de gevraagde inrichting dus niet verenigbaar is met de bestemming als gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's; dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, dus niet verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften"; dat zij stelt dat de in het bestreden besluit gedane vaststelling volstaat om tot de onbestaanbaarheid van de inrichting met het bestemmingsgebied "ambachtelijke bedrijven en KMO's" te besluiten, dat het niet meer nodig was om de weerslag en hinderlijkheid op het leefmilieu en de mens nader te onderzoeken, dat een dergelijke grote hoeveelheid niet anders dan een negatieve impact kan hebben op het leefklimaat van de omwonenden temeer daar in de onmiddellijke omgeving verscheidene woningen zijn gevestigd, dat het bestreden besluit derhalve terecht stelt dat een dergelijke inrichting niet bestaanbaar is met het bestemmingsvoorschrift van artikel 8.2.1.3. van het inrichtingsbesluit; 3.3.3. Overwegende dat de eerste verzoekende partij daarop repliceert dat de verwerende partij de bewijslast tracht te verleggen, dat de verwerende partij immers meent dat er geen argumentatie ten gronde wordt gevoerd tegen de vaststelling van de onbestaanbaarheid van de aanvraag, dat dergelijk argument niet opgaat aangezien de Raad van State zich immers over de weigering van de milieuvergunning moet uitspreken, dat hierbij een onderzoek wordt ingesteld naar de redelijkheid waarmee de verwerende partij deze beslissing heeft getroffen, dat één van de na te leven voorwaarden de motivering van de beslissing in rechte en in feite is, dat het bestreden besluit stelt dat de inrichting onbestaanbaar is met de planologische voorschriften en de onmiddellijke omgeving van het gebied, dat geen rekening werd gehouden met de gunstige adviezen van de meest gespecialiseerde administratie terzake, de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen, dat men bovendien volstrekt discretionair en niet naar aanleiding van een concreet onderzoek heeft geoordeeld dat deze aanvraag niet overeenkomt met artikel 8.2.1.3. van het inrichtingsbesluit, dat dit artikel als volgt luidt : "de gebieden voor ambachtelijke bedrijven en de gebieden voor kleine en middelgrote ondernemingen. Deze gebieden zijn mede bestemd voor kleine opslagplaatsen van goederen, gebruikte voertuigen en schroot, met uitzondering van afvalprodukten van schadelijke aard"; VII-30.074-19/27 dat de eerste verzoekende partij uit de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen als volgt citeert : "Er is niet verder bepaald op grond van welke criteria onderscheid moet worden gemaakt tussen de verschillende industrieën om ze te kunnen catalogeren als vervuilend, of milieubelastend, dan wel of ze van ambachtelijke aard zijn dan wel of het gaat om kleine of middelgrote ondernemingen. Bij de beoordeling zal men van feitelijkheden dienen uit te gaan. Talrijke beoordelingscriteria spelen hierbij een rol zoals de hinderijkheid, de grootte van de onderneming, de relatie tot de omgeving, de bestaande wegeninfrastructuur, de tewerkstelling, de aard van de productie of de bewerking, de weerslag op het leefmilieu en dergelijke. In verband met de hinderlijkheid kan men steunen op de gegevens met betrekking tot de milieuvergunning. Nochtans zijn deze hij de beoordeling van de hinderlijkheid niet noodzakelijkerwijze de enige criteria. Zo dient de hinderlijkheid van het bedrijf ten opzichte van zijn omgeving uit stedenbouwkundig oogpunt nagegaan te worden. Deze hinderlijkheid kan van allerlei aard zijn en zowel betrekking hebben op de vormgeving als op het gebruik van de materialen, of de hinderlijkheid uit verkeerstechnisch oogpunt (verkeersverwekker). Wat de 'gebieden voor ambachtelijke bedrijven en de gebieden voor kleine en middelgrote ondernemingen' betreft, wordt bij de beoordeling van de vraag of een bedrijf al dan niet als een ambachtelijk bedrijf of een kleine of middelgrote onderneming kan worden beschouwd, rekening gehouden met de omvang van het bedrijf en de aard van de activiteiten. Evenwel kunnen bepaalde onderdelen van een bedrijf zoals de parkeerplaats, de burelen, het sociaal gebouw, de werkplaats en het benzine- en dieselpompstation evengoed deel uitmaken van een grootschalig industrieel bedrijf als van een ambachtelijk bedrijf