← België

Arrest 179044 - Varia (openbaar ambt) - 28/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.044 Rolnummer: A. 80218/IX-1447 Zaak: Arrest 179044 - Varia (openbaar ambt) - 28/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-06 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 07:32 Fiche Arrest nr 179.044 van 28 januari 2008 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.044 van 28 januari 2008 in de zaak A. 80.218/IX-

  1. In zake : Georgette JANSSEN, wonende te STEENOKKERZEEL, Donkerstraat 1 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Georgette JANSSEN op 10 september 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 25 mei 1998 van de directieraad van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, waarbij haar functionele loopbaan wordt vertraagd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 7 april 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 januari 2008; IX-1447-1/7 Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DEVERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  3. Op het ogenblik van de bestreden beslissing was de verzoekster ambtenaar met de graad van assistent bij het ministerie van de Vlaamse Gemeen- schap, departement Onderwijs, administratie Ondersteuning, afdeling informatie en documentatie. 1.
  4. Op 15 januari 1998 wordt met de verzoekster een evaluatiegesprek over het jaar 1997 gevoerd, waarvan de resultaten in een evaluatieverslag worden vastgelegd, dat op 29 januari 1998 ter kennisneming door de verzoekster wordt ondertekend. Op 3 februari 1998 deelt de verzoekster haar opmerkingen op het evaluatieverslag mede. Op 8 mei 1998 doet het college van afdelingshoofden van de administratie Ondersteuning het voorstel om de functionele loopbaan van de verzoekster te vertragen. Met een nota van 19 mei 1998, welke de verzoekster verklaart te hebben ontvangen op 22 mei 1998, wordt haar medegedeeld dat zij kan vragen om op 25 mei 1998 door de directieraad gehoord te worden vooraleer deze een beslissing neemt over haar loopbaansnelheid. De nota maakt melding van het feit dat de vraag om gehoord te worden ten laatste op 22 mei 1998 schriftelijk aan de voorzitter van de directieraad dient te worden bezorgd. IX-1447-2/7 De verzoekster, die van 8 mei 1998 tot 12 juni 1998 gehospitaliseerd is, dient geen schriftelijke aanvraag in om door de directieraad te worden gehoord. Blijkens een door de verzoekster voorgelegde schriftelijke verklaring van de sociaal verpleegkundige van het ziekenhuis, heeft deze laatste op 25 mei 1998 telefonisch contact opgenomen met het afdelingshoofd van de verzoekster, met de vraag om de hoorzitting naar een latere datum te verplaatsen. Op dit verzoek is niet ingegaan. Op 25 mei 1998 beslist de directieraad van het departement Onderwijs om de functionele loopbaan van de verzoekster te vertragen. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt met een aangetekend schrijven van 22 juli 1998 aan de verzoekster ter kennis gebracht. Over de gegrondheid van het beroep 2.
  5. De verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van het recht van verdediging, minstens van het recht om gehoord te worden. Zij laat gelden dat zij tegen haar evaluatie bezwaar heeft ingediend en door de directieraad gehoord wenste te worden. Op de dag van de zitting van de directieraad was de verzoekster reeds geruime tijd gehospitaliseerd, iets wat bekend was op haar dienst, gelet op de regelmatig ingediende ziekteattesten. Gelet op de onmogelijkheid om op de zitting aanwezig te zijn, heeft de verzoekster de sociaal verpleegkundige om uitstel van de zitting laten vragen. Met dit verzoek is geen rekening gehouden, en de zitting van de directieraad is doorgegaan. De verzoekster meent dat zij aldus niet de kans heeft gehad om enig verweer te bieden. 2.
  6. De verwerende partij antwoordt dat, behoudens de opmerkingen op het evaluatieverslag, er geen enkel bewijs is dat de verzoekster overeenkomstig artikel VIII 78 van het Vlaams personeelsstatuut schriftelijk bezwaar tegen het voorstel van het college van afdelingshoofden zou hebben ingediend of een schriftelijke aanvraag tot de voorzitter van de directieraad zou hebben gericht om door de directieraad gehoord te worden. Uit niets blijkt dat de directieraad een vraag om gehoord te worden zou hebben geweigerd of een schriftelijk bezwaar naast zich neergelegd zou hebben. Voorts stelt de verwerende partij dat een telefonische vraag van een sociaal verpleegkundige, waarbij enkel gesteld werd dat de verzoekster niet IX-1447-3/7 in staat was om voor de directieraad te verschijnen, een schriftelijke aanvraag aan de voorzitter van de directieraad niet kan vervangen. 2.
  7. De verzoekster repliceert in haar memorie van wederantwoord dat de verwerende partij wist dat zij niet in staat was om haar verdediging optimaal voor te bereiden, maar daarmee geen rekening heeft gehouden. De verwerende partij wist, gelet op de regelmatig ingediende ziekteattesten, dat de verzoekster gehospitaliseerd was. De verzoekster meent dat zij, deze omstandigheid in acht genomen, op correcte en zorgvuldige wijze heeft gehandeld door de sociaal verpleegkundige contact te laten opnemen met haar hiërarchische overste. De verwerende partij heeft niet alleen hiermee geen rekening gehouden, zij heeft ook nagelaten om de verzoekster, bij monde van de sociaal verpleegkundige, in te lichten over eventueel te nemen schriftelijke stappen. De verzoekster houdt vol dat zij, ondanks haar medische en sociale moeilijkheden, steeds gepoogd heeft om administratief haar zaken in orde te houden. 2.
