id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.067 Rolnummer: A. 183989/X-13327 Zaak: Arrest 179067 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 28/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-01 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 07:33 Fiche Arrest nr 179.067 van 28 januari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.067 van 28 januari 2008 in de zaak A. 183.989/X-13.
- In zake : Nadine BUYSSE, die woonplaats kiest bij advocaten C. DE WOLF en K. BEKE, kantoor houdende te 9680 MAARKEDAL, Etikhovestraat 6 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- tussenkomende partij : de gemeente SINT-MARTENS-LATEM, die woonplaats kiest bij advocaat B. ROELANDTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan
- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Nadine BUYSSE op 13 juni 2007 heeft ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van het besluit van 24 november 2006 van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar houdende toekenning van de stedenbouwkundige vergunning aan de gemeente Sint-Martens-Latem voor het uitvoeren van wegeniswerken op een perceel te Sint-Martens-Latem, Kriekenbergdreef, kadastraal bekend sectie A, nr. 249/x; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 4 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 oktober 2007; X-13.327-1/12 Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. BEKE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat T. VANDENDURPEL die loco advocaat B. ROELANDTS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : De rechtspleging 1.
- Met een verzoekschrift van 3 juli 2007 heeft de gemeente SINT- MARTENS-LATEM gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen. 1.
- Op 10 oktober 2007 legt de verzoekende partij een bijkomend stuk neer. Het procedurereglement laat dit niet toe. Het stuk wordt om deze reden uit de debatten geweerd. De feiten 2.
- De verzoekster is mede-eigenares van een deel van de Kriekenbergdreef, vak Dorpsstraat-Muldersdreef, kadastraal bekend Sint-Martens- Latem, 2/ afdeling, sectie A, nr. 249/x, dat volgens het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone gelegen is in een woonpark en tevens gelegen is binnen het bij ministerieel besluit van 16 december 1991 beschermde dorpsgezicht “Dorpskom van Deurle”. Het perceel is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd plan van aanleg, noch van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. Wel beoogt de heraanleg de ontsluiting van een naastliggende verkaveling. X-13.327-2/12 2.
- Op 18 maart 2005 worden tussen (onder andere) de verzoekster en de tussenkomende partij een aantal formele afspraken m.b.t. de heraanleg van de Kriekenbergdreef, vak Dorpsstraat-Muldersdreef, overeengekomen. Het verslag van de vergadering van 18 maart 2005, gehouden ten gemeentehuize van de tussenkomende partij, luidt als volgt : “(...)
- Doel van de vergadering : De vergadering vindt plaats op vraag van mevrouw De Pesseroey en mevrouw Buysse en heeft als doel de heraanleg Kriekenbergdreef, vak Dorpsstraat-Muldersdreef te bespreken.
- De bespreking resulteert in volgende formele afspraken tussen de gemeente en de eigenaars van de grond: 2.
- Type verharding: twee rijen kasseistroken met tussenin een laag asfalt. Totale breedte verharding: 2,70 m. Naastliggende stroken aan te leggen als groenzone (cfr. document in bijlage opgemaakt door de gemeente). 2.
- Heraanplant van bomen zal gebeuren aansluitend op de verhardings- werken. 2.
- Ter hoogte van de aansluiting Kriekenbergdreef-Muldersdreef zal een wegversperring worden voorzien. Deze versperring is enkel en alleen bedoeld om doorgaand autoverkeer op die plaats te verhinderen, wat de veiligheid op die plaats ontegensprekelijk zal verbeteren. Fietsers, wandelaars kunnen uiteraard vrij doorgaan. De burgemeester gaat volmondig akkoord met wat voorafgaat en bevestigt dat de punten in één beweging zullen worden uitgevoerd.
- De eigenaars van het desbetreffende vak van de Kriekenbergdreef, met name mevrouw De Pesseroey en mevrouw Nadine Buysse, geven enkel en alleen hun akkoord om op hun eigendom te verharden inzoverre integraal aan de drie in punt 2 genoemde punten wordt voldaan.
