id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.188 Rolnummer: A. 100289/XII-2941 Zaak: Arrest 179188 - Politie - 31/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-12 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 07:34 Fiche Arrest nr 179.188 van 31 januari 2008 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.188 van 31 januari 2008 in de zaak A. 100.289/XII-
- In zake : Roland DEBOURGH, die woonplaats kiest bij advocaat J. Ghysels, kantoor houdende te 1170 Brussel, Terhulpsesteenweg 187 tegen : de GEMEENTE ETTERBEEK. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Roland Debourgh op 9 februari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de Gemeenteraad van de Gemeente Etterbeek d.d. 11 december 2000 waarbij hem de zware straf van de terugzetting in de graad naar hulpagent van politie wordt opgelegd met ingang van 1 januari 2001”; Gelet op het arrest nr. 98.876 van 14 september 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 26 oktober 2001 ingediend door de verzoekende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 8 juli 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; XII-2941-1/33 Gelet op de beschikking van 3 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 september 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Ghysels, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat F. Vandevoorde, die loco advocaat J. Bourtembourg verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
- Verzoeker is ten tijde van de feiten die tot de aangevochten beslissing aanleiding geven, agent-hoofdbrigadier bij de gemeentepolitie van Etterbeek. Hij behoort tot de Nederlandse taalrol.
- Op 28 augustus 1999 stelt hoofdinspecteur van eerste klasse Decoutere in het kader van het intern toezicht een -in het Nederlands gestelde- “administratieve akte” op ten laste van verzoeker, zulks naar aanleiding van diens gedragingen, op voornoemde datum, tegenover een in het politiecommissariaat vastgehouden burger. Die administratieve akte wordt hernomen door adjunct- commissaris inspecteur Vandekerkhove die op 7 en 8 september 1999, in opdracht van politiecommissaris Leenen, een aantal bij de feiten aanwezige collega’s en verzoeker verhoort, verhoren die in bijlage bij de administratieve akte worden gevoegd. Als vervolg op de voormelde akte met bijlagen, stelt hoofdcommissaris en korpsoverste Sterckx op 13 september 1999 op zijn beurt ter attentie van de burgemeester een -eveneens in het Nederlands gestelde- administratieve akte op, waarin hij, na te hebben vastgesteld dat verzoeker verklaart zich het gebeurde niet te herinneren en derhalve de getuigenissen van de aanwezige XII-2941-2/33 collega’s in acht moeten worden genomen, de volgende feiten ten laste van verzoeker in aanmerking neemt als onaanvaardbaar gedrag vanwege een politieman in dienst :
(1)zich in dienst duidelijk onder de invloed van alcoholische dranken en gewapend te hebben bevonden,
(2)in deze toestand en zonder materiële reden, een burger die opgesloten was te hebben opgehitst, uitgescholden met racistische woorden die tot het wederzijds gedrag hebben geleid, en
(3)vervolgens, deze burger in weerloosbare toestand, ongewapend en opgesloten, rechtstreeks met de dood te hebben bedreigd, zijn dienstvuurwapen in de hand en op de burger gericht. De korpsoverste stelt aan de tuchtoverheid voor verzoeker “een maximale tuchtstraf” op te leggen.
- Bij brief van 20 september 1999 wordt verzoeker uitgenodigd om op 11 oktober 1999 voor de gemeenteraad te verschijnen, teneinde te worden verhoord in het kader van de tuchtrechtelijke procedure in verband met de in het geding zijnde feiten van 28 augustus
- Op 7 oktober 1999 deelt verzoekers raadsman mee dat tien leden van het Etterbeekse politiekorps zich spontaan hebben aangemeld om te worden verhoord. Op 11 oktober 1999 besluit de gemeenteraad de hoorzitting uit te stellen tot 27 oktober 1999 en de getuigen, voorgesteld door verzoeker en zijn raadsman, alsook vier getuigen voorgesteld door de tuchtoverheid op te roepen. Op vraag van verzoekers raadsman wordt de hoorzitting uitgesteld tot 8 november 1999; acht van de door verzoeker en zijn raadsman aangewezen collega’s delen schriftelijk -telkens met een in het Frans gestelde brief- mee dat zij niet op de hoorzitting zullen aanwezig zijn.
- Blijkens de notulen van de gemeenteraadszitting van 8 november 1999, zet de raadsman van verzoeker uiteen dat het de wens is van hemzelf en van verzoeker om zich in het Frans te uiten. Op vraag van de burgemeester bevestigt de raadsman van verzoeker schriftelijk dat verzoeker en hijzelf de debatten in het Frans wensen te zien verlopen en dat van de stukken van het dossier, die in het Nederlands zijn opgesteld, geen vertaling in het Frans moet worden opgemaakt. De hoorzitting -tijdens dewelke vijf getuigen worden verhoord- verloopt dan volledig in het Frans. Het -in het Frans gestelde- proces-verbaal van verhoor wordt door verzoeker en zijn raadsman zonder voorbehoud ondertekend. XII-2941-3/33
- Op 13 december 1999 verschijnt verzoeker opnieuw voor de gemeenteraad, ditmaal om zelf, in aanwezigheid van zijn raadsman, te worden gehoord. Blijkens de notulen van de gemeenteraadszitting van 13 december 1999 verloopt ook deze hoorzitting volledig in het Frans. Het -in het Frans gestelde- proces-verbaal van verhoor wordt door verzoeker en zijn raadsman zonder voorbehoud ondertekend.
- Bij een -in het Nederlands gesteld- gemeenteraadsbesluit van 17 januari 2000 wordt, ten gevolge van de gepleegde feiten van 28 augustus 1999, aan verzoeker de tuchtstraf van de terugzetting in de graad van hulpagent van politie opgelegd, ingaande op 1 februari
- Tegen dat besluit dient verzoeker op 20 maart 2000 een verzoekschrift tot schorsing in (zaak A. 90.332/XII-2543).
- Bij een -in het Nederlands gesteld- besluit van 26 juni 2000 trekt de gemeenteraad het voornoemde besluit van 17 januari 2000 in. Dat intrekkingsbesluit verwijst naar “het verslag dd. 04 mei 2000 van de eerste Auditeur bij de Raad van State waaruit blijkt dat de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van talen in bestuurszaken van openbare orde zijn en dat er niet van afgeweken kan worden, ook niet op uitdrukkelijk verzoek van de tuchtrechtelijk vervolgde, wat hier het geval was”, en is gesteund op de overweging “dat [aldus], niettegenstaande het ontrouw gedrag van een personeelslid dat zijn aanvraag ziet aanvaarden en daarna de onwettelijkheid van deze aanvaarding inroept, de dossierstukken dienen vertaald te worden teneinde de rechten van de verdediging te eerbiedigen” en besluit dat zijn beraadslaging van 17 januari 2000 dient te worden ingetrokken en de tuchtprocedure dient te worden hernomen. Het intrekkingsbesluit wordt op 29 juni 2000 aan verzoeker ter kennis gebracht.
- Bij arrest nr. 88.289 van 27 juni 2000 beveelt de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging van het -daags voordien ingetrokken, zo blijkt nu- gemeenteraadsbesluit van 17 januari 2000, op grond van de overweging dat te XII-2941-4/33 dezen “het bewijs niet voorligt dat de stukken van verzoekers tuchtdossier te gelegener tijd in vertaling ter beschikking waren van de gemeenteraadsleden; dat voorts de verwerende partij ook het bewijs niet overlegt dat het getuigenverhoor van 8 november 1999 en het voortgezet verhoor van verzoeker op 13 december 1999, die uitsluitend in het Frans verlopen zijn, een Nederlandse vertaling hebben gekregen; dat zodoende het bewijs niet wordt geleverd dat de leden van de gemeenteraad van Etterbeek, een tweetalig collectief orgaan, allen op dezelfde wijze kennis hebben kunnen nemen van alle elementen van het tuchtdossier van verzoeker”.
