id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.173 Rolnummer: A. 102430/XII-3025 Zaak: Arrest 179173 - Kansspelen - 31/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-11 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 07:34 Fiche Arrest nr 179.173 van 31 januari 2008 Justitie - Kansspelen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.173 van 31 januari 2008 in de zaak A. 102.430/XII-
- In zake : Guy DE GOQUE, die woonplaats kiest bij advocaat P. Aerts, kantoor houdende te Gent, Coupure 5 tegen : de STAD GENT, die woonplaats kiest bij advocaat M. Heymans, kantoor houdende te Gent, Gebroeders Vandeveldestraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guy De Goque op 27 maart 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 29 januari 2001 van de gemeenteraad van Gent om geen convenant te sluiten voor een kansspelinrichting klasse II op het adres Antwerpenplein 6 te Gent; Gelet op het arrest nr. 100.397 van 26 oktober 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 23 november 2001 ingediend door verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikking van 15 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-3025-1/13 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 8 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 april 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Bockstaele, die loco advocaat P. Aerts verschijnt voor verzoeker, en van advocaat D. Van Renne, die loco advocaat M. Heymans verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : I. De feiten
- Ten gevolge van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (hierna: wet van 7 mei 1999), die de uitbating van een kansspelinrichting klasse II of speelautomatenhal onderwerpt aan een door de kansspelcommissie voorafgaandelijk uit te reiken schriftelijke vergunning B en die bepaalt dat de uitbating moet gebeuren krachtens een convenant met de gemeente, vraagt verzoeker met een brief van 4 januari 2001 aan verwerende partij een convenant te sluiten met betrekking tot de exploitatie van een kansspelinrichting klasse II te Gent, Antwerpenplein
- De gemeenteraad beslist op 29 januari 2001 niet op de vraag in te gaan, in essentie om de volgende redenen : “overwogen dat de inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft, blijkens bijgevoegd plan gelegen is in de nabijheid van : - onderwijsinstellingen zijnde onder meer binnen een straal van 200 meter De Biekorf, Wasstraat 120; binnen een straal van 300 meter De Freinetschool De Vlieger, Dendermondsesteenweg 53, binnen een straal van 400 meter Freinetschool Het Trappenhuis, Lucas Munichstraat 29; XII-3025-2/13 - erediensten zijnde onder meer binnen een straal van 500 meter De Sint-Machariuskerk in de Sint-Machariusstraat; De Heilig Hartkerk op het Heilig Hartplein; moskee gelegen in de Kazemattenstraat; - plaats waar veel jongeren komen zijnde onder meer binnen een straal van 100 meter het openbaar vervoersknooppunt Dampoort en Antwerpenplein (trein en bussen); binnen een straal van 300 meter speelplein gelegen in de Wasstraat; - binnen een straal van 100 à 200 meter 'Het Eilandje' (opvangcentrum voor ex-gedetineerden en sociaal zwakkeren); - inrichting is gelegen op 300 à 400 meter van een zeer druk bezocht koop- centrum op de Dendermondsesteenweg; dat de lokalisatie van de kansspelinrichting dan ook niet verenigbaar is met de voorschriften van voornoemd artikel 36, 4/ van de wet, zodat de stad met de uitbater geen convenant kan afsluiten”. II. De ontvankelijkheid
- Verwerende partij betwist in de memorie van antwoord dat verzoeker een persoonlijk en daadwerkelijk belang heeft. De auditeur stelt in haar verslag op beargumenteerde wijze voor de excepties te verwerpen. In de laatste memorie verklaart verwerende partij, zonder enige reserve of restrictie, de zienswijze in het auditoraatsverslag “volkomen” bij te vallen. In de gegeven omstandigheden wordt aangenomen dat de verwerende partij niet langer aandringt op de inwilliging van de excepties en dat er bijgevolg geen uitspraak meer hoeft over gedaan. III. De grond van de zaak A. Eerste middel Stelling van de verzoeker
