id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.054 Rolnummer: A. 97428/IX-2594 Zaak: Arrest 179054 - Milieu bescherming - Reglementen - 28/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-11 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 07:33 Fiche Arrest nr 179.054 van 28 januari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieu bescherming - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.054 van 28 januari 2008 in de zaak A. 97.428/IX-2594. In zake : de VZW KONINKLIJK BELGISCH VERBOND VOOR DE BESCHERMING VAN DE VOGELS, die woonplaats kiest bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te GENT, Voskenslaan 301 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat deVZW KONINKLIJK BELGISCH VERBOND VOOR DE BESCHERMING VAN DE VOGELS (KBVBV) op 14 november 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 5 oktober 2000 van de Vlaamse minister van Leefmilieu tot regeling van de bevoorrading van de vinkeniers en tot stimulering van de vinkenkweek in 2000 in het Vlaamse Gewest; Gelet op het arrest nr. 97.259 van 29 juni 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 7 september 2001 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; IX-2594-1/15 Gelet op de beschikking van 26 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 22 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 december 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERMEIRE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat N. DE WINT die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten. 1.1. Voor het onderzoek van het bestreden ministerieel besluit moet rekening gehouden worden met volgende reglementaire bepalingen, zoals zij bestonden op het ogenblik van het treffen van het besluit : A. de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: de Vogelrichtlijn) : - artikel 5 : “Onverminderd de artikelen 7 en 9 nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen voor de invoering van een algemene regeling voor de bescherming van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten; deze maatregelen omvatten met name de volgende verbodsbepalingen :
- a)een verbod om, ongeacht de gebruikte methode, opzettelijk de bedoelde vogels te doden of te vangen; IX-2594-2/15
- b)een verbod om opzettelijk hun nesten en eieren te vernielen of te beschadi- gen of hun nesten weg te nemen;
- c)een verbod om in de natuur eieren van deze vogels te rapen en deze - zelfs leeg - in bezit te hebben;
- d)een verbod om deze vogels, met name gedurende de broedperiode, opzettelijk te storen, voor zover een dergelijke storing, gelet op de doelstel- lingen van deze richtlijn, van wezenlijke invloed is;
- e)een verbod om vogels te houden van soorten die niet mogen worden bejaagd of gevangen”; - artikel 9 : “1. De Lid-Staten mogen, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, om onderstaande redenen afwijken van de artikelen 5, 6, 7 en 8 :
- a)- in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid, - in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer, - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren, - ter bescherming van flora en fauna;
- b)voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs, het uitzetten en herinvoeren van soorten en voor de met deze doeleinden samenhangende teelt;
- c)ten einde het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. 