- Per brief van 30 juni 2000 wordt verzoeker uitgenodigd om op 16 oktober 2000 voor de gemeenteraad te verschijnen, teneinde er in zijn verdedigingsmiddelen te worden gehoord in het raam van de tuchtprocedure met betrekking tot de feiten van 28 augustus
- In bijlage wordt een vertaling gevoegd van de brieven van de acht -door de raadsman van verzoeker aangewezen- getuigen die meedeelden niet op de hoorzitting van 8 november 1999 te zullen verschijnen, van het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 8 november 1999 en van het proces-verbaal van verzoekers verhoor van 13 december
- Op 16 oktober 2000 verschijnt verzoeker voor de gemeenteraad, in het bijzijn van zijn raadsman. Blijkens de notulen van de gemeenteraadszitting van 16 oktober 2000 herinnert de burgemeester aan het feit dat alle leden van de gemeenteraad de mogelijkheid hebben gehad om het volledige dossier in hun moedertaal te raadplegen, wordt aan verzoeker meegedeeld dat hij het recht heeft zich in zijn moedertaal uit te drukken, dat een beëdigde vertaler aanwezig is die onmiddellijke vertaling van alle interventies zal verzekeren, en heeft de raadsman van verzoeker geen verhoor van getuigen gevraagd. Op het einde van de hoorzitting legt de raadsman van verzoeker een nota en een petitie van handelaars van Etterbeek ten voordele van verzoeker neer.
- Met het te dezen bestreden besluit van 11 december 2000 beslist de gemeenteraad, na te hebben beraadslaagd in zijn zitting van 6 november 2000, “de motivering van de beraadslaging houdende oplegging aan Mijnheer Roland XII-2941-5/33 Debourgh, geboren te Halle op 19 augustus 1951, agent-hoofdbrigadier van politie, van de zware straf van de terugzetting in de graad van hulpagent van politie, met ingang op 01 januari 2001, ten gevolge van de gepleegde feiten van 28 augustus 1999, goed te keuren”. Dat besluit wordt door verzoeker voor ontvangst ondertekend op 13 december 2000 en luidt : “De Gemeenteraad, Gelet op de administratieve akte dd. 28 augustus 1999 opgesteld door de Heer Eddy Decoutere, Hoofd-politie-inspecteur van eerste klasse, hernomen door de administratieve akte dd. 10 september 1999 van de Heer Pierre Sterckx, Hoofd-politiecommissaris, houdende vaststelling der feiten weerhouden lastens de Heer Roland Debourgh, agent-hoofdbrigadier van politie; Overwegende dat Mijnheer Roland Debourgh tuchtrechtelijk vervolgd wordt om : op 28 augustus 1999, in de wachtzaal van het politiecommissariaat, tijdens zijn dienst, onder invloed van alcoholische dranken, een ongewapend en opgesloten persoon te hebben opgehitst, uitgescholden met racistische woorden die tot het wederzijds gedrag hebben geleid, deze met de dood te hebben bedreigd, zijn dienstvuurwapen in de hand en naar deze persoon gericht; Gelet op zijn beraadslaging dd. 17 januari 2000 houdende oplegging aan Mijnheer Roland Debourgh, agent-hoofdbrigadier van politie van de zware straf van de terugzetting in de graad van hulpagent van politie met ingang op 01 februari 2000 ten gevolge van de gepleegde feiten van 28 augustus 1999, goedgekeurd door de toezichtoverheid op 27 maart 2000 (Ref. : 005- 2000/1323-kvh); Overwegende dat deze beraadslaging genomen werd na een tuchtprocedure waarin verschillende getuigen en de comparant verhoord werden (Zittingen van de Gemeenteraad dd. 08 november en 13 december 1999); Overwegende dat Mijnheer Debourgh op 20 maart 2000 tegen deze beslissing van 17 januari 2000 een vordering tot schorsing en een vordering tot vernietiging bij de Raad van State heeft ingediend; Gelet op zijn beraadslaging dd. 26 juni 2000 houdende intrekking van zijn beraadslaging dd. 17 januari 2000 op basis van het verslag dd. 04 mei 2000 van de eerste Auditeur bij de Raad van State, ontvangen op 23 mei 2000, waaruit bleek dat de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van talen in bestuurszaken van openbare orde waren en dat er niet van afgeweken kon worden, ook niet op uitdrukkelijke verzoek van de tuchtrechtelijk vervolgde, en aldus teneinde de rechten van de verdediging te eerbiedigen (goedgekeurd door de toezichtoverheid op 21 augustus 2000 - Ref. : 005-2000/6556-kvh); Overwegende dat de tenuitvoerlegging van de beraadslaging dd. 17 januari 2000 wordt geschorst door het arrest nr. 88.289 van de Raad van State dd. 27 juni 2000, ontvangen op 10 juli 2000; Overwegende dat de stukken van het dossier vertaald werden door Mijnheer De Bal, beëdigde vertaler; Overwegende dat de Heer Roland Debourgh, op 06 juli 2000 (Postdatum), een uitnodigingsbrief dd. 30 juni 2000 gekregen heeft om op maandag 16 oktober 2000, om 20.00 uur, vóór de Gemeenteraad te verschijnen ten einde er verhoord te worden; Overwegende dat de leden van de Gemeenteraad de stukken van het dossier in hun moedertaal hebben kunnen raadplegen; XII-2941-6/33 Overwegende dat de hoorzitting van de Gemeenteraad dd. 16 oktober 2000 wel plaats heeft gehad; Overwegende dat Mijnheer Roland Debourgh zich heeft laten bijstaan door een verdediger naar zijn keuze, hetzij Meester Jan Ghysels, advocaat; Overwegende dat belanghebbende de openbaarheid van de hoorzitting niet gevraagd heeft; Overwegende dat belanghebbende het verhoor van getuigen niet gevraagd heeft; Gelet op het proces-verbaal van verhoor vóór de Gemeenteraad dd. 16 oktober 2000; Overwegende dat dit proces-verbaal op 19 oktober 2000 aan Mijnheer Debourgh en aan zijn raadsman werd medegedeeld; dat Mijnheer Debourgh dit ondergetekend heeft, zonder voorbehoud te formuleren; dat dit proces-verbaal niet ondergetekend werd door Meester Jan Ghysels op de datum van onderhavige beraadslaging; dat Meester Ghysels geen voorbehoud kenbaar gemaakt heeft; Gelet op de, door Meester Jan Ghysels in de zitting van de Gemeenteraad dd. 16 oktober 2000, neergelegde stukken; Overwegende dat dit proces-verbaal, alsook de neergelegde stukken, vertaald werden; Overwegende dat de leden van de Gemeenteraad, de stukken van het dossier in hun moedertaal hebben kunnen raadplegen; Overwegende dat de Heer Roland Debourgh, door een uitnodigingsbrief dd. 20 oktober 2000 (ontvangen op 23 oktober 2000 - postdatum), werd verzocht te verschijnen op maandag 06 november 2000, om 20.00 uur, vóór de Gemeenteraad ten einde er de beslissing te horen in het kader van de ten zijnen laste geopende tuchtprocedure; Overwegende dat de zaak in beraad werd gebracht in zijn zitting van 06 november 2000; dat deze Gemeenteraad geacht heeft dat de feiten tuchtrechtelijk moesten bestraft worden met de zware straf van de terugzetting in de graad van hulpagent van politie; Overwegende de uiteengezette verdedigingsmiddelen; Overwegende dat Mijnheer Roland Debourgh erkend heeft dat hij, tijdens zijn dienst en juist voor de feiten, alcoholische dranken gedronken had in het kader van een tussenkomst, vanwelke geen enkele vermelding teruggevonden werd; dat belanghebbende tenminste vóór zijn tussenkomst zijn collega’s had moeten waarschuwen; Overwegende dat belanghebbende erkend heeft dat hij alcoholische dranken niet kon verdragen; Overwegende dat belanghebbende erkend heeft dat hij daarna met zijn dienstvoertuig gereden had; Overwegende dat belanghebbende erkend heeft dat hij tijdens de feiten gewapend was; Overwegende dat belanghebbende zich onder invloed van alcoholische dranken bevond; Overwegende dat belanghebbende zich toch van een deel van de feiten herinnert; Overwegende integendeel dat Mijnheer Roland Debourgh beweert zich van de, in de wachtzaal van het politiecommissariaat gebeurde, feiten niets meer te herinneren; Overwegende aldus dat er rekening dient te worden gehouden met de getuigenissen van de op het moment der feiten aanwezige