id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.066 Rolnummer: A. 138739/X-11511 Zaak: Arrest 179066 - Plannen van aanleg - 28/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-01 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:33 Fiche Arrest nr 179.066 van 28 januari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.066 van 28 januari 2008 in de zaak A.138.739/X-11.
- In zake :
- Jean WITHOFS,
- Maria SCHIPERS, die woonplaats kiezen bij advocaat J. DRIESSEN, kantoor houdende te 3700 TONGEREN, Sint-Catharinastraat 54 tegen :
- het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat C. LEMACHE, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Tongersesteenweg 60,
- de gemeente RIEMST, die woonplaats kiest bij advocaat M. BOES, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jean WITHOFS en Maria SCHIPERS op 4 juli 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 20 februari 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “Herderen- over de Steenweg” genaamd, van de gemeente Riemst; Gezien de memorie van antwoord van de tweede verwerende partij en de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 18 april 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-11.511-1/7 Gelet op de beschikking van 4 april 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 mei 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. DEWANDRE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat W. GILLARD die loco advocaat C. LEMACHE verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat W. MERTENS die loco advocaat M. BOES verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur S. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Rechtspleging 1.
- Overwegende dat de raadsman van de eerste verwerende partij de memorie van antwoord en de laatste memorie heeft ingediend: “VOOR: Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering in de persoon van de heer Minister-President, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19”; 1.
- Overwegende dat de rechtsgedingen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest luidens artikel 82 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen worden gevoerd namens de betrokken regering, ten verzoeke van het door deze aangewezen lid; dat luidens artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 11 december 1985 tot aanwijzing van de leden van de Vlaamse regering ten verzoeke waarvan de rechtsgedingen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest worden gevoerd, de rechtsgedingen waarin de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest als verweerder optreden met betrekking tot aangelegenheden die tot de uitsluitende bevoegdheid behoren van een lid van de Vlaamse regering, worden gevoerd ten verzoeke van dat lid van de Vlaamse regering; dat de zaak tot de uitsluitende bevoegdheid behoort van de Vlaamse minister die bevoegd is inzake ruimtelijke ordening: dat dienvolgens zowel de memorie van antwoord als de laatste X-11.511-2/7 memorie, om ontvankelijk te zijn, dienen uit te gaan van de bedoelde minister; dat terzake niet duidelijk is van wie de memorie van antwoord en de laatste memorie uitgaan; dat zij derhalve niet kunnen worden geacht te zijn uitgegaan van de Vlaamse minister die de ruimtelijke ordening onder zijn bevoegdheid heeft; dat bedoelde memories om die reden niet ontvankelijk zijn en dienvolgens uit de debatten dienen te worden geweerd;
- Ontvankelijkheid 2.1.
- Overwegende dat de verzoekers met betrekking tot de ontvankelijkheid ratione temporis van hun annulatieberoep het volgende opwerpen: “Verzoekers konden slechts toevallig op 5 mei 2003 vernemen dat een Ministerieel Besluit houdende goedkeuring van het BPA was getroffen. Diezelfde dag ontvingen zij een afschrift van dit Besluit. Dit Besluit werd bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 maart
- Het is verzoekers echter niet bekend vanaf welke datum het bestreden besluit met de bijhorende plannen ter inzage ligt op het Gemeentehuis. In ieder geval is het zo dat de Gemeente Riemst de terinzagelegging niet ter algemene kennis heeft gebracht middels aanplakking. In deze omstandigheden is onderhavig verzoekschrift ratione temporis ontvankelijk, vermits het wordt ingediend binnen de 60 dagen na de effectieve kennisname van het bestreden besluit op 5 mei 2003”; 2.1.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord onder meer de volgende exceptie opwerpt: “Het verzoekschrift tot nietigverklaring is gedateerd op 4.7.