- Verzoeker voert in het verzoekschrift in een eerste middel de schending van artikel 4, 34, 35 en 36 van de wet van 7 juli 1999 aan, en bevoegdheidsoverschrijding. Hij licht in essentie toe dat de wetgever duidelijk een onderscheid heeft willen maken tussen de bevoegdheid van de kansspelcommissie om de kansspelvergunning te geven en de bevoegdheid van de gemeente van XII-3025-3/13 vestiging om in een convenant de nadere voorwaarden, de openings- en sluitingsuren, en de openings- en sluitingsdagen, te preciseren. Of de aanvrager aan de voorwaarde van artikel 36, 4, van de wet voldoet, moet volgens verzoeker door de kansspelcommissie worden nagegaan; door zelf het begrip “in de nabijheid van” uit artikel 36, 4, in te vullen, treedt de verwerende partij in de plaats van de kansspelcommissie en voegt zij een voorwaarde toe om een convenant af te sluiten zonder dat de wet dat toelaat. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker nog dat de beoordeling van de nabijheid bedoeld in artikel 36, 4, van de wet van 7 juli 1999 toekomt aan degene die de bevoegdheid heeft de kansspelvergunning te verlenen, met andere woorden de kansspelcommissie, en dat het “automatisch” weigeren van een convenant erop neerkomt dat de gemeente een bindend advies geeft en dat de beslissingsbevoegdheid over een aanvraag bij haar terecht komt. Beoordeling
- De wet van 7 mei 1999 heeft tot doel “een sluitende controle op alle kansspelactiviteiten te organiseren en hun mogelijke en ongewenste nevenactiviteiten (spelverslaving, witwassen van geld, criminaliteit, financiële en fiscale fraude) op een efficiënte wijze in kaart te brengen, te voorkomen en te bestrijden” (Parl. St. Senaat 1997-98, nr. 1-419/4, 24 en 25). Daartoe voorziet de wet in een bijzonder toezicht door de kansspelcommissie, die als onafhankelijke administratieve advies-, beslissings- en controleoverheid een “spilfunctie” heeft (Parl. St. Senaat 1997-98, nr. 1-419/4, 33) en die bijvoorbeeld, naar luid van het artikel 35, eerste lid, van de wet, moet nagaan of de aanvrager van een vergunning klasse B voldoet aan de door de wet vastgestelde voorwaarden. Eén van deze voorwaarden is die van het artikel 36, 4 : “Om een vergunning klasse B te kunnen verkrijgen moet de aanvrager [...] ervoor zorgen dat de kansspelinrichting klasse II niet gevestigd wordt in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, plaatsen waar erediensten worden gehouden en gevangenissen”. De voorwaarde strekt ertoe te vermijden dat de personen die de wetgever in het bijzonder wil beschermen -scholieren, jongeren, gedetineerden die de gevangenis mogen verlaten- ertoe worden aangezet om de speelautomatenhallen te bezoeken, XII-3025-4/13 en te beletten dat een frivole omgeving wordt gecreëerd in de buurt van ziekenhuizen en plaatsen waar erediensten worden gehouden.
- Met betrekking tot het verlenen van een vergunning klasse B heeft de wet echter ook aan de gemeenten een bevoegdheid toegewezen, in het artikel 34, derde lid, van de wet : “De uitbating van een kansspelinrichting klasse II moet geschieden krachtens een convenant dat voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater. De beslissing om een dergelijk convenant te sluiten, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de gemeente. Het convenant bepaalt waar de kansspelinrichting wordt gevestigd alsook de nadere voorwaarden, de openings- en sluitingsuren, alsook de openings- en sluitingsdagen van de kansspelinrichtingen klasse II en wij het gemeentelijk toezicht waarneemt”.
