← België

Arrest 178900 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 24/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.900 Rolnummer: A. 129159/VII-28346 Zaak: Arrest 178900 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 24/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-04 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:32 Fiche Arrest nr 178.900 van 24 januari 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.900 van 24 januari 2008 in de zaak A. 129.159/VII-28.

  1. In zake : het ALGEMEEN STEDELIJK ZIEKENHUIS, dat woonplaats kiest bij advocaat E. VANDEN BRANDE, kantoor houdende te BRUSSEL, Sint-Michielslaan 55, bus 10 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
  2. tussenkomende partijen :
  3. het A.Z. SINT-ELISABETH, dat woonplaats kiest bij advocaten F. DEWALLENS en R. VAN GOETHEM, kantoor houdende te LEUVEN, Bondgenotenlaan 138,
  4. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaten P. LEGROS en J. SOHIER, kantoor houdende te BRUSSEL, Emile de Motlaan
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat het ALGEMEEN STEDELIJK ZIEKENHUIS op 8 november 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van : "de beslissing van de Vlaamse Minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen dd. 9 september 2002 (...) waarbij in het kader van een groepsgewijze behandeling planningsvergunningen worden toegekend voor de exploitatie van een aantal functies 'Mobiele Interventiegroep' (MUG) (met uitputting van het aantal vergunningen dat voor het Vlaamse Gewest kan worden afgeleverd) en waarbij impliciet maar zeker beslist wordt dat geen planningsvergunning kan toegekend worden aan verzoekster voor de exploitatie van een dergelijke dienst voor zijn campus Geraardsbergen" VII-28.346-1/13 en "voor zover als noodzakelijk en gelet op het beperkt aantal planningsvergun- ningen die in het kader van de programmatie konden afgeleverd worden, (van) de toewijzing van een planningsvergoeding aan het ziekenhuis te Zottegem" en "bijkomend, en voor zover als nodig, (...) van de beslissing van de Vlaamse Minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen van 23.10.2002 waarbij de weigering van het verlenen van een planningsvergoeding bevestigd wordt"; Gelet op het arrest nr. 124.556 van 23 oktober 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien de verzoekschriften tot tussenkomst van respectievelijk 30 december 2003 en 9 januari 2004; Gelet op de beschikkingen van 27 januari 2004 die de tussenkomsten van het A.Z. SINT-ELISABETH en van de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid toelaten; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 19 december 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 5 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 november 2007; VII-28.346-2/13 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. VANDEN BRANDE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de verwerende partij, van advocaat J. BALLET die, loco advocaat F. DEWALLENS verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en van advocaat M. DE KEUKELAERE die, loco advocaten P. LEGROS en J. SOHIER verschijnt voor de tweede tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT
  6. De rechtspleging De verzoekende partij heeft een tweede "memorie van wederant- woord" ingediend. Een dergelijk stuk is niet voorzien in het procedurereglement en moet om die reden uit de debatten worden geweerd.
  7. Het juridisch kader De verzoekende partij beoogt een zogenaamde "planningsvergun- ning" voor de opname in de programmatie van een "mobiele urgentiegroep" te verkrijgen. Om een dergelijke planningsvergunning te verkrijgen moet enerzijds worden voldaan aan de erkenningsnormen en anderzijds aan programma- tiecriteria. De erkenningsnormen zijn vastgelegd in het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "mobiele urgentiegroep" (MUG) moet voldoen om te worden erkend. De program- matiecriteria zijn vastgelegd in het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot vaststelling van de programmatiecriteria die van toepassing zijn op de functie VII-28.346-3/13 "mobiele urgentiegroep" (MUG). De planningsvergunning wordt verleend door de Vlaamse Gemeenschap, volgens een procedure die is vastgelegd in een besluit van de Vlaamse regering van 18 februari 1997 tot vaststelling van de procedure voor de erkenning en de sluiting van ziekenhuizen, ziekenhuisdiensten, onderdelen van ziekenhuizen en samenwerkingsvormen. De functie "mobiele urgentiegroep" is per definitie nauw verbonden met de dringende geneeskundige hulpverlening. De dringende genees- kundige hulpverlening dient te worden opgevat als een aangelegenheid op zich waarvoor de federale wetgever, bij ontstentenis van een uitdrukkelijke toewijzing, bevoegd is gebleven. Deze is geregeld bij de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening en door het koninklijk besluit van 2 april 1965 houdende vaststelling van de modaliteiten tot inrichting van de dringende geneeskundige hulpverlening en houdende aanwijzing van gemeenten als centra van het eenvormig oproepstelsel. Artikel 6bis, §1, van dat koninklijk besluit bepaalt ten tijde van de bestreden beslissingen : "Art. 6bis. §
