← België

Arrest 179172 - Kansspelen - 31/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.172 Rolnummer: Zaak: Arrest 179172 - Kansspelen - 31/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-13 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-29 07:34 Fiche Arrest nr 179.172 van 31 januari 2008 Justitie - Kansspelen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.172 van 31 januari 2008 in de zaak A. 103.174/XII-3049 A. 105.788/XII-

  1. In zake : de NV CAPITOLE, die woonplaats kiest bij advocaat H. Sturtewagen, kantoor houdende te Berchem, Generaal van Merlenstraat 38 tegen : de STAD OOSTENDE, die woonplaats kiest bij advocaat B. Roelandts, kantoor houdende te Gent, Kasteellaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV Capitole op 10 april 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 23 februari 2001 van de gemeenteraad van de stad Oostende om geen convenant met haar te sluiten voor de uitbating van een kansspelinrichting klasse II aan de Langestraat 49 (A. 103.174/XII-3049); Gezien het verzoekschrift dat de NV Capitole op 11 juni 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van dezelfde gemeenteraadsbeslissing (A. 105.788/XII-3157); Gelet op het arrest nr. 94.764 van 18 april 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging in de zaak A. 103.174/XII-3049 wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding dat verzoekster op 10 mei 2001 indiende in de zaak A. 103.174/XII-3049; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; XII-3049-1/17 Gezien het verslag opgesteld door auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikkingen van 5 september 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikkingen van 8 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 april 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. Sturtewagen, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat G. Beaujean, die loco advocaat B. Roelandts verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : I. De voorgaanden
  3. Ten gevolge van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (hierna: de wet van 7 mei 1999), die de uitbating van een kansspelinrichting klasse II of speelautomatenhal onderwerpt aan een door de kansspelcommissie voorafgaandelijk uit te reiken schriftelijke vergunning B en die bepaalt dat de uitbating moet gebeuren krachtens een convenant met de gemeente, vraagt verzoekster met een brief van 10 januari 2001, aangevuld op 17 januari 2001, aan verwerende partij een convenant te sluiten met betrekking tot de exploitatie van een kansspelinrichting klasse II te Oostende, Langestraat
  4. XII-3049-2/17 Ter zitting van 23 februari 2001 besluit de gemeenteraad terzake wat volgt : “De Gemeenteraad beslist niet in te gaan op de vraag van 10 en 17 januari 2001 van meester Danny Crabeels, raadsman van Capitole nv, voor het afsluiten van een convenant tussen de Stad en Capitole nv voor een kansspelinrichting klasse II voor de inrichting gelegen in de Langestraat 49 (Capitole) omwille van de onmiddellijke nabijheid van : - op minder dan 100 m : Jeugdhuis ‘De Kim’, Langestraat 18A; Cinema Rialto, Langestraat 39; Wapenplein (evenementen); - op minder dan 300 m : Dienst Begeleiding Ongewenst Zwangeren en Adoptie, St.-Sebastiaansstraat 18; Comité voor Bijzondere Jeugdzorg, Karel Janssenslaan 5; bowling/karabijnschieten Sporting, St.-Sebastiaansstraat 26; fitnesszaal + zwembad Bero Tulip Inn, Hofstraat 1A; Albertschool, Ooststraat 29; OLV-College, Aartshertoginnestraat 38; Basisschool 1, Poststraat 15; Kapucijnenkerk, Kapucijnenstraat/Mijnplein; Anglicaanse Kerk, Langestraat 101; Dominicanenkerk, Christinastraat; speelplein Mijnplein; kinderopvang ‘t Optimistje, Ooststraat 50; kinderopvang De Kapoen en De Maan, Christinastraat 84; strand- en dijkrecreatie; ‘Petit Nice’-plein; Groentemarkt; Mijnplein; bus- en tramhaltes”. Met brieven van 6 april 2001 formuleert verzoekster tegen de weigering bezwaren bij de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen, respectievelijk de Vlaamse regering. Op 10 april 2001 stelt zij tegen de gemeenteraadsbeslissing van 23 februari 2001 het beroep met nr. A. 103.174/XII-3049 in. Met een schrijven van 20 april 2001 antwoordt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport dat hij het niet nodig acht om tegen de gemeenteraadsbeslissing op te treden. Naar op 5 juni 2001 bijkomend wordt toegelicht, heeft de brief van 20 april 2001 ook betrekking op de klacht bij de gouverneur. Op 6 juni 2001 dient verzoekster tegen de gemeenteraadsbeslissing van 23 februari 2001 het beroep met nr. A. 105.788/XII-3157 in. II. De ontvankelijkheid en de samenhang
  5. Volgens verwerende partij is het beroep in de zaak A. 105.788/XII-3157 niet ontvankelijk omdat zij tegen de bestreden XII-3049-3/17 gemeenteraadsbeslissing precies dezelfde middelen aanvoert als in het eerdere beroep, met nr. A. 103.174/XII-3049, dat zij tegen dezelfde beslissing instelde.