- (...) Het alhier bestreden besluit werd bekend gemaakt in het B.S. op 6.3.2003, zodat het verzoekschrift laattijdig is. Tweede verwerende partij is van mening dat ingevolge artikel 21 van het gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening er geen bekendmaking meer moet gebeuren van het ministerieel besluit. De bekendmaking van de definitieve aanvaarding door de gemeenteraad is tijdig gebeurd zoals blijkt uit het administratief dossier. Verzoekende partijen hebben dit niet tijdig bestreden met een verzoekschrift tot nietigverklaring, zodat hun verzoekschrift onontvankelijk ratione temporis moet verklaard worden”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekers in hun memorie van wederantwoord hierop het volgende repliceren: X-11.511-3/7 “
- M.b.t. de ontvankelijkheid ratione temporis Beide verwerende partijen roepen de onontvankelijkheid ratione temporis in, omdat het verzoekschrift tot nietigverklaring op 4 juli 2003 werd ingediend buiten de termijn van 60 dagen na de publicatie in het Belgisch Staatsblad van 6 maart 2003 van het bericht dat het bestreden besluit werd genomen. Deze exceptie dient eveneens te worden verworpen. Ook hier staat de rechtspraak van Uw Raad immers vast in die zin dat de beroepstermijn tegen een bijzonder plan van aanleg slechts een aanvang neemt vanaf de bekendmaking van het besluit tot goedkeuring bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad én het ter inzage leggen van het volledige bijzonder plan van aanleg ten gemeentehuize (...) De stelling van de gemeente Riemst dat er ingevolge art. 21 van het gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening geen bekendmaking meer moet gebeuren van het ministerieel besluit, wordt door Uw Raad, ten minste voor wat betreft het vertrekpunt van de beroepstermijn, dus uitdrukkelijk niet gevolgd. Aangezien het gemeentebestuur van de gemeente Riemst op geen enkel ogenblik heeft bekendgemaakt dat het volledige dossier van het bijzonder plan van aanleg voor eenieder ter inzage ligt ten gemeentehuize, heeft de beroepstermijn in casu slechts een aanvang genomen op het ogenblik dat verzoekers effectief kennis hebben gekregen van het bestreden besluit. In casu heeft de gemeente Riemst per fax van 5 mei 2003 aan de raadsman van verzoekende partijen copie bezorgd van het bestreden besluit, zodat het per aangetekend schrijven van 4 juli 2003 naar de Raad van State verzonden verzoekschrift tot nietigverklaring tijdig werd ingediend. De vordering tot nietigverklaring is bijgevolg perfect ontvankelijk”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekers in hun laatste memorie van oordeel zijn dat de bekendmaking conform artikel 112 van de Nieuwe Gemeentewet, die gebeurt na de gemeenteraadsbeslissing houdende definitieve aanneming van het BPA, doch vóór het ministerieel goedkeuringsbesluit, geen enkele rol speelt in het bepalen van het aanvangspunt van de beroepstermijn; dat zij verder stellen wat volgt: “In onderhavige zaak echter, moet worden vastgesteld dat het gemeentebestuur van Hoeselt (lees : ‘Riemst’) na het Ministeriële goedkeuringsbesluit van 20 februari 2003 nooit heeft bekendgemaakt dat het volledige bijzonder plan van aanleg ter inzage lag in het gemeentehuis. Wel heeft het gemeentebestuur op 7 oktober 2002, dit is meer dan 4 maanden vóór de datum van het Ministerieel goedkeuringsbesluit, bekendgemaakt dat het plan van aanleg, zoals definitief aanvaard door de gemeenteraad, ten gemeentehuize ter inzage lag van 7 tot en met 22 oktober
- (...) Eén en ander is trouwens de logica zelve: door de publicatie in het Belgisch Staatsblad van 6 maart 2003 werden verzoekers inderdaad verondersteld te weten dat een Ministerieel goedkeuringsbesluit werd genomen. De inhoud en de motieven van dit besluit waren hen op dat ogenblik echter nog onbekend, net zomin als zij op dat ogenblik ten gemeentehuize inzage konden nemen van het volledige bijzonder plan van aanleg, vermits het gemeentebestuur op 7 oktober 2002 had laten weten dat dit slechts ter inzage lag tot en met 22 oktober 2002... Bijgevolg heeft in onderhavige zaak de beroepstermijn maar een aanvang genomen bij de effectieve kennisname van het bestreden besluit bij fax van X-11.511-4/7 5 mei 2003 van het gemeentebestuur aan de raadsman van verzoekers, zodat het op 4 juli 2003 ingediende verzoekschrift ontvankelijk is ratione temporis”; 2.2.
