id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.901 Rolnummer: A. 129025/VII-28330 Zaak: Arrest 178901 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 24/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-04 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 07:32 Fiche Arrest nr 178.901 van 24 januari 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.901 van 24 januari 2008 in de zaak A. 129.025/VII-28.
- In zake : de KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN, AFDELING UNIVERSITAIRE ZIEKENHUIZEN, die woonplaats kiest bij advocaat F. DEWALLENS, kantoor houdende te LEUVEN, Bondgenotenlaan 138 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN, AFDELING UNIVERSITAIRE ZIEKENHUIZEN, op 7 november 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid, Gelijke Kansen en Ontwikkelingssamenwerking van 9 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij vergunning wordt verleend tot opname in de programmatie van de functie "mobiele urgentiegroep", met ingang van 1 januari 2000; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 5 december 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-28.330-1/13 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 november 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. BALLET die, loco advocaat F. DEWALLENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT
- De ontvankelijkheid 1.1.
- In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie op met betrekking tot de procesbevoegdheid van de verzoekende partij, gesteund op het feit dat de vordering niet is ingeleid door de Raad van Beheer ten verzoeke van de algemeen beheerder en dat er geen besluit is voorgelegd van de Raad van Beheer, in verband met de beslissing om in rechte te treden, genomen binnen de relevante termijn van zestig dagen. 1.1.
- Met de memorie van wederantwoord legt de verzoekende partij als bijkomend stuk een kopie van een notariële akte neer waaruit blijkt dat zij, voor wat de universitaire ziekenhuizen betreft, de "gerechtelijk machten", waaronder onder meer de bevoegdheid dient begrepen "telkens er aanleiding toe bestaat, te dagvaarden en voor het gerecht te verschijnen als eiser of als verweerder, te doen pleiten, verzet aan te tekenen, in beroep te gaan en zich in verbreking te voorzien", heeft gedelegeerd aan de heer Guy MANNAERTS, "Voorzitter Beheerscomité UZ". VII-28.330-2/13 1.1.
- Uit dit bijkomend stuk blijkt dat de beslissing om in rechte te treden rechtsgeldig werd genomen. In de laatste memorie van de verwerende partij wordt hierop geen kritiek meer geleverd. De exceptie wordt verworpen. 1.2.
- De verwerende partij werpt een tweede exceptie op, met betrekking tot het belang van de verzoekende partij. De verwerende partij meent dat de verzoekende partij er geen belang bij heeft de bestreden beslissing te horen vernietigen, aangezien die beslissing wel een planningsvergunning verleent. 1.2.
- In de memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat de ingangsdatum een essentieel onderdeel van de bestreden beslissing is. 1.2.
- Uit de stukken van het dossier blijkt dat de verzoekende partij niet beoogt de haar toegekende vergunning in haar geheel aan te vechten, maar dat zij enkel op grond van de aangevoerde middelen de bestreden beslissing wil horen vernietigen in de mate dat de ingangsdatum onwettig op 1 januari 2000 wordt vastgesteld. De exceptie wordt verworpen. 1.3.
- De verwerende partij werpt als derde exceptie op dat het werkelijke voorwerp van de vordering neerkomt op een aanspraak op een hogere financiering, wat een "pure burgerlijke vordering" is die voor de burgerlijke rechtbank moet worden ingeleid en die niet voor de Raad van State kan worden ingeleid. 1.3.
- De verzoekende partij betoogt in haar memorie van wederant- woord dat de bestreden beslissing een éénzijdige administratieve rechtshandeling met individuele draagwijdte is, die het voorwerp kan zijn van een beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 14, eerste lid, van de wetten op de Raad van State en dat niet de burgerlijke rechter maar wel de Raad van State bevoegd is inzake het beroep tot nietigverklaring van de bestreden beslissing. 1.3.
- Het werkelijke voorwerp van de vordering strekt niet tot het verkrijgen van een hogere financiering, met name de toekenning van het forfaitair bedrag van 2.500.000 BEF - de vernietiging van de bestreden beslissing in de mate dat deze uitwerking heeft met ingang vanaf 1 januari 2000 heeft overigens niet tot gevolg dat de verzoekende partij automatisch deze hogere financiering verkrijgt. VII-28.330-3/13 Nadat de verwerende partij een nieuwe beslissing heeft genomen over de ingangsda- tum van de toegekende vergunning, kan de verzoekende partij zich tot de federale minister bevoegd voor de volksgezondheid richten om gebeurlijk de bedoelde financiering te verkrijgen. De enkele omstandigheid dat de eventuele nietigverkla- ring van de bestreden beslissing een weerslag heeft op subjectieve rechten, maakt niet dat het werkelijke voorwerp van het beroep de erkenning van een subjectief recht is en volstaat niet om de bevoegdheid van de Raad van State uit te sluiten. De exceptie wordt verworpen.