  6. Er is de Raad van State geen regel bekend die verbiedt dat tegen eenzelfde beslissing twee annulatieberoepen worden ingesteld, weze het door eenzelfde partij.
  7. Gelet op de overeenstemming qua voorwerp en aangevoerde middelen is er wel reden om de betrokken beroepen in het belang van een goede rechtsbedeling samen te voegen. III. De grond van de zaken A. Eerste middel Stelling van de verzoekster
  8. In de verzoekschriften wordt in een eerste middel “schending van de wet en de uitvoeringsbesluiten - machtsoverschrijding en inbreuk op het zorgvuldigheidsbeginsel” aangevoerd. Uiteengezet wordt dat nergens in de wet of de koninklijke besluiten wordt gesteld dat de aanwezigheid van scholen binnen een cirkel van 500 m, de aanwezigheid van een kruispunt van het openbaar vervoer voor schoolverkeer, de onmiddellijke nabijheid van onderwijsinstellingen, plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht en plaatsen waar erediensten worden gehouden, automatisch zouden moeten leiden tot de weigering om een convenant te sluiten. Verzoekster voegt daar in de memorie van wederantwoord inzake het tweede beroep nog aan toe dat de wetgever, door een op zichzelf staande regeling te hebben uitgewerkt met een vergunningsbevoegdheid voor de kansspelcommissie, “elke bevoegdheid van de gemeente om beslissingen te nemen op grond van maatschappelijke, sociale of ethische overwegingen, welke aan de basis van de wet liggen, [heeft] uitgesloten”. In de laatste memories beklemtoont verzoekster dat verwerende partij “uit de loutere vaststelling van de respectievelijke afstanden van de [in de bestreden beslissing] weerhouden maatschappelijk ongeschikte plaatsten ten XII-3049-4/17 opzichte van de kansspelinrichting van verzoekende partij en in het licht van de doelstelling van artikel 36, 4/ van de Kansspelwet [...] niet zonder nadere motivering [vermocht] af te leiden dat deze instellingen en plaatsen moeten worden geacht te zijn gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de kansspelinrichting van verzoekende partij”. Minstens diende volgens haar het bestreden besluit een afweging te bevatten van de daarin opgesomde loutere vaststellingen en een concrete motivering waarom te dezen tot de problematische nabijheid wordt besloten. Beoordeling
  9. Naar eis van artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999 moet de aanvrager om een vergunning klasse B te kunnen verkrijgen, ervoor zorgen dat de kansspelinrichting klasse II niet gevestigd wordt in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, plaatsen waar erediensten worden gehouden en gevangenissen. Terecht is verzoekster van mening dat noch uit de wet van 7 mei 1999, noch uit de koninklijke besluiten ter uitvoering ervan, volgt dat de prohibitieve nabijheid op 500 m is vast te leggen. De “nabijheid” waarvan sprake in het artikel 36, 4, is immers bij uitstek relatief. Een uitspraak erover zal dan ook steeds een onderzoek en een afweging van de concrete omstandigheden en gegevens vergen. Daarmee is niet in overeenstemming de handelwijze waarbij de overheid, vóór elk onderzoek van de zaak en de haar eigen particulariteiten, de maatstaf van de prohibitieve nabijheid blindweg op een vaste afstand bepaalt en daarna nog alleen verifieert, als het ware op automatische piloot, of er zich binnen de voorafbepaalde afstand al dan niet instellingen als bedoeld in artikel 36, 4, bevinden. Precies omdat de nabijheid geval per geval moet worden onderzocht en beoordeeld, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak, is het op voorhand echter ook geenszins uit te sluiten dat het bestuur rechtmatig tot de conclusie kan komen dat ook nog instellingen die op 500 m, of zelfs meer, liggen als nabij in de zin van artikel 36, 4, te beschouwen zijn. XII-3049-5/17
  10. Te dezen heeft de verwerende partij gemeend dat de door verzoekster aangevraagde vestigingsplaats niet met de vereisten van het artikel 36, 4, overeenkomt. In de bestreden weigering heeft zij gepreciseerd welke, door dat voorschrift bedoelde, inrichtingen te dicht bij de vestigingsplaats gelegen zijn en waarom, namelijk op welke afstand ze zich slechts bevinden. Als zodanig wijst de formele motivering op een in concreto- onderzoek en -beoordeling. Van een louter werktuiglijke toetsing aan een voorafbepaalde strakke en strikte maatstaf, is in de motivering geen sprake. Een dergelijke automatische toetsing wordt evenmin afdoende aannemelijk gemaakt door de andere stukken waarop de Raad van State vermocht acht te slaan.