  8. De Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, neemt de functies 'mobiele urgentiegroep' op in de werking van de dringende geneeskundige hulpverlening voorzover deze voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° Tegelijkertijd worden de bedoelde functies erkend door de bevoegde overheid, bij toepassing van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie 'mobiele urgentie- groep' (MUG) moeten voldoen om te worden erkend; 2° De doelstellingen van de wet van 8 juli 1964 en diens uitvoeringsbesluiten, zoals inzonderheid het waarborgen van een onmiddellijke verzorging aan het slachtoffer of de zieken, het bestrijken door de interventiezones van het volledige gebied van het Rijk dienen te worden nageleefd; 3° Onverminderd de programmatiecriteria die van toepassing zijn op de functie ' mobiele urgentiegroep' , dient een optimale spreiding te worden gegarandeerd opdat een zo groot mogelijk gedeelte van de bevolking via de weg en aan de maximum toegelaten snelheid kan worden bereikt binnen een tijdsspanne van 10 minuten en, subsidiair, een zo klein mogelijk gedeelte van de bevolking op dezelfde wijze niet kan worden bereikt binnen een tijdsspanne van meer dan 15 minuten. Bij de opname in de dringende geneeskundige hulpverlening, bepaalt de Minister de vertrekplaats en de interventiezone van bedoelde mobiele urgentiegroep". De financiering is een federale bevoegdheid gebleven. Binnen de programmatie worden de functies MUG gefinancierd vanuit de federale begroting. Deze financiering was tot 1 juli 2002 geregeld door het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 houdende bepaling van de voorwaarden en regelen voor de VII-28.346-4/13 vaststelling van de verpleegdagprijs, van het budget en de onderscheidene bestanddelen ervan, alsmede van de regelen voor de vergelijking van de kosten en voor de vaststelling van het quotum van verpleegdagen voor de ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten. Bij artikel 18 van het ministerieel besluit van 30 december 1998 wordt aan artikel 48 van het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 met ingang van 1 januari 1999 een paragraaf 22 toegevoegd, die als volgt luidt : "§
  9. Teneinde de erkende MUG-functie te financieren, wordt een forfaitair bedrag van 2.500.000 frank toegekend. Het behoud van deze financiering is afhankelijk van het verzamelen en overzenden van de gegevens met betrekking tot de activiteit van de MUG- functie overeenkomstig de richtlijnen van de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft en de Minister die de vaststelling van het budget van financiële middelen onder zijn bevoegdheid heeft". Het forfaitair bedrag van 2.500.000 BEF vermeld in paragraaf 22, eerste lid, wordt bij ministerieel besluit van 23 december 1999, met ingang van 1 januari 2000, opgetrokken tot 8.500.000 BEF. Het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 wordt met ingang van 1 juli 2002 opgeheven door het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen. Luidens dit koninklijk besluit maakt de financiering van de MUG deel uit van het onderdeel B4 waarin de middelen zijn opgenomen die forfaitair lasten dekken (artikel 15). De modaliteiten en voorwaarden voor financiering van de MUG's zijn verder uitgewerkt in de artikelen 55 en
  10. De feiten De verzoekende partij is een fusieziekenhuis met campussen te Aalst, Wetteren en Geraardsbergen. Op de campussen Aalst en Geraardsbergen beschikt zij over een erkende functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg". Die functie wordt voor de campus Geraardsbergen erkend door een ministerieel besluit van 8 november