- Moet blijkens dat voorschrift het convenant bepalen waar de kansspelinrichting wordt gevestigd, het houdt in de visie van verzoekster evenwel niet in dat de gemeente desgevallend mag weigeren in te stemmen met een convenant wanneer de voorgestelde plaats tegen de voorwaarde van artikel 36, 4, ingaat. Volgens verzoekster, immers, komt die beoordeling van de betrokken nabijheid alleen de kansspelcommissie toe. Dit vloeit allerminst op zo’n “uitdrukkelijke en ondubbelzinnige” manier uit de wet voort dat er terzake geen ruimte tot interpretatie zou zijn. Initieel nam de Senaat een tekst aan die er in voorzag, enerzijds, dat tussen de gemeente en de uitbater een convenant “wordt” afgesloten en, anderzijds, dat het convenant “bepaalt waar automaten mogen worden opgesteld, wie toegang krijgt tot welk gedeelte van de automatenhal en wie het gemeentelijk toezicht waarneemt”. De uiteindelijke redactie van het artikel 34, derde lid, is het resultaat van twee amendementen in de Kamer die ertoe strekken, het ene, de verplichting voor de gemeente om een convenant te sluiten ongedaan te maken en “haar een zekere beleidsvrijheid toe te staan” (Parl. St. Kamer 1998-99, nr. 1795/5, 12; Hand. Kamer, 31 maart 1999, 11.702) en, het andere, de woorden “waar automaten mogen worden opgesteld, wie toegang krijgt tot welk gedeelte van de automatenhal” te doen vervangen door de woorden “waar de kansspelinrichting wordt gevestigd” (Parl. St. Kamer 1998-99, nr. 1795/5, 3 en 4). Het laatstgenoemde amendement werd hierdoor verantwoord dat “het beter [is] dat betrokken partijen vooraf akkoord gaan over de plaats van de vestiging mits uiteraard de andere XII-3025-5/13 bestaande wettelijke vereisten onder meer inzake stedenbouw en milieuwetgeving worden gerespecteerd”. Daarbij komt dat de wetgever er bewust voor gekozen heeft om het begrip “in de nabijheid van” in de vergunningsvoorwaarde van het artikel 36, 4, niet te vervangen door de aanduiding van een precieze afstand en om aan (onder andere) de gemeente over te laten om de notie in te vullen, weliswaar onder controle van de rechter (Parl. St. Senaat 1998-99, 1-419/17, 139 en 140; Parl. St. Kamer 1998-99, nr. 1795/8, 55 en 56). De conclusie is dat artikel 34, derde lid, de gemeente een discretionaire bevoegdheid toemeet die onder meer slaat op de vestigingsplaats van de kansspelinrichting klasse II en dat het haar niet verboden is bij de uitoefening van haar bevoegdheid om al dan niet met verzoeker een convenant te sluiten, de nabijheid te beoordelen en te betrekken van de in artikel 36, 4, bedoelde instellingen en plaatsen.
- Dat de weigering van een convenant neerkomt op een negatief “bindend advies” van de gemeente, waardoor in dat geval de facto de beslissingsbevoegdheid over de aanvraag de gemeente toevalt, is niet van aard de onwettigheid van de bestreden beslissing aan te tonen. Het is niet meer dan een gevolgtrekking uit de voorschriften van artikel 34, derde lid, en artikel 36, 5, die inhouden, eensdeels, dat de aanvrager slechts een vergunning klasse B kan verkrijgen indien hij het convenant met de gemeente kan voorleggen, terwijl, anderdeels, de gemeente niet verplicht is met elke aanvrager een convenant te sluiten maar terzake over een discretionaire bevoegdheid beschikt.
- Op de kwestie, ten slotte, of het convenant te dezen “automatisch” dan wel anderszins is geweigerd, wordt bij de bespreking van het tweede middel nader ingegaan.