  11. In zoverre verzoekster het met de beoordeling van verwerende partij niet eens is, staat het haar vrij ze te betwisten, hetgeen zij in navolgende middelen doet. Maar zij kan bezwaarlijk met goed recht stellen dat verwerende partij in gebreke is gebleven concreet te motiveren op grond van welke overwegingen zij tot de conclusie is gekomen dat de kansspelinrichting in de nabijheid ligt van instellingen en plaatsen bedoeld in artikel 36, 4, van de wet van 7 mei
  12. Met de voorwaarde van het artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999 heeft de wetgever willen vermijden dat de personen die hij in het bijzonder wil beschermen -scholieren, jongeren, gedetineerden die de gevangenis mogen verlaten- ertoe worden aangezet om de speelautomatenhallen te bezoeken, en dat een frivole omgeving wordt gecreëerd in de buurt van ziekenhuizen en plaatsen waar erediensten worden gehouden. Als zodanig dient de voorwaarde een doelstelling van sociale bescherming. Naar verzoekster in de memorie van wederantwoord inzake het tweede beroep evenwel laat verstaan, is de zorg voor de maatschappelijke, sociale of ethische aspecten van de kansspelinrichtingen uitsluitend aan de kansspelcommissie opgedragen en gaat het dan ook de bevoegdheid van de gemeente te buiten om zich op de genoemde voorwaarde te beroepen. Deze zienswijze is verkeerd. De wetgever heeft er integendeel bewust voor gekozen om aan (onder andere) de gemeente over te laten de notie “in de nabijheid van” in de vergunningsvoorwaarde van het artikel 36, 4, in te vullen, XII-3049-6/17 weliswaar onder controle van de rechter (Parl. St. Senaat 1998-99, nr. 1-419/17, 139 en 140; Parl. St. Kamer 1998-99, nr. 1795/8, 55 en 56).
  13. Het eerste middel is in zijn geheel ongegrond. B. Tweede middel Stelling van de verzoekster
  14. Een tweede middel is gestoeld op de schending van het zorgvuldigheids-, het evenredigheids- en het draagkrachtbeginsel. Verzoekster licht toe dat het “jongerenargument” “niet echt toepasselijk” is aangezien de toegang tot haar inrichting verboden is voor wie min dan 21 is, dat er bovendien in de hele stad jeugd aanwezig is, dat de scholen “toch wel heel wat blokken” verwijderd zijn, dat er in het verleden nooit problemen met minderjarigen zijn geweest, dat het uitgangscentrum “veel bedreigender [is] dan de amusementshal van verzoekster” en dat de kansspelinrichting “op geen enkele route van de scholen naar de verkeersknooppunten van schoolverkeer” ligt. Tevens is volgens verzoekster “het argument ter zake plaatsen waar erediensten worden gehouden wel enigszins overtrokken, gelet op het lage bezoekersaantal van dergelijke plaatsen in het begin van 21ste eeuw en het feit dat deze erediensten toch meestal plaatsvinden overdag en de zaak van cliënte geen enkele stoornis ter zake kan veroorzaken”. Voorts doet verzoekster gelden dat het gevaar van haar inrichting voor de bezoekers van cinema Rialto en van de evenementen op het Wapenplein onbegrijpelijk is, dat er geen enkele interferentie kan zijn met de dienst Begeleiding Ongewenst Zwangeren en Adoptie, dat het comité Bijzondere Jeugdzorg helemaal niet in de buurt ligt, dat het tekenend is dat verwerende partij er zelfs kinderopvang bij