of een middelgrote onderneming. Zij kunnen dus in een zone voor zulke bedrijven en ondernemingen worden toegelaten indien ze onderdeel uitmaken van het bedrijf"; dat zij ten slotte stelt dat een dergelijke feitelijke afweging nooit werd gemaakt, waardoor de in dit middel aangehaalde bepalingen worden geschonden; 3.3.4. Overwegende dat de eerste verzoekende partij in haar laatste memorie verwijst naar de bespreking van het tweede middel omtrent het ontbreken van een concrete, zorgvuldige en redelijke beoordeling, minstens het ontbreken van een afdoende motivering dienaangaande; 3.3.5. Overwegende dat, in de mate dat het derde middel, waarin opnieuw wordt gesteld dat de stedenbouwkundige beoordeling van de vergunningsaanvraag louter gestoeld is op stijlformules waardoor op een niet gemotiveerde wijze wordt afgeweken van herhaalde gunstige adviezen van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen en van een eerdere vergunningsbeslissing van 5 oktober 2001, een herhaling vormt van het tweede VII-30.074-20/27 middel, volstaan kan worden met een verwijzing naar de bespreking van dat middel; dat uit de beoordeling van het tweede middel volgt dat de weigering van de vergunning in essentie is gesteund op het standpunt dat een opslagplaats voor 10.000 m3 beton- en mengpuin in stedenbouwkundig opzicht niet kan worden toegelaten in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's, meer in het bijzonder omdat een opslagplaats van dergelijke omvang niet als "klein" kan worden bestempeld; dat, aangezien het antwoord op de vraag of de beoogde inrichting al dan niet valt onder de begrippen ambachtelijke bedrijven of kleine en middelgrote ondernemingen, zoals bedoeld in artikel 8.2.1.3. van het inrichtingsbesluit, geen kwestie is van appreciatie door de vergunningverlenende overheid maar van interpretatie van de voorschriften van het inrichtingsbesluit, het redelijkheidsbeginsel aldus niet terzake doet; dat de eerste verzoekende partij niet aantoont dat de overweging dat de opslag voor in totaal 10.000 m3 stoffen niet als "klein" te beschouwen is, op een verkeerde interpretatie van het inrichtingsbesluit berust; dat het standpunt van de verwerende partij overigens in de lijn van 's Raads rechtspraak ligt waarbij wordt geoordeeld dat het "verre van evident" is dat een inrichting waarin onder meer inerte afvalstoffen van meer dan 1.000 m3 tot 4.000 m3, waaronder bouwafval, mechanisch worden behandeld door middel van een breek- en zeefinstallatie, alsmede asfaltpuin mechanisch wordt behandeld, wel verenigbaar is met het bestemmingsvoorschrift "gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO' s"; dat de eerste verzoekende partij aldus niet bewijst dat een sorteer- en breekinstallatie voor inerte materialen en de bijhorende opslagplaatsen voor beton- en mengpuin beschouwd moeten worden als een ambachtelijk bedrijf; dat de eerste verzoekende partij zich niet nuttig kan beroepen op voornoemde omzendbrief van 8 juli 1997, enerzijds omdat deze omzendbrief geen verordenend karakter heeft en, anderzijds, omdat de inhoud van die omzendbrief de interpretatie die de verwerende partij heeft gegeven van het begrip "kleine opslagplaats" niet uitdrukkelijk tegenspreekt; dat voornoemde omzendbrief van 8 juli 1997 niet verbiedt dat de vergunningverlenende overheid op grond van één essentieel kenmerk van de inrichting besluit tot de niet-verenigbaarheid met de gewestplanbestemming gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's, op voorwaarde dat het weerhouden kenmerk op zich afdoende is om de niet-verenigbaarheid te schragen; dat voorts uit niets blijkt dat de verwerende partij enige concrete toezegging heeft gedaan dat de gevraagde milieuvergunning zou worden verleend; dat, integendeel, uit het feit dat eerdere aanvragen met een vergelijkbaar voorwerp telkens op weigeringsbeslissingen zijn uitgelopen, bezwaarlijk de verwachting kan worden geput dat een nieuwe vergunningsaanvraag zal worden ingewilligd; dat men bovendien aan de verwerende partij niet kan verwijten dat zij is teruggekomen op VII-30.074-21/27 eerdere standpunten, aangezien deze standpunten slechts te vinden zijn in niet- bindende adviezen van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen; dat het vertrouwensbeginsel derhalve niet is