- Het juridisch kader De verzoekende partij beoogt een zogenaamde "planningsvergun- ning" voor de opname in de programmatie van een "mobiele urgentiegroep" te verkrijgen. Om een dergelijke planningsvergunning te verkrijgen moet enerzijds worden voldaan aan de erkenningsnormen en anderzijds aan programma- tiecriteria. De erkenningsnormen zijn vastgelegd in het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "mobiele urgentiegroep" (MUG) moet voldoen om te worden erkend. De program- matiecriteria zijn vastgelegd in het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot vaststelling van de programmatiecriteria die van toepassing zijn op de functie "mobiele urgentiegroep" (MUG). De planningsvergunning wordt verleend door de Vlaamse Gemeenschap, volgens een procedure die is vastgelegd in een besluit van de Vlaamse regering van 18 februari 1997 tot vaststelling van de procedure voor de erkenning en de sluiting van ziekenhuizen, ziekenhuisdiensten, onderdelen van ziekenhuizen en samenwerkingsvormen. De functie "mobiele urgentiegroep" is per definitie nauw verbonden met de dringende geneeskundige hulpverlening. De dringende genees- kundige hulpverlening dient te worden opgevat als een aangelegenheid op zich waarvoor de federale wetgever, bij ontstentenis van een uitdrukkelijke toewijzing, bevoegd is gebleven. Deze is geregeld bij de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening en door het koninklijk besluit van 2 april 1965 houdende vaststelling van de modaliteiten tot inrichting van de dringende VII-28.330-4/13 geneeskundige hulpverlening en houdende aanwijzing van gemeenten als centra van het eenvormig oproepstelsel. Artikel 6bis, §1, van dat koninklijk besluit bepaalt ten tijde van de bestreden beslissing : "Art. 6bis. §
- De Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, neemt de functies 'mobiele urgentiegroep' op in de werking van de dringende geneeskundige hulpverlening voorzover deze voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° Tegelijkertijd worden de bedoelde functies erkend door de bevoegde overheid, bij toepassing van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie 'mobiele urgentie- groep' (MUG) moeten voldoen om te worden erkend; 2° De doelstellingen van de wet van 8 juli 1964 en diens uitvoeringsbesluiten, zoals inzonderheid het waarborgen van een onmiddellijke verzorging aan het slachtoffer of de zieken, het bestrijken door de interventiezones van het volledige gebied van het Rijk dienen te worden nageleefd; 3° Onverminderd de programmatiecriteria die van toepassing zijn op de functie 'mobiele urgentiegroep' , dient een optimale spreiding te worden gegarandeerd opdat een zo groot mogelijk gedeelte van de bevolking via de weg en aan de maximum toegelaten snelheid kan worden bereikt binnen een tijdsspanne van 10 minuten en, subsidiair, een zo klein mogelijk gedeelte van de bevolking op dezelfde wijze niet kan worden bereikt binnen een tijdsspanne van meer dan 15 minuten. Bij de opname in de dringende geneeskundige hulpverlening, bepaalt de Minister de vertrekplaats en de interventiezone van bedoelde mobiele urgentiegroep". De financiering is een federale bevoegdheid gebleven. Binnen de programmatie worden de functies MUG gefinancierd vanuit de federale begroting. Deze financiering was tot 1 juli 2002 geregeld door het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 houdende bepaling van de voorwaarden en regelen voor de vaststelling van de verpleegdagprijs, van het budget en de onderscheidene bestanddelen ervan, alsmede van de regelen voor de vergelijking van de kosten en voor de vaststelling van het quotum van verpleegdagen voor de ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten. Bij artikel 18 van het ministerieel besluit van 30 december 1998 wordt aan artikel 48 van het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 met ingang van 1 januari 1999 een paragraaf 22 toegevoegd, die als volgt luidt : "§