  11. De erkenning liep tot 31 december 1999, doch werd verlengd. Met een ministerieel besluit van 7 november 2001 wordt aan de verzoekende partij een erkenning voor de functie gespecialiseerde spoedgevallenzorg verleend voor de campus Aalst en voor de campus Geraardsbergen, voor de periode vanaf 1 januari 2001 tot en met 31 maart 2006, met dien verstande evenwel dat overeenkomstig artikel 2 van het erkenningsbesluit vanaf 8 februari 2003 de functie VII-28.346-5/13 gespecialiseerde spoedgevallenzorg dient te worden geconcentreerd op één campus van het fusieziekenhuis. Uit een ministerieel besluit van 19 januari 2000 tot opname van de erkende functies gespecialiseerde spoedgevallenzorg in de dringende geneeskundige hulpverlening blijkt dat de functie van het O.L.-Vrouw Ziekenhuis te Geraardsbergen is opgenomen in de werking van de dringende geneeskundige hulpverlening, met toepassing van artikel 6 van het koninklijk besluit van 2 april 1965 houdende vaststelling van de modaliteiten tot inrichting van de dringende geneeskundige hulpverlening en houdende aanwijzing van de gemeenten als centra van het eenvormig oproepstelsel. Door de verwerende partij wordt overgegaan tot een groepsgewijze toekenning van de programmatievergunningen voor de functie "mobiele urgentiegroep". In het kader van de toekenning van die programmatievergunning- en schrijft de federale minister van Volksgezondheid aan de afdeling Verzorgings- voorzieningen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap op 26 juli 2002 een brief waarmee een lijst van ziekenhuizen wordt overgemaakt die voor het Vlaamse Gewest werden geprogrammeerd voor het uitbaten van een functie "mobiele urgentiegroep" (MUG-functie). Voor Oost-Vlaanderen worden op de lijst onder meer vermeld: (gezamenlijk) het OLV Ziekenhuis Aalst en het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis te Aalst, en het Algemeen Ziekenhuis Sint-Elisabeth te Zottegem. Het ziekenhuis van Geraardsbergen wordt niet vermeld op de lijst. In een schrijven van 9 september 2002 deelt de Vlaamse minister van Welzijn, Gelijke kansen en Ontwikkelingssamenwerking aan de federale minister van Volksgezondheid onder meer mee: "Ik ben mij uitermate bewust van de hoogdringendheid van dit dossier om redenen van financiering voor de sector. Daarom heb ik besloten af te wijken van de normale erkenningsprocedure en alle functies die op heden operationeel zijn een beperkte administratieve erkenning te verlenen, zonder enige vorm van onderzoek. Een grondig onderzoek inzake conformiteiten met de wettelijke regelgeving zal gebeuren in de loop van het jaar 2003". Op dezelfde datum deelt dezelfde minister aan de verzoekende partij in essentie mee dat een vergunning wordt verleend voor de opname in de programmatie van de functie "mobiele urgentiegroep" voor het Onze-LieveVrouwziekenhuis te Aalst (Campus Aalst) en het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis te Aalst (Campus Aalst), in associatie en via alternerende werking. In die VII-28.346-6/13 brief worden ook onder meer de modaliteiten van de vergunning besproken, wordt er verwezen naar de nominatieve en limitatieve lijst van de voorzieningen die in aanmerking komen voor de toewijzing van MUG-functies, die door de federale minister werd opgesteld, en wordt er op gewezen dat de toegekende planningsver- gunning reeds rekening houdt met de aanpassing van het programmabesluit voor de functie "mobiele urgentiegroep". Met een brief van 23 september 2002 vraagt de verzoekende partij aan de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke kansen en Ontwikkelingssamenwerking om eveneens een planningsvergunning te verlenen voor de campus Geraardsbergen, en met een brief van 27 september 2002 wordt nogmaals geargumenteerd waarom de campus Geraardsbergen in aanmerking komt voor een planningsvergunning. Op 23 oktober 2002 deelt de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke kansen en Ontwikkelingssamenwerking aan de verzoekende partij onder meer mee wat volgt : "Gelet op het feit dat u beide brieven ook aan het federale ministerie van Volksgezondheid heeft gestuurd ligt het binnen mijn verwachtingen dat u van deze instantie antwoord zal krijgen op uw vraag waarom de campus Geraardsbergen van het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis niet werd weerhouden op de lijst van voorzieningen die in aanmerking komen voor de toewijzing van een functie 'mobiele urgentiegroep'. Het is correct dat de planningsvergunningen werden afgeleverd voor de publicatiedatum van het gewijzigd programmatiebesluit op 26 september
  12. Ik nam deze beslissing op basis van twee redenen:
  13. Bovenvermelde lijst werd mij door de federale overheid via een schrijven d.d. 26 juli 2002 bezorgd. De federale overheid verzekerde mij dat deze lijst, opgesteld op basis van de nieuwe programmatiecriteria, definitief was en dat hieraan geen wijzigingen zouden gebeuren. (Sindsdien zijn inderdaad ook geen wijzigingen op deze lijst aangebracht.) Op basis van deze lijst werden de planningsvergunningen opgesteld.
