← België

Arrest 179178 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 31/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.178 Rolnummer: A. 88807/XII-2392 Zaak: Arrest 179178 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 31/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-29 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 07:34 Fiche Arrest nr 179.178 van 31 januari 2008 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 179.178 van 31 januari 2008 in de zaak A. 88.807/XII-

  1. In zake : Marcel PILLE, die woonplaats kiest bij advocaat E. De Ville, kantoor houdende te Blankenberge, Zuidlaan 14-16 tegen : de STAD OOSTENDE, die woonplaats kiest bij advocaten I. Larmuseau, P. De Smedt en B. Roelandts, kantoor houdende te Gent, Visserij 157A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marcel Pille op 4 januari 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 22 oktober 1999 van de gemeenteraad van de stad Oostende waarbij Pierre Major en Jan Van Eycken met ingang van 1 oktober 1999 worden bevorderd tot sergeant bij de brandweer; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 21 december 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 4 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-2392-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. De Ville, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat W. Thyssen, die loco advocaat B. Roelandts verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak Verzoeker is sinds 1 oktober 1965 in dienst van de brandweer van Oostende. Sinds 1 oktober 1981 heeft hij de graad van korporaal en op 18 november 1996 behaalde hij het brevet van sergeant. De gemeenteraad van Oostende beslist op 23 april 1999 twee betrekkingen van sergeant vacant te verklaren en bij bevordering te begeven. Zeven korporaals, waaronder verzoeker, vier brandweermannen-autobestuurders en drie brandweermannen stellen zich hiervoor kandidaat. De officier-dienstchef brengt op 3 september 1999 advies uit over de kandidaten met de graad van korporaal. Zijn advies over verzoeker luidt “ongunstig” : “Als korporaal heeft betrokkene onvoldoende aangetoond over ruimere capaciteiten te beschikken die nodig zijn voor het goed vervullen van een functie op het niveau van onderofficier”. Met een brief van 28 september 1999 tekent verzoeker bezwaar aan tegen het advies. Uiteindelijk beslist de gemeenteraad op 22 oktober 1999, op basis van een verslag van het college van burgemeester en schepenen, om met ingang van 1 oktober 1999 Pierre Major en Jan Van Eycken tot sergeant te bevorderen. Wat verzoeker betreft wordt in het verslag in essentie gesteld dat hij “niet geschikt wordt bevonden”, inzonderheid gelet op “het gegeven dat de heer Pille bij zijn beoordeling XII-2392-2/6 als korporaal ondanks zijn eindbeoordeling ‘gunstig’, als middelmatig over heel de lijn werd beschouwd door zijn directe hiërarchische meerderen” en gelet op “de vaststelling dat de korpschef van de Brandweer een ongunstig rapport heeft uitgebracht over zijn vermogen om als sergeant te fungeren”, weze het dat “dit advies niet in alle opzichten kan worden bijgetreden”. De grond van de zaak Stelling van de partijen In een enig middel voert verzoeker aan dat de verplichting om de titels en verdiensten van de kandidaten voor een bevordering zorgvuldig en objectief met elkaar te vergelijken, werd geschonden. Het bestreden besluit steunt immers op een verslag van het college van burgemeester en schepenen waarin wordt gesteld dat “van de kandidaat-sergeanten [...] niemand reeds aangesteld [is] geweest in de hogere functie van sergeant zodat dit criterium in concreto geen voorsprong van deze of gene kandidaat oplevert”, terwijl hij bewijst dat hij de functie van sergeant minstens sinds 17 januari 1994 meerdere keren heeft uitgeoefend. Verder heeft hij de functie van eerste sergeant minstens sinds 27 december 1994 meerdere keren uitgeoefend en heeft hij dat ook nog gedaan na het ongunstig advies van 3 september
  2. In het verslag van het college van burgemeester en schepenen worden tegenstrijdige begrippen gebruikt, waar eensdeels gewag wordt gemaakt van “de aanwijzing tot het uitoefenen van de hogere functie van sergeant” en anderdeels van “de officiële aanstelling [...] in de desbetreffende hogere functies”, hetgeen hij “ontoelaatbaar” acht. Zijn “aanwijzing” in de hogere functies van sergeant en eerste sergeant is bewezen. Hij besluit dat de gemeenteraad heeft beraadslaagd op grond van “onjuiste gegevens”, wat een “onjuiste vergelijking van de kandidaten tot gevolg heeft gehad”. Verwerende partij antwoordt dat verzoeker geen belang heeft bij het middel en dat het derhalve als onontvankelijk moet worden verworpen. Zowel uit het advies van 3 september 1999, als uit het recente beoordelingsverslag blijkt dat verzoeker niet de meest geschikte persoon is voor het uitoefenen van de betrokken functie. Of hij in het verleden