- Teneinde de erkende MUG-functie te financieren, wordt een forfaitair bedrag van 2.500.000 frank toegekend. Het behoud van deze financiering is afhankelijk van het verzamelen en overzenden van de gegevens met betrekking tot de activiteit van de MUG- functie overeenkomstig de richtlijnen van de Minister die de Volksgezondheid VII-28.330-5/13 onder zijn bevoegdheid heeft en de Minister die de vaststelling van het budget van financiële middelen onder zijn bevoegdheid heeft". Het forfaitair bedrag van 2.500.000 BEF vermeld in paragraaf 22, eerste lid, wordt bij ministerieel besluit van 23 december 1999, met ingang van 1 januari 2000, opgetrokken tot 8.500.000 BEF. Het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 wordt met ingang van 1 juli 2002 opgeheven door het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen. Luidens dit koninklijk besluit maakt de financiering van de MUG deel uit van het onderdeel B4 waarin de middelen zijn opgenomen die forfaitair lasten dekken (artikel 15). De modaliteiten en voorwaarden voor financiering van de MUG’s zijn verder uitgewerkt in de artikelen 55 en
- De feiten Bij brief van 26 juli 2002 deelt de federale minister bevoegd voor de volksgezondheid aan de afdeling Verzorgingsvoorzieningen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap de lijst mee van ziekenhuizen die worden geprogram- meerd voor het uitbaten van een MUG-functie, met de vraag de aldus verstrekte informatie te verifiëren en te laten attesteren door de ziekenhuizen. De lijsten van geprogrammeerde ziekenhuizen zijn ingedeeld per provincie, en in de lijst Vlaams- Brabant is de MUG-functie van de verzoekende partij opgenomen, waarbij onder de rubriek historiek wordt vermeld dat de startdatum van deze MUG-functie gelegen is "vóór 1980". In een voetnoot wordt op iedere lijst vermeld : "De retro-actieve erkenning kan ten vroegste ingaan per 01-01-2000". Met een nota van 30 augustus 2002 deelt de afdeling Verzorgings- voorzieningen aan de Vlaamse minister bevoegd voor de gezondheid de lijst mee van ziekenhuizen waaraan vergunning voor opname in de programmatie van de MUG-functie kan worden verleend. De MUG-functie van de verzoekende partij is in deze lijst opgenomen. Met een brief van 9 september 2002 aan de federale ministers bevoegd voor de volksgezondheid en voor sociale zaken, deelt de Vlaamse minister bevoegd voor de gezondheid mee dat zij omwille van de hoogdringendheid, te wijten aan de combinatie van de wijzigingen aan de federale reglementering die op dat ogenblik nog niet zijn bekendgemaakt en de begrotingstechnische noodwendighe- VII-28.330-6/13 den die de financiering in het gedrang zouden kunnen brengen, beslist heeft af te wijken van de normale erkenningsprocedure, in die zin dat geen onderzoek werd gedaan en dat een beperkte voorlopige administratieve erkenning werd verleend. Op dezelfde datum deelt de Vlaamse minister bevoegd voor de gezondheid aan de verzoekende partij mee dat zij een vergunning tot opname in de programmatie voor de functie "mobiele urgentiegroep" verkrijgt, met ingang op 1 januari
- In deze brief wordt tevens melding gemaakt van de mogelijkheid om deze beslissing aan te vechten met een schorsings- en/of annulatieverzoek. Dit is de bestreden beslissing. De verzoekende partij dient op 5 oktober 2002 een willig beroep in bij de minister met het verzoek de beslissing te willen hervormen, in essentie omdat in die beslissing op geen enkele wijze wordt gemotiveerd waarom de vergunning slechts aanvangt op 1 januari 2000, terwijl de MUG van verzoekende partij in 1999 reeds operationeel was en terwijl in artikel 48, §22, van het ministe- rieel besluit van 2 augustus 1986, voor het boekjaar 1999 wel degelijk een financiering van 2,5 miljoen BEF voor de MUG-functie was voorzien. Bij brief van 29 oktober 2002 antwoordt de verwerende partij het volgende : "(...) Met betrekking tot de limitering van de ingangsdatum voor de planningsver- gunning tot 1 januari 2000, wens ik u mee te delen dat deze datum bepaald werd in overleg met de federale overheid. Het retro-actief financieren van de MUG-diensten was onderdeel van het moeizaam overleg. Aangezien financiële middelen pas vanaf 1 januari 2000 kunnen voorzien worden door de federale overheid en we deze toezegging niet in het gedrang wensen te brengen voor onze ziekenhuizen, wensen we deze afspraken te respecteren".
- Ten gronde: eerste en tweede middel 4.1.
- In het eerste middel wordt onder meer aangevoerd dat de bestreden beslissing het ministerieel besluit van 30 december 1998, waarmee een forfaitair bedrag van 2.500.000 BEF per MUG-functie werd ingevoerd vanaf 1 januari 1999 voor zover ze erkend zijn, schendt, doordat die beslissing arbitrair de ingangsdatum van de erkenning een jaar later vastlegt. VII-28.330-7/13 4.1.