- Inzake overdracht gronden aan de gemeente bevestigt mevrouw De Pesseroey dat zij akkoord gaat haar grond over te dragen, weliswaar onder voorwaarden van realisatie van afspraken onder punt 2, alsook zonder kosten van welke aard ook. In afwachting van de formele overdracht vraagt mevrouw De Pesseroey dat de gemeente de verantwoordelijkheden overneemt inzake schade in relatie tot de slechte staat van de bomen op haar perceel.
- Mevrouw Buysse wenst haar eigendom te behouden, maar gaat wel akkoord met de uitvoering der werken hiervoor genoemd, inzoverre deze integraal worden uitgevoerd.
- Niettegenstaande het feit dat op de agenda van de eerstkomende gemeenteraad enkel de typeverharding is opgenomen, zal de burgemeester ook de andere essentiële onderdelen van de heraanleg, namelijk de heraanplanting van bomen, alsook het voorzien van een wegversperring, in de gemeenteraad bespreken. Voor zover als nodig zullen deze onderdelen van de heraanleg op de eerstvolgende gemeenteraad ter goedkeuring worden opgenomen.
- Wat betreft de lopende dossiers ‘BPA Deurle-Dorp’ en ‘Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan’ stelt de burgemeester: 7.
- Wat betreft ‘BPA Deurle-Dorp’ zal vóór de voorlopige aanvaarding in de gemeenteraad de werkgroep ‘BPA Deurle-Dorp’ opnieuw X-13.327-3/12 worden samengeroepen ter bespreking van het desbetreffende voorontwerp. De samenkomst is gepland in de loop van april
- 7.
- Wat betreft ‘Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan’ stelt de burgemeester dat de stuurgroep niet meer hoeft samen te komen. Verslaggever merkt op dat dit hoegenaamd niet overeenkomt met de gemaakte afspraken met de leden van de stuurgroep bij de start van haar activiteiten. Deurle, 21 maart ’05 ir. Guy Gyselynck Verspreiding: - College van Burgemeester en Schepenen Sint-Martens-Latem en Deurle - Aanwezigen Bijlagen : Uitrusting Kriekenbergdreef overhandigd door de burgemeester tijdens de bespreking”. 2.
- Op 2 maart 2006 dient de tussenkomende partij, overeenkomstig artikel 127 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, een stedenbouwkundige aanvraag in voor het uitvoeren van wegeniswerken aan de Kriekenbergdreef. In maart 2006 laat de afdeling Monumenten en Landschappen van de Vlaamse Gemeenschap weten geen bezwaar te hebben m.b.t. voormelde aanvraag. 2.
- Van 1 april 2006 tot 1 mei 2006 vindt het openbaar onderzoek plaats. Op 3 april 2006 dienen de verzoekster en H. De Pesseroey, beide mede-eigenaressen van de bestaande Kriekenbergdreef, een bezwaarschrift in. Daarin beklagen zij zich over een niet-conforme dossiersamenstelling en een schending van hun eigendomsrecht. Het bezwaarschrift luidt meer bepaald als volgt : “Geachte heer burgemeester, Geachte dames en heren leden van het college, Geachte heer gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar, Betreft : Deurle-Latem - Stedenbouwkundige aanvraag Kriekenbergdreef. Door middel van onderhavig schrijven wensen wij, in het kader van het openbaar onderzoek, bezwaar in te dienen tegen de stedenbouwkundige aanvraag ingediend door de gemeente Sint-Martens-Latem bij de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar betreffende het aanbrengen van een wegverharding in de Kriekenbergdreef (hierna, de ‘Stedenbouwkundige Aanvraag’). Wij verwijzen in dit verband naar de verschillende besprekingen en briefwisseling in bijlage gevoegd. X-13.327-4/12 Meer in het bijzonder verwijzen wij naar de overlegvergadering op het gemeentehuis van Sint-Martens-Latem d.d. 18 maart 2005 met betrekking tot bovenvermelde aangelegenheid in aanwezigheid van: - Burgemeester Freddy Vanmassenhove - Mevrouw Nadine Buysse - Mevrouw De Pesseroey - Mijnheer Patrick Devreese - Mevrouw Coppieters - Mijnheer Guy Gyselynck Op voormelde vergadering werden door de heer Burgemeester de afspraken bevestigd betreffende de Kriekenbergdreef en samengevat in een verslag dat naar alle aanwezigen is toegestuurd geworden (kopie in bijlage). Wij dienen evenwel aanzienlijke discrepanties vast te stellen tussen, enerzijds, de op voormelde vergadering door de gemeente bevestigde afspraken en anderzijds, de thans voorliggende Stedenbouwkundige Aanvraag.
