← België

Arrest 179048 - Varia (openbaar ambt) - 28/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.048 Rolnummer: A. 80015/IX-1420 Zaak: Arrest 179048 - Varia (openbaar ambt) - 28/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-14 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 07:33 Fiche Arrest nr 179.048 van 28 januari 2008 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.048 van 28 januari 2008 in de zaak A. 80.015/IX-

  1. In zake :
  2. Dirk COX, wonende te SCHILDE, Fondatiedreef 12
  3. Dirk de GRUYTER, wonende te NIJLEN, Heuvelstraat 43 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Mobiliteit. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Dirk COX en Dirk DE GRUYTER op 27 augustus 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de artikelen 10, 11, 88 en 90 van het koninklijk besluit van 22 juni 1998 tot vaststelling van de geldelijke bepalingen toepasselijk op de bijzondere graden van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 juli 1998; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 19 december 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting door de verzoekende partijen en de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 19 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 januari 2008; IX-1420-1/5 Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van adviseur L. CLOET, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak
  4. Het koninklijk besluit van 22 juni 1998 tot vaststelling van de geldelijke bepalingen toepasselijk op de bijzondere graden van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur strekt ertoe, blijkens zijn aanhef, om de geldelijke bepalingen in verband met de bijzondere graden van dat ministerie aan te passen aan de algemene herziening van de loopbanen en de bezoldigingsregeling van het personeel van de ministeries. De bestreden artikelen 10 en 11 voorzien in de invoeging van respectievelijk de artikelen 22ter en 22quater in het koninklijk besluit van 27 april 1995 tot vaststelling van de weddeschalen verbonden aan de bijzondere graden van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur. Artikel 22ter voorziet in een bijzondere regeling voor ambtenaren benoemd in de graad van agent der zeevaartpolitie die na 1 augustus 1995 geslaagd zijn voor een examen voor verhoging in graad in een geschrapte graad van rang 22 (waartoe onder meer de graad van brigadier der zeevaartpolitie behoorde); artikel 22quater voorziet in een bijzondere regeling voor ambtenaren die na 1 augustus 1995 geslaagd zijn voor een examen voor verhoging in graad tot de geschrapte graad van brigadier der zeevaartpolitie (of van de te dezen niet ter zake doende graad van eerste scheepsmeter). Overeenkomstig artikel 94 van het koninklijk besluit van 22 juni 1998 hebben die bepalingen uitwerking met ingang van 1 januari 1994 en houden ze op uitwerking te hebben op de datum van inwerkingtreding van de IX-1420-2/5 personeelsformatie van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur die de nieuwe loopbanen integreert die verbonden zijn met de niveaus 1 en 2+. De bedoelde personeelsformatie maakt het voorwerp uit van het koninklijk besluit van 22 juni 1998 tot vaststelling van de personeelsformatie van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur. Dit laatste besluit treedt, overeenkomstig artikel 4 ervan, in werking op de eerste dag van de maand volgend op deze waarin het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt (Belgisch Staatsblad van 30 juni 1998), zijnde op 1 juli
  5. De bepalingen vervat in de ingevoegde artikelen 22ter en 22quater hebben bijgevolg uitwerking gehad van 1 januari 1994 tot 1 juli
  6. Het bestreden artikel 88 van het genoemde besluit bevat bijzondere, afwijkende bepalingen ten gunste van bepaalde laureaten van een examen voor verhoging tot een geschrapte graad van de vroegere rang 22 (waartoe onder meer de graad van brigadier der zeevaartpolitie behoorde). Het bestreden artikel 90 bevat eveneens bijzondere, afwijkende bepalingen, specifiek ten gunste van bepaalde laureaten van een examen voor verhoging tot de geschrapte graad van brigadier der zeevaartpolitie (of van de te dezen niet ter zake doende graad van eerste scheepsmeter). Die bepalingen treden overeenkomstig het genoemde artikel 94 in werking op de datum van inwerkingtreding van de personeelsformatie van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur die de nieuwe loopbanen integreert die verbonden zijn met de niveaus 1 en 2+, dit is op 1 juli
  7. Die artikelen zijn inmiddels opgeheven bij het koninklijk besluit van 2 april 2004 houdende hervorming van de bijzondere loopbaan van sommige ambtenaren bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, met ingang van 1 december
  8. De toepassing van die bestreden artikelen is aldus in de tijd beperkt geweest tot de periode tussen de inwerkingtreding ervan (1 juli 1998) en de opheffing ervan (1 december 2003).
  9. Op het ogenblik van het bestreden besluit zijn de verzoekers agent der zeevaartpolitie (nieuwe graad). Vóór de omvorming van de graden, met ingang van 1 augustus 1995, hadden zij de graad van agent van de zeevaartpolitie (oude graad). Zij zijn na 1 augustus 1995 geslaagd in het bevorderingsexamen voor brigadier der zeevaartpolitie. IX-1420-3/5 Ontvankelijkheid van het beroep
  10. In haar laatste memorie werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang. Volgens de verwerende partij hebben de verzoekers het belang bij hun beroep verloren, daar zij op 1 april 1999 naar de toenmalige rijkswacht zijn overgeheveld. Volgens de verwerende partij verschilt het (reglementair) federaal overheidsstatuut fundamenteel van het (wettelijk) statuut van de rijkswacht. Zij besluit dan ook dat de band met de aangevochten handeling, die bovendien betrekking heeft op enkele geldelijke reglementaire bepalingen uitsluitend toepasselijk op de bijzondere graden van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur, verbroken is.
  11. Ambtshalve moet daarenboven vastgesteld worden dat de bestreden artikelen 10 en 11 bepalingen bevatten die op het ogenblik van het instellen van het beroep al geen uitwerking meer hadden, en dat de bestreden artikelen 88 en 90, ten gevolge van de opheffing ervan in de loop van het geding, uit de rechtsorde zijn verdwenen. In principe heeft een partij geen belang meer om de nietigverklaring te vorderen van een bepaling die vóór het instellen van het beroep of in de loop van het geding wordt opgeheven en -zoals te dezen- vervangen door een andere regeling, tenzij zij aannemelijk maakt dat zij een actueel belang bij het beroep blijft behouden. Het komt derhalve in deze gewijzigde context aan de verzoekers toe om nader toe te lichten waarin hun actueel belang bij het annulatieberoep nog bestaat.
  12. Door de staatsraad-verslaggever bij schrijven van 31 juli 2007 uitgenodigd om nadere toelichting te verstrekken over het behoud van hun belang, in het licht van de opheffing van het koninklijk besluit van 22 juni 1998, hebben de verzoekers bij schrijven van 17 oktober 2007 verklaard “zich naar de wijsheid van de Raad van State (te) gedragen terzake het belang”. Daar de verzoekers niet uiteenzetten waarin hun actueel belang nog bestaat moet, gelet op het bovenstaande, worden besloten dat zij geen actueel belang meer hebben bij hun beroep. IX-1420-4/5
  13. In de concrete omstandigheden van de zaak past het de verwerende partij te verwijzen in de kosten. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 28 januari 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1420-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.048 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.