betrekt, dat de fitnesszaal en het zwembad Tulip Inn niet toegankelijk zijn voor het publiek, dat een peep-show, pornozaak of nachtclubs en -bars blijkbaar geen aanstoot geven, dat ook niet nuttig verwezen kan worden naar “Petit Nice”, “Groentemarkt” en “Mijnplein”, de bowling en het karabijnschieten. Finaal concludeert verzoekster in het verzoekschrift dat de motivering van verwerende partij “enkel politiek geïnspireerd is en enkel opgesteld is ‘pour les besoins de la cause’”. XII-3049-7/17 In de memorie van wederantwoord inzake het tweede beroep oppert verzoekster nog dat verwerende partij niet de nabijheid van de opgesomde plaatsen “in concreto en in het licht van een gemeentelijke bevoegdheid, zoals de handhaving van de openbare orde” heeft beoordeeld. Beoordeling
  15. Krachtens artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999 mag de kansspelinrichting niet gevestigd worden in de nabijheid van onderwijsinstellingen, plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht en plaatsen waar erediensten worden gehouden. Te dezen voert de bestreden beslissing als zodanige instellingen en plaatsen onder andere aan: jeugdhuis “De Kim”, de Albertschool, het O.L.V. College en de Basisschool I, de Kapucijnenkerk, de Anglicaanse kerk en de Dominicanenkerk.
  16. Tegen het in aanmerking nemen van jeugdhuis “De Kim” brengt verzoekster in, ten eerste, dat de toegang tot de kansspelinrichting sowieso verboden is voor personen jonger dan 21 jaar, ten tweede, dat andere inrichtingen dan die van verzoekster “veel bedreigender” zijn en wel worden toegelaten, en ten derde, dat het jeugdhuis er dan weer geen beletsel voor was om verzoekster een milieuvergunning te verlenen. De milieuvergunning en de aangevochten beslissing zijn genomen in het kader van twee totaal verschillende reglementeringen. Overigens bestond de wet van 7 mei 1999 niet eens toen de milieuvergunning in1988 werd verleend of toen het college van burgemeester en schepenenen in 1995 akte nam van de melding van overname van de exploitatie door verzoekster. Met de wet van 7 mei 1999, waarop de bestreden beslissing steunt, heeft de wetgever gemeend specifiek te moeten optreden met betrekking tot het gevaar dat kansspelinrichtingen kunnen betekenen. Dat er mogelijk ook nog andere, naar de mening van verzoekster zelfs grotere, gevaren bestaan, spreekt de noodzaak of tenminste de wenselijkheid van een regeling inzake kansspelinrichtingen niet tegen. Het is hoe dan ook een kritiek die niet de bestreden beslissing betreft, maar de keuze die de wetgever heeft gemaakt. XII-3049-8/17 Dat geldt ook de opwerping dat jongeren in elk geval geen gevaar kunnen lopen nu zij niet in de kansspelinrichting van verzoekster binnen mogen indien zij geen 21 zijn. Het is immers kennelijk de keuze van de wetgever geweest om én in artikel 54, § 1, van de wet de toegang tot de speelzalen van kansspelinrichtingen klasse II te verbieden voor personen jonger dan 21 jaar, én in artikel 36, 4, voor te schrijven dat de kansspelinrichting klasse II niet gevestigd mag worden in de nabijheid van plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht. De wet van 7 mei 1999 behoort evenwel niet tot het voorwerp van het beroep.