- Niet-conforme dossiersamenstelling: Overeenkomstig artikel 6 en volgende van het Besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, dient het dossier betreffende het aanleggen van een weg en/of verharding een minimum aan stukken te bevatten. Het lijkt ons dat onder meer een duidelijk plan met weergave van de bestaande toestand van de Kriekenbergdreef enerzijds en een eigendoms- structuur van deze dreef anderzijds ontbreekt. Een bezoek ter plaatse doet ons vermoeden dat de beoogde herinrichting eigenlijk niet kan, mede gelet op recente, nieuwe, goedgekeurde aanplantingen aan de zijde van de verkaveling. Bovendien dient te worden benadrukt dat de te realiseren toestand uitermate rudimentair wordt weergegeven waardoor het de omwonenden quasi onmogelijk wordt gemaakt hun bezwaren ten gronde te laten gelden.
- Schending van het eigendomsrecht: De thans bestaande Kriekenbergdreef is in mede-eigendom van enerzijds mevrouw Nadine Buysse en anderzijds mevrouw De Pesseroye. Het kan niet worden ontkend dat in het kader van de realisatie van de geplande werken aan de Kriekenbergdreef mevrouw De Pesseroye haar akkoord heeft verleend aan de gemeente Sint-Martens-Latem haar deel van de mede- eigendom over te dragen aan de gemeente Sint-Martens-Latem. Mevrouw Nadine Buysse verleende op haar beurt aan de gemeente Sint-Martens-Latem toestemming om de verhardingswerken uit te voeren op haar eigendom. Wij dienen evenwel te benadrukken onze toestemming slechts te hebben verleend onder de voorwaarden zoals overeengekomen met de gemeente Sint-Martens-Latem tijdens de voorafgaande vergadering, met name een wegverharding, doch met behoud van het tracé en de thans bestaande breedte van de Kriekenbergdreef. Bovendien zou de toegang tot de Kriekendreef ter hoogte van de aansluiting met de Muldersdreef worden afgesloten voor doorgaand autoverkeer, waarbij enkel fietsers en voetgangers doorgang krijgen. Voormelde voorwaarden dienden (en dienen) voor ons als ontbindende voorwaarden te worden beschouwd daar wij, als (aanpalende) eigenaars, het behoud van het lokale (private) karakter van de Kriekenbergdreef als essentieel ervaren. Tot onze verbazing dienden wij evenwel vast te stellen dat de as van de Kriekenbergdreef met twee meter werd verplaatst naar de zijde van de verkaveling toe, wat noodzakelijkerwijze resulteert in een verbreding van de Kriekenbergdreef met 3 meter (7 meter ipv 4 meter). Evenmin is sprake van het aanbrengen van een slagboom. Bezwaarlijk kan evenwel worden voorgehouden dat de potentiële schade aan de bomen van mevrouw Buysse de werkelijke reden is van de verbreding van X-13.327-5/12 de Kriekenbergdreef. De wegverharding bestaat immers slechts uit twee stroken kasseien van één meter, met een fundering. Een dergelijke maatregel is dan ook volkomen disproportioneel met het (ogenschijnlijk) vooropgestelde doel. Bovendien zullen eerder uitgevoerde rioleringswerken (ruim 5 jaar geleden) zonder meer grotere schade berokkend hebben. Een dergelijk maatregel is bovendien onmiskenbaar in strijd met de bescherming als beschermd dorpsgezicht van de Kriekenbergdreef. Het ongunstig