collega’s; dat deze getuigenissen in het dossier staan en niet betwist zijn; Overwegende dat de feiten aldus als vaststaand dienen te worden beschouwd door de tuchtoverheid; XII-2941-7/33 Overwegende dat tussen 1979 en 1994 verschillende zware tuchtstraffen hem al werden opgelegd; dat de laatste tuchtstraf van 1994 feiten betreft gepleegd in dienst en onder invloed van alcoholische dranken; dat belanghebbende aldus niet kan spreken van een vlekkeloze staat van dienst; dat belanghebbende al een teken van de overheid had gekregen en de kans heeft gekregen zich te herpakken; Overwegende dat belanghebbende nooit gevraagd heeft om een binnendienst te mogen uitoefenen; Overwegende dat het door Mijnheer Debourgh tijdens zijn loopbaan geleverde werk hier niet in twijfel wordt getrokken; Overwegende dat de wettelijke termijn wordt onderbroken door een verzoek bij de Raad van State; Overwegende dat de overheid in dit geval de mogelijkheid had één van zijn akte in te trekken; Overwegende dat deze tuchtprocedure binnen de termijn werd gestart, onmiddellijk na de intrekking van de akte en dit door de uitnodigingsbrief dd. 30 juni 2000 aan Mijnheer Debourgh; Overwegende dat de Heer Korpsoverste wel op 10 september 2000 een verslag heeft opgesteld ten gevolge aan de akte dd. 28 augustus 1999 van Mijnheer Decoutere; dat dit verslag een voorstel tot tuchtstraf inhield; dat dit verslag aan de Heer Burgemeester, Hoofd van de politie op administratieve vlak, lid en voorzitter van de Gemeenteraad als collegiale overheid beschouwd, werd overgemaakt; Overwegende de feiten aangehaald lastens de Heer Roland Debourgh; Gelet op de ernst van de gepleegde feiten; Overwegende dat de door de Heer Roland Debourgh gepleegde feiten, een zware fout uitmaken; dat ze onaanvaardbaar zijn vanwege een openbare ambtenaar bovendien politieagent; Overwegende dat een politiefunctionaris, houder van een deel van de openbare macht, drager van een vuurwapen, in alle omstandigheden meester moet blijven over zijn daden en over voldoende zelfbeheersing moet beschikken, des te meer na zoveel dienstjaren; dat de moeilijkheden van het ambt van politieagent niet ondergeschat worden, integendeel; dat het de verantwoordelijkheid van Mijnheer Roland Debourgh was om gespecialiseerde hulp te raadplegen en om zijn oversten te verwittigen van zijn onbekwaamheid om de, aan zijn ambt verbonden, lasten verder te kunnen dragen, en dit zonder op een incident te wachten dat een tragische wending had kunnen nemen; dat belanghebbende pas na de gepleegde feiten met een medische behandeling is begonnen; Overwegende dat Mijnheer Roland Debourgh zo blijk van onverantwoordelijkheid heeft gegeven; Overwegende dat zulke feiten streng bestraft moeten worden; Overwegende dat een tuchtoverheid het aan zichzelf verplicht is op een juiste en verantwoordelijke manier de foutieve gedragingen te bestraffen, dit alles rekening houdende met de gevolgen van haar beslissing; Overwegende aldus dat er rekening moet worden gehouden met de psychologisch toestand van Mijnheer Roland Debourgh en haar oorzaken; dat het hem ontnemen van werk na zoveel dienstjaren onverantwoord zou zijn wat de gevolgen voor zijn fysische en mentale gezondheid betreft, dewelke nog meer zou aftakelen; dat het erop aankomt hem te helpen de oorzaken van deze ontreddering te bestrijden; dat het aldus billijk is om hem de mogelijkheid te bieden, rekening houdende met een bestraffing van de gepleegde feiten, een professionele activiteit verder te zetten bij het politiekorps in een andere openbare dienst, even eerbaar, maar niet onderworpen aan vuurwapendracht en vuurwapengebruik, minder stresserend en, door de uurregelingen en de eraan verbonden taken, in contact met een andere laag van de bevolking; XII-2941-8/33 Gelet op de artikels 123, 127 al.2, 130 al. 2 en 132 van de wet dd. 07 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus; Overwegende dat, overeenkomstig de bepalingen van het artikel 282 van de nieuwe gemeentewet, een tuchtstraf kan worden opgelegd wegens : 1/ tekortkomingen aan de beroepsplichten; 2/ handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen; Overwegende dat de handeling van de Heer Roland Debourgh een tekortkoming aan zijn beroepsplichten vormt en de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt; Gelet op de nieuwe gemeentewet, en in het bijzonder zijn artikels 93, 94, 95, 100 en zijn titel XIV ‘De Tuchtregeling’, deze beschikkingen strikt werden nageleefd; Gelet op de nieuwe gemeentewet; Na te hebben beraadslaagd in zijn zitting van 06 november 2000; Beslist : bij geheime stemming, met 17 ‘Ja’-stemmen, 1 ‘nee’-stem en 2 onthoudingen op 20 stemmers; - de motivering van de beraadslaging houdende oplegging aan Mijnheer Roland Debourgh, geboren te Halle op 19 augustus 1951, agent-hoofdbrigadier van politie, van de zware straf van de terugzetting in de graad van hulpagent van politie, met ingang op 01 januari 2001, ten gevolge van de gepleegde feiten van 28 augustus 1999, goed te keuren”. De gegrondheid van het beroep 13.
- Als eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 17, § 1, 2/,van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Ter ondersteuning van zijn middel betoogt hij dat de verhoren van 8 november 1999 en 13 december 1999 volledig in het Frans hebben plaats gevonden, dat de gemeenteraad bij besluit van 26 juni 2000 weliswaar zijn besluit van 17 januari 2000 intrekt maar voor het overige geen standpunt inneemt met betrekking tot de wettigheid vanuit taalopzicht van de op 8 november 1999 en 13 december 1999 plaatsgevonden verhoren, dat hij meer bepaald niet, overeenkomstig artikel 58, tweede lid, van de bestuurstaalwet, de nietigheid van die verhoren heeft vastgesteld, dat die verhoren wel uit het tuchtdossier zijn weggenomen en dat alle stukken werden vertaald, dat de verwerende partij, door de verhoren te vertalen en deze vertaling aan verzoeker te bezorgen, lijkt te menen dat die verhoren moeten worden gehandhaafd, dat in de bestreden beslissing bovendien naar deze verhoren verwezen wordt en uitdrukkelijk overwogen wordt dat rekening wordt gehouden met de getuigenissen van de collega’s, en dat deze verhoren derhalve, nu de nietigheid ervan niet werd vastgesteld en de verwerende partij jegens verzoeker minstens de schijn heeft opgehouden ze in het verdere verloop van XII-2941-9/33 de tuchtprocedure te handhaven, niet uit het rechtsverkeer verdwenen zijn en geacht moeten worden nog steeds deel uit te maken van de tuchtprocedure. 13.
- De verwerende partij antwoordt dat de kritiek van verzoeker ontdaan is van elke relevantie, dat de kwestieuze processen-verbaal van verhoor uit het tuchtdossier werden geweerd, dat er dan ook niet kan worden betoogd dat het thans bestreden besluit, zelfs gedeeltelijk, op deze processen-verbaal zou berusten, dat de getuigenissen waarnaar de bestreden beslissing verwijst dan ook noodzakelijkerwijze de getuigenissen van 7 en 8 september 1999 betreffen, dat het geheel van de stukken van het dossier in het Frans vertaald zijn geweest teneinde alle leden van de gemeenteraad toe te laten hiervan kennis te nemen in hun moedertaal, dat ter gelegenheid hiervan de processen-verbaal van verhoor eveneens vertaald werden in het Nederlands, dat dit feit echter weinig belang heeft, gezien deze stukken zich niet meer in het dossier van verzoeker bevonden waaruit in fine slechts de nutteloosheid van hun vertaling kan blijken, en dat derhalve niets toelaat vast te stellen dat zij op eender welk ogenblik ook gebruik zou hebben gemaakt van deze processen-verbaal of van hun vertaling om het bestreden besluit aan te nemen. 13.