2. In de afwijkende bepalingen moet worden vermeld : - voor welke soorten mag worden afgeweken, - welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan, - onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen, - welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan, en te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend, binnen welke grenzen en door welke personen, - welke controles zullen worden uitgevoerd. (...) .” B. het koninklijk besluit van 9 september 1981 betreffende de bescherming van de vogels in het Vlaamse Gewest (hierna: het koninklijk besluit van 9 september 1981), waarmee de voormelde bepalingen van de Vogelrichtlijn in het Belgische recht omgezet zijn : - artikel 3, eerste lid : “Het is ten alle tijde en om het even waar verboden de vogels bedoeld in artikel 1, evenals hun eieren, jongen en pluimen, te vangen, te doden of te verdelgen, te vervoeren, door te voeren en, zelfs tijdelijk, in- of uit te voeren behoudens de hierna vermelde afwijkingen”; IX-2594-3/15 - artikel 8 : “§ 1. De minister, of de door hem gemachtigde ambtenaar kan ook, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, tijdelijk afwijken van de bepalingen van dit besluit om volgende redenen :
- a)- in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid; - in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren; - ter bescherming van flora en fauna;
- b)voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs;
- c)ten einde het vangen, houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Alleen voor de vink (Fringilla coelebs) kan eventueel worden afgeweken van de bepalingen met betrekking tot het vangen van vogels. Bovendien is de vangst alleen toegestaan buiten de broedtijd en de periode van de verzorging van de jongen. § 2. In de afwijkende bepalingen moet worden vermeld : - voor welke soorten mag worden afgeweken; - welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan; - onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen; - welke controles zullen worden uitgevoerd; - onder welke voorwaarden het onder zich hebben, vervoeren en verhandelen van de betrokken vogels en de geoorloofde middelen of installaties toegestaan zijn. § 3. De Minister kan tijdelijk verdergaande beschermingsmaatregelen treffen.” Het staat buiten betwisting dat de vink (fringilla coelebs) een vogel is die door de voormelde bepalingen beschermd wordt. 1.2. Een ministerieel besluit van 10 september 1998 tot regeling van de bevoorrading van de vinkeniers en tot stimulering van de vinkenkweek voor de periode 1998-2002 in het Vlaamse Gewest, laat voor de periode 1998-2002 een tijdelijke en selectieve bevoorrading van de vink toe volgens een degressief systeem dat loopt van 10 500 vogels in 1998, over 9 500 vogels in 2000, tot 8 500 vogels in 2002. De vinkeniersverenigingen krijgen de opdracht de kweek van vinken maximaal te stimuleren en te dien einde een reglement op te stellen aangaande de kweek en de controle van de kweekresultaten. Het besluit berust op de overweging dat “het houden van vogels voor het kweken en het deelnemen aan zangwedstrijden een culturele activiteit is, waarvoor in de huidige omstandigheden voorlopig geen andere oplossing bestaat dan een beperkte bevoorrading met vinken uit de vrije natuur ten behoeve van bloedverversing om het voortbestaan van die activiteit op IX-2594-4/15 bevredigende wijze te waarborgen, zonder de stand van deze soort in gevaar te brengen”. Met zijn arrest nr. 79.811 van 19 april 1999 inzake de VZW KONINKLIJK BELGISCH VERBOND VOOR DE BESCHERMING VAN DE VOGELS vernietigt de Raad van State dit ministerieel besluit omdat het niet vooraf aan het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State onderworpen werd. 1.3. Met het ministerieel besluit van 27 mei 1999 tot regeling van de bevoorrading van de vinkeniers en tot stimulering van de vinkenkweek voor de periode 1998-1999 in het Vlaamse Gewest, wordt de vernietigde regeling hernomen, weze het dat zij nu beperkt is tot de jaren 1998 en 1999. In de preambule van het besluit wordt, ter verantwoording van de vinkenvangst, volgende verantwoording gegeven: “Overwegende dat uit de cijfers van de vinkenkweek van de afgelopen jaren duidelijk blijkt dat er zeer ernstige inspanningen worden gedaan van de zijde van de vinkeniers ten einde in stijgende mate gekweekte vinken te zetten; dat uit dezelfde cijfers blijkt dat de toename van het aantal gekweekte vinken zeer geleidelijk verloopt en ten einde het instandhouden van de Vlaamse vinkensport als typisch volksfenomeen