- Het eerste middel wordt, onder dat voorbehoud, verworpen. B. Tweede middel Stelling van de verzoeker XII-3025-6/13
- In het verzoekschrift voert verzoeker in een tweede middel de schending aan van de artikelen 4, 34, 35 en 36 van de wet van 7 mei 1999, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de algemene motiveringsplicht. Hij herhaalt, in de eerste plaats, dat artikel 36 geen voorwaarden stelt voor het sluiten van een convenant, maar voor het verkrijgen van een vergunning, dat het de kansspelcommissie toekomt om na te gaan of die voorwaarden vervuld zijn, dat de bevoegdheid van de gemeente beperkt is tot het vastleggen van de uitbatingsvoorwaarden en de contractuele afspraken tussen haar en de uitbater, en dat de gemeente niet bevoegd is om de vergunningsvoorwaarden van artikel 36 toe te passen, noch om een invulling aan die voorwaarden te geven. In de tweede plaats betoogt verzoeker dat de verwerende partij op concrete wijze moet aangeven “waarom de vastgestelde afstanden een bestaande vestiging, waarvoor door dezelfde stad in casu op 8 juni 2000 een milieuvergunning klasse 2 werd verleend, onmogelijk zouden maken”, en dat minstens de verwerende partij het verlenen van de milieuvergunning, en haar overwegingen, in de motivering van de bestreden beslissing had dienen te betrekken. In de memorie van wederantwoord merkt verzoeker op dat het aangeven van een afstand niet volstaat en dat specifiek en concreet moet worden vermeld waarom de afstand onvoldoende zou zijn, des te meer aangezien verzoekers inrichting enkel toegankelijk is voor klanten boven de 21 jaar. In de laatste memorie doet verzoeker nog gelden dat niet van hem mag verwacht worden dat hij aangeeft waarom de nabijheid van bepaalde instellingen en plaatsen toch niet van aard zijn een weigering te rechtvaardigen, dat hem geen negatieve bewijslast mag worden opgelegd, en dat hij in het ongewisse blijft waarom de “nabijheid” van een aantal instellingen de uitbating van zijn bestaande inrichting onmogelijk zou maken. Beoordeling
- In zoverre verzoeker de verwerende partij verwijt dat zij, door haar weigering van een convenant te hebben gesteund op de nabijheid van instellingen als bedoeld in artikel 36, 4, van de wet van 7 juli 1999, op het terrein XII-3025-7/13 is gekomen dat de wet heeft voorbehouden aan de kansspelcommissie, valt het middel samen met het eerste middel en is het om de hiervoor uiteengezette redenen ongegrond.
- Gelet op haar formele motivering steunt de aangevochten weigering op de nabijheid van inrichtingen als bedoeld in het meer vermelde artikel 36, 4, van de wet. De weigering preciseert om welke inrichtingen het exact gaat en waarom zij naar het inzicht van de verwerende partij te dicht bij de aangevraagde vestigingsplaats gelegen zijn, namelijk op welke afstand ze zich slechts bevinden. Als zodanig doet de formele motivering er voldoende van blijken dat het motief van de problematische nabijheid gesteund is op een in concreto- onderzoek en -beoordeling. Ten onrechte suggereert verzoeker -voor het eerst- in de laatste memorie dat verwerende partij, vóór elk onderzoek van de zaak en de haar eigen particulariteiten, de maatstaf van de prohibitieve “nabijheid” op blindweg 500 m zou hebben bepaald en dat zij zich bij de beoordeling van die “nabijheid” in de bestreden beslissing wezenlijk beperkt heeft tot een werktuiglijke of automatische toetsing aan die maatstaf. Deze zienswijze wordt niet afdoende gestaafd.
- Voorts laat de formele motivering verzoeker geenszins het raden naar de reden waarom de opgesomde instellingen als nabij worden beschouwd en waarom de nabijheid van net die instellingen prohibitief is. De reden is dat zij maar op honderd, tweehonderd, ... meter afstand liggen en dat zij een instelling als bedoeld in artikel 36, 4, zijn. Mogelijk is verzoeker het met een en ander niet eens -en dan staat het hem vrij dit te betwisten, weliswaar met kennisgeving van de redenen daarvoor-, maar hij kan bezwaarlijk met goed recht stellen dat verwerende partij in gebreke is gebleven te motiveren “waarom de ‘nabijheid’ van een aantal instellingen de uitbating van haar bestaande inrichting onmogelijk zou maken”.