al dan niet werd aangewezen voor het uitoefenen van de hogere functie van sergeant kan derhalve “hoe dan ook geen doorslaggevend positief element meer uitmaken”. Voorts stelt verwerende partij dat verzoekers enige middel ook niet gegrond is. Geen enkele kandidaat werd tijdelijk XII-2392-3/6 in die graad van sergeant aangesteld, maar alle kandidaten hebben wel ervaring verworven in “de betrokken materie” omdat de functie van sergeant noodzakelijker- wijze ervaring vereist in de onmiddellijk lagere graad van korporaal. Verzoeker bewijst niet dat hij ooit werd aangesteld om de functie van sergeant tijdelijk te vervullen. De “dagboekfragmenten van de brandweer” die hij voorlegt, vermogen alleszins niet een dergelijke tijdelijke aanstelling, waartoe de gemeenteraad dient te beslissen, te bewijzen. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker in wezen dat de vergelijking van de titels en de verdiensten van de kandidaten door de gemeenteraad niet zorgvuldig is gebeurd omdat de raad zich heeft gesteund op een verslag van het college van burgemeester en schepenen waarin ten onrechte, op louter formele gronden, geen rekening werd gehouden met het gegeven dat hij de hogere functie van sergeant heeft uitgeoefend. In de laatste memorie betoogt verzoeker nog dat ervaring een feitelijk begrip is dat dient te worden bewezen met behulp van feitelijke elementen, hetgeen hij heeft gedaan. Het is inhoudelijk onjuist te stellen dat men slechts ervaring heeft als men een tijdelijke aanstelling kan bewijzen. Beoordeling Verzoeker fixeert zich in het middel op één passus in het verslag van het college van burgemeester en schepenen dat aan de bestreden beslissing ten grondslag ligt : “De aanwijzing tot het uitoefenen van de hogere functie van sergeant kan eveneens een element vormen voor de vergelijking van de titels en de verdiensten van de kandidaten. Immers, voor de aanwijzing tot een hogere functie moet, in toepassing van artikel 108 van het Administratief Statuut, onder andere uitgemaakt worden wie het meest geschikt is bevonden om in de onmiddellijke behoeften van de dienst te voorzien. Van de kandidaat-sergeanten is niemand reeds aangesteld geweest in de hogere functie van sergeant zodat dit criterium in concreto geen voorsprong van deze of gene kandidaat oplevert. Hier dient opgemerkt te worden dat de bewering van de heer Pille in zijn kandidaatstelling (‘dat ik gedurende de laatste vijf jaren en nu nog steeds de functie van sergeant en van 1e sergeant regelmatig uitvoer’) alleszins niet werd vertaald in de officiële aanstelling (hetzij door de gemeenteraad, hetzij vanaf 01 juli 1998 door het College van Burgemeester en Schepenen) in de desbetreffende hogere functies”. XII-2392-4/6 Als zodanig is de aangehaalde passus niet foutief. Verzoeker bewijst niet dat hij, in tegenstelling tot wat beweerd wordt, wel degelijk door de gemeenteraad of het college van burgemeester en schepenen na een beoordeling van “wie het meest geschikt is bevonden om in de onmiddellijke behoeften van de dienst te voorzien”, tijdelijk in de functie van sergeant of van eerste sergeant aangesteld is geworden. Hoogstens kan uit zijn stukken worden opgemaakt dat hij, als korporaal, documenten heeft ondertekend, wijl de tekst ervan voorziet in een ondertekening door de eerste sergeant. In zoverre verzoeker doet gelden dat de afwezigheid van een dergelijke “officiële aanstelling” door de gemeenteraad of het schepencollege nog niet toelaat zonder meer eraan voorbij te gaan dat hij dan toch feitelijk ervaring als sergeant of eerste sergeant heeft opgedaan, wordt vastgesteld dat verwerende partij zulks niet doet ook. Op het voormelde citaat volgt immers een alinea waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat verzoeker ter ondersteuning van zijn kandidatuur heeft aangevoerd dat hij sinds vijf jaar tot voldoening van zijn pelotonoverste regelmatig de functie van sergeant en eerste sergeant uitoefent. Die informatie spreekt verwerende partij, voorts, niet tegen. Wel schuift zij finaal de kandidatuur van verzoeker terzijde omdat betrokkene niet geschikt wordt bevonden gelet op de beoordelingen die zijn directe hiërarchische meerderen en de korpschef over hem hebben uitgebracht - beoordelingen waarin evenmin wordt tegengesproken dat, soms, verzoeker de functie van onderofficier vervult. Het blijkt niet dat verwerende partij, door op die grond te hebben besloten “dat de heer Pille niet één van de twee meest bekwame kandidaten is voor bevordering tot sergeant”, de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten is gegaan. Het middel wordt verworpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  3. Het beroep wordt verworpen. XII-2392-5/6 Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig januari 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-2392-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.178 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.