  14. Het is mijn betrachting om de functies die reeds geruime tijd actief zijn, zo spoedig mogelijk te erkennen zodat deze eindelijk een financiële vergoeding kunnen krijgen. Om dit te bekomen heb ik beslist af te wijken van de normale erkenningsprocedure. Iedere functie die op heden reeds actief is, krijgt een beperkte administratieve erkenning, waarbinnen het onderzoek inzake erkenningsnormen zal gebeuren. De planningsvergunningen, waarin duidelijk wordt aangegeven dat deze rekening houden met de gewijzigde programmatiecriteria, werden op datum van 09 september 2002 aan alle voorzieningen die in aanmerking komen voor de toewijzing van een functie 'mobiele urgentiegroep' bezorgd. Immers, door de federale overheid werd gesteld dat de erkenningsbesluiten uiterlijk tegen 01 oktober 2002 aan de dienst 'boekhouding en beheer van de ziekenhuizen' dienden te worden bezorgd, wilde men er in slagen om de functies met ingang van 01 januari 2003 te kunnen financieren. Ondanks een laattijdige publicatie van het wijzigingsbesluit van de programmatiecriteria, zal ik alsnog alles in het werk stellen om de erkenningen van de functies zo spoedig mogelijk af te VII-28.346-7/13 leveren en afschrift te bezorgen aan de dienst 'boekhouding en beheer van de ziekenhuizen'. Ik deel uw bezorgdheid inzake het verdwijnen van de functie 'gespecialiseer- de spoedgevallenzorg' op de campus Geraardsbergen. Ik kan u echter melden dat ik mijn administratie opdracht heb gegeven tot het globaliseren van de mogelijke problemen die kunnen ontstaan door het fusiebesluit, waarbij een aantal functies 'eerste opvang van spoedgevallen' en een aantal functies 'gespecialiseerde spoedgevallenzorg' zouden moeten worden gesloten in Vlaanderen. Via een schrijven aan de heer Tavernier, federaal minister van Volksgezondheid en bevoegd voor deze wetgeving, zal ik het probleem signaleren en vragen hiervoor spoedig de passende oplossingen te bieden".
  15. De ontvankelijkheid 4.1.
  16. In het verzoekschrift tot nietigverklaring vordert de verzoekende partij onder meer "bijkomend, en voor zover als nodig, (...) de vernietiging van de beslissing van de Vlaamse Minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen van 23.10.2002 waarbij de weigering van het verlenen van een planningsvergoeding bevestigd wordt". 4.1.
  17. Als louter bevestigende beslissing vormt deze akte geen voor vernietiging vatbare rechtshandeling. De vordering is onontvankelijk in de mate dat zij op deze akte betrekking heeft. 4.2.
  18. In haar verzoekschrift tot tussenkomst werpt de eerste tussenkomende partij enkele excepties op. 4.2.
  19. In haar memorie tot tussenkomst vraagt deze partij evenwel "de vordering tot nietigverklaring als ontvankelijk, doch ongegrond te verwerpen". Deze vraag kan enkel begrepen worden als een impliciete afstand van de opgeworpen excepties.