minstens voorlopig de bevoorrading uit de natuur nog dient in stand gehouden te worden, weze het in geleidelijk afnemende mate; Overwegende dat de vinkensport een zeer ruime geografische en sociale verspreiding kent in Vlaanderen; dat de geschiedenis ervan minstens vijf eeuwen terug gaat en zowel uit de organisatie, het jargon, de menselijke inzet als uit tal van andere factoren dient afgeleid te worden dat het vinkenzetten een cultuureigen Vlaams gegeven is, dat -zelfs mocht het in aanvaring komen met andere belangen -redelijkerwijze onmogelijk van de ene op de andere dag volledig kan afgeschaft worden; dat er ter zake een afweging van belangen dient te gebeuren; Overwegende dat de erkende vinkensportfederaties kennelijk inspanningen leveren om geleidelijk over te schakelen van vinken uit de natuur naar gekweekte vinken, zoals vastgelegd bij protocol, doch dat dit proces slechts stap voor stap kan gebeuren, gezien de kwantitieve onmogelijkheid om op korte termijn de kweek exponentieel te doen toenemen; aangezien rekening dient gehouden te worden met het beperkt aantal op heden, de verhouding manne- tjes/wijfjes en de sterfte; aangezien anderzijds volgens de huidige stand van de wetenschap dient vastgesteld te worden dat bevoorrading uit de natuur noodzakelijk blijft ten einde bloedarmoede te vermijden en de combativiteit van de betrokken vogels te vrijwaren; aangezien de erkende verenigingen tot op heden de engagementen zijn nagekomen en van de zijde van een zorgvuldige overheid het gewekte vertrouwen op een tegenprestatie in de betekenis van een toegestane bevoorrading niet mag beschaamd worden, zeker in het kader van een langetermijnvisie van geleidelijke afbouw; Overwegende dat, zoals onder meer blijkt uit het advies van de Afdeling Wetgeving van de Raad van State (derde kamer) van 10 november 1998 met betrekking tot het besluit van de Vlaamse regering van 18 december 1998 tot wijziging van het Koninklijk Besluit van 9 september 1981, in de huidige stand IX-2594-5/15 van de Europese (arrest Vergy Europees Hof), Benelux en Vlaamse wetgeving een beperkte bevoorrading van vinken uit de natuur principieel mogelijk blijft; dat krachtens artikel 6 van het besluit van 18 december 1998 de mogelijkheid tot het vangen van vogels wordt beperkt tot de vink; dat er immers volgens de huidige stand van de wetenschap geen andere bevredigende oplossing dan bevoorrading uit de natuur is, nu de eigen kweek slechts geleidelijk groeit; dat gezien de strikte reglementering door de overheid en door de erkende vereni- gingen zelf er effectief sprake is van een 'verstandig gebruik'; dat uit cijfermati- ge overzichten blijkt dat de betreffende hoeveelheden zoals in het besluit vermeld 'klein' zijn en dat deze beperkingen bijzonder selectief en strikt gecontroleerd zijn.” Met zijn arrest nr. 113.105 van 2 december 2002 inzake de VZW KONINKLIJK BELGISCH VERBOND VOOR DE BESCHERMING VAN DE VOGELS vernietigt de Raad van State dit ministerieel besluit van 27 mei 1999. Het middel, gesteund op de schending van artikel 9.1 van de Vogelrichtlijn en van artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 september 1981, wordt gegrond bevonden, aangezien de verwerende partij niet bewijst dat de voorwaarden opgenomen in die bepalingen vervuld zijn. Inzonderheid worden de argumenten van de verwerende partij om aan te tonen dat het kweken van vogels in gevangenschap geen bevredi- gend alternatief vormt voor het vangen van vinken in de natuur, in het licht van de interpretatie die het Hof van Justitie aan de Vogelrichtlijn gegeven heeft, niet deugdelijk bevonden. 