- Verzoeker repliceert dat zijn eerste middel verkeerd begrepen lijkt te zijn, dat hij de verwerende partij niet verwijt al dan niet rekening te hebben gehouden met de verhoren van 8 november 1999 en 13 december 1999, dat de vraag of de verhoren al dan niet ten grondslag hebben gelegen aan de bestreden beslissing dan ook irrelevant is, dat het eerste middel aan de verwerende partij verwijt dat ze de nietigheid van de verhoren van 8 november 1999 en van 13 december 1999 niet heeft vastgesteld nadat ze haar beslissing van 17 januari 2000 heeft ingetrokken, dat uit de letterlijke bewoordingen van artikel 58 van de bestuurstaalwet blijkt dat de afwezigheid van vaststelling van nietigheid van de betrokken verhoren betekent dat die verhoren niet uit het rechtsverkeer verwijderd zijn, dat zij derhalve nog steeds juridisch bestaan en nog steeds deel uitmaken van de tuchtprocedure, dat verzoeker weliswaar op 8 februari 2001 heeft vastgesteld dat de verhoren zich niet meer in het tuchtdossier bevonden, dat evenwel, bij gebrek aan een formele beslissing die de nietigheid vaststelt en de wegname beveelt, noch verzoeker, noch de Raad van State kan nagaan op welk ogenblik daarvóór ze zich wel nog in het dossier bevonden, dat het enige dat verzoeker wél heeft kunnen vaststellen is dat de verhoren hem in vertaling bij brief van 30 juni 2000 werden toegezonden, dat de Raad van State, bij gebrek aan enige formele beslissing die het tegenovergestelde vaststelt, onmogelijk kan weten of die verhoren al dan niet de grondslag hebben uitgemaakt van de XII-2941-10/33 aangevochten beslissing en of de materiële verwijdering van ongekende datum van de verhoren uit het dossier impliceert dat er inderdaad geen rekening mee werd gehouden, dat de beweringen hieromtrent in de memorie van antwoord op zijn minst tegenstrijdig zijn, dat meer bepaald de bewering dat de bewuste processen-verbaal werden vertaald en toegezonden aan de gemeenteraadsleden om er vervolgens geen rekening mee te houden tegenstrijdig en verwarringstichtend is, dat de bewering dat de kwestieuze processen-verbaal verwijderd werden uit het dossier vooraleer het bestreden besluit werd genomen bovendien niet gestaafd wordt door enig stuk in het administratief dossier en hoogst onwaarschijnlijk is, vermits het verhoor van de collega’s van verzoeker gebeurde op uitdrukkelijk initiatief van de verwerende partij, dat één en ander uiteindelijk niets afdoet aan het hoofdargument dat de verwerende partij niet de nietigheid heeft vastgesteld van verhoren die een manifeste schending inhouden van de bestuurstaalwet, zodat de Raad van State niet kan onderzoeken of zij al dan niet de overtuiging van de tuchtoverheid mee gevormd hebben, en dat door toch te oordelen dat er geen rekening mee werd gehouden, waarbij men zich louter steunt op een eenzijdige lezing van het bestreden besluit, artikel 58, tweede lid, van de bestuurstaalwet wordt miskend, vermits dan de nietigheid als het ware impliciet kan volgen uit een bepaalde beslissing. Verzoeker voegt daar in zijn laatste memorie nog aan toe dat de vertaling van de in het geding zijnde verhoren minstens aan verzoeker werd toegezonden, dat de logica gebiedt dat die vertaling dan ook nog tot het tuchtdossier behoorde, dat nergens kan uit worden afgeleid dat het verhoor van 18 oktober 2000 een vervangende akte is voor de verhoren van 8 november en 13 december 1999, dat minstens in de notulen van de zitting van de tuchtoverheid de nietigheid van de zittingen van 8 november en 13 december 1999 diende te worden geacteerd, teneinde van een “vervanging” gewag te kunnen maken. 13.4.
- Krachtens artikel 17, § 1, b, 1/, van de gecoördineerde wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken (hierna: de bestuurstaalwet), moet iedere plaatselijke dienst die in Brussel-Hoofdstad is gevestigd in zijn binnendiensten de Nederlandse taal gebruiken voor niet-lokaliseerbare zaken die een ambtenaar van de Nederlandse taalgroep betreffen, hetgeen in tuchtzaken inhoudt dat de tuchtprocedure tegen een ambtenaar van de Nederlandse taalgroep in het Nederlands moet worden gevoerd en dat de procedurestukken in deze taal moeten zijn gesteld. XII-2941-11/33 Te dezen staat het buiten betwisting dat verzoeker tot de Nederlandse taalgroep van het personeel van de verwerende partij behoort, dat het getuigenverhoor van 8 november 1999 en het voortgezet verhoor van verzoeker op 13 december 1999 uitsluitend in het Frans zijn verlopen, en dat de processen-verbaal van deze hoorzittingen, die door verzoeker en diens raadsman werden ondertekend, eveneens in het Frans werden gesteld. Het staat eveneens buiten betwisting dat de hoorzittingen van 8 november 1999 en 13 december 1999 deel uitmaakten van de tuchtprocedure die tot de -op 26 juni 2000 ingetrokken- gemeenteraadsbeslissing van 17 januari 2000 heeft geleid. In haar besluit van 26 juni 2000 overwoog de verwerende partij evenwel niet alleen dat haar beslissing van 17 januari 2000 diende te worden ingetrokken, maar ook dat de tuchtprocedure diende te worden hernomen, zodat de vraag rijst of de verhoren van 8 november 1999 en 13 december 1999 al dan niet mee ten grondslag hebben gelegen aan de nieuwe, thans bestreden beslissing. Verzoeker voert wezenlijk aan dat die verhoren, doordat de nietigheid ervan niet overeenkomstig artikel 58, tweede lid, van de bestuurstaalwet formeel werd vastgesteld en ze derhalve niet formeel uit het rechtsverkeer zijn verwijderd, nog steeds juridisch bestaan en, a fortiori, nog steeds deel uitmaken van de tuchtprocedure, en dat de Raad van State, bij gebreke van enige formele beslissing bedoeld bij voornoemd artikel 58, tweede lid, onmogelijk kan weten of die verhoren al dan niet mee ten grondslag hebben gelegen aan de bestreden beslissing. Naar luid van artikel 58, eerste lid, van de bestuurstaalwet zijn nietig alle administratieve handelingen en verordeningen, die naar vorm of naar inhoud, strijdig zijn met de bepalingen van de bestuurstaalwet. Overeenkomstig het tweede lid van dat artikel wordt de nietigheid van die handelingen en verordeningen vastgesteld op verzoek van iedere belanghebbende, hetzij door de overheid van wie die handelingen en verordeningen uitgaan, hetzij naar gelang van het geval en de rangorde van hun respectieve bevoegdheden, door de toezichthoudende overheid, de hoven en rechtbanken of de Raad van State. XII-2941-12/33 Naar luid van het derde lid van dat artikel worden handelingen of reglementen waarvan wordt vastgesteld dat zij nietig zijn wegens hun vorm, door de overheden waarvan zij uitgaan vervangen door bescheiden die naar de vorm regelmatig zijn, en heeft die vervanging uitwerking op de datum van het vervangen bescheid. Te dezen kon een vervanging van de-in het Frans opgestelde- processen-verbaal van de hoorzittingen van 8 november 1999 en 13 december 1999 door processen-verbaal die naar de vorm regelmatig waren -die dus in het Nederlands waren opgesteld- de door de verwerende partij begane onwettigheid niet ongedaan maken, vermits die hoorzittingen hoe dan ook in het Frans en in strijd met artikel 17, § 1, b, 1/, van de bestuurstaalwet hadden plaats gegrepen. Om dat onwettig verloop van de tuchtprocedure zelf ongedaan te maken en aan verzoeker alsnog een tuchtstraf op te leggen, kon de verwerende partij dan ook niets anders doen dan beslissen haar tuchtbesluit van 17 januari 2000 -dat hoe dan ook gevitieerd was om reden van de in het Frans gehouden hoorzittingen waarop het steunde- in te trekken en de tuchtprocedure te hernemen, hetgeen ze op 26 juni 2000 ook heeft gedaan. Deze laatstgenoemde beslissing, genomen -zo blijkt uit de formele motivering ervan- na kennisname van het auditoraatsverslag “waaruit blijkt dat de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van talen in bestuurszaken van openbare orde zijn en dat er niet van afgeweken kan worden, ook niet op uitdrukkelijk verzoek van de tuchtrechtelijk vervolgde, wat hier het geval was”, was aldus gesteund op de voorafgaande vaststelling dat de -op uitdrukkelijke vraag van verzoeker- in het Frans gehouden hoorzittingen strijdig waren met de bepalingen van de bestuurstaalwet en derhalve nietig waren. Bijgevolg lag hier de vaststelling van de nietigheid van de in het Frans gehouden hoorzittingen impliciet maar zeker besloten in de beslissing om de tuchtprocedure te hernemen en aldus de begane onwettigheid ongedaan te maken. 13.4.