bindend advies van de Afdeling ROHM d.d. 14 juli 2005 (in het kader van een vorige gelijkaardige stedenbouwkundige aanvraag) luidt dienaangaande als volgt: ‘Dit deel van de Kriekenbergdreef is gelegen binnen het beschermd dorps- gezicht van Deurle. Samen met het bomenbestand vormt deze dreef een beeldbepalend element binnen deze bescherming. Bij eerdere adviesverstrekking werd gewezen op het belang van het ontwikkelen van een algemene beheersvisie inzake dreven en meer in het bijzonder het nog aanwezige bomenbestand. Het is derhalve voor deze dreef noodzakelijk om een geïntegreerde visie te ontwikkelen waarin zowel beheersmaatregelen voor het bomenbestand als de problematiek inzake comfort voor het mechanisch worden opgenomen en ten opzichte van elkaar worden afgewogen. Het uitvoeren van een wegverharding heeft immers naast een esthetisch luik ook een invloed op de wortelzone van het aanpalend bomenbestand’ Zoals terecht wordt opgemerkt door de Afdeling ROHM dient de Kriekenbergdreef (en haar bomenbestand) als een beeldbepalend element binnen het beschermd dorpsgezicht ‘Deurle’ te worden beschouwd. Een dergelijk drastische wijziging van de perceptie van de Kriekenbergdreef, met name enerzijds door het rooien van dertien bomen en anderzijds door de quasi verdubbeling van de breedte van de dreef, kan dan ook op generlei wijze worden verantwoord. Tevens dient te worden opgemerkt dat de geplande breedte van de Kriekenbergdreef evenmin valt te rijmen met de dreven in de omgeving en bijgevolg geenszins een uniforme ‘dreven - beheersvisie’ in de hand werkt. Bovendien mogen ook de logische gevolgen van een desbetreffende verbreding van de Kriekenbergdreef niet uit het oog worden verloren, met name het gebruik als doorgangsweg voor niet lokaal verkeer, een hogere snelheid, een meer aanzienlijke vermeerdering van de verkeersdrukte. Gelet op voorgaande overwegingen voelen wij ons, als eigenaars van de betrokken perimeters en van aanpalende percelen, dan ook in ons rechtmatig opgewekt vertrouwen geschaad en verzetten ons dan ook formeel tegen onderhavige Stedenbouwkundige Aanvraag. Wij durven dan ook te hopen dat u onze bezwaren als gegrond zal willen aanvaarden. Tenslotte dienen wij vast te stellen dat onderhavige Stedenbouwkundige Aanvraag, in tegenstelling tot een vroegere gelijkaardige aanvraag, niet voorziet in de aanleg van een riolering. Terecht kunnen wij hieruit dan ook afleiden dat dergelijke werken niet zijn gepland. In afwachting van uw beslissing bevestigen wij dat onderhavig schrijven u wordt gericht onder alle voorbehoud van recht en zonder enige nadelige erkentenis. Kopie van onderhavig schrijven wordt overgemaakt aan de heer Axel Verhulst, Afdeling ROHM Oost-Vlaanderen (faxnummer: 09/256.46.00). Met voorname hoogachting”. 2.
- Op 10 juli 2006 brengt het college van burgemeester en schepenen van de tussenkomende partij het volgende advies uit : X-13.327-6/12 “Art. 1 : het College van Burgemeester en Schepenen kan in principe instemmen met de uitvoering van genoemde werken. Vanwege het bezwaar lijkt de aanvraag evenwel voorlopig niet vatbaar voor vergunning(...)”. 2.
