id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.051 Rolnummer: A. 80022/IX-1427 Zaak: Arrest 179051 - Varia (openbaar ambt) - 28/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-06 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 07:33 Fiche Arrest nr 179.051 van 28 januari 2008 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.051 van 28 januari 2008 in de zaak A. 80.022/IX-
- In zake : Charlotte HOUTHOOFD, wonende te HOOGLEDE, Rudolf Callewaertstraat 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Charlotte HOUTHOOFD op 27 augustus 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van artikel 88 van het koninklijk besluit van 22 juni 1998 tot vaststelling van de geldelijke bepalingen toepasselijk op de bijzondere graden van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 juni 1998, in zoverre enkel de laureaten van een examen voor verhoging tot een geschrapte graad van de vroegere rang 22 waarvan het proces-verbaal werd afgesloten vóór 1 januari 1994 en die geen bevordering verkregen hebben tot een graad van de vroegere rang 22 een speciale weddeschaal verkrijgen en impliciet wordt geweigerd deze weddeschaal ook toe te kennen aan de laureaten van een dergelijk examen waarvan het proces-verbaal werd afgesloten na 1 januari 1994; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 19 december 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-1427-1/13 Gelet op de beschikking van 27 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 januari 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. SWARTEBROECKX, die loco advocaat I. MARTENS verschijnt voor de verzoekster, en van adviseur L. CLOET, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak
- Het koninklijk besluit van 22 juni 1998 tot vaststelling van de geldelijke bepalingen toepasselijk op de bijzondere graden van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur strekt ertoe, blijkens zijn aanhef, om de geldelijke bepalingen in verband met de bijzondere graden van dat ministerie aan te passen aan de algemene herziening van de loopbanen en de bezoldigingsregeling van het personeel van de ministeries. Artikel 22 van dat besluit bevat bepalingen in verband met het geldelijk statuut van de agenten der zeevaartpolitie (nieuwe graad). Die bepalingen luiden als volgt: “Art.
- §
- Aan de bijzondere graad van agent der zeevaartpolitie (rang 20) wordt de weddeschaal 20 A verbonden. §
- ... §
- De agent der zeevaartpolitie die slaagt in het examen voor verhoging in weddeschaal, bekomt de weddeschaal 20 E. §§ 4-
- ...” Het bestreden artikel 88 van het genoemde besluit bevat bijzondere, afwijkende bepalingen ten gunste van bepaalde laureaten van een IX-1427-2/13 examen voor verhoging tot een geschrapte graad van de vroegere rang 22 (waartoe onder meer de graad van brigadier der zeevaartpolitie behoorde). Dat artikel luidt als volgt: “Art.
- In afwijking van artikel 22, §§1 tot 3, artikel 23, §§1 tot 3 en artikel 24, §§1 tot 3 van dit besluit en in afwijking van artikel 5 en 32 van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de weddeschalen der aan verscheidene ministeries gemene graden, bekomen de laureaten, bij het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur, van een examen voor verhoging tot een geschrapte graad van de vroegere rang 22, waarvan het proces-verbaal werd afgesloten vóór 1 januari 1994, en die geen bevordering bekomen hebben tot een graad van de vroegere rang 22, de weddeschaal die wordt vastgesteld als volgt: 762.318 - 1.128.806.” Van belang voor de voorliggende zaak is ten slotte artikel 90 van het genoemde besluit. Dat besluit bevat eveneens bijzondere, afwijkende bepalingen, specifiek ten gunste van bepaalde laureaten van een examen voor verhoging tot de geschrapte graad van brigadier der zeevaartpolitie (of van de te dezen niet ter zake doende graad van eerste scheepsmeter). Dat artikel luidt als volgt: “Art.