- Die -impliciete maar zekere -vaststelling hield op haar beurt de -al even impliciete maar zekere- vaststelling in dat ook de processen-verbaal waarin die onwettige hoorzittingen hun definitieve schriftelijke vorm verkregen door XII-2941-13/33 nietigheid waren aangetast, en dat zij derhalve niet meer bij de voorbereiding van een nieuwe tuchtbeslissing mochten dienen. De vraag rijst of de betrokken stukken niettemin te dezen zijn gebruikt. Enerzijds kan, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker betoogt, het ontbreken van een “formele beslissing” waarbij de nietigheid van de verhoren van 8 november 1999 en 13 december 1999 wordt vastgesteld op zich niet tot de conclusie leiden dat deze verhoren nog steeds deel uitmaakten van de tucht- procedure die tot de thans bestreden beslissing heeft geleid. Anderzijds dient de Raad van State -ook al stelt verzoeker in zijn memorie van wederantwoord “dat de vraag of de verhoren al dan niet ten grondslag hebben gelegen aan de bestreden beslissing irrelevant [is]” en ondergraaft hij aldus in wezen zijn eerste middel- in voorkomend geval ambtshalve na te gaan of die verhoren alsnog, in strijd met artikel 17, § 1, b, 1/, van de bestuurstaalwet -bepaling die de openbare orde raakt- en in weerwil van hetgeen impliciet maar zeker in het gemeenteraadsbesluit van 26 juni 2000 werd beslist, mee ten grondslag hebben gelegen aan de thans bestreden beslissing. In de eerste plaats moet, mét verzoeker zelf, worden vastgesteld dat de processen-verbaal van de verhoren van 8 november 1999 en 13 december 1999 uit het tuchtdossier werden verwijderd, zodat er, althans in beginsel, moet worden van uitgegaan dat er voor het opleggen van de bestreden tuchtstraf geen rekening mee gehouden is. Niet dienstig voor bewijs van het tegendeel is het argument van verzoeker, dat hij ter voorbereiding van zijn schorsings- en annulatieberoep het dossier is gaan inzien op 8 februari 2001 -dus na het nemen van de bestreden beslissing-, maar dat hij niet kon nagaan of de verhoren, die op dat moment niet meer in het tuchtdossier staken, er daarvóór nog instaken en “dat de bewering van verwerende partij dat de kwestieuze P.V.’s verwijderd werden uit het dossier vóór de aanneming van de aangevochten akte bovendien niet gestaafd wordt door enig stuk in het administratief dossier”. Dit argument wordt niet aanvaard, vermits op 30 juni 2000, naar aanleiding van de uitnodiging om op 16 oktober 2000 voor de gemeenteraad te verschijnen, aan verzoeker werd meegedeeld dat hij het tucht- dossier kon raadplegen vanaf ontvangst van de uitnodiging, tot de vooravond van de verschijning. XII-2941-14/33 Wel is het zo dat hem op 30 juni 2000 een vertaling werd bezorgd van het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 8 november 1999 en van het proces-verbaal van verzoekers verhoor van 13 december
- De verwerende partij verklaart die vertaling en toezending door te wijzen op het feit dat het geheel van de stukken vertaald is geweest in het Frans ten behoeve van de gemeenteraadsleden en dat ter gelegenheid hiervan de processen-verbaal van verhoor eveneens vertaald werden in het Nederlands, zij het dan dat deze vertaling -vermits de processen-verbaal geen deel uitmaakten van het dossier- in feite nutteloos was. In zijn arrest nr. 88.289 van 27 juni 2000 wees de Raad van State op het feit dat, tot aan de verschijning van verzoeker voor de gemeenteraad, de stuk- ken van het tuchtdossier, te beginnen met de administratieve akte en het bijhorend strafvoorstel van de korpsoverste, in het Nederlands waren geredigeerd en dat zij nooit werden vertaald, en beval hij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het gemeenteraadsbesluit van 17 januari 2000 op grond van de overweging “dat het bewijs niet voorligt dat de stukken van verzoekers tuchtdossier te gelegener tijd in vertaling ter beschikking waren van de gemeenteraadsleden” en “dat zodoende het bewijs niet wordt geleverd dat de leden van de gemeenteraad van Etterbeek, een tweetalig collectief orgaan, allen op dezelfde wijze kennis hebben kunnen nemen van alle elementen van het tuchtdossier van verzoeker”. De administratieve akte en het bijhorend strafvoorstel van de korpsoverste, die rechtmatig deel bleven uitmaken van het tuchtdossier, dienden derhalve in het Frans te worden vertaald ten behoeve van de gemeenteraadsleden. Dat ter gelegenheid van die vertaling, die noodzakelijk was voor het nemen van een nieuwe en ditmaal rechtsgeldige beslissing, ook de processen-verbaal van verhoor werden vertaald -ditmaal in het Nederlands- en aan verzoeker werden bezorgd, is een handelwijze die gewis van aard kan zijn “verwarring te stichten”, maar die op zich niets afdoet aan de door verzoeker zelf gedane vaststelling dat die processen- verbaal uit het tuchtdossier werden verwijderd. In tegenstelling tot hetgeen verzoeker in zijn memorie van wederantwoord betoogt, beweert de verwerende partij overigens nergens dat de processen-verbaal werden vertaald en aan de gemeenteraadsleden werden “toege- zonden”, met andere woorden in het tuchtdossier werden opgenomen. XII-2941-15/33 XII-2941-16/33 Daarenboven moet worden vastgesteld : - dat verzoeker op 30 juni 2000 werd uitgenodigd om te verschijnen teneinde er in zijn verdedigingsmiddelen gehoord te worden, niet “in aansluiting op” het getuigenverhoor voor de gemeenteraad van 8 november 1999 en zijn verhoor voor de gemeenteraad van 13 december 1999, maar wel - en enkel - “ten gevolgen van de beslissing van de gemeenteraad dd. 26 juni 2000” houdende intrekking van de lastens hem genomen beslissing van 17 januari 2000; - dat aan verzoeker bij brief van 17 januari 2000 een afschrift van de op 17 januari 2000 genomen tuchtbeslissing werd betekend waarbij die brief aanvat met “ten gevolge van het getuigenverhoor dd. 08 november 1999 en van uw verhoor dd. 13 december 1999”, terwijl de thans bestreden beslissing aan verzoeker werd bezorgd met een brief van 12 december 2000 die aanvat met “ten gevolge van uw verhoor dd. 16 oktober 2000”; - dat in de bestreden beslissing zelf verwezen wordt naar de beraadslaging van 17 januari 2000, waarbij wordt overwogen “dat deze beraadslaging genomen werd na een tuchtprocedure waarin verschillende getuigen en de comparant verhoord werden (zittingen van de