  20. Ten gronde 5.
  21. De verzoekende partij roept in haar verzoekschrift als enig middel, samengevat, de schending in van het besluit van de Vlaamse regering van 18 februari 1997 tot vaststelling van de procedure voor het verkrijgen van een planningsvergun- ning voor intramurale en transmurale voorzieningen in de gezondheidszorgen, van artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "mobiele urgentiegroep" dient te voldoen om te worden erkend, van artikel 6bis van het koninklijk besluit van 2 april 1965 houdende vaststelling van de modaliteiten tot inrichting van de dringende geneeskundige hulpverlening en houdende aanwijzing van de gemeenten als centra van het VII-28.346-8/13 eenvormig omroepstelsel, van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot vaststelling van de programmatiecriteria die van toepassing zijn op de functie "mobiele urgentiegroep" (MUG) en, "voor zover als nodig", van het koninklijk besluit van 20 september 2002 tot vaststelling van de nadere regelen inzake het maximumaantal en tot vaststelling van de programmatiecriteria die van toepassing zijn op de functie "mobi(e)le urgentiegroep", "DOORDAT De bestreden beslissingen, door een exhaustieve invulling van de ziekenhuizen die opgenomen zijn in de programmatiecriteria, voor de functie 'mobiele urgentiegroep', de ziekenhuiscampus geëxploiteerd door verzoekster uit de programmatie 'mobiele urgentiegroep' uitsluit. TERWIJL

(1)De beslissing tot uitsluiting uit de programmatiecriteria genomen werd met volkomen miskenning van de procedure zoals vastgelegd in het besluit van de Vlaamse Regering van 18/02/97
(2)De beslissing enkel steunt op een niet wettelijk tot stand gekomen lijst van de MUG-functies die opgenomen zijn in de werking van de dringende geneeskundige hulpverlening, lijst die ook tot stand gekomen is met miskenning van de bepaling van art. 6bis van het K.B. van 2 april 1965
(3)De beslissing steunt op programmatiecriteria die pas vastgelegd werden bij K.B. van 20 september 2002, d.w.z. na de bestreden beslissing en bovendien niet in overeenstemming is met de criteria bepaald in dit K.B., met name art. 2 § 1 dat bepaald dat indien in een arrondissement meerdere ziekenhuizen zich kandidaat stellen voor de erkenning van een functie de erkenning geschiedt in de gemeente met het grootste aantal inwoners". 5.
  1. In de memorie van antwoord betoogt de verwerende partij dat de federale minister bij de opname van de functie "mobiele urgentiegroep" heeft gehandeld volgens strengere normen dan de programmatiecriteria, dat de procedure uit het besluit van 18 februari 1997 niet van toepassing was omdat geen aanvraag tot het verkrijgen van een planningsvergunning diende te worden ingediend en zij enkel kon reageren op het besluit van de federale overheid, dat de lijst van de federale overheid een formele lijst vormde, die zonder meer de eindbeslissing determineerde, dat het zinloos was een planningsvergunning toe te kennen aan "een dienst die zondermeer nooit kan erkend worden", dat het besluit van de federale minister primeert op de planningsvergunning en dat het middel onontvankelijk is waar wordt betoogd dat het koninklijk besluit van 20 september 2002 onwettig is, omdat geen regel wordt ingeroepen waarom dat besluit onwettig zou zijn. 5.
  2. In de memorie van wederantwoord repliceert de verzoekende partij in essentie dat de "impliciete premisse" van de verwerende partij dat over de door de federale minister van Volksgezondheid opgestelde lijst eigenlijk niet meer te discuteren valt, fout is, aangezien de lijst steunt op het koninklijk besluit van 20 september 2002, dat dateert van na de bestreden beslissingen en aangezien er ook heel wat discussie mogelijk is over de juiste invulling van het spreidingscriterium van VII-28.346-9/13 artikel 6bis van het koninklijk besluit van 2 april 1965, waarnaar wordt verwezen in het koninklijk besluit van 20 september 2002, zodat de voorgeschreven procedure tot het verkrijgen van een planningsvergunning en een exploitatievergunning voor intramurale en transmurale voorzieningen in de gezondheidszorg ten onrechte niet werd doorlopen. 5.
  3. In het verzoekschrift tot tussenkomst betoogt de eerste tussenkomende partij vooreerst dat het "procedurereglement" van 18 februari 1997 niet van toepassing kon zijn aangezien de Vlaamse minister verplicht is om bij de toekenning van de planningsvergunningen rekening te houden met de formele lijst die door de federale minister werd overgemaakt en er buiten de instellingen opgenomen op die lijst geen ruimte is in de programmatie, en vervolgens dat de programmatiecri- teria wel degelijk correct werden toegepast aangezien de nominatieve lijst van de voorzieningen die in aanmerking komen voor de toewijzing van de MUG-functies werd opgemaakt in uitvoering van artikel 6bis, §1, van het koninklijk besluit van 2 april 1965, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 18 juni
  4. In haar memorie betoogt de eerste tussenkomende partij dat de nominatieve en limitatieve lijst dient beschouwd te worden als een vaststaand feit, zodat de hoorplicht niet meer moest worden nagekomen, dat de procedure voorzien in het besluit van 18 februari 1997, ingevolge het opstellen van die lijst door de federale overheid, niet meer van toepassing was, dat de federale lijst rechtsgeldig is en rechtsgrond kan vormen voor de beslissingen van de Vlaamse minister en ten slotte, wat betreft de beweerde strijdigheid met het koninklijk besluit van 20 september 2002, dat de verzoekende partij geen belang heeft bij dit middelonder- deel, aangezien een nieuwe beslissing alsnog gebaseerd zal kunnen worden op het inmiddels gepubliceerde koninklijk besluit. 5.