- De ambtenaar die geslaagd is voor een examen voor verhoging in graad tot de geschrapte graad van brigadier der zeevaartpolitie of eerste scheepsmeter, afgesloten of in uitvoering tussen 1 augustus 1995 en de datum van inwerkingtreding van dit besluit, wordt, op de datum van het afsluiten van het proces-verbaal van dit examen, geacht laureaat te zijn van een examen voor verhoging in weddeschaal onderscheidenlijk ingericht in de nieuwe graad van agent der zeevaartpolitie (R20) of scheepsmeter (R20).” Overeenkomstig artikel 94 van voormeld besluit treden de genoemde artikelen op 1 juli 1998 in werking.
- Op het ogenblik van het bestreden besluit is de verzoekster agent der zeevaartpolitie (nieuwe graad). Vóór de omvorming van de graden, met ingang van 1 augustus 1995, had zij de graad van agent van de zeevaartpolitie (oude graad). Zij verklaart in december 1997 geslaagd te zijn in het bevorderingsexamen voor brigadier der zeevaartpolitie. De verzoekster is aldus laureaat van een bevorderingsexamen afgesloten na 1 augustus
- Zij geniet het voordeel van de afwijkende regeling vervat in artikel 90 van het koninklijk besluit van 22 juni 1998, en wordt dus geacht te voldoen aan de voorwaarde bepaald in artikel 22, § 3, van dat besluit. Met IX-1427-3/13 toepassing van die laatste bepaling verkrijgt zij de weddeschaal 20 E, zijnde 635.253 - 976.
- Indien het examen van de verzoekster afgesloten was geweest vóór 1 januari 1994, dan zou zij overeenkomstig artikel 88 van het genoemde besluit een bijzondere, hogere weddeschaal verkrijgen, namelijk 762.318 - 1.128.
- De bepalingen van het koninklijk besluit van 22 juni 1998 die betrekking hebben op de graden van de niveaus 4, 3, 2 en 2+ zijn opgeheven bij artikel 44 van het koninklijk besluit van 2 april 2004 houdende hervorming van de bijzondere loopbaan van sommige ambtenaren bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. Voor de bijzondere graden van de vier genoemde niveaus is de opheffing gebeurd met ingang van 1 december 2003 (artikel 44, 5/). Het is dus met ingang van die datum dat onder meer de genoemde artikelen 22, 88 en 90 zijn opgeheven. De nog overblijvende bepalingen van het koninklijk besluit van 22 juni 1998 zijn vervolgens opgeheven, met ingang van 1 december 2004, bij artikel 10 van het koninklijk besluit van 11 oktober 2006 houdende hervorming van de bijzondere loopbaan van de ambtenaren van niveau A bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. Over de ontvankelijkheid van het beroep
- In haar laatste memorie werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang. Volgens de verwerende partij heeft de verzoekster het belang bij haar beroep verloren, daar zij op 1 april 1999 naar de toenmalige rijkswacht is overgeheveld. Volgens de verwerende partij verschilt het (reglementair) federaal overheidsstatuut fundamenteel van het (wettelijk) statuut van de rijkswacht. Zij besluit dan ook dat de band met de aangevochten handeling, die bovendien betrekking heeft op één geldelijke reglementaire bepaling uitsluitend toepasselijk op de bijzondere graden van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur, verbroken is. IX-1427-4/13
- Ambtshalve moet daarenboven vastgesteld worden dat de verzoekster de nietigverklaring vordert van artikel 88 van het koninklijk besluit van 22 juni 1998 tot vaststelling van de geldelijke bepalingen toepasselijk op de bijzondere graden van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur, en dat dit artikel inmiddels is opgeheven bij het koninklijk besluit van 2 april 2004 houdende hervorming van de bijzondere loopbaan van sommige ambtenaren bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, met ingang van 1 december
- De toepassing van het bestreden artikel is aldus in de tijd beperkt geweest tot de periode tussen de inwerkingtreding ervan (1 juli 1998) en de opheffing ervan (1 december 2003). Ten gevolge van de opheffing ervan is het bestreden artikel 88 uit de rechtsorde verdwenen. In principe heeft een partij geen belang meer om de nietigverklaring te vorderen van een bepaling die in de loop van het geding wordt opgeheven en -zoals te dezen- vervangen door een andere regeling, tenzij zij aannemelijk maakt dat zij een actueel belang bij het beroep blijft behouden. Het komt derhalve in deze gewijzigde context aan de verzoekster toe om nader toe te lichten waarin haar actueel belang bij het annulatieberoep nog bestaat.