gemeenteraad van 08 november en 13 december 1999)” en dat verzoeker tegen de beslissing van 17 januari 2000 een annulatieberoep en schorsingsvordering indiende bij de Raad van State, waarna verwezen wordt naar de beraadslaging van 26 juni 2000 houdende intrekking van de beraadslaging van 17 januari 2000; - dat er in de bestreden beslissing voor het overige nergens sprake is van de hoor- zittingen van 8 november en 13 december 1999, en dat meer bepaald nergens wordt aangegeven dat ze werd genomen “gelet op het proces-verbaal van verhoor vóór de Gemeenteraad dd. 08 november 1999” en “13 december 1999” -zoals dat wel het geval was in de beslissing van 17 januari 2000-, maar wel -en enkel- dat de bestreden beslissing werd genomen “gelet op het proces-verbaal van verhoor vóór de gemeenteraad van 16 oktober 2000” en “gelet op de door de raadsman van verzoeker tijdens dat verhoor neergelegde stukken; - dat in de bestreden beslissing weliswaar wordt overwogen dat verzoeker beweert zich van de in de wachtzaal van het politiecommissariaat gebeurde feiten niets meer te herinneren en dat er aldus “rekening dient te worden gehouden met de getuigenissen van de op het moment der feiten aanwezige collega's, getuigenissen die in het dossier staan en niet betwist zijn”, maar dat de op het moment van de feiten aanwezige collega's en verzoeker zelf op 7 en 8 september 1999 werden verhoord door adjunct-commissaris inspecteur Vandekerkhove, en dat hun XII-2941-17/33 verhoren in bijlage werden gevoegd bij de administratieve akte die lastens verzoeker werd opgesteld, administratieve akte die uiteraard nog steeds deel uitmaakt van het tuchtdossier en waarop de bestreden beslissing dan ook mede is gesteund. Vermits aldus nergens uit blijkt dat de verhoren van 8 november 1999 en 13 december 1999 mee ten grondslag hebben gelegen aan de bestreden beslissing, en zowel het materieel verwijderen van die verhoren uit het tuchtdossier als de stukken van het tuchtdossier zelf er integendeel op wijzen dat die verhoren bij het opleggen van de bestreden tuchtstraf buiten beschouwing zijn gebleven, is het eerste middel niet gegrond. 14.
- Als tweede middel voert verzoeker de schending aan van artikel 305, § 2, van de nieuwe gemeentewet, doordat, bij het verhoor van verzoeker op 13 december 1999, gemeenteraadsleden, tevens schepenen Bertiaux en de Brouckhoven de Bergeyck niet aanwezig waren en de laatstgenoemde evenmin aanwezig was bij het verhoor op 8 november 1999, maar dat bij de uiteindelijke beslissing houdende oplegging van de tuchtstraf eerder genoemde personen wél aanwezig waren, beraadslaagd hebben en deelgenomen hebben aan de stemming, terwijl de leden van de gemeenteraad of het college van burgemeester en schepenen die niet permanent tijdens het geheel der hoorzittingen aanwezig waren niet mogen deelnemen aan de beraadslaging en de stemming over de op te leggen tuchtmaatregel. 14.
- De verwerende partij antwoordt dat de processen-verbaal waarnaar verzoeker verwijst geen deel meer uitmaakten van het tuchtdossier van verzoeker, zodat het middel faalt in feite. 14.
- Verzoeker repliceert dat, zelfs indien het eerste middel ongegrond wordt bevonden maar de Raad van State tegelijkertijd vaststelt dat de verhoren van 8 november 1999 en 13 december 1999 nog altijd bestaan en moeten worden geacht deel uit te maken van de tuchtprocedure, dan nog de bestreden beslissing moet worden vernietigd wegens schending van artikel 305, § 2, van de nieuwe gemeentewet. Verzoeker voegt daar in zijn laatste memorie geen nieuwe argumenten aan toe. XII-2941-18/33 14.
- Nu uit de bespreking van het eerste middel volgt dat de verhoren van 8 november 1999 en 13 december 1999 bij het opleggen van de bestreden tuchtstraf buiten beschouwing zijn gebleven en zij derhalve geenszins “moeten geacht worden deel uit te maken van de tuchtprocedure”, doet het niet ter zake dat die verhoren niet zijn bijgewoond door de gemeenteraadsleden Bertiaux en de Brouckhoven de Bergeyck. Het tweede middel is niet gegrond. 15.
- Als derde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 305, § 1, van de nieuwe gemeentewet, doordat het proces-verbaal van de hoorzitting van 13 december 1999 niet vermeldt dat er nog een hoorzitting zal volgen en dat deze hoorzitting dan ook moet worden geacht de laatste hoorzitting te zijn, terwijl de gemeenteraad zich binnen de twee maanden na sluiting van het proces-verbaal van de laatste hoorzitting moet uitspreken over de op te leggen tuchtstraf. 15.
- De verwerende partij antwoordt dat, indien men verzoeker zou volgen, een tuchtoverheid die de onwettigheid van een akte en van een aan die akte voorafgaande hoorzitting vaststelt enerzijds geen rekening meer zou kunnen houden met deze onwettige hoorzitting, maar er anderzijds toe gehouden zou zijn te oordelen dat deze hoorzitting de laatste was, zodat zij dan niet meer zou kunnen overgaan tot enige hoorzitting met het oog op het bestraffen van een manifest strafbaar gedrag. 15.
- Verzoeker repliceert dat het te dezen de vraag is vanaf wanneer de oude tuchtprocedure voortgezet werd, dat hij zulks niet kan weten, vermits de beslissing van 26 juni 2000 zulks volledig in het midden laat, dat hij enkel kan vaststellen dat de gemeenteraad de nietigheid van het verhoor van 13 december 1999 niet heeft uitgesproken en enkel de beraadslaging van 17 januari 2000 heeft ingetrokken, dat in het proces-verbaal van verhoor van 13 december 1999 niet vermeld wordt dat er nog een hoorzitting zal volgen zodat dit verhoor het laatste verhoor is, dat ingevolge de intrekking van het besluit van 17 januari 2000 op 26 juni 2000 er geen oplegging van een tuchtstraf is tussengekomen binnen de twee maanden na het laatste verhoor op 13 december 1999, dat de laatste nuttige dag waarop nog ingetrokken kon worden 13 februari 1999 was, en dat, indien de termijn van artikel 305, § 1, bij de intrekking van de tuchtstraf verstreken is, geen nieuwe tuchtstraf meer kan worden opgelegd. XII-2941-19/33 Verzoeker voegt daar in zijn laatste memorie aan toe dat er een fundamenteel verschil is tussen het gegeven dat de tuchtoverheid haar eigen fout probeert recht te zetten en haar besluit dienvolgens intrekt en een annulatiearrest of de niet-aanvaarding door een toezichthoudende overheid van het betrokken besluit. 15.