geschonden; dat een overheid die uitspraak moet doen over een milieuvergunninsgaanvraag verplicht is om de aanvraag te toetsen aan de geldende stedenbouwkundige voorschriften; dat door zulks te doen, met een eventuele milieuvergunningsweigering tot gevolg, de vergunningverlenende overheid zich geenszins in de plaats stelt van de stedenbouwkundige overheid die advies verleent over de stedenbouwkundige aspecten van de zaak; dat een vergunningverlenende overheid haar bevoegdheid derhalve niet overschrijdt wanneer ze zich in haar uitspraak over een vergunningsaanvraag niet aansluit bij de niet-bindende adviezen van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen; dat aan voornoemde adviesverlenende instantie immers geen enkele beslissingsbevoegdheid is opgedragen; dat het derde middel niet gegrond is; 3.4.1. Overwegende dat de eerste verzoekende partij in het vierde middel de schending aanvoert van de artikelen 9 en 20 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna : natuurbehouddecreet), van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, van het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel "patere legem quam ipse fecisti", de motiveringsplicht, het rechtszekerheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel; dat zij stelt dat het bestreden besluit op basis van de subadviezen van de afdeling Natuur, die niet worden bijgevoegd, schijnt te stellen dat de exploitatie, de natuurwaarde, rust en een aanpalend natuurgebied, een GEN, aantast, terwijl artikel 9 van het natuurbehouddecreet uitdrukkelijk bepaalt dat maatregelen omtrent het natuurbehoud niet mogen conflicteren met de uitvoeringsplannen en de planologische bestemming; dat zij van oordeel is dat vergunningsbeslissingen een grondige belangenafweging moeten omvatten geënt op het leefmilieu maar ook op sociaal-economische factoren, dat de overheid bij het nemen van beslissingen zorgvuldig en consistent tewerk moet gaan en zich bij het nemen van beslissingen moet baseren op bestaande en relevante feiten; dat de eerste verzoekende partij toelicht dat de desbetreffende adviezen, voor zover zulks kan worden afgeleid uit het bestreden besluit, incorrect lijken te zijn zodat het bestreden besluit deze niet kon bijvallen, dat zulks op de meest expliciete wijze blijkt uit de weerlegging van het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, dat in het bestreden besluit deze argumentatie niet wordt bijgetreden omdat volgens de verwerende partij de nadelen die in het advies van de afdeling Natuur naar voren VII-30.074-22/27 kwamen niet op de ligging opzichtens het habitat- en vogelrichtlijngebied zijn gestoeld, doch wel op de algemene rustverstoring met betrekking tot het Rodebos en omgeving, zijnde een GEN, dat vervolgens in het bestreden besluit wordt opgemerkt dat dit advies met betrekking tot voornoemde opmerking thans wordt bijgetreden, dat dergelijke houding niet kan worden begrepen daar zij manifest in strijd is met de bepalingen van het natuurbehouddecreet, dat in dit decreet, onder de algemene doelstellingen van het natuurbeleid, wordt bepaald dat alle nodige maatregelen moeten worden ondernomen teneinde de milieukwaliteit te vrijwaren en het stand-stillprincipe te garanderen, dat zulks zich desalniettemin dient te verstaan met de uitvoeringsplannen dewelke van kracht zijn voor het gebied, dat geen handelingen kunnen worden verboden dewelke overeenkomstig de plannen van aanleg kunnen worden uitgevoerd binnen de stedenbouwkundige bestemming, dat artikel 20 van voornoemd decreet bepaalt dat als GEN kunnen worden aangeduid: "de groengebieden, parkgebieden, buffergebieden, bosgebieden, gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen met overdruk overstromingsgebied, wachtbekkens en militaire domeinen", dat de bijzondere regels binnen het GEN-gebied moeten worden gerespecteerd, dat eens men uit dit gebied is, men de algemene en principiële regels van het natuurbehoud moet bewaren, dat in die context moet worden vastgesteld dat men geen handelingen kan verbieden dewelke er volgens de stedenbouwkundige bestemming kunnen plaatsvinden, dat deze stelling er in deze toe leidt dat men inderdaad het GEN-gebied heeft dat op enige afstand paalt aan het KMO-gebied waarin de inrichting is gevestigd, dat binnen dit gebied de inrichting