- In het tweede middel wordt in essentie aangevoerd dat de bestreden beslissing de formele motiveringsplicht schendt doordat niet of minstens niet afdoende wordt gemotiveerd waarom die beslissing afwijkt van de federale financieringsregeling (door de latere ingangsdatum), aangezien bovendien de federale minister bevoegd voor de volksgezondheid voorheen in een brief van 28 februari 2002 had gesteld dat de retro-actieve erkenning zou gebeuren op datum van de ingebruikstelling van de MUG-functie. 4.2.
- Wat het eerste middel betreft betoogt de verwerende partij, samengevat, dat volgens de verzoekende partij door de weigering "retroactief terug te keren tot 1 januari 1999" de financieringsregels worden geschonden, doch dat in werkelijkheid het toekennen van een vergunning volledig vreemd is aan de financieringsregels, zodat de verzoekende partij rechtsgrond en rechtsgevolg verwart, dat het feit dat de vergunning een bepaalde nadelige financiële invloed heeft als zodanig niet als een rechtsgrond kan worden ingeroepen om de vernietiging van de vergunning te vorderen, maar enkel voor de burgerlijke rechter kan worden opgeworpen, met verwijzing naar artikel 159 van de Grondwet, dat het niet tot de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap behoort om de regelen van de financiering van de ziekenhuizen te wijzigen, en, ten slotte, dat de Vlaamse Gemeenschap slechts een zeer beperkte ruimte had om een besluit te nemen. 4.2.
- Wat het tweede middel betreft betoogt de verwerende partij in haar memorie van antwoord het volgende : "(...) Er is wel degelijk formeel gemotiveerd waarom er een vergunning is toegekend. Gezien de verzoekende partij enkel aangeeft het besluit als zodanig aan te vechten, is er uiteraard sprake van een voldoende formele motivering. (...) In de mate er met het beroep op de schending van de motiveringsplicht, eigenlijk bedoeld wordt dat de formele motiveringsplicht geschonden is in zoverre er een bepaalde datum wordt bepaald - maar het is natuurlijk vreemd dat de verwerende partij precies bij het verwijt niet voldoende formeel te motiveren, zelf het hoofd moet breken wat er dan wel zou bedoeld zijn - faalt de vordering al evenzeer. Er is wel degelijk formeel gemotiveerd waarom de ingangsdatum werd bepaald op de datum 1 januari
- Op het materiële motief als dusdanig wordt er geen wettigheidskritiek gegeven - het materiële motief is nochtans bekend, nl. het feit dat de federale overheid ter zake aan de Vlaamse Gemeenschap geen andere ruimte bood". 4.
- In haar laatste memorie verwijst de verwerende partij, wat het tweede middel betreft, nog naar samenvattingen van rechtspraak van de Raad van State die er op neerkomen "dat de adressaat van een bepaald besluit, vrij de keuze VII-28.330-8/13 kan maken of hij zich onmiddellijk tot uw Raad zal wenden dan wel dat hij poogt na het bekomen van een besluit, een duidelijkere formele motivering te bekomen". VII-28.330-9/13 4.4.
- Krachtens artikel 48, §22, van het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 is de erkenning van de MUG-functie een noodzakelijke voorwaarde is om in aanmerking te komen voor financiering. De stelling van de verwerende partij dat "het toekennen van een vergunning volledig vreemd is aan de financie- ringsregels" moet bijgevolg worden genuanceerd : het toekennen van vergunningen mag dan al een zaak van de Gemeenschappen zijn, terwijl de financiering tot de federale bevoegdheid behoort, zodat het om twee duidelijk onderscheiden aangelegenheden gaat, dit alles neemt niet weg dat de vergunning (en dus ook de ingangsdatum van de vergunning) een noodzakelijke voorwaarde is om voor financiering in aanmerking te komen. 4.4.
- Uit een eenvoudige lezing van de bestreden beslissing blijkt dat de verzoekende partij moet worden bijgetreden dat nergens wordt verduidelijkt waarom de ingangsdatum beperkt wordt tot 1 januari
- In antwoord op het willig beroep van de verzoekende partij om de bestreden beslissing te hervormen heeft de verwerende partij haar nog laten weten dat deze datum werd bepaald "in overleg met de federale overheid", hetgeen nog als volgt wordt verduidelijkt: "Het retro-actief financieren van de MUG-diensten was onderdeel van het moeizaam overleg. Aangezien financiële middelen pas vanaf 1 januari 2000 kunnen voorzien worden door de federale overheid en we deze toezegging niet in het gedrang wensen te brengen voor onze ziekenhuizen, wensen we deze afspraken te respecteren". 4.4.