- Overeenkomstig het te dezen toepasselijk artikel 299 van de nieuwe gemeentewet mag geen enkele tuchtstraf worden opgelegd dan nadat het personeelslid in zijn middelen van verdediging gehoord is over alle feiten die hem ten laste gelegd worden door de overheid die haar uitspreekt. Naar luid van het te dezen toepasselijk artikel 305, § 1, van de nieuwe gemeentewet doet de tuchtoverheid binnen twee maanden na het sluiten van het proces-verbaal van de laatste hoorzitting uitspraak over de op te leggen tuchtmaatregel en wordt zij, indien geen uitspraak wordt gedaan binnen voormelde termijn, geacht af te zien van vervolging voor de feiten die de betrokkene ten laste worden gelegd. Bij de bespreking van het eerste middel is reeds vastgesteld dat de beslissing van 26 juni 2000 om het tuchtstrafbesluit van 17 januari 2000 in te trekken en de tuchtprocedure te hernemen, impliciet maar zeker en terecht de vaststelling inhield van de nietigheid van de verhoren van verzoeker op 8 november 1999 en 13 december
- Waar het de tuchtoverheid niet verboden was de tuchtprocedure te hernemen, was zij in de gegeven omstandigheden gerechtigd in een nieuw verhoor te voorzien. Welk nieuw verhoor dan ipso facto uitwees dat het verhoor van 13 december 1999 niet als “de laatste hoorzitting” in de zin van artikel 305 van de nieuwe gemeentewet te beschouwen is. Artikel 305 van de nieuwe gemeentewet schrijft, strikt genomen, niet voor dat er in geen enkel geval twee maanden of meer mogen liggen tussen het sluiten van het proces-verbaal van een hoorzitting en de daarop volgende hoorzitting. Wat het vereist, is dat de tuchtstraf wordt opgelegd binnen twee maanden na het sluiten van het proces-verbaal van de laatste hoorzitting, hetzij te dezen binnen twee maanden na het sluiten van het proces-verbaal van de hoorzitting van 16 oktober
- XII-2941-20/33 Aangezien daaraan is voldaan, is het middel ongegrond. Het derde middel is niet gegrond. 16.
- Als vierde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 317 van de nieuwe gemeentewet, doordat, in de hypothese dat de gemeenteraad met zijn besluit van 26 juni 2000 zou hebben beslist de volledige tuchtprocedure in te trekken -wat niet blijkt uit de beslissing maar eventueel wel kan worden afgeleid uit het tuchtdossier dat, naast het verslag van de korpsoverste, enkel stukken bevat te rekenen vanaf de beraadslaging van 26 juni 2000-, de feiten op 28 augustus 1999 werden vastgesteld in een administratieve akte en dat pas na een termijn van zes maanden, namelijk op 26 juni 2000, met een nieuwe tuchtprocedure werd gestart, terwijl de gemeenteraad geen tuchtprocedure meer kan instellen na verloop van zes maanden na de vaststelling of kennisname van de strafbare feiten. 16.
- De verwerende partij antwoordt dat een tuchtprocedure die behept is met een onwettigheid kan worden hernomen vanaf het stadium waarop de onwettigheid werd begaan, dat het bestaan van voordien regelmatig vervulde aktes geenszins wordt aangetast door deze onwettigheid of door het herstel van de akte die ermee behept was, dat zij verzoeker met een brief van 20 september 1999 heeft ingelicht van het feit dat lastens hem een tuchtprocedure was geopend, dat deze brief de eerste akte uitmaakt van de tuchtprocedure, en dat hij werd verstuurd binnen de termijn van zes maanden waarvan sprake in artikel 317 van de nieuwe gemeentewet. 16.
- Verzoeker repliceert dat de brief van 20 september 1999 niet in het tuchtdossier steekt, dat, indien het tuchtdossier bepalend is om te beoordelen welke stukken en beslissingen na intrekking van het besluit van 17 januari 2000 nog steeds deel uitmaken van de tuchtprocedure, dan ook moet worden vastgesteld dat de tuchtvordering voor het eerst werd ingesteld bij brief van 30 juni 2000, dat in het bestreden besluit trouwens wordt bevestigd dat de tuchtprocedure werd gestart door de uitnodigingsbrief van 30 juni 2000, dat met “instelling” van de tuchtvordering wordt bedoeld het ogenblik van officiële kennisgeving door de tuchtoverheid dat hij ervan wordt verdacht een tuchtvergrijp te hebben gepleegd en dat een tuchtonderzoek is ingesteld, kennisgeving die gebeurt via een oproepingsbrief tot het verhoor, dat blijkens het tuchtdossier en het bestreden besluit de intrekking van het besluit van 17 januari 2000 dan ook tot gevolg had dat de tuchtprocedure ab initio herstart werd, dat zulks ook logisch is, vermits de intrekking van het besluit XII-2941-21/33 van 17 januari 2000 niet alleen de verwijdering uit het rechtsverkeer van dat besluit zelf impliceert, maar ook de verwijdering van de voorgaande beslissingen die dit besluit noodzakelijk voorafgingen, en dat de instelling van de nieuwe tuchtprocedure via de uitnodigingsbrief van 30 juni 2000 is gebeurd meer dan zes maanden na de vaststelling van de tuchtfeiten in het rapport van 28 augustus
- In zijn laatste memorie wijst hij zoals bij het vorige middel opnieuw op het verschil tussen een intrekking van een tuchtbeslissing en een nietigverklaring ervan door de Raad van State. 16.
- Voorafgaandelijk moet worden opgemerkt dat verzoeker niet kan worden bijgevallen, waar hij stelt dat de intrekking van het betrokken tuchtstrafbesluit noodzakelijkerwijze de verwijdering uit het rechtsverkeer impliceert van alle voorafgaande procedurehandelingen die dat ingetrokken besluit noodzakelijk voorafgingen: bij de bespreking van het derde middel is reeds vastgesteld dat de overheid, na de intrekking van een tuchtstraf, niet verplicht is de procedure helemaal over te doen alvorens een nieuwe tuchtstraf op te leggen, maar wel - en enkel - de procedure te hernemen vanaf het ogenblik dat zij ontspoorde, zijnde, te dezen, vanaf de verschijning van verzoeker voor de gemeenteraad. Overeenkomstig het te dezen toepasselijk artikel 317, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet kan de tuchtoverheid geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten. Verzoeker heeft het wél bij het rechte eind, waar hij stelt dat het instellen van de tuchtrechtelijke vervolging gebeurt via de oproepingsbrief tot het verhoor. Die oproepingsbrief dient, naar luid van het te dezen toepasselijke artikel 301, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet, melding te maken van onder meer al de ten laste gelegde feiten. Om die reden werd te dezen de “administratieve akte dd. 28 augustus 1999, hernomen op 10 september 1999, houdende de ten laste gelegde feiten” in bijlage gevoegd bij de oproepingsbrief van 20 september
- XII-2941-22/33 Ingevolge de beslissing van 26 juni 2000 houdende intrekking van de beslissing van 17 januari 2000 diende verzoeker opnieuw te worden opgeroepen om - ditmaal in het Nederlands - in zijn middelen van verdediging te worden gehoord alvorens een nieuwe tuchtstraf kon worden opgelegd, hetgeen ook gebeurde door middel van de oproepingsbrief van 30 juni
- Bij die brief werd evenwel niet opnieuw de “administratieve akte van 28 augustus 1999, hernomen op 10 september 1999, houdende de ten laste gelegde feiten” in bijlage gevoegd. De reden hiervoor wordt in de nieuwe oproepingsbrief uitdrukkelijk vermeld, met name dat deze stukken “reeds overgemaakt [werden] op 20 september 1999”. Uit de bewoordingen van de oproepingsbrief van 30 juni 2000, die zich wel degelijk in het tuchtdossier bevindt, blijkt derhalve onomstotelijk dat de verwerende partij bij het hernemen van de tuchtprocedure de mededeling van de ten laste gelegde feiten die zij op 20 september 1999 aan verzoeker deed en waarmee toentertijd de tuchtrechtelijke vervolging van verzoeker werd ingezet, onverlet heeft willen laten, ook al bevond de brief van 20 september 1999 zélf zich niet meer in het tuchtdossier. Het vierde middel is niet gegrond. 17.