- Door de staatsraad-verslaggever bij schrijven van 31 juli 2007 uitgenodigd om nadere toelichting te verstrekken over het behoud van haar belang, in het licht van de opheffing van het koninklijk besluit van 22 juni 1998, verklaart de verzoekster in brieven van 27 september 2007 en 19 december 2007 dat zij wel degelijk nog een actueel belang heeft. Zij laat gelden dat het door haar bestreden artikel 88 niet alleen vóór de opheffing ervan uitwerking heeft gehad, maar dat de erin vervatte ongelijke behandeling haar tot op vandaag benadeelt en negatieve gevolgen heeft op vlak van haar bezoldiging. Zij legt ter zake uit dat zij agent der zeevaartpolitie was op het ogenblik dat zij met het bestreden besluit geconfronteerd werd. Door de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht, werd zij verplicht overgeheveld naar de rijkswacht. Met toepassing van artikel 2, 3/, van voormelde wet heeft zij ervoor gekozen om overgeplaatst te worden naar het operationeel korps met bijzondere politiebevoegdheid. Artikel 23 van het koninklijk besluit van 26 januari 1999 tot vaststelling van de inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van IX-1427-5/13 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht en houdende de regeling van de integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht bevat een geldelijke vrijwaringsclausule in die zin dat de verzoekster het recht behoudt op de weddeschaal, met inbegrip van de tussentijdse verhogingen, die verbonden was aan de graad of aan de functie waarmee zij vóór haar overplaatsing bekleed was. De verzoekster stelt dat haar oude weddeschaal, zoals deze bestond ten tijde van de zeevaartpolitie, aldus bleef gelden bij de rijkswacht. Ten gevolge van de politiehervorming is de verzoekster dan op 1 april 2001 overgegaan van de rijkswacht naar de federale politie. Overeenkomstig artikel XII.XI.19 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten geniet de verzoekster ook bij deze overgang een soortgelijke financiële vrijwaring. De verzoekster besluit dat het door haar bestreden artikel 88 tot op vandaag voor haar negatieve gevolgen heeft.
- Uit het betoog van de verzoekster blijkt dat zij, niettegenstaande haar overplaatsing naar de rijkswacht en later naar de federale politie, en niettegenstaande de opheffing van de door haar bestreden bepaling, nog steeds een actueel belang bij haar beroep heeft, in zoverre de ongunstige gevolgen van die bepaling blijven voortduren. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie is derhalve ongegrond, en er is geen reden om ambtshalve een exceptie op te werpen. Over de gegrondheid van het beroep
- De verzoekster voert in een enig middel aan dat het bestreden artikel 88 van het koninklijk besluit van 22 juni 1998 tot vaststelling van de geldelijke bepalingen toepasselijk op de bijzondere graden van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur het gelijkheidsbeginsel schendt. Volgens de verzoekster verkrijgen de laureaten van een examen voor verhoging tot de graad van brigadier van de zeevaartpolitie, afgesloten vóór 1 januari 1994, de “weddeschaal 22 B”, terwijl degenen die in een zelfde examen geslaagd zijn na die datum de minder gunstige weddeschaal 20 E verkrijgen. IX-1427-6/13 Nochtans gaat het om personeelsleden die hetzelfde werk verrichten, dezelfde kwalificaties hebben en hetzelfde bevorderingsexamen hebben afgelegd, zij het met enkele jaren verschil. De verzoekster meent dat personen die zich in dezelfde situatie bevinden hier op een ongelijke manier behandeld worden.