1.4. Met het hier bestreden ministerieel besluit van 5 oktober 2000 wordt de vernietigde regeling hernomen. Wel is het besluit thans van toepassing op het jaar 2000, wordt het aantal vangsten beperkt tot 9000, wordt er een subsidie- regeling ingesteld teneinde de vinkenkweek door de leden van de twee vinkeniers- verenigingen te stimuleren en worden de gesubsidieerde verenigingen verplicht om minimaal 9000 vinken te kweken. Aan dit besluit gaan volgende overwegingen vooraf : “Overwegende dat een ondersteuning van de vinkeniersverenigingen Algemene Vinkeniersbond (A. VI.BO.) en Vinkeniers Midden-België (VI.MI.BEL) aangewezen is omdat zij als erkende verenigingen het beleid ondersteunen door de vinkenkweek bij hun leden te stimuleren en de nodige controles door te voeren; Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de omstandigheid dat in de resolutie van het Vlaams Parlement van 5 juli 2000 betreffende het sluiten van een protocol over de bevoorrading van vinkeniers aan de Vlaamse regering wordt gevraagd dat de vinkeniers zich blijvend kunnen bevoorraden met tweeduizend vinken uit de vrije natuur om bloedarmoede in de kweek te voorkomen; dat de vinkeniersverenigingen Algemene Vinkeniersbond (A. VI.BO.) en Vinkeniers Midden-België (VI.MI.BEL.) een dergelijk protocol wel maar dat de vogelbescherming m.n. IX-2594-6/15 het Koninklijk Belgisch Verbond voor de Bescherming van de Vogels vzw dit protocol niet wensen te ondertekenen en deze verenigingen dit ook schriftelijk meedeelden; dat gezien de resolutie in het Vlaams Parlement van 5 juli 2000 een aangepast besluit werd voorbereid; dat immers moet rekening gehouden worden met de vakantieperiode, de behandelingsperiode en de tijd nodig voor publicatie in het Belgisch Staatsblad en vooral met het feit dat het besluit met een redelijke termijn de datum van de start van de bevoorrading dient vooraf te gaan, ten einde de verenigingen in staat te stellen de ringen aan te vragen en te verdelen, de administratieve formaliteiten in orde te brengen, de leden te instrueren en de lokale en hogere overheidsinstanties te verwittigen; (...)” De grond van de zaak. 2. In het derde middel voert verzoekster de schending aan van de artikelen 5, 9 en 13 van de Vogelrichtlijn en van artikel 8, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 9 september 1981 en wijst zij op de schending van het redelijkheidsbeginsel. Zij betoogt dat de vink een vogel is die valt onder het vangverbod opgenomen in artikel 5 van de Vogelrichtlijn, dat artikel 9.1, c), van de richtlijn -een bepaling met directe werking- een uitzondering op dat verbod toelaat maar dat volgens artikel 13 van de richtlijn de maatregelen waartoe besloten wordt, niet mogen leiden tot een verslechtering van de bestaande situatie. Artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 september 1981 zijnerzijds omschrijft de situaties en de voorwaarden waarin een afwijking van het vangverbod mogelijk is. Het bestreden besluit miskent die bepalingen waar het voorbijgaat aan het gegeven dat een afwijking slechts mogelijk is wanneer er “geen andere bevredigende oplossing bestaat” en waar het ingaat tegen de verplichting dat, wanneer de vogelvangst dan toch wordt toegelaten, dat moet gebeuren “in kleine hoeveelheden” en “onder strikt gecontroleerde omstandigheden”. Volgens verzoekster bestaat er wel degelijk een bevredigend alternatief voor het vangen van vinken: het bestreden besluit zelf bevat een regeling voor de kweek van vinken en van de subsidiëring ervan; ook in het Waalse Gewest bestaat een reglement waarin de kweek van vinken wordt behandeld; ook de Raad van State heeft in zijn arrest nr. 49.675 van 14 oktober 1994, steunend op een studie van dokter BROCHIER van de universiteit van Luik, aangenomen dat er wel een bevredigend alternatief bestond voor het vangen van vinken; het Hof van Justitie heeft aangenomen dat de voortplanting in gevangenschap een bevredigend alternatief is voor het vangen van vogels, en in zijn arrest van 12 december 1996 heeft het Hof gesteld dat een afwijking op het vangstverbod wel toelaatbaar is wanneer er geen alternatief bestaat, maar dat een degressieve en tijdelijke IX-2594-7/15 machtiging om vogels te vangen toch niet in overeenstemming is met de richtlijn wanneer zij ertoe strekt de liefhebbers in staat te stellen