  17. Het is niet betwist dat de scholen die de bestreden beslissing in aanmerking neemt, op minder dan 300 m gelegen zijn. Zoals verzoekster het ziet, is dit evenwel niet “in de nabijheid” omdat er tussen haar inrichting en de scholen dan toch een paar huizenblokken in liggen en omdat haar inrichting zich niet op de route tussen de scholen en de verkeersknooppunten van schoolverkeer bevindt. Die zienswijze is niet van redelijkheid ontbloot. Maar ook de zienswijze van de verwerende partij is plausibel. Namelijk gaat het niet de grenzen van een redelijke invulling van de notie “nabijheid” in het artikel 36, 4, te buiten door als nabij te beschouwen, een kansspelinrichting die scholieren met een verplaatsing van minder dan 300 m kunnen bereiken en die precies vanwege de minimale moeite die dat maar vergt, voor hen een grote verlokking kan inhouden. Nu verwerende partij rechtmatig kon oordelen dat verzoeksters inrichting in de nabijheid van de scholen ligt, doet het niet terzake dat zij er mogelijk ook anders had kunnen over denken. Discretionaire beoordelingsbevoegdheid houdt nu eenmaal per definitie de mogelijkheid in van verschillende oplossingen die elk als aanvaardbaar kunnen voorkomen.
  18. Ook verzoeksters grief aangaande de beweerde nabijheid van de kerken overtuigt niet. Zoals gezien, is het verbod van artikel 36, 4, om de kansspelinrichting te vestigen in de nabijheid van plaatsen waar erediensten worden gehouden erop gericht om te beletten dat in de buurt van die plaatsen een frivole omgeving wordt gecreëerd. Noch de omstandigheid dat maar weinig mensen de XII-3049-9/17 kerken zouden bezoeken, noch de omstandigheid dat de kerken en verzoeksters kansspelinrichting niet tegelijk open zijn, doet dan terzake.
  19. Uit het voorgaande volgt dat verwerende partij gegronde redenen had om te weigeren met verzoekster een convenant te sluiten vanwege -zoals zij in haar brief van 13 maart 2001 aan verzoekster meedeelde- “de onmiddellijke nabijheid van onderwijsinstellingen, plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht en plaatsen waar erediensten worden gehouden”. In deze omstandigheden worden de grieven die verzoekster inbrengt tegen de andere instellingen en plaatsen waarvan sprake in de bestreden beslissing, buiten beschouwing gelaten. Zelfs als zij terecht mochten zijn, zouden zij nog niet kunnen meebrengen dat de gemeenteraadsbeslissing van 23 februari 2001 moet worden aanzien als “enkel politiek geïnspireerd” en “enkel opgesteld [...] ‘pour les besoins de la cause’”.
  20. In zoverre, ten slotte, de uitbreiding van het middel in de memorie van wederantwoord inzake het tweede beroep ontvankelijk is, herhaalt zij het eerste middel, dat hiervoor reeds ongegrond is bevonden.
  21. Het middel wordt in zijn geheel afgewezen. C. Derde middel Stelling van de verzoekster
  22. In een derde middel doet verzoekster gelden dat de discretionaire bevoegdheid van de gemeente niet absoluut is, terwijl nochtans verwerende partij met haar beslissing “een absoluut standpunt” heeft ingenomen zoals valt af te leiden “uit de gelijkvormige motivering voor alle weigeringen”. Voorts voert verzoekster aan dat de motivering niet voldoet, doordat zij “in geen enkel opzicht de noodzakelijkheid aan[toont] voor deze zeer ingrijpende weigering”, die leidt tot de sluiting van een bedrijf met dertien werknemers en het verloren gaan van een miljoeneninvestering. Beoordeling XII-3049-10/17
  23. De bestreden weigering is gesteund op de prohibitieve nabijheid van een aantal instellingen en plaatsen zoals bedoeld in artikel 36, 4, van de wet van 7 mei
  24. Zoals bij de bespreking van het eerste middel gezien, berust dat motief niet op enige absolute, principiële of automatische stellingname, maar op een onderzoek en beoordeling in concreto. De deugdelijkheid van die beoordeling en van het erop gebaseerde motief wordt niet beïnvloed door de omstandigheid dat ook aanvragen met betrekking tot andere kansspelinrichtingen zijn afgestuit op de aanwezigheid, in hún nabijheid, van instellingen en plaatsen zoals bedoeld in artikel 36,
  25. De nabijheid van instellingen en plaatsen vermeld in artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999 is een toereikend motief voor de weigering van een convenant. Wanneer dan ook een weigering op dat motief berust, volstaat het ten aanzien van de formele-motiveringseis dat de prohibitieve nabijheid afdoende met redenen wordt omkleed. Daaraan is te dezen voldaan door in de beslissing aan te geven welke door het voorschrift van artikel 36, 4, bedoelde inrichtingen te dicht bij de vestigingsplaats van verzoekster gelegen zijn en op welke afstand ze zich meer bepaald (slechts) bevinden.