- De cel Onroerend Erfgoed van het Agentschap R-O Vlaanderen brengt op 20 september 2006 voorwaardelijk gunstig advies uit “mits de heraanplant van de dreef volgt binnen het jaar na de aanvang van de wegwerken. Deze clausule dient in de vergunning te worden opgenomen”. 2.
- De gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar verleent de tussenkomende partij op 24 november 2006 de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. Dit is het bestreden besluit. 2.
- De bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen willigt op 19 oktober 2006 het beroep in, ingesteld tegen de beslissing van 10 juli 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de tussenkomende partij waarbij aan de b.v.b.a. AIRTEX de vergunning wordt geweigerd tot aanleg van riolering en wegverharding, op het perceel bekend Sint-Martens-Latem, sectie A, nr. 249/x, te weten het perceel waarop het hier bestreden besluit betrekking heeft. Tegen laatst vermeld besluit werd door de gemachtigde ambtenaar een administratief beroep ingesteld bij de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening. De ontvankelijkheid
- De verwerende partij werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid op. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou zich slechts opdringen indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, te dezen niet het geval is. De grondvoorwaarden voor de schorsing 4.
- Overeenkomstig artikel 17, §2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die X-13.327-7/12 de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.2.
- De verzoekster zet in haar verzoekschrift haar moeilijk te herstellen ernstig nadeel als volgt uiteen: “4.1.3 Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Opdat uw Raad de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing zou kunnen bevelen, moet Verzoekende Partij aantonen dat de tenuitvoerlegging hen een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel berokkent. Gelet op voorgaande overwegingen kan het niet ernstig worden betwist dat de Bestreden Beslissing werd genomen zonder dat op enigerlei wijze rekening werd gehouden met of aandacht werd besteed aan de rechtmatige belangen en rechten van Verzoekende Partij Niettegenstaande de Bestreden Beslissing, in principe, de subjectieve rechten van Verzoekende Partij, als derde, onverkort dient te laten en de gemeente Sint- Martens-Latem bijgevolg over een bouwrecht dient te beschikken teneinde de werkzaamheden te kunnen uitvoeren, komt het reëel voor dat de gemeente Sint- Martens-Latem de Bestreden Beslissing desalniet-temin zal tenuitvoerleggen en dit op basis van het tussen o.a. Verzoekende Partij en de gemeente Sint- Martens-Latem d.d. 18 maart 2005 (...) tot stand gekomen akkoord. Het betreft evenwel een akkoord dat door de Bestreden Beslissing wordt miskend, en waaromtrent Verzoekende Partij het nodige rechtsvoorbehoud formuleert. Bovendien en vooral is het niet denkbeeldig dat de gemeente Sint - Martens- Latem, onder het voorwendsel van het ‘algemeen belang’ zal pogen om, op basis van de Bestreden Beslissing, over te gaan tot de onteigening van Verzoekende Partij om zo de Bestreden Beslissing ten uitvoer te kunnen leggen. Verzoekende Partij dreigt bijgevolg voor een voldongen feit te worden geplaatst. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Martens-Latem is immers titularis van een stedenbouwkundige vergunning, m.n. de Bestreden Beslissing, die met ernstige wettigheidskritieken is behept, doch anderzijds wel uitvoerbaar is. Indien uw Raad de Bestreden Beslissing niet schorst, ziet Verzoekende Partij zich dan ook nog gedurende jaren geconfronteerd met een toestand van absolute rechtsonzekerheid, waarbij, gegeven de principiële geldigheidsduur van de verleende stedenbouwkundige vergunning, de vraag naar de effectieve uitvoering noodzakelijkerwijze aan de orde zal komen. Bijgevolg meent Verzoekende Partij dan ook dat, in het licht van voormelde concrete gegevens en inzonderheid de dreiging op de definitieve aantasting van het eigendomsrecht van Verzoekende Partij op basis van de ten uitvoerlegging van de Bestreden Beslissing, voldaan is aan de vereiste van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Op basis van voormelde overwegingen meent Verzoekende Partij dan ook dat is aangetoond dat zij een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel lijdt, uit hoofde waarvan uw Raad de schorsing van de Bestreden Beslissing kan bevelen”. 4.2.