haar bestaanbaarheid heeft daar haar activiteiten zich lenen binnen een dergelijk gebied gevestigd te zijn, dat men aldus niet kan stellen dat het GEN verder moet worden beschermd dan de meest algemene regels in het natuurbehouddecreet; dat de eerste verzoekende partij voorts van oordeel is dat in het bestreden besluit de negatieve beslissing louter en alleen wordt gestoeld op het argument van de rustverstoring voor dit GEN-gebied, dat men nochtans geen verder in concreto onderzoek naar deze hinderaspecten heeft gepleegd, dat men minstens de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen heeft miskend; dat zij uit voornoemde omzendbrief als volgt citeert : VII-30.074-23/27 "2. De industriële gebieden omvatten een bufferzone.
  10. a)De hier bedoelde bufferzone is onafhankelijk van de bufferzone die op het ontwerp-gewestplan is aangeduid in toepassing van artikel 14.4.5. In het huidig geval gaat het niet om een zelfstandig bestemmingsgebied maar betreft het een strook binnen het industriegebied met een hoofdzakelijk esthetische en stedenbouwkundige functie. Om die reden moet ze aangebracht worden op het industriegebied zelf.
  11. b)De breedte en de aanleg van de bufferzone is afhankelijk van de oppervlakte en de vorm van het industriegebied zelf, van de aard van de industrieën, van de eigenlijke hinderlijkheid ervan en van de bestemming van de aanpalende gebieden. De bufferzones dienen te worden bepaald in de bouwvergunning, verleend voor de randpercelen van het gebied, of in het indelingsplan dat opgesteld wordt naar aanleiding van een onteigeningsplan, of in een bijzonder plan van aanleg van het gebied. Bouwvergunningen voor de oprichting van een industrieel of ambachtelijk bedrijf zijn onwettig indien zij niet voorzien in de aanleg van een bufferzone, of indien de bufferzone waarin zij voorzien ontoereikend is. Rondom de industriezones en ambachtelijke zones dient (op de aldus aangeduide zone) een bufferstrook aangelegd te worden waarvoor als breedte volgende cijfers als richtinggevend kunnen worden vooropgesteld : 15 m voor ambachtelijke bedrijven; 25 m voor milieubelastende bedrijven; 50 m voor vervuilende industrie. Wanneer zij palen aan woongebieden moeten deze breedten vergroot en zelfs verdubbeld worden. De breedte en de aanleg van de bufferstroken tussen de bedrijven zelf betreffen een technisch stedenbouwkundige aan gelegenheid. Zij worden bepaald bij de vaststelling van een plan van aanleg van de industriezone, bij een indelingsplan naar aanleiding van een onteigeningsplan, of bij de goedkeuring van een bouwvergunning"; dat zij voorts aanvoert dat aldus voor elk industriegebied moet worden voorzien in een bufferzone die de verstoring van rust voor de aanpalende percelen en gebieden dient tegen te gaan, dat men in deze, ondanks het feit dat men de rustverstoring als hoofdargument tot weigering van de vergunning aanvoert, geenszins de afweging naar de bufferzone heeft gemaakt, dat dit nochtans een essentieel bestanddeel is van de redelijke en zorgvuldige belangenafweging die terzake moest plaatsvinden, dat men hier echter aan verzaakt heeft, dat de redengeving van de verwerende partij bovendien niet bleek te spelen bij haar eerste beslissing van 5 oktober 2001 waarbij de eerste verzoekende partij op de meest expliciete wijze werd gestuurd richting een nieuwe vergunningsaanvraag, dat het vertrouwensbeginsel door het thans bestreden besluit volstrekt op de helling wordt gezet; 3.4.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat in het advies van de afdeling Natuur van 9 december 2002, waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen, onder meer het volgende staat te lezen : VII-30.074-24/27 "De percelen waarop de vergunning betrekking heeft zijn gelegen in een ambachtelijke zone van het gewestplan. Deze zone paalt ten westen onmiddellijk aan een natuurgebied van het gewestplan, met name Rodebos en omgeving. Dit is een grote eenheid natuur, grotendeels gelegen op het grondgebied van de provincie Limburg. Het uitbaten van een breekinstallatie en het transport en opslaan van inerte materialen zal een blijvende lawaaihinder veroorzaken tot in het natuurgebied. In aanpalende percelen, deels in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, deels in natuurgebied gelegen, bevindt