- Overwegende dat luidens artikel 4, derde lid van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepen tot nietigverklaring verjaren zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen zijn bekendgemaakt of betekend, of, indien ze niet bekendgemaakt of betekend moeten worden, zestig dagen nadat de verzoeker er kennis van heeft gekregen; 2.2.
- Overwegende dat artikel 19, laatste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, luidt als volgt: “De gemeenteraadsbeslissing waarbij het plan definitief door de gemeenteraad werd aanvaard, wordt bekendgemaakt zoals bepaald in artikel 112 van de Nieuwe Gemeentewet. De aanplakbrief vermeldt dat de beslissing in werking treedt 15 dagen na publicatie van het goedkeuringsbesluit van de Vlaamse regering in het Belgisch Staatsblad. De aanplakbrief vermeldt tevens dat bij ontstentenis van een beslissing van de Vlaamse regering zoals bepaald in artikel 21, achtste lid, de beslissing in werking treedt 15 dagen na de publicatie in het Belgisch Staatsblad van de gemeenteraadsbeslissing houdende de definitieve aanvaarding van het plan. Het plan ligt voor iedereen ter inzage in het gemeentehuis”; dat artikel 21, vijfde en zesde lid, van hetzelfde decreet, bepaalt wat volgt: “Het plan treedt in werking 15 dagen na de bekendmaking van het besluit tot goedkeuring bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad. Binnen dezelfde termijn zendt de Gouverneur een afdruk van het plan aan de gemeente of gemeenten, eventueel aan de betrokken vereniging van gemeenten”; 2.2.
- Overwegende dat de termijn om beroep aan te tekenen tegen een bijzonder plan van aanleg aldus slechts een aanvang neemt nadat de beide door voormelde bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening voorgeschreven bekendmakingen zijn gedaan; dat artikel 21 van dit decreet niet vereist dat een zelfde versie van het plan zoals bekendgemaakt na de definitieve aanvaarding door de gemeenteraad naar aanleiding van de goedkeuring ervan door de minister en de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, opnieuw ter inzage van het publiek wordt gelegd; 2.2.4 Overwegende dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat het bestreden ministerieel besluit in het Belgisch Staatsblad van 6 maart 2003 bij X-11.511-5/7 uittreksel is bekendgemaakt; dat het gemeentebestuur van de gemeente Riemst op 7 oktober 2002 overeenkomstig artikel 112 van de Nieuwe Gemeentewet heeft bekendgemaakt dat het bestreden ministerieel besluit met bijhorende plannen en stedenbouwkundige voorschriften, vanaf 7 oktober 2002 tot en met 22 oktober 2002 voor iedereen ter inzage lag in het gemeentehuis; 2.2.5 Overwegende dat, benevens de bekendmaking bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad, ook aan het door artikel 21 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 opgelegde bekendmakingsvereiste is voldaan, zodat de termijn voor het instellen van het beroep in casu is beginnen lopen vanaf de datum van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, zijnde 6 maart 2003; dat het beroep tot nietigverklaring is ingesteld op 4 juli 2003; dat het beroep na het verstrijken van de door artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalde termijn van 60 dagen is ingesteld; dat de exceptie gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. X-11.511-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig januari 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-11.511-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.066 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div