- De verwerende partij antwoordt dat er wel degelijk een objectieve en redelijke verantwoording voor het gemaakte onderscheid bestaat zodat er geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Zij stelt dat de bestreden bepaling geplaatst moet worden in de bredere context van de hervorming van de gemene en bijzondere graden bij het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur en van de personeelsformaties waarin deze omvorming wordt geconcretiseerd. Zij wijst erop dat de vereenvoudiging van de gemene graden voor niveau 2 reeds in werking trad op 1 januari 1994 (koninklijk besluit van 14 september 1994 houdende vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren in de rijksbesturen die behoren tot de niveaus 2, 3 en 4) en voor de bijzondere graden bij het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur op 1 augustus 1995 (koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de personeelsformatie van het Ministerie van Verkeer ven Infrastructuur; koninklijk besluit van 22 juni 1998 houdende vereenvoudiging van de loopbanen van de ambtenaren van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur). Met ingang van die laatste datum is de graad van brigadier der zeevaartpolitie (weddeschaal 612.021 - 953.602; na vier jaar anciënniteit: 762.318 - 1.128.806) afgeschaft. De overgangsmaatregel van artikel 88 is genomen omdat de laureaten van een bevorderingsexamen voor brigadier van vóór 1 januari 1994 niet langer een bevordering tot brigadier kunnen verkrijgen, aangezien die graad afgeschaft is. De datum van 1 januari 1994 is gekozen omdat er tussen die datum en 1 augustus 1995, datum van afschaffing van de graad van brigadier, geen enkel proces-verbaal van een bevorderingsexamen tot die graad is afgesloten. De verzoekster, die geslaagd is in een examen dat afgesloten is na 1 augustus 1995, datum waarop de graad van brigadier is afgeschaft, kan geen aanspraak maken op de bijzondere weddeschaal die vroeger aan deze graad was gekoppeld. Overigens verliest zij niet het voordeel van haar examen, aangezien zij, met toepassing van het genoemde artikel 90 van het koninklijk besluit van 22 juni IX-1427-7/13 1998, gelijkgesteld wordt met degenen die geslaagd zijn in een examen voor verhoging tot de weddeschaal 20 E.
- In haar memorie van wederantwoord repliceert de verzoekster dat de louter theoretische afschaffing van de benaming van een graad, terwijl de inhoud van de functie ongewijzigd blijft bestaan en het examen dat daartoe toegang geeft hetzelfde blijft, niet kan volstaan om te verantwoorden dat een onderscheid gemaakt wordt tussen degenen die vóór en na de afschaffing van de bedoelde graad het examen hebben afgelegd. Voorts betwist de verzoekster de stelling van de verwerende partij dat op het ogenblik dat zij slaagde voor het examen, de graad van brigadier niet meer bestond. Het koninklijk besluit van 22 juni 1998 houdende vereenvoudiging van de loopbanen van de ambtenaren van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur, dat die graad afschaft, is immers bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 juli 1998 en is pas verbindend vanaf de tiende dag na die bekendmaking. De datum van 1 augustus 1995 is dus niet dienstig om het onderscheid te verantwoorden. Weliswaar verwijst de verwerende partij naar het koninklijk besluit van 10 april 1995 (tot vaststelling van de personeelsformatie van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur), dat in werking is getreden op 1 augustus 1995, maar dat besluit heeft de graad van brigadier niet afgeschaft. Dit laatste is pas gebeurd bij het voornoemde koninklijk besluit van 22 juni 1998, en een dergelijk besluit kan niet terugwerken of het koninklijk besluit van 10 april 1995 bekrachtigen. De verzoekster meent dan ook dat er geen objectieve motieven voorhanden zijn om een onderscheid tussen de laureaten van eenzelfde examen te verantwoorden.
