id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.171 Rolnummer: A. 186839/XII-5324 Zaak: Arrest 179171 - Politie - 31/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-05 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 07:34 Fiche Arrest nr 179.171 van 31 januari 2008 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.171 van 31 januari 2008 in de zaak A. 186.839/XII-
- In zake : John RUET, die woonplaats kiest bij advocaat D. Duinslaeger, kantoor houdende te 1200 Brussel, Woluwe Atrium, Neerveldstraat 101-103 tegen :
- de GEMEENTE MERCHTEM,
- de BURGEMEESTER VAN DE GEMEENTE MERCHTEM. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat John Ruet op 28 januari 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “de artikelen 1, 2, 3 en 4 van de Politieverordening van 14 januari van de burgemeester [van de gemeente Merchtem] op grond van artikel 135, § 2 van de Nieuwe Gemeentewet, zoals gevoegd bij dit verzoekschrift”; Gezien de nota van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 29 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 januari 2008, om 14.00 uur, zitting die wordt uitgesteld naar de zitting van 30 januari 2008, om 14.00 uur; Gelet op de beschikking van 29 januari 2008 waarbij aan verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend voor wat betreft de vordering tot schorsing; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-5324-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Duinslaeger, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat F. Gillijns, die verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten
- Verzoeker huurt van het OCMW van Merchtem een woning aan de Stationsstraat 18, bus 1, te Merchtem. Op 17 oktober 2006 richt de burgemeester een verzoek tot hygiënisch onderzoek van de woning aan de Gezondheidsinspectie Vlaams-Brabant. Met een brief van 22 november 2007 deelt een milieuarts van het agentschap Zorg en Gezondheid, Toezicht Volksgezondheid Vlaams-Brabant, mee vanwege de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin een klacht te hebben ontvangen “waaruit blijkt dat er zich mogelijkerwijze een probleem van vervuiling stelt in en rondom de woning van dhr. John Ruet, [...] met ernstige burenhinder tot gevolg”. De milieuarts schrijft onder andere: “Aangezien deze materie conform art. 134 en 135 van de gemeentewet onder uw bevoegdheid valt, stuur ik u dit dossier voor verder gevolg door”. Op 27 november 2007 deelt het diensthoofd van Wonen Vlaams- Brabant aan de burgemeester mee dat een controleur Leegstand, Verkrotting en Kwaliteitsbewaking op 7 november 2007 een onderzoek heeft uitgevoerd naar de kwaliteit van de woning aan de Stationsstraat 18, bus 1, te Merchtem en dat er reden is om een advies tot ongeschiktverklaring en een advies tot onbewoonbaarverklaring te geven. Gevolg gevend aan die adviezen, besluit de burgemeester op 12 december 2007 de woning ongeschikt en onbewoonbaar te verklaren. Verzoeker stelt tegen het besluit op 9 januari 2008 beroep in bij de Vlaamse minister bevoegd inzake huisvesting. Hij vraagt het besluit te vernietigen en te beslissen dat de woning geen veiligheids- of gezondheidsrisico’s meer inhoudt en bewoonbaar is. XII-5324-2/7 Op 11 januari 2008 beslist de burgemeester de bewoning van de woning “met onmiddellijke ingang” stop te zetten. Hij motiveert, na een verwijzing naar het advies inzake onbewoonbaarheid, zijn besluit van 12 december 2007 en het beroep ertegen dat “schorsend werkt” : “Gelet op de veelvuldige klachten vanwege buurtbewoners gericht aan de burgemeester, en dit met betrekking tot de bewoning van de Stationsstraat nr. 18, bus 1, door de heer John Ruet; Gezien, ingevolge artikel 135 § 2, de gemeenten de taak hebben de nodige maatregelen te nemen, inclusief politieverordeningen, voor het tegengaan van alle vormen van openbare overlast; Gezien de burgemeester alsnog artikel 135 § 2 van de Nieuwe Gemeentewet inroept om de bewoning van de woning gelegen Stationsstraat 18, bus 1, met onmiddellijk[e] ingang stop te zetten; Gezien onderhavige politieverordening zal bekrachtigd worden op de eerstvolgende zitting van de gemeenteraad, zijnde 28 januari 2008”. De ontvankelijkheid
- De vordering is volgens de verwerende partijen, in de nota, onontvankelijk omdat er op 14 januari 2008 “geen verordening werd geveld waarbij verzoekende partij het rechtstreeks vereiste belang heeft”.
- Het verzoekschrift en de bijlagen, inzonderheid stuk 1, laten er niet de minste twijfel over bestaan dat verzoeker de schorsing nastreeft van de “politieverordening” van 11 januari
- De exceptie tracht garen te spinnen bij een aperte verschrijving. Ze is ongegrond. De grondvoorwaarden voor een schorsing
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is.
- Verzoeker voert, met betrekking tot de eerste voorwaarde, in een eerste middel onder meer aan dat hij nooit direct door de burgemeester is gehoord over de “veelvuldige klachten” van buurtbewoners, dat zijn hond weliswaar enkele malen op het eigendom van de buren is binnengedrongen en er daarover één enkele XII-5324-3/7 keer een opstootje is geweest, dat het echter om een klassiek geval van burenruzie gaat, en dat de “uithuiszetting” geen passende maatregel is voor “de vroegere beweerde klachten”. In een tweede middel doet verzoeker gelden “dat er noch een materiële, noch een formele motivering aangebracht wordt [door] de enkele en algemene verwijzing naar ‘klachten’ en naar de wettelijke bepaling in de Nieuwe Gemeentewet”, en dat de klachten van overlast in het verleden geen afdoende motivering uitmaken “voor een dergelijke ingrijpende maatregel”.