  26. Het middel wordt verworpen. D. Vierde middel Stelling van de verzoekster
  27. Luidens een vierde middel, “rechts- en machtsafwending (nemo judex in causa sua)”, is de motivering van de bestreden beslissing “des te schrijnender en aberranter nu algemeen geweten is dat de weigering te Oostende enkel geïnspireerd is door de motivatie de zaak Pacman uit te schakelen die zich verzet tegen zijn onteigening en daardoor de realisatie van het Mercurius-project ophoudt of onmogelijk maakt”. Beoordeling
  28. Het middel gaat ervan uit dat de motivering van de bestreden beslissing er een is -met de woorden van verzoekster- “pour les besoins de la cause”. Dit is, zoals hiervoor is gebleken, een foute premisse. XII-3049-11/17 Het middel wordt verworpen. E. Vijfde middel Stelling van de verzoekster
  29. Verzoekster voert in een vijfde middel aan, met een verwijzing naar een in 1995 “overgedragen” milieuvergunning en naar een investering van tientallen miljoenen, dat zij in haar verwachtingen geschaad is en dat door de “discontinuïteit van de houding van het College van Burgemeester en Schepenen” geraakt wordt aan verworven rechten. Tevens wordt betoogd dat de belangenafweging waartoe verwerende partij overging niet van behoorlijk bestuur getuigt en dat de motivering ontoereikend is gelet op het feit dat de beslissing “leidt tot de sluiting van een bedrijf en een miljoenen investering op basis van een vergunning die voorheen op normale wijze en in dezelfde omstandigheden zonder problemen werd toegestaan”. Beoordeling
  30. Verzoekster gaat in het middel aan enige fundamentele nuances voorbij. Ten eerste is de bestreden beslissing genomen door de gemeenteraad en niet, zoals de akteneming op 15 mei 1995 van de melding van de overname door verzoekster van de exploitatie van een lunapark, door het schepencollege. De beslissing kan dan ook bezwaarlijk een “discontinuïteit” in de houding van het schepencollege illustreren. Ten tweede is de aangevochten beslissing genomen in het kader van een totaal andere reglementering dan de voormelde akteneming - een reglementering zelfs die in 1995 nog niet eens bestond. De akteneming van 15 mei 1995 en de milieuvergunning van 1 februari 1988 houden verband met de stedenbouwkundige en milieuhygiënische aspecten van de exploitatie, met uitsluiting van onder meer de sociale aspecten ervan. De bestreden beslissing daarentegen is gesteund op een wet -de wet van 7 mei 1999- die tot doel heeft het sociale gevaar in te perken dat de kansspelinrichtingen kunnen betekenen. XII-3049-12/17
  31. Teneinde dat gevaar voor de maatschappij in de hand te houden, heeft de wetgever gemeend het bestaande principiële verbod op kansspelinrichtingen te moeten handhaven en een uitzondering in te stellen, gebaseerd op een vergunningsregeling waarbij de gemeenten worden ingeschakeld ter versterking van het “controle-effect” (Parl. St. Senaat 1998-99, nr. 1-419/17, 138). Voorts heeft de wet voor het verkrijgen van de vergunning geen onderscheid gemaakt naargelang het om een bestaande inrichting gaat dan wel een nieuwe, noch in overgangs- of begeleidingsbepalingen voorzien ten behoeve van inrichtingen die al van vóór de wet bestaan. Hieruit volgt dat in zoverre de verwerende partij alleen maar de rol heeft gespeeld die de wet haar met het oog op de nagestreefde sociale bescherming heeft toebedeeld, de in het middel aangevoerde schending van het vertrouwen en van zogenaamde verworven rechten, wezenlijk terug te voeren is tot de wet van 7 mei 1999 zelf, welke wet niet tot het voorwerp van het beroep behoort. Mede gelet op de bespreking van verzoeksters overige middelen blijkt voorts niet dat verwerende partij de grenzen van de wet van 7 mei 1999 en van de bevoegdheden die haar daarin worden toegewezen, te buiten is gegaan of haar beslissing niet afdoende gemotiveerd heeft.