- In haar laatste memorie betwist de verzoekster de pertinentie van het gehanteerde criterium voor het verschil in behandeling (laureaat van het examen vóór of na 1 januari 1994). Volgens de verwerende partij zouden de hoop om bevorderd te worden en de mogelijkheid om bevorderd te worden enkel aanwezig geweest zijn bij de laureaten van vóór 1 januari
- De verzoekster is echter van oordeel dat ook zij een gerechtvaardigde hoop op bevordering mocht koesteren. Zij stelt dat het examen ook na 1 augustus 1995 de titel droeg van “bevorderingsexamen der zeevaartpolitie” en dat de tegenpartij, door dergelijk examen nog te organiseren IX-1427-8/13 na 1 augustus 1995, zelf nog verwachtingen op bevordering gecreëerd heeft. Het was trouwens logisch dat dergelijk examen nog georganiseerd werd, daar de graad van brigadier pas bij koninklijk besluit van 22 juni 1998 is opgeheven. Weliswaar was er, op het ogenblik dat de verzoekster het examen voor brigadier aflegde, in het personeelskader geen betrekking meer voorzien voor die graad. Zolang de graad zelf nog niet daadwerkelijk is afgeschaft, blijft echter nog steeds de mogelijkheid bestaan dat de daarmee overeenstemmende betrekking in de toekomst opnieuw in het personeelskader wordt opgenomen. Voorts voert de verzoekster aan dat het verschil in behandeling in elk geval niet in een redelijke verhouding staat tot het verschil in situatie: het gaat immers in beide gevallen om laureaten van eenzelfde bevorderingsexamen, die eenzelfde inspanning hebben moeten leveren, maar die op een duidelijk onderscheiden wijze worden verloond.
- De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Te dezen verkrijgt de verzoekster ingevolge haar slagen in het bevorderingsexamen, vastgesteld na 1 augustus 1995, slechts de weddeschaal 20 E, terwijl haar collega’s die vóór 1 januari 1994 in dat examen geslaagd zijn een hogere weddeschaal krijgen. Ten gevolge van de bestreden bepaling ontstaat er dus een verschil in behandeling tussen die twee categorieën van persoon. De vraag is of er voor dit verschil in behandeling een objectieve en redelijke verantwoording bestaat.
- De verwerende partij geeft terecht aan dat de bestreden bepaling gezien moet worden in samenhang met de vereenvoudiging van de loopbanen van de bijzondere graden van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur. Deze hervorming van de loopbanen is vervat in het koninklijk besluit van 22 juni 1998 IX-1427-9/13 houdende vereenvoudiging van de loopbanen van de ambtenaren van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur. Dat besluit schaft de graden van brigadier der zeevaartpolitie en van agent der zeevaartpolitie (oude graad) af met ingang van 1 augustus 1995 en richt met ingang van diezelfde datum de nieuwe graad van agent der zeevaartpolitie op. De datum van 1 augustus 1995 is deze van de inwerkingtreding van het nieuwe personeelskader waarin die nieuwe graden zijn geïntegreerd. De datum van 1 januari 1994 is deze van de inwerkingtreding van de hervorming van de gemene graden. De verwerende partij legt uit dat de reden van het onderscheid te vinden is in het feit dat de agenten der zeevaartpolitie die vóór 1 januari 1994 geslaagd zijn in het examen voor brigadier, op dat ogenblik nog konden hopen op basis daarvan tot brigadier te worden benoemd en dat zij later in die verwachting werden teleurgesteld, terwijl de verzoekster, die slaagde na 1 augustus 1995, op dat ogenblik niet meer benoemd kon worden in die graad, aangezien deze niet meer bestond. De verzoekster voert weliswaar aan dat de vereenvoudiging van de loopbaan van de bijzondere graden, waaronder deze van agent en van brigadier van de zeevaartpolitie, pas is doorgevoerd bij het koninklijk besluit van 22 juni 1998 houdende vereenvoudiging van de loopbanen van de ambtenaren van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur, dat met terugwerkende kracht graden afschaft en opricht. Het is evenwel reeds ingevolge het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de personeelsformatie van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur dat de graad van brigadier sinds 1 augustus 1995 niet meer in de personeelsformatie voorkomt. Gegeven het feit dat er vanaf 1 augustus 1995 geen betrekkingen van brigadier meer voorzien waren op het personeelskader en gegeven de afschaffing van de graad van brigadier met ingang van 1 augustus 1995, voert de verwerende partij terecht aan dat zij die vóór die datum slaagden in een bevorderingsexamen tot die graad maar op die datum nog niet in die graad benoemd konden worden, vanaf dat ogenblik geen kans meer hadden om daarin nog te worden benoemd. Zonder overgangsmaatregel zou hun inspanning en hun examenresultaat elk nut verloren hebben. Degenen die tot de voortaan geschrapte graad van brigadier zijn benoemd vóór 1 augustus 1995, krijgen op grond van artikel 41 van het bestreden besluit de weddeschaal 762.318-1.128.