  8. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat er een duidelijk onderscheid gemaakt moet worden tussen de vraag om gehoord te worden enerzijds en het uitstel van de zitting van de directieraad anderzijds. De verwerende partij stelt dat er van een vraag om gehoord te worden, die noodzakelijk de vraag tot uitstel van de zitting voorafgaat, geen spoor te bekennen is. De verwerende partij wijst op de nota van 19 mei 1998 waarin precies staat hoe en aan wie dergelijke vraag te richten is: het moet gaan om een schriftelijke vraag, te richten aan de voorzitter van de directieraad. De verwerende partij meent dan ook dat het voor de overheid niet onredelijk is om te verlangen dat een ambtenaar die zijn standpunt naar voren wenst te brengen dit voorafgaandelijk, op een correcte manier (schriftelijk) aan de bevoegde instantie (de voorzitter van de directieraad) meldt. 2.5.
  9. De beslissing om de functionele loopbaan van een ambtenaar te vertragen is een maatregel die, ook al is het geen tuchtmaatregel, de betrokkene nadeel berokkent op grond van hem als een tekortkoming aangerekende feiten. Een dergelijke maatregel kan niet worden genomen zonder dat de betrokkene zijn recht van verdediging heeft kunnen uitoefenen. Ten tijde van de bestreden beslissing bepaalde artikel VIII 78, derde lid, van het Vlaams personeelsstatuut (besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse IX-1447-4/7 Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel) dat de ambtenaar die meent dat zijn evaluatie aanleiding kan geven tot loopbaanvertraging, door de bevoegde directieraad op zijn vraag gehoord wordt vooraleer deze een beslissing neemt over de loopbaanversnelling of loopbaanvertraging. In de aan de verzoekster gezonden nota van 19 mei 1998 werd gepreciseerd dat een dergelijke vraag schriftelijk moest worden ingediend bij de voorzitter van de directieraad. 2.5.
  10. Te dezen was de verzoekster gehospitaliseerd toen zij op 22 mei 1998 kennis kreeg van de genoemde nota van 19 mei 1998 waarbij haar werd medegedeeld dat het college van afdelingshoofden voorgesteld had haar functionele loopbaan te vertragen en dat zij de voorzitter van de directieraad ten laatste op 22 mei 1998 schriftelijk kon vragen om door de directieraad te worden gehoord. Uit de, door de verwerende partij niet betwiste, verklaring van de verzoekster dat zij op regelmatige wijze doktersattesten ter staving van haar ziekteverlof indiende, kan worden afgeleid dat het, minstens in de afdeling waar de verzoekster werkzaam was, geweten was dat zij niet in staat was om zich op 25 mei 1998 voor de directieraad te verdedigen. In de gegeven omstandigheden kan aan de verzoekster dan ook niet verweten worden dat zij niet schriftelijk aan de voorzitter van de directieraad gevraagd heeft om de hoorzitting naar een latere datum te verdagen. De verwerende partij erkent trouwens “dat de overheid, met name mede door de telefonische tussenkomst van de sociaal verpleegkundige van het ziekenhuis, behoorde te weten dat de verzoekster niet in de mogelijkheid was om zich op de zitting van 25 mei 1998 van de directieraad te verdedigen”, en dat het in die omstandigheden “juist kan zijn” dat een verzoek tot verdaging van de hoorzitting niet schriftelijk geformuleerd moest worden. De verzoekster heeft dan ook, door via een sociaal verpleegkundige van het ziekenhuis contact op te nemen met haar afdelingshoofd en haar mede te delen dat zij op de hoorzitting niet zou kunnen verschijnen, gedaan wat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mogelijk was om haar recht van verdediging te vrijwaren. De verwerende partij werpt op dat een vraag om uitstel de vraag om gehoord te worden niet kan vervangen. Volgens de verwerende partij gaat het er niet om te weten of de verzoekster op regelmatige wijze om uitstel verzocht heeft, nu vaststaat dat zij in elk geval niet op regelmatige wijze gevraagd heeft om gehoord te worden. Dit verweer kan niet aangenomen worden. De vraag om uitstel -of zelfs, zoals de verwerende partij het stelt, de enkele mededeling dat de verzoekster op de hoorzitting niet aanwezig kon zijn- kon in de gegeven omstandigheden immers niet IX-1447-5/7 anders worden begrepen dan dat de verzoekster liet weten op een zitting aanwezig te willen zijn, zodat zij door de directieraad gehoord kon worden en zij aldus haar recht van verdediging kon uitoefenen, maar dat zij daartoe niet in staat was op de zitting van 25 mei
  11. De verwerende partij geeft blijk van een overdreven formalisme waar zij stelt dat de vraag om gehoord te worden schriftelijk tot de voorzitter van de directieraad gericht moest worden, en dat een dergelijke vraag noodzakelijk vooraf moest gaan aan een verzoek tot uitstel. Het vereiste dat de vraag om door de directieraad te worden gehoord schriftelijk dient te worden geformuleerd en bij de voorzitter van de directieraad moet worden ingediend, is trouwens geen vereiste van het Vlaams personeelsstatuut. Er moet dan ook worden vastgesteld dat de bestreden beslissing is genomen zonder dat de verzoekster de gelegenheid heeft gehad zich voor de directieraad tegen het voorstel tot loopbaanvertraging te verdedigen, alhoewel zij duidelijk gemaakt heeft van die mogelijkheid gebruik te willen maken, maar daartoe niet in staat te zijn op de zitting waarop haar dossier zou worden behandeld. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  12. Vernietigd wordt de beslissing van 25 mei 1998 van de directieraad van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap waarbij de functionele loopbaan van Georgette JANSSEN wordt vertraagd. Artikel
  13. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-1447-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 28 januari 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1447-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.044 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.