  32. Het middel wordt afgewezen. F. Zesde middel Stelling van de verzoekster
  33. In een zesde middel beklaagt verzoekster zich, in het verzoekschrift, erover dat zij niet gehoord is geworden en dus niet de gelegenheid had om haar standpunt op nuttige wijze uiteen te zetten. Beoordeling
  34. Het recht van de aanvrager van een vergunning klasse B om te worden gehoord, wordt expliciet geregeld door artikel 35, derde lid, van de wet van 7 mei
  35. Daarin is niet voorzien in het horen van de aanvrager door de gemeente. De bepaling schrijft alleen voor dat de aanvrager, die kan worden bijgestaan door XII-3049-13/17 zijn raadsman, “op verzoek” vooraf door de kansspelcommissie moet worden gehoord. Voorts is de bestreden weigering tot stand gekomen op aanvraag van verzoekster, heeft zij met het oog op de inwilliging ervan in de aanvraag alle mogelijke informatie en toelichting kunnen en mogen aanbrengen die zij maar wenste, en steunt de weigering niet op feiten met betrekking tot verzoekster, noch op gegevens die afwijken van wat zij zelf had meegedeeld. Naar verzoekster in de memorie van wederantwoord inzake het tweede beroep uiteenzet, had zij verwerende partij tijdens een verhoor inzonderheid erop willen wijzen dat zij de kansspelinrichting reeds jarenlang uitbaat zonder enig probleem van welke aard ook en dat zij door de weigering een investering van tientallen miljoenen verliest. Het gaat om elementen die door verzoekster reeds expliciet in haar aanvraag van 10 januari 2001 ter sprake zijn gebracht. Eveneens stelt de Raad van State vast dat verzoekster het wel nodig vond om deze aanvraag van 10 januari 2001 aan te vullen met een schrijven, 17 januari 2001 gedateerd, over het “cruciaal belang” van twee welbepaalde attesten dat zij behoefde, maar niet nadat het college van burgemeester en schepenen haar in een brief van 29 januari 2001 meedeelde dat aan de gemeenteraad zou worden voorgesteld geen convenant te sluiten omdat haar inrichting in de onmiddellijke nabijheid ligt van onderwijsinstellingen, plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht en plaatsen waar erediensten worden gehouden.
  36. Het middel wordt verworpen. G. Zevende middel Stelling van de verzoekster
  37. Luidens een zevende middel doet de bestreden weigering tekort aan “de rechts- en handelingsbekwaamheid van de Belgische staatsburger op 18 jaar” in zoverre zij gesteund is op de mogelijkheid dat minderjarigen (begrijp : meerderjarigen) tussen 18 en 21 jaar zich in de kansspelinrichting zouden begeven. Beoordeling XII-3049-14/17
  38. De bestreden weigering is gebaseerd op de nabijheid van welbepaalde instellingen en plaatsen als bedoeld in artikel 36, 4, van de wet van 7 mei
  39. Het verbod van toegang tot de speelzalen van kansspelinrichtingen klasse II voor meerderjarigen jonger dan 21 jaar wordt opgelegd door artikel 54, § 1, van de wet. Het middel richt zich met andere woorden tegen de wet van 7 mei 1999, die als reeds meer gezegd niet tot het voorwerp van het beroep behoort. Het wordt bijgevolg verworpen. H. Achtste en negende middel (in de zaak A. 105.788/XII-3157)
  40. Een achtste middel viseert de brief van 29 april 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport. Een negende middel klaagt “administratieve rechtsweigering” vanwege de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen aan. In de memorie van wederantwoord inzake het tweede beroep verklaart verzoekster dat zij in die middelen niet meer volhardt. Zij doet er aldus afstand van. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  41. De zaken A. 103.174/XII-3049 en A. 105.788/XII-3157 worden gevoegd. Artikel
  42. De beroepen worden verworpen. Artikel
  43. XII-3049-15/17 De kosten van de beroepen en van de vordering tot schorsing in de zaak A. 103.174/XII-3049, bepaald op 520,59 euro, komen ten laste van verzoekster. XII-3049-16/17 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig januari 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-3049-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.172 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.