hun volières te bevoorraden terwijl de kweek van de vogels mogelijk is maar nog niet gebeurt op grote schaal omdat de installaties en gewoonten nog niet aangepast zijn; er werden in 1998 7 355 vinken gekweekt in gevangenschap; de minister van Leefmilieu heeft in het Vlaams Parlement verklaard dat het kweken van vinken een bevredigend alternatief is voor de vangst en, nu het Hof van Justitie in zijn arrest van 8 februari 1996 aangenomen heeft dat de Vogelrichtlijn niet van toepassing is op in gevangenschap gekweekte vogels, is de desbetreffende markt vrij en kan er geen probleem meer rijzen inzake de verversing van het bloed van de gekweekte vogels. Verzoekster gaat vervolgens in op de voorwaarden gesteld in artikel 8, § 1, c), van het koninklijk besluit van 9 september 1981. Volgens haar kan de toegelaten afwijking op het vangstverbod redelijkerwijze gesproken niet als “kleine hoeveelheden” beschouwd worden: er kunnen immers 9000 vogels gevangen worden. Dat betreft 5 tot 10% van de Vlaamse broedvogelpopulatie of “achter mekaar gezet een rij van minstens een halve kilometer, allemaal vinkjes naast elkaar”. Er is ook niet voldaan aan de vereiste dat de vangst slechts onder “strikt gecontroleerde omstandigheden” toegestaan kan worden en evenmin aan de in de vogelrichtlijn gestelde vereisten dat de van het verbod afwijkende bepalingen moeten aanduiden welke overheid bevoegd is om te verklaren dat de voorwaarden die een afwijking rechtvaardigen vervuld zijn en welke controles uitgevoerd zullen worden, nu het bestreden besluit slechts voorziet in controles in verband met de kweek en niet in verband met de bevoorrading of het vangen van de vogels. Er is evenmin voldaan aan de voorwaarde dat de vangst “selectief” moet gebeuren. Het besluit gaat wel over het vangen van vinken en maakt een onderscheid tussen het aantal mannelijke en vrouwelijke vogels dat gevangen mag worden, maar het is onredelijk te bepalen dat er veel meer mannetjes dan vrouwtjes gevangen mogen worden. Ten slotte is volgens verzoekster het bestreden besluit ook nog door machtsoverschrijding aangetast, aangezien tijdens het interministerieel “overleg” waaraan in de preambule gerefereerd wordt, geen echt gesprek over de zaak gevoerd is en dat overleg dan ook herleid werd tot een inhoudsloze formaliteit. IX-2594-8/15 3. De verwerende partij antwoordt : - de Europese Commissie beschouwt als een “kleine hoeveelheid” in de zin van artikel 9 van de Vogelrichtlijn, “iedere onttrekking aan de natuur van een aantal stuks dat lager ligt dan 1% van de jaarlijkse mortaliteit van de betrokken populatie”. Die 1%-grens is voor Vlaanderen vastgesteld op 78 000 vinken; - het bestreden besluit voldoet ook aan de andere voorwaarden van artikel 9.1, c), en 9.2 van de Vogelrichtlijn: de artikelen 2 tot 8 bepalen zeer gedetailleerd onder welke omstandigheden en welke vogels gevangen mogen worden; er zijn omstandigheden naar plaats en tijd van de vangst vastgesteld, de autoriteit die mag beslissen of de voorwaarden vervuld zijn is aangeduid en er is bepaald dat de controle gebeurt door de bosdiensten en door de verenigingen van vinkeniers, waarbij dan nog, blijkens het ministerieel besluit van 14 september 1981, de controle van de plaatselijke politie en de schriftelijke toestemming van de terreineigenaar komen; - betwist wordt dat de kweek van vinken thans als een bevredigende oplossing naar voren geschoven kan worden. De kweekcijfers die twee Vlaamse vinkeniers- bonden voor de jaren 1994 tot 1998 behalen zijn in toenemende mate succesvol -van 2 337 exemplaren in 1994 over 5 911 exemplaren in 1996 naar 7 946 exemplaren in 1998-, maar volstaan niet om het jaarlijks sterftecijfer te compenseren. De som van het aantal gekweekte vinken en het aantal vogels dat gevangen mag worden -18 000- komt precies overeen met het jaarlijks sterftecijfer, wat een status quo betekent. - in de resolutie van 5 juli 2000 van het Vlaams parlement wordt de Vlaamse