- Artikel 88 van dat besluit beoogt dezelfde weddeschaal toe te kennen aan degenen die niet in die graad benoemd konden worden, hoewel zij de voorwaarden ertoe vervulden. IX-1427-10/13 De toestand van de verzoekster is objectief anders. Zij voldeed vóór 1 augustus 1995 niet aan de voorwaarden om benoemd te worden tot brigadier. Zij kon, toen zij voor het examen slaagde, niet meer bevorderd worden tot brigadier, niet alleen omdat die graad nadien met terugwerkende kracht tot 1 augustus 1995 is afgeschaft, maar ook omdat er op dat moment al geen betrekkingen voor die graad meer voorzien waren op het personeelskader. Op haar wordt de nieuwe organieke regeling toegepast: zij wordt beschouwd als agent der zeevaartpolitie die geslaagd is voor het examen voor verhoging in weddeschaal (zie het genoemde artikel 90 van het koninklijk besluit van 22 juni 1998) en verkrijgt dan ook de daarvoor voorziene weddeschaal, zijnde 20 E, op grond van het genoemde artikel 22, § 3, van hetzelfde besluit. Het verschil in behandeling tussen de verzoekster en haar collega’s die vóór 1 augustus 1995 in het examen geslaagd zijn, steunt derhalve op een objectief gegeven, namelijk de datum waarop er voor betrekkingen in de graad van brigadier geen plaats meer is en de graad ook effectief wordt afgeschaft. Dit objectief gegeven kan het bedoelde verschil in behandeling, in het kader van een overgangsmaatregel, ook in redelijkheid verantwoorden.
- Ongetwijfeld zou het correcter geweest zijn om voor de bijzondere graden niet de datum van 1 januari 1994 als referentiedatum te gebruiken, maar wel die van 1 augustus
- In dat geval zou het verband met het verdwijnen van de mogelijkheid om nog brigadier te worden duidelijker zijn. De reden waarom er in het bestreden artikel 88 sprake is van de datum van 1 januari 1994 is allicht het feit dat dit artikel blijkens zijn bewoordingen zelf niet alleen geldt voor de bijzondere graden, die pas met ingang van 1 augustus 1995 zijn omgevormd, maar ook voor de gemene graden van de rangen 20 en 22, die reeds vanaf 1 januari 1994 zijn vereenvoudigd. Dit laatste blijkt met name uit het feit dat artikel 88 ook afwijkt van de bepalingen van de artikelen 5 en 32 van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de weddeschalen der aan verscheidene ministeries gemene graden. De verzoekster is door de vermelding van een vroegere datum dan 1 augustus 1995 evenwel niet geschaad, aangezien, zoals de verwerende partij opmerkt, er tussen 1 januari 1994 en 1 augustus 1995 niets veranderd is, in die zin dat in die periode geen examen voor brigadier is afgesloten.
- Het middel is niet gegrond. IX-1427-11/13 IX-1427-12/13 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 28 januari 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS P. LEMMENS. IX-1427-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.051 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.