- Blijft nog het argument dat de motivering niet afdoende is in het licht van het feit dat nog op 8 juni 2000 een milieuvergunning klasse 2 is verleend voor het exploiteren van een lunapark op het Antwerpenplein
- XII-3025-8/13 Het argument gaat aan enige fundamentele nuances voorbij. Ten eerste is de bestreden beslissing genomen door de gemeenteraad en niet, zoals de aangevoerde milieuvergunning, door het schepencollege. Ten tweede is de aangevochten beslissing genomen in het kader van een totaal andere reglementering dan de beslissing over de milieuvergunning. Meer bepaald is zij gesteund op een wet -de wet van 7 mei 1999- die tot doel heeft het sociale gevaar in te perken dat de kansspelinrichtingen kunnen betekenen. De milieuvergunning daarentegen berust in essentie -en mág slechts berusten- op de beoordeling van de stedenbouwkundige en milieuhygiënische aspecten van de vergunningsaanvraag, met uitsluiting van onder meer de sociale aspecten ervan. Daar doet niet beslissend aan af het feit dat in de motieven van de milieuvergunning, in antwoord op een bezwaar in het kader van het openbaar onderzoek over de milieuvergunningsaanvraag, eerder terloops wordt vermeld dat “jongeren onder de 21 jaar niet toegelaten zijn in de zaak, zodat de vrees voor de negatieve uitstraling van de exploitatie naar deze groep toe uitgesloten is”. In deze omstandigheden wordt niet bijgevallen dat de gemeenteraad om redenen van consistentie gebonden zou zijn geweest door de overwegingen in de milieuvergunning of dat hij er in zijn beslissing speciaal en uitdrukkelijk aandacht aan gegeven moest hebben.
- Het middel wordt in zijn geheel verworpen. C. Derde middel Stelling van de verzoeker
- In een derde middel voert verzoeker de schending aan “van het fundamenteel beginsel van vrijheid van handel en nijverheid, vervat in artikel 7 van het Decreet D’Allarde van 2-17 maart 1791, van de artikelen 11, 12 en 23 van de gecoördineerde Grondwet, van artikel 52 van het verdrag van 25 maart 1997 inzake de oprichting van de Europese Gemeenschap, thans na wijziging artikel 43 EG”, doordat de bestreden beslissing neerkomt op een verbod tot vestiging van de kansspelinrichting die verzoekster uitbaat. Beoordeling XII-3025-9/13
- Het middel is in het arrest nr. 100.397 van 26 oktober 2001 niet ernstig bevonden om de reden “dat de wet van 7 mei 1999 het gevaar wil beperken dat de kansspelinrichtingen voor de maatschappij betekenen en daartoe het bestaande principiële verbod op kansspelinrichtingen handhaaft, maar uitzonderingen toelaat voor wie over een voorafgaande schriftelijke vergunning beschikt; dat de wet met betrekking tot de vergunning voor een kansspelinrichting klasse II voorschrijft dat de uitbating moet geschieden krachtens een convenant en terzake de gemeenten bevoegd maakt; dat uit de bespreking van het eerste en tweede middel volgt dat verzoeker vooralsnog niet aantoont dat de verwerende partij te dezen de haar toegewezen bevoegdheid te buiten is gegaan of verkeerd heeft gebruikt; dat in de gegeven omstandigheden wordt aangenomen dat de in het middel aangevoerde schendingen in voorkomend geval wezenlijk terug te voeren zijn tot de wet van 7 mei 1999 zelf; dat de wet niet tot het voorwerp van de vordering behoort”. Verzoeker spreekt dat in de memorie van wederantwoord, waarin hij zonder meer herneemt wat hij ook al in het verzoekschrift uiteenzette, niet tegen. Dat doet hij evenmin, in de laatste memorie, nadat de auditeur in haar verslag oordeelde geen reden te zien om anders te oordelen dan in het schorsingsarrest.