- Verwerende partijen antwoorden op de middelen, in substantie, dat er wel degelijk klachten zijn inzake overlast, “meer in het bijzonder wegens vervuiling in en rond de woning van verzoekende partij, waarbij buren vrezen dat ook hun eigendom hierdoor zou worden aangetast”, dat verzoeker ten onrechte tracht een en ander te reduceren tot een incident aangaande een ontsnapte hond, dat aan de formele-motiveringsplicht is voldaan door de verwijzing naar de toepasselijke wetsbepaling en door de chronologie van de zaak uiteen te zetten in de overwegingen van de “verordening”, dat uit de overwegingen afdoende blijkt dat de klachten de bewoning van het onroerend goed door verzoeker betreffen en dat het om openbare overlast gaat, dat overigens verzoeker “toch een volledige kennis heeft van de motieven van de beslissing die hij bestrijdt, hetgeen blijkt uit de gevoerde briefwisseling en bemiddelingspogingen”, dat de Raad van State inzake de schending van de materiële motiveringsplicht slechts over “een marginale bevoegdheid” beschikt, en dat verzoeker nalaat uiteen te zetten “hoe de materiële motiveringsplicht precies is geschonden”.
- De bestreden beslissing verbiedt verzoeker nog voort zijn appartement te bewonen. Zij behoort afdoende formeel gemotiveerd te zijn en moet op motieven steunen die haar in feite en in rechte -inbegrepen: in redelijkheid- kunnen dragen.
- Formeel verantwoordt de burgemeester zijn optreden op grond van artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet in wezen alleen met een verwijzing naar niet nader gespecificeerde “veelvuldige klachten vanwege buurtbewoners”. Dit lijkt al te summier en vaag. De formele motivering verheldert niet afdoende waarom tot een zo verregaande en ingrijpende maatregel als de stopzetting van bewoning is beslist. XII-5324-4/7 Voorts blijkt uit niets dat niettemin verzoeker, zoals de verwerende partijen beweren, een volledige kennis heeft van de motieven van de beslissing, wat vergt dat verzoeker zou weten dat de beslissing gesteund is op klachten wegens vervuiling in en rond zijn woning. Juist het tegendeel lijkt het geval: blijkens zijn verzoekschrift gaat hij ervan uit dat de aangevoerde klachten uitsluitend met zijn hond te maken hebben. In de gegeven omstandigheden heeft de burgemeester het alleen aan zichzelf te wijten dat verzoeker een en ander verkeerdelijk reduceert tot een incident met betrekking tot een ontsnapte hond. Evenmin is het dan verwonderlijk dat verzoeker niet zo “precies” als verwerende partijen blijkbaar hadden gewenst, uiteenzet hoe de materiële-motiveringsplicht is geschonden.
- Naar, voorts, uit het administratief dossier wordt opgemaakt, situeren de klachten wegens vervuiling in en rond de woning van verzoeker zich alle in het jaar 2006, op één na - een klacht die in een brief van 22 november 2007 ter sprake komt. In die brief (stuk 20 van het administratief dossier) wordt de ontvangst gemeld van een klacht van twee omwonende families waaruit blijkt dat er zich “mogelijkerwijze” een probleem van vervuiling voordoet in en rondom de woning van verzoeker. Over de gegrondheid van klacht wordt geen enkele uitspraak gedaan. De auteur laat het “verder gevolg” over aan de burgemeester, die hij terzake bevoegd noemt “conform art. 134 en 135 van de gemeentewet”. Naar het zich in de huidige stand van de procedure laat aanzien, heeft de burgemeester dan zonder nader onderzoek en zonder verzoeker met het oog op een eventuele stopzetting van de bewoning te horen, de beslissing van 11 januari 2008 genomen. In die omstandigheden wordt vooralsnog aangenomen dat de burgemeester zich heeft gesteund op klachten waarvan de juistheid of de actuele relevantie onzeker is.
- Het eerste en het tweede middel zijn in de besproken mate ernstig. XII-5324-5/7
- Verzoeker voert, met betrekking tot de tweede en de derde schorsingsvoorwaarde, aan dat hij ten gevolge van de bestreden beslissing zijn huisvesting verliest “en dit in het midden van de winter”, en dat hij “vanaf 28 januari op elk ogenblik uit zijn huis kan gezet worden, zonder dat in een nieuwe, gelijkaardige huisvesting is voorzien”.
- Dit betoog overtuigt. Tevergeefs werpen verwerende partijen tegen “dat verzoekende partij de openbare overlast zelf heeft veroorzaakt”. Uit de bespreking van de middelen volgt immers dat vooralsnog niet blijkt dat de bestreden beslissing door voldoende formele en materiële motieven wordt verantwoord. Evenmin worden verwerende partijen gevolgd waar zij doen gelden dat verzoeker “zelf aangetoond [heeft] dat er geen uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is”, doordat de bestreden “politieverordening” op 21 januari 2008 aangetekend aan hem betekend is geworden en hij tot 28 januari 2008 heeft gewacht om de vordering in te dienen. Een termijn van hooguit vijf dagen tussen de ontvangst van de brief en het indienen van de vordering lijkt de hoogdringendheid geenszins tegen te spreken. Ook aan de tweede en de derde grondvoorwaarde voor een schorsing is voldaan. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 11 januari 2008 van de burgemeester van de gemeente Merchtem om “de bewoning van de woning gelegen te 1785 Merchtem, Stationsstraat 18, bus 1, met onmiddellijke ingang stop te zetten”. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. XII-5324-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig januari 2008, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5324-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.171 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.189.106 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div