regering gevraagd dat de vinkeniers zich zouden blijven kunnen bevoorraden met vogels uit de vrije natuur om bloedarmoede in de kweek te voorkomen. - de verzoekster heeft op 13 oktober 1993 een protocol ondertekend, waarbij zij impliciet aanvaardde dat er toen nog geen bevredigend alternatief voor de vinkenvangst bestond, en de hier bestreden regeling is nog strenger. - aan het Hof van Justitie kan een prejudiciële vraag gesteld worden over de schending van de Vogelrichtlijn door het bestreden besluit, in zoverre daarin wordt toegelaten dat de erkende verenigingen, die bij hun leden de vinkenkweek stimuleren en daar controle op uitoefenen, in het jaar 2000 kleine hoeveelheden vinken uit de vrije natuur selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden vangen om aldus bloedarmoede te vermijden en de combativiteit van de vinken te behouden teneinde het voortbestaan van de vinkenzetting te vrijwaren, wanneer uit objectieve criteria blijkt dat een andere bevredigende oplossing, zoals IX-2594-9/15 de kweek en de uitwisseling onder kwekers, die doelstellingen vooralsnog niet kunnen verzekeren. 4. In haar repliek stelt verzoekster dat de artikelen 2 tot 4 van het bestreden besluit geen betrekking hebben op de “omstandigheden naar plaats en tijd” waarvan sprake in artikel 9.1. van de Vogelrichtlijn, dat blijkens de artikelen 4 en 8 van het besluit aan de woudmeester een bepaalde opdracht gegeven is op het vlak van de ringen van de gevangen vogels, maar dat hij daarmee niet bevoegd gemaakt is om te bepalen of aan de voorwaarden die een afwijking op het vangverbod rechtvaardigen ook voldaan is, dat het bestreden besluit geen verwijzing bevat naar het ministerieel besluit van 14 september 1981 en dat in ieder geval de vogelvangers niet weten door wie en wanneer de controles uitgevoerd kunnen worden, terwijl de controle door de erkende vinkeniersverenigingen geen controle is als bedoeld in de Vogelrichtlijn. Met betrekking tot de vraag of er geen alternatief bestaat voor het vangen van vinken, herhaalt verzoekster dat de minister zelf in het Vlaams parlement de kweek als alternatief naar voren geschoven heeft, dat de verwerende partij niet aantoont dat de vinkeniersverenigingen daadwerkelijk hun leden aanzetten om vogels te kweken en dat de subsidie die voor de kweek wordt verleend, nogal mager uitvalt, hoewel er gelden beschikbaar zijn. Zij verzet zich tegen het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie. Volgens haar is de vraag niet ontvankelijk omdat er niet gepeild wordt naar de uitlegging van een bepaling van de Vogelrichtlijn of van een andere Europeesrechtelijke bepaling, maar er enkel gevraagd wordt naar een beoordeling van een aantal feitelijke gegevens die de verwerende partij als excuus kan inroepen. Bovendien zijn de redenen die in de vraagstelling worden aangehaald totaal ongeloofwaardig omdat vinken in gevangenschap verhandeld mogen worden en omdat het standpunt van de verwerende partij inhoudt dat allerlei soorten wilde dieren gevangen zouden moeten worden om het bloed te verversen en de strijdlust van de vogels te behouden. 5. Het wordt niet betwist dat de vink (Fringilla coelebs) onder toepassing valt van het vangverbod, ingesteld door artikel 5 van de Vogelrichtlijn en artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 9 september 1981. Het IX-2594-10/15 bestreden besluit kadert in de afwijkingen die artikel 9 van de richtlijn en artikel 8 van het koninklijk besluit op dat principieel vangverbod toelaten. De eerste voorwaarde die vervuld moet zijn om -teneinde een aantal limitatief opgesomde doelstellingen te bereiken- regelmatig een tijdelijke afwijking op het vangverbod te kunnen invoeren, is dat “er geen andere bevredigende oplossing bestaat”. 