- Gelet op wat voorgaat, inbegrepen de verwerping ten gronde van het eerste en tweede middel, blijft de Raad van State bij het oordeel dat, in voorkomend geval, de aangevoerde onwettigheden in essentie de wet van 7 mei 1999 zelf betreffen, welke wet hier niet ter beoordeling staat. Ook het derde middel wordt verworpen. D. Vierde middel Stelling van de verzoeker
- Volgens een vierde middel schendt de bestreden beslissing het zorgvuldigheids-, redelijkheids-, vertrouwensbeginsel en het motiveringsbeginsel, doordat de weigering om een convenant te sluiten haaks staat op de toekenning op 8 juni 2000 van een milieuvergunning klasse 2 voor een lunapark aan het Antwerpenplein 6, in het bijzonder de overwegingen ervan, doordat minstens het bestaan en de overwegingen van de milieuvergunning in de beoordeling van de XII-3025-10/13 aanvraag betrokken moesten zijn geworden en doordat verzoeker “mocht erop vertrouwen dat de uitbatingsvoorwaarden -welke het voorwerp van een convenant dienden uit te maken- dezelfde bezwaren als m.b.t. de milieuvergunningsaanvraag zouden weerleggen”.
- In zijn 4 januari 2001 gedateerde aanvraag van een convenant verwijst verzoeker uitdrukkelijk naar de milieuvergunning van 8 juni
- De vergunning kan de gemeenteraad dan ook bezwaarlijk ontgaan zijn. Kennelijk evenwel was de gemeenteraad van oordeel dat hij in de milieuvergunning vanwege het schepencollege, geen reden moest zien om zijnerzijds een convenant als bedoeld in artikel 34, derde lid, en artikel 36, 5, van de wet van 7 mei 1999 te sluiten. Reeds bij de bespreking van het tweede middel is geargumenteerd dat de verwerende partij dat terecht mocht menen. Op de keper beschouwd is de beweerde schending van verzoekers vertrouwen wezenlijk terug te voeren tot de wet van 7 mei
- Teneinde het sociale gevaar in de hand te houden, heeft de wetgever het bestaande principiële verbod op kansspelinrichtingen gehandhaafd en een uitzondering ingesteld, gebaseerd op een vergunningsregeling waarbij de gemeenten worden ingeschakeld ter versterking van het “controle-effect” (Parl. St. Senaat 1998-99, nr. 1-419/17, 138). Hij heeft daarbij voor het verkrijgen van de vergunning geen onderscheid gemaakt naargelang het om een bestaande inrichting gaat dan wel om een nieuwe, noch in overgangs- of begeleidingsbepalingen voorzien ten behoeve van inrichtingen die al van vóór de wet bestaan.
- Het middel is ongegrond. E. Vijfde middel Stelling van de verzoeker
- Een vijfde middel luidt : “Indien het de bedoeling van de Wet van 7 mei 1999 zou zijn geweest aan de gemeenten de mogelijkheid te geven om het begrip ‘in de nabijheid van’ zoals beschreven in artikel 36, 4/ van de Wet van 7 mei 1999 op discretionaire wijze een inhoud te geven, dan bestaat de zekerheid, minstens het risico dat XII-3025-11/13 dezelfde bepaling op een verschillende, onderscheiden en onverantwoorde wijze wordt ingevuld. Een dergelijke bevoegdheid toekennen aan de gemeente in plaats van aan de kansspelcommissie, zoals voorzien in de artikelen 35 en 36 van de Wet van 7 mei 1999, zal ongetwijfeld leiden tot verschillen tussen de verschillende gemeenten met als gevolg een oneerlijke concurrentie tussen de inrichtingen. De bestreden beslissing vormt dan ook een schending van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet”. Beoordeling
- In het arrest over de vordering tot schorsing van dezelfde beslissing is het middel niet ernstig bevonden omdat het zich tegen de wet zou richten. Verzoeker spreekt dat in de memorie van wederantwoord, waarin hij zonder meer herneemt wat hij ook al in het verzoekschrift uiteenzette, niet tegen. Hij doet dat evenmin in de laatste memorie. Ofschoon de auditeur in haar verslag oordeelde geen reden te zien om anders te oordelen dan in het schorsingsarrest, beperkt verzoeker zich er in de laatste memorie toe louter te verwijzen naar het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord.
- De Raad van State blijft bij zijn oordeel dat verzoekers kritiek de wet van 7 mei 1999 zelf betreft, welke wet hier niet ter beoordeling staat. Het middel wordt verworpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-3025-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig januari 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-3025-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.173 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.100.397 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.