- De verwerende partij repliceert in haar nota hierop als volgt: “IV. MOEILIJK TE HERSTELLEN ERNSTIG NADEEL X-13.327-8/12 1.Verzoekende partij houdt voor dat geen aandacht wordt besteed voor de rechtmatige belangen en rechten van verzoekende partij als eigenaar. Ook al zou de gemeente ST.-MARTENS-LATEM voor de uitvoering van deze werken over een bouwrecht moeten beschikken, toch is het volgens verzoekende partij ‘niet denkbeeldig’ dat de gemeente zich zou beroepen op het algemeen belang waardoor zij zou worden geconfronteerd met een voldongen feit. Hierdoor zou verzoekende partij gedurende jaren geconfronteerd worden met een toestand van absolute rechtsonzekerheid.
- Uw Raad heeft reeds meermaals overw(o)gen dat, wat het aantonen van de ernst van het nadeel betreft, verzoekende partij zich niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dat zij integendeel zeer concrete gegevens moet aanvoeren waaruit blijkt dat zij persoonlijk het moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat of kan ondergaan, zodat de Raad van State kan nagaan of er al dan niet een dergelijk nadeel voorhanden is, en het voor tegenpartij mogelijk is om zich met kennis van zaken tegen de door verzoekende partij aangehaalde feiten en argumenten te verdedigen (...). De eventuele mogelijkheid dat de gemeente ST.-MARTENS-LATEM de vergunning nu al dan niet zou uitvoeren toont op zich geen persoonlijk nadeel aan. Verzoekende partij blijft alleszins in gebreke om op concrete wijze aan te duiden wat ingeval van uitvoering dan precies haar persoonlijk nadeel zou kunnen uitmaken. Aangezien haar eigendomsrechten door een wegverharding geenszins worden aangetast, kan verzoekende partij zich evenmin beroepen op een absolute rechtsonzekerheid.
- Ook aan de tweede voorwaarde van art. 17 § 2 van de Gecoördineerde Wet op de Raad van State is derhalve niet voldaan”. 4.2.
- De tussenkomende partij laat in haar verzoekschrift tot tussen- komst het volgende gelden: “A. (H)ET MOEILIJK TE HERSTELLEN ERNSTIG NADEEL. Artikel 8, lid 2, 5/ van het K.B. van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing ‘een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen’, dient te bevatten. Hieruit vloeit -volgens constante rechtspraak van uw Raad- voort dat de verzoekende partij zich niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar integendeel ‘zeer concrete gegevens’ moet aanvoeren, die erop wijzen dat zij een persoonlijk MTHEN nadeel lijdt (...). Na een lezing van het schorsingsverzoekschrift kan de tussenkomende partij enkel vaststellen dat de verzoekende partij kennelijk nalaat het beweerde MTHEN te staven met concrete elementen. De verzoekende partij beperkt zich bij de uiteenzetting van haar MTHEN tot de stelling ‘dat niet ernstig kan worden betwist dat de bestreden beslissing werd genomen zonder dat op enigerlei wijze rekening werd gehouden met of aandacht werd besteed aan de rechtmatige belangen en rechten van verzoekende partij’ Vervolgens stelt zij dat, niettegenstaande de bestreden beslissing haar subjectieve rechten onverkort laten, het ‘reëel’ voorkomt dat de tussenkomende partij de bestreden beslissing niettemin zal ten uitvoer leggen. X-13.327-9/12 De verzoekende partij stelt voorts dat ‘het bovendien en vooral niet denkbeeldig is’ dat de tussenkomende partij zal overgaan tot de onteigening, waardoor verzoekende partij ‘voor voldongen feiten zal worden geplaatst’. Samenvattend poneert de verzoekende partij dat, indien de bestreden beslissing niet wordt geschorst, zij gedurende jaren - de geldingsduur van de vergunning - zal worden geconfronteerd met een toestand van absolute rechtsonzekerheid. Die onzekerheid ligt dan volgens de verzoekende partij in de eerste plaats in de dreiging op de definitieve aantasting van haar eigendomsrecht. De Verzoekende partij motiveert haar MTHEN met de verwijzing naar een jarenlange rechtsonzekerheid enerzijds, en naar een mogelijke aantasting van haar eigendomsrecht anderzijds. De verwijzing naar de vermeende onwettigheid van de bestreden beslissing, met name het feit dat hierbij geen rekening zou zijn gehouden met of aandacht