6. In zijn arrest nr. C-10/96 van 12 december 1996 heeft het Hof van Justitie met betrekking tot de toepassing van artikel 9.1 van de Vogelrichtlijn, bevestigd dat het vangen van beschermde vogels voor de verkoop aan liefhebbers teneinde hun volières te bevoorraden, een verstandig gebruik in de zin van artikel 9.1, c), kan vormen, dat een toelating daarvoor evenwel enkel mogelijk is indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat en dat de kweek en voortplanting in gevangenschap van beschermde vogels dergelijke oplossing kan vormen wanneer zij mogelijk is. Aangezien uit de concrete gegevens van het dossier bleek dat de kweek van de vogels, waarvan sprake in het onderzocht besluit, wetenschappelijk en technisch haalbaar was en met succes werd toegepast in Wallonië en in Vlaanderen, zou de kweek en de voortplanting in gevangenschap enkel dan niet als een bevredigende oplossing aangemerkt kunnen worden wanneer komt vast te staan dat zij niet kunnen slagen zonder vangsten uit de natuur. De omstandigheid dat de kweek en de voortplanting in gevangenschap nog niet op grote schaal kan gebeuren “wegens de installaties en ingewortelde gewoonten van de liefhebbers” kan op zich het bevredigend karakter van de oplossing, die het alternatief is voor vangsten uit de natuur, niet in het gedrang brengen (arrest C-10/96, overwegingen 15 tot 22). In hetzelfde arrest is voorts ook gesteld dat het voorkomen van de nadelen van inteelt bij de kweek van vogels als een verstandig gebruik in de zin van artikel 9.1 van de Vogelrichtlijn kan worden beschouwd, maar ook te dien aanzien geldt dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat die het mogelijk maakt de nadelen van inteelt te ondervangen. De samenwerking en de uitwisseling van vogels tussen kwekers is zo een alternatief (overwegingen 24 tot 26). 7. Het bestreden besluit laat voor het jaar 2000 een selectieve bevoorrading met vinken uit de natuur -en dus de vangst- toe ten belope van 7000 mannetjes en 2000 wijfjes. Die bevoorrading blijkt nodig te zijn omdat het aantal vinken dat in dat jaar gekweekt zal worden -jaarlijks 9000- niet volstaat om IX-2594-11/15 de jaarlijkse sterfte -jaarlijks 18 000- te compenseren. Met de vangst van 9000 vogels uit de natuur wordt aldus een evenwicht bereikt. 8. In het licht van de uitlegging die het Hof van Justitie aan artikel 9.1 van de Vogelrichtlijn geeft en die de Raad van State ook aan te houden heeft bij de uitlegging van artikel 8 § 1, van het koninklijk besluit van 9 september 1981, is het bestreden besluit slechts in overeenstemming met de Vogelrichtlijn en past het slechts binnen de grenzen van het koninklijk besluit van 9 september 1981, wanneer de verwerende partij aantoont dat het alternatief van de voortplanting van vinken in gevangenschap en de handel in dergelijke specimens -die niet onder de verbodsbepalingen van de Vogelrichtlijn valt-, volgens de actuele stand van de wetenschap en de bestaande technische mogelijkheden, niet volstaat om de liefhebbers van vinkenzettingen toe te laten hun liefhebberij te blijven uitoefenen. Dat kan slechts het geval zijn wanneer zij aantoont dat, volgens de op het ogenblik van het bestreden besluit beschikbare mogelijkheden, er onvoldoende vogels in gevangenschap gekweekt konden worden of dat de kweek in gevangenschap niet dezelfde kwaliteitsvolle dieren kon genereren. 9. De omstandigheid dat de twee erkende vinkeniersverenigingen met een subsidieregeling aangespoord worden om tenminste 9000 vogels te kweken, zoals uit de preambule van het bestreden besluit opgemaakt kan worden, toont aan dat de verwerende partij inspanningen levert om de kweek van vinken te bevorderen, maar bewijst niet dat het alternatief van de vinkenkweek geen bevredigende oplossing voor de vangst van vinken uit de natuur oplevert, noch qua aantal, noch qua kwaliteit. Met de verwijzing naar de resolutie van 5 juli 2000 van het Vlaams Parlement wordt dat bewijs evenmin geleverd. In die resolutie wordt de Vlaamse regering gevraagd ervoor te zorgen dat de vinkenliefhebbers zich “blijvend” met 2000 vogels uit de vrije natuur moeten kunnen bevoorraden “om bloedarmoede te voorkomen”. Uit niets