- Zoals hiervoor reeds is gesteld, wordt de procedure voor het verlenen van de erkenning geregeld in het besluit van de Vlaamse regering van 18 februari 1997 tot vaststelling van de procedure voor de erkenning en de sluiting van ziekenhuizen, ziekenhuisdiensten, onderdelen van ziekenhuizen en samenwerkings- vormen. De verwerende partij stelt in de bestreden beslissing ook dat de erkenning van de functie afhankelijk is van de van kracht zijnde procedure voor de erkenning, zoals bepaald in het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 18 februari
- In dit besluit is evenwel geen sprake van de mogelijkheid van een re- tro-actieve erkenning. De beperking van de vergunningstermijn tot 1 januari 2000 in de bestreden beslissing kan bijgevolg geen steun vinden in het besluit van de Vlaamse regering van 18 februari
- De normen op grond waarvan erkenning kan worden verleend zijn deze die zijn opgenomen in het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "mobiele urgentiegroep" (MUG) VII-28.330-10/13 moet voldoen om te worden erkend. Er wordt niet betwist dat de MUG-functie aan die normen voldoet. Het vermelde koninklijk besluit van 10 augustus 1998 is krachtens zijn artikel 20 in werking getreden op 1 mei
- Hieruit volgt dat het mogelijk was aan de verzoekende partij erkenning te verlenen vanaf die datum. Uit het antwoord, door de verwerende partij verstrekt na het willig beroep, blijkt duidelijk dat het motief voor het beperken van de vergunning- stermijn tot 1 januari 2000 was gelegen in het feit dat "(de) financiële middelen pas vanaf 1 januari 2000 kunnen voorzien worden door de federale overheid". Dit motief vindt kennelijk geen steun in de feiten, vermits in artikel 48, §22, van het ministe- rieel besluit van 2 augustus 1986 is bepaald dat, met ingang vanaf 1 januari 1999, een forfaitair bedrag van 2.500.000 BEF per erkende MUG-functie wordt toegekend. Het feit dat het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 op 9 september 2002, datum van de bestreden beslissing, reeds was opgeheven bij het koninklijk besluit van 25 april 2002, verandert hier niets aan: de opheffing met ingang vanaf 1 juli 2002 kan niet ongedaan maken dat voor het jaar 1999 een bedrag van 2.500.000 BEF wordt toegekend per erkende MUG-functie. Op grond van het voorgaande kan slechts worden besloten dat de bestreden beslissing niet is gesteund op een rechtens aanvaardbaar en draagkrachtig motief, aangezien de beslissing wordt gesteund op de stelling dat slechts vanaf 1 januari 2000 financiële middelen kunnen worden voorzien, terwijl in artikel 48, §22,van het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 was bepaald dat, vanaf 1 januari 1999, per erkende MUG-functie een forfaitair bedrag van 2.500.000 BEF wordt toegekend. De bestreden beslissing schendt bovendien de formele motive- ringsplicht omdat hierin op geen enkele wijze wordt gemotiveerd waarom de ingangsdatum op 1 januari 2000 wordt vastgesteld, terwijl een vergunning (erkenning) tot opname in de programmatie op een vroegere datum op grond van de toepasselijke reglementering mogelijk was. Indien ter beoordeling van de formele motiveringsplicht ook rekening wordt gehouden met het antwoord van de verwerende partij op het willig beroep van de verzoekende partij - hetgeen niet evident is, vermits de formele motieven in principe uit de bestreden beslissing moeten blijken - dan moet worden besloten dat ook dit antwoord geen afdoende motivering bevat, vermits de verzoekende partij in haar willig beroep had gewezen op artikel 48, §22, van het ministerieel besluit van 2 augustus 1986, terwijl de VII-28.330-11/13 verwerende partij dit gegeven in haar antwoord volledig negeert, en stelt dat er slechts vanaf 1 januari 2000 financiële middelen kunnen worden voorzien. 4.
- De middelen zijn gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid, Gelijke Kansen en Ontwikkelingssamenwerking van 9 september 2002 waarbij aan de KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN, AFDELING UNIVERSITAIRE ZIEKENHUIZEN vergunning wordt verleend tot opname in de programmatie van de functie "mobiele urgentiegroep", met ingang van 1 januari
- Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde beslissing. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. VII-28.330-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig januari tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samen- gesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-28.330-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.901 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.