id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.907 Rolnummer: A. 130297/VII-28521 Zaak: Arrest 178907 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 24/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-04 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 07:32 Fiche Arrest nr 178.907 van 24 januari 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.907 van 24 januari 2008 in de zaak A. 130.297/VII-28.521. In zake : de n.v. EUROGENERICS, die woonplaats kiest bij advocaat P. MAEYAERT, kantoor houdende te BRUSSEL, Havenlaan 86 C, bus 414 tegen : het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV). --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. EUROGENERICS op 9 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Algemene Raad van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het RIZIV van 24 juni 2002 waarbij de vraag van de n.v. EUROGENERICS tot vrijstelling of vermindering van de opslag inzake de aanvullende heffing op de omzet van 1999 van de vergoedbare geneesmiddelen geweigerd wordt; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 11 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 december 2007; VII-28.521-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. PITTOORS die, loco advocaat P. MAEYAERT verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT 1. Juridisch en feitelijk kader Artikel 191, eerste lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, (hierna: de ZIV-wet) vermeldt de inkomsten die aan het RIZIV toekomen ter financiering van de ziekte- en invaliditeitsverzekering. Bij artikel 10 van de wet van 4 mei 1999 houdende fiscale en andere bepalingen (Belgisch Staatsblad van 4 juni 1999) wordt in artikel 191, eerste lid, een punt 15/ter ingevoegd met betrekking tot een aanvullende heffing van 2 % van de omzet die in 1998 was verwezenlijkt op de Belgische markt van de geneesmiddelen die zijn ingeschreven op de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten. Door een koninklijk besluit van 15 oktober 2000 wordt de datum van inwerkingtreding van deze bepaling met terugwerkende kracht vastgesteld op 10 januari 2000. Artikel 191, eerste lid, 15/ter, van de ZIV-wet wordt gewijzigd door de wet van 24 december 1999 houdende sociale en diverse bepalingen en door de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, en luidt ten tijde van de bestreden beslissing: VII-28.521-2/7 "15/ter. Voor 2000 wordt een aanvullende heffing van 2 % van de omzet die in 1999 is verwezenlijkt, ingesteld onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten bepaald in 15/ en de voorwaarden bepaald in het voorlaatste lid van 15/ter. Onder de bijkomende voorwaarden bepaald in het laatste lid van 15/ter, wordt de in het eerste lid van 15/ter bedoelde aanvullende heffing voor 2000 verhoogd tot 5 % van de omzet die in 1999 is verwezenlijkt. De aangifte bedoeld in het vierde lid van het 15/ dient te worden ingediend vóór 1 november 2000. De heffing dient te worden gestort vóór 1 december 2000 op rekening nr. 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzeke- ring, met de vermelding 'aanvullende heffing omzet 1999'. De ontvangsten die volgen uit deze aanvullende heffing zullen in de rekening van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging opgenomen worden in het boekjaar 2000. De heffing bedoeld in artikel 191, eerste lid, 15/ter, is verschuldigd als op basis van een rapport van de Algemene Raad, na advies van de Commissie voor begrotingscontrole, wordt vastgesteld dat het partieel begrotingsobjectief inzake farmaceutische specialiteiten en gelijkgestelde producten wordt overschreden of dreigt overschreden te worden door het bestaan van een beduidend risico op overschrijding van de partiële begrotingsdoelstelling inzake farmaceutische specialiteiten en gelijkgestelde producten. De Koning stelt vast, op basis van het voornoemde rapport dat uiterlijk op 15 juli 2000 aan de minister van Sociale Zaken wordt overgemaakt, of aan deze voorwaarden is voldaan. De verhoging bedoeld in artikel 191, eerste lid, 15/ter, tweede lid, is verschuldigd als bij een in Ministerraad overlegd Koninklijk Besluit wordt vastgesteld dat er op 1 oktober 2000 geen akkoord is bereikt tussen de minister van Sociale zaken en de farmaceutische industrie over de ontwikkeling en de beheersing van het budget voor geneesmiddelen". Op 24 oktober 2000 worden de farmaceutische firma’s, waaronder die van de verzoekende partij, aangeschreven en op de hoogte gebracht van de aanvullende heffing van 2 % die op de omzet 1999 moet worden betaald. Het rekeningnummer en de uiterste datum van betaling (30 november 2000) worden vermeld en tevens de sanctie in geval van niet-tijdige betaling (opslag 10 % + verwijlintrest). Tevens wordt gevraagd de omzet 1999 mee te delen vóór 1 november 2000, voor zover dit nog niet gebeurd is. In fine van deze brief wordt ook gesteld dat deze verplichting voortvloeit uit artikel 191, 15/ter, van de ZIV-wet. Op 30 november 2000 meldt en herhaalt de verzoekende partij aan de verwerende partij het bedrag van de omzet van 1999. Op 13 december 2000 (nà het verstrijken van de voorgeschreven termijn) stort de verzoekende partij de aanvullende heffing van 2 % (4.491.718 BEF). VII-28.521-3/7 Op 19 november 2001 beslist de Algemene Raad van het RIZIV met betrekking tot een aantal firma’s die de betaling te laat hebben uitgevoerd, dat ze vrijgesteld worden van de opslag van 10 %, maar dat ze de verwijlintresten moeten betalen. Van de verzoekende partij wordt in de notulen van deze vergadering geen melding gemaakt. Op 19 december 2001 wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat de Algemene Raad op 19 november 2001 beslist heeft dat zij de opslag van 10 %, alsook de verwijlintresten moet betalen. Bij schrijven van 24 december 2001 reageert de verzoekende partij tegen het verzoek tot betaling van de opslag en de verwijlintresten. Er wordt onder meer op gewezen dat bijna gelijktijdig met het rondschrijven van 24 oktober 2000 een quasi identiek schrijven werd gericht betreffende een bijkomende heffing op de omzet van vergoedbare geneesmiddelen, afgeleverd door een ziekenhuisapo- theek of een geneesmiddelendepot aan ter verpleging opgenomen rechthebbenden of aan niet ter verpleging opgenomen rechthebbenden (toepassing artikel 191, 15/, van de ZIV-wet), hetgeen voor verwarring heeft gezorgd. Tevens was de termijn te kort om een bedrag van bijna 5 miljoen BEF vrij te maken. Op die basis vraagt de verzoekende partij om vrijstelling van de opslag en de verwijlintresten. Op 3 april 2002 herhaalt de verzoekende partij haar standpunten terzake. Op 24 juni 2002 beraadslaagt de Algemene Raad van het RIZIV over de vraag tot vrijstelling van opslag en verwijlintresten van de verzoekende partij als volgt: "
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.