blijkt evenwel dat het behoud van de genetische diversiteit enkel verzekerd kan worden door het kweken met vogels uit de vrije natuur, en bovendien strijdt het blijvend karakter van het verzoek met het door de Vogelrichtlijn opgezette systeem waarin de alternatieven voor de vogelvangst, waar mogelijk, primeren op het vangen. IX-2594-12/15 In de memorie van antwoord verwijst de verwerende partij naar de kweekcijfers die in toenemende mate succesvol zijn maar nog steeds onvoldoende om de jaarlijkse sterfte te compenseren. Dit volstaat evenwel niet om de vinkenvangst te verantwoorden. Daarvoor moet het bewijs geleverd worden dat, binnen de bestaande mogelijkheden, een maximale inspanning geleverd is om het aantal gekweekte vinken op te trekken tot het aantal dat de liefhebbers nodig hebben of dat de genetische diversiteit niet bestendigd kan worden wanneer de vinkenierssport nog uitsluitend gebruik mag maken van in gevangenschap gekweekte dieren. De verwerende partij toont aldus niet aan waarom er niet meer vinken gekweekt kunnen worden en zij bewijst ook niet dat, blijkens de actuele verworvenheden van wetenschap en techniek, de vangst van een bepaald aantal vogels de enige manier is om de genetische diversiteit te behouden. 10 Bij gebrek aan bewijs aangaande het ontoereikend karakter van de alternatieven die zich aandienen voor het vangen van vinken -de kweek in gevangenschap om een voldoende aantal vogels ter beschikking te hebben; de uitwisseling van vogels onder kwekers om de genetische diversiteit te waarborgen- gaat het bestreden besluit de grenzen waarbinnen artikel 9.1 van de Vogelrichtlijn en artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 september 1981 de vangst van vinken in de vrije natuur toelaat, te buiten. 11. De verwerende partij vraagt om aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen over de conformiteit van het bestreden besluit met de Vogelrichtlijn, in de mate dit besluit toelaat dat gedurende het jaar 2000 een kleine hoeveelheid vinken uit de natuur gevangen wordt teneinde bloedarmoede te vermijden en de combattiviteit van de vogels bij vinkenzettingen te behouden, “wanneer uit objectieve criteria blijkt dat voormelde doelstellingen vooralsnog niet kunnen worden verzekerd door een andere bevredigende oplossing, zoals de kweek van vinken en de uitwisseling van gekweekte vinken door samenwerking tussen de kwekers”. Daarmee parafraseert de verwerende partij de stelling die het Hof van Justitie in zijn arrest C-10/96 ingenomen heeft over artikel 9.1 van de Vogelrichtlijn. Zij brengt geen nieuwe gegevens aan die het Hof tot een andere uitlegging van de Europese regelgeving zouden moeten brengen. De Raad van State beschikt met de juridische elementen die de actuele rechtspraak van het Hof van Justitie hem verstrekt, over de nodige gegevens om, rekening houdend met de specifieke IX-2594-13/15 gegevens van het dossier, uit te maken of de verwerende partij er terecht is kunnen van uitgaan dat de bestaande alternatieven voor de vangst van vinken uit de vrije natuur niet bevredigend waren. Er is geen reden om de prejudiciële vraag te stellen. 12. In zoverre de schending wordt aangevoerd van artikel 9.1 van de Vogelrichtlijn en artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 september 1981, is het middel gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 5 oktober 2000 van de Vlaamse minister van Leefmilieu tot regeling van de bevoorrading van de vinkeniers en tot stimulering van de vinkenkweek in 2000 in het Vlaamse Gewest. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Artikel 3. Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. IX-2594-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 28 januari 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-2594-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.054 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.97.259 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div