zich een grote opslagplaats van bouwstoffen en containers. Volgens het beroepschrift van de omwonenden werd hier meermaals klacht tegen ingediend, echter zonder gevolg. Op basis van bovengenoemde gegevens is de afdeling Natuur van oordeel dat door het verlenen van deze vergunning de natuurwaarde en rust van het aanpalende natuurgebied nog meer zal aangetast worden"; dat zij stelt dat het bestreden besluit dit advies bijvalt en hierin een bijkomend argument vindt om de milieuvergunningsaanvraag te weigeren, dat, rekening houdend met de omvang van de gevraagde opslagcapaciteit, de transporten en de exploitatie van de breekinstallatie, het niet onredelijk lijkt om hieruit te besluiten dat de voorgenomen exploitatie de natuurwaarde en de rust van het aanpalend natuurgebied verder zal aantasten temeer daar het natuurgebied reeds belast is door de actuele exploitatie van het aannemingsbedrijf en de hiermee gepaard gaande opslag van inert afvalmateriaal en containers, dat de aanwezigheid van het aanpalend natuurgebied als gegeven in de beoordeling van de aanvraag mag worden betrokken, dat hierdoor de in het middel aangehaalde decretale bepalingen niet worden geschonden, dat het feit dat het aangevochten besluit bij zijn beoordeling niet expliciet rekening heeft gehouden met een bufferzone, niet wegneemt dat bij de beoordeling van de hinder ingevolge de exploitatie met de aanleg van een bufferzone geen rekening werd gehouden, dat er immers ook in de toelichtende nota, overhandigd op de hoorzitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, sprake is van het aanleggen van buffers door opslag van inert materiaal en met een groenscherm; dat de verwerende partij ten slotte opmerkt dat het weigeringsmotief met betrekking tot de aantasting van de natuurwaarde en de rust in het aanpalend natuurgebied een motief ten overvloede is zodat het gebeurlijk onwettig bevinden van dit motief geen weerslag heeft op de wettigheid van de weigeringsbeslissing, nu hoe dan ook het motief van de planologische onbestaanbaarheid overeind blijft; 3.4.3. Overwegende dat de eerste verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat de verwerende partij haar onzorgvuldige houding ten opzichte van huidig dossier tracht te vergoelijken, dat de visie van de verwerende partij niet strookt met de motiveringverplichting terzake, evenmin met de afweging van de verenigbaarheid van de aanvraag met de plaatselijke omgeving, dat steeds VII-30.074-25/27 bufferzones worden voorzien teneinde industriegebieden in te kapselen en hun omgevingsstoornis tot een minimum te herleiden, dat men in casu zelfs niet in de minste mate heeft onderzocht of een dergelijke buffering hier enige invloed zou hebben op de aanvraag, dat zulks nogmaals blijkt uit de weerlegging van huidig middel door de verwerende partij, dat zij immers enkel naar het advies van de afdeling Natuur verwijst, dat de verwerende partij maar al te goed weet dat men op grond van de in het middel aangehaalde bepalingen uit het natuurbehouddecreet inderdaad geen planologische bestemming kan, noch mag beperken, dat indien hiertoe een risico bestaat, men moet onderzoeken of eventuele beperkende maatregelen in deze een oplossing kunnen bieden, dat de verwerende partij dit heeft verzuimd; 3.4.4. Overwegende dat het vierde middel gericht is tegen het motief aangaande de weerslag van de geplande activiteiten op het aanpalende natuurgebied "Rodebos"; dat uit de bespreking van het tweede middel genoegzaam blijkt dat dit motief een volstrekt overtollig motief is; dat de vaststelling dat de aanvraag niet verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften immers op zich voldoende is om de weigering van de milieuvergunning te schragen; dat dit middel derhalve niet tot de nietigverklaring van het bestreden besluit kan leiden, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. VII-30.074-26/27 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig januari tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, E. BREWAEYS , staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-30.074-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.899 Gerelateerde publicatie(
  12. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.124.299 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.