werd besteed aan de rechtmatige belangen en rechten van verzoekende partij, is alvast geen MTHEN, maar heeft betrekking op de andere schorsings- voorwaarde, de ernstige middelen. Het bestaan van een MTHEN en de ernstige middelen zijn twee onderscheiden voorwaarden waaraan cumulatief moet worden voldaan. Het volstaat niet te verwijzen naar de onwettigheid van de beslissing om te besluiten dat er een MTHEN is. In de mate dat de vergunning de subjectieve burgerlijke rechten van verzoekende partij zouden aantasten, is niet uw Raad, maar enkel de burgerlijke rechtbank bevoegd om hierover te oordelen. In de mate dat de verzoekende partij vreest dat er een onteigening zal volgen, vloeit het eventuele nadeel niet voort uit de bestreden beslissing, maar zal het (eventuele) nadeel voort(vloeien) uit het desgevallend nog te nemen onteigeningsbesluit. Tegen dit besluit staan beroepen open bij de Raad van State en/of de burgerlijke rechtbanken. Het enige ingeroepen nadeel is van louter financiële en/of patrimoniale aard. De verzoekende partij toont hierbij niet aan dat zij geen menswaardig bestaan meer zou hebben door de tenuitvoerlegging van de beslissing, of dat zij tot sociale uitsluiting en marginalisering zou worden gebracht. Financieel nadeel kan hoe dan ook worden goedgemaakt middels het indienen van een vordering tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechtbank. Voor de rest voert de verzoekende partij helemaal geen concrete elementen aan waaruit haar MTHEN zou moeten blijken. Verzoekende partij toont geen nadeel aan, laat staan een ernstig nadeel, en nog minder dat dit eventuele ernstige nadeel moeilijk te herstellen zou zijn. Alleen al om die reden dient het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te worden verworpen”. 4.3.
- Luidens artikel 17, §3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, eerste lid, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokken, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel X-13.327-10/12 aantonen”. Uit deze bepalingen volgt dat de verzoeker in zijn verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat hij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan. De verzoeker mag zich daarbij niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dient integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat hij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat of dreigt te ondergaan. 4.3.
- De verzoekster betoogt in haar verzoekschrift op de eerste plaats dat de bestreden beslissing werd genomen met miskenning van haar rechtmatige rechten en belangen. Een dergelijke stellingname heeft betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit en niet op de afzonderlijke constitutieve schorsingsvoorwaarde inzake het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Het aanvoeren van ernstige middelen en het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zijn twee afzonderlijke voorwaarden die gezamenlijk moeten vervuld zijn om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te verkrijgen. 4.3.
- Wat betreft de door de verzoekster aangevoerde dreiging tot onteigening, met daarmee gepaard gaande rechtsonzekerheid, kan worden vastgesteld dat onteigening slechts mogelijk is na het nemen van een onteigeningsbesluit. In de huidige stand van het geding blijkt geen dreiging tot onteigening. Derhalve steunt het nadeel dat de verzoekster vreest te zullen ondergaan niet op concrete gegevens, maar is het louter hypothetisch. Bovendien wordt ook niet concreet geargumenteerd in welk opzicht een onteigening in casu aan de verzoekster een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou berokkenen. 4.3.
- Er is niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. X-13.327-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de gemeente SINT-MARTENS- LATEM in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig januari 2008, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-13.327-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.067 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.720 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div