  5. Uit het administratief dossier blijkt dat de procedure voor het toekennen van een planningsvergunning die is neergelegd in een besluit van de Vlaamse regering van 18 februari 1997 tot vaststelling van de procedure voor het verkrijgen van een planningsvergunning en een exploitatievergunning voor intramurale en transmurale voorzieningen in de gezondheidszorg, niet werd toegepast. De verwerende partij en de eerste tussenkomende partij stellen in essentie evenwel dat deze procedure eigenlijk niet kon worden toegepast, of dat het geen enkele zin had om ze toe te passen: als enkel die MUG-functies die zijn opgenomen op een door de federale minister van Volksgezondheid opgestelde lijst een planningsvergunning kunnen verkrijgen, heeft het geen zin een procedure te VII-28.346-10/13 doorlopen die er in wezen toe strekt een vergelijking te maken tussen de verschillende functies om vervolgens het beperkt aantal planningsvergunningen te verdelen. Dit argument gaat uit van de impliciete premisse dat over de door de federale minister van Volksgezondheid opgestelde lijst niet meer te discussiëren valt, hetgeen de verzoekende partij precies tegenspreekt. Zij betoogt dat het gaat om een informele lijst die geen wettelijke basis kan vormen voor een weigering, dat die lijst niet mocht worden toegepast in de procedure voor het afleveren van een planningsvergunning, die te onderscheiden is van het verlenen van een erkenning, dat die lijst vooruitloopt op een koninklijk besluit van 20 september 2002 dat op het ogenblik van de bestreden beslissingen nog niet was genomen, en dat die lijst bovendien ook niet in overeenstemming kan worden gebracht met dat koninklijk besluit. De bestreden beslissingen zijn gebaseerd op een lijst van ziekenhuizen die voor het Vlaamse Gewest werden geprogrammeerd voor het uitbaten van een functie "mobiele urgentiegroep", die werd gevoegd bij een brief van de minister van Volksgezondheid van 26 juli
  6. Uit de stukken van het dossier blijkt dat deze lijst werd opgesteld op grond van een koninklijk besluit van 20 september 2002, dat ten tijde van de bestreden beslissingen nog niet was uitgevaardigd. De verwerende partij maakt evenmin aannemelijk dat het besluit van de Vlaamse regering van 18 februari 1997 tot vaststelling van de procedure voor het verkrijgen van een planningsvergunning en een exploitatievergunning voor intramurale en transmurale voorzieningen in de gezondheidszorg niet kon worden gevolgd. De bestreden beslissingen missen wettelijke grondslag. Het middel is gegrond, VII-28.346-11/13 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  7. Vernietigd worden : "de beslissing van de Vlaamse Minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen dd. 9 september 2002 (...) waarbij in het kader van een groepsgewijze behandeling planningsvergunningen worden toegekend voor de exploitatie van een aantal functies 'Mobiele Interventiegroep' (MUG) (met uitputting van het aantal vergunningen dat voor het Vlaamse Gewest kan worden afgeleverd) en waarbij impliciet maar zeker beslist wordt dat geen planningsvergunning kan toegekend worden aan (het ALGEMEEN STEDELIJK ZIEKENHUIS) voor de exploitatie van een dergelijke dienst voor zijn campus Geraardsbergen" en "de toewijzing van een planningsvergoeding aan het ziekenhuis te Zottegem". Artikel
  8. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
  9. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de bij artikel 1 vernietigde beslissingen. Artikel
  10. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. VII-28.346-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig januari tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-28.346-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.900 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.124.556 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.