- Als vijfde middel voert verzoeker de schending aan van het algemeen beginsel van de rechten van verdediging in tuchtzaken en van de artikelen 300, tweede lid, 309 en 305, § 3, van de nieuwe gemeentewet, doordat de gemeenteraad aan verzoeker de zware tuchtstraf van terugzetting in graad naar hulpagent van politie oplegt en daarbij rekening houdt met zware tuchtstraffen die tussen 1979 en 1994 zijn opgelegd, en er noch in de administratieve akte, noch in de rest van het tuchtdossier, noch tijdens de hoorzitting -waar verzoeker zich uitdrukkelijk beriep op zijn staat van dienst- enige melding werd gemaakt van deze zware tuchtstraffen, terwijl verzoeker zich met kennis van zaken moet kunnen verdedigen, hetgeen impliceert dat, wanneer de tuchtoverheid bij de beoordeling van de strafmaat wenst rekening te houden met andere feiten dan deze ten laste gelegd, zij deze moet vermelden in het tuchtdossier of minstens deze feiten moet opwerpen tijdens de hoorzitting, en terwijl de opgelegde tuchtstraffen bovendien reeds meer XII-2941-23/33 dan zes jaar oud zijn, waardoor er slechts uitzonderlijk rekening mee mag worden gehouden. 17.
- Verzoeker voegt daar in zijn memorie van wederantwoord nog aan toe dat artikel 300, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet aan de tuchtoverheid de verplichting oplegt om alle stukken die betrekking hebben op de ten laste gelegde feiten in het tuchtdossier op te nemen, dat dit artikel garandeert dat het betrokken personeelslid een volledige kennis heeft van alles wat in verband met zijn zaak wordt meegedeeld aan de tuchtoverheid en dat hij zich op alle punten kan ver- dedigen, dat de feiten die tussen 1979 en 1994 hebben plaats gevonden ontegensprekelijk zijn meegedeeld aan de tuchtoverheid zonder dat verzoeker hier kennis van had of van kon hebben, dat hij, indien zulks het geval was geweest, had kunnen wijzen op de verschillende oorzaken en de specifieke omstandigheden waarin die gebeurtenissen zich voorgedaan hadden, dat zijn rechten van verdediging dan ook geschonden zijn in zoverre hij niet de kans heeft gekregen om uit te leggen waarom die feiten geen invloed hebben gehad op zijn staat van dienst, en dat anderzijds uit artikel 309 van de nieuwe gemeentewet volgt dat met doorgehaalde straffen geen rekening kan worden gehouden. In zijn laatste memorie voegt verzoeker daar nog aan toe dat wordt verwezen naar de voorgaande tuchtsancties teneinde “een constitutief element aan te dragen dewelke mede de strafmaat kan beïnvloeden”. 17.
- Wat betreft de tuchtstraffen die tussen 1979 en 1994 aan verzoeker werden opgelegd, wordt in de bestreden beslissing het volgende overwogen: “overwegende de uiteengezette verdedigingsmiddelen; [...] overwegende dat tussen 1979 en 1994 verschillende zware tuchtstraffen hem al werden opgelegd; dat de laatste tuchtstraf van 1994 feiten betreft gepleegd in dienst en onder invloed van alcoholische dranken; dat belanghebbende aldus niet kan spreken van een vlekkeloze staat van dienst; dat belanghebbende al een teken van de overheid had gekregen en de kans heeft gekregen zich te herpakken”. Even later wordt dan weer overwogen “dat het door Mijnheer Debourgh tijdens zijn loopbaan geleverde werk hier niet in twijfel wordt getrokken”, en wordt er nadien, wanneer wordt overgegaan tot de bespreking van de lastens verzoeker aangehaalde feiten en de ernst van die gepleegde feiten -bespreking die XII-2941-24/33 essentieel is bij het bepalen van de strafmaat- over de in het verleden opgelopen tuchtstraffen met geen woord meer gerept. Wanneer men het bestreden besluit in zijn geheel leest, moet dan ook worden vastgesteld dat de aangehaalde overwegingen in verband met de tussen 1979 en 1994 aan verzoeker opgelegde tuchtstraffen louter als antwoord zijn bedoeld op de wijze waarop de staat van dienst van verzoeker door diens raadsman in de verf werd gezet tijdens de hoorzitting van 16 oktober 2000, dus zonder dat de verwerende partij die eerder opgelopen tuchtstraffen als een verzwarende omstandigheid bij het bepalen van de strafmaat heeft betrokken. In die omstandigheden mag niet worden gesteld dat de rechten van verdediging geschonden zijn, noch dat het tuchtdossier onvolledig was, noch dat het voorschrift met betrekking tot de doorhaling van de tuchtstraffen werd miskend, noch dat de tuchtstraf niet naar de vorm met redenen omkleed is. Het vijfde middel is niet gegrond. 18.
- Als zesde middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht, doordat de verwerende partij bij het bepalen van de strafmaat geen rekening heeft gehouden met de goede staat van dienst van verzoeker, noch met zijn ziektetoestand. Ter ondersteuning van zijn middel argumenteert verzoeker, samengevat, als volgt: via de bestreden beslissing wordt verzoeker gedegradeerd van agent-hoofdbrigadier -functie die tot de graad van agenten behoort en binnen die categorie de hoogste functie is- naar hulpagent van politie; deze degradatie is volkomen onevenredig, gelet op de staat van dienst van verzoeker, die uitdrukkelijk blijkt uit de verschillende geschreven en mondelinge getuigenissen; bovendien heeft verzoeker ondertussen verklaard dat hij in behandeling is, en werd nooit betwist dat verzoeker een behandeling zou nodig hebben of dat de vermeende feiten niet het gevolg zouden zijn van een onstabiele situatie; dat alles is duidelijk niet in overweging genomen bij het bepalen van de strafmaat, zodat de strafbepaling XII-2941-25/33 -doordat geen rekening werd gehouden met de goede staat van dienst van verzoeker, noch met zijn ziektetoestand- volledig onevenredig is. 18.
- Verzoeker voegt daar in zijn memorie van wederantwoord aan toe dat, niettegenstaande de ogenschijnlijk milde houding die de verwerende partij aanneemt, de feiten in kennelijke wanverhouding staan tot de opgelegde straf, dat er een korte woordenwisseling is geweest met een administratief aangehoudene, waarbij verzoeker gezwaaid heeft met een ongeladen en beveiligd pistool, dat zulke feiten niet getuigen van een criminele intentie of van een intentie om de overheid, de instellingen of de medeburgers te schaden, dat het een moment van zwakte is geweest in hoofde van verzoeker, een tijdelijk verlies van zelfbeheersing na een zware dag met veel overuren, zonder dat dit geleid heeft tot enige blijvende schade in hoofde van wie dan ook, dat het nuttigen van een paar pintjes tijdens de dienst een straf rechtvaardigt, maar niet een straf die zulke zware gevolgen heeft voor verzoeker, dat de tuchtoverheid de feiten zwaar heeft overdreven waardoor zij op kennelijk onredelijke wijze geapprecieerd zijn, en dat er bovendien gemeten wordt met twee maten en twee gewichten, vermits recent B.M. gestraft werd met inhouding van 25% van zijn wedde gedurende negen maanden zonder degradatie. 18.
- Verzoeker werd tuchtrechtelijk vervolgd om op 28 augustus 1999, in de wachtzaal van het politiecommissariaat, tijdens zijn dienst, onder invloed van alcoholische dranken, een ongewapend en opgesloten persoon te hebben opgehitst, uitgescholden met racistische woorden, deze met de dood te hebben bedreigd, zijn dienstvuurwapen in de hand en naar deze persoon gericht. Op grond van deze feiten stelde de korpsoverste voor een maximale tuchtstraf op te leggen, dat wil zeggen, het ontslag van ambtswege of de afzetting. De verwerende partij legt uiteindelijk niet de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege of van de afzetting, maar wel die van de terugzetting in graad op : - enerzijds op grond van de overwegingen dat de gepleegde feiten een zware fout uitmaken en onaanvaardbaar zijn vanwege een openbaar ambtenaar, bovendien politieagent, dat een politiefunctionaris, houder van een deel van de openbare macht en drager van een vuurwapen, in alle omstandigheden meester moet XII-2941-26/33 blijven over zijn daden en over voldoende zelfbeheersing moet beschikken, des te meer na zoveel dienstjaren, dat de moeilijkheden van het ambt van politieagent niet onderschat worden maar dat het de verantwoordelijkheid van verzoeker was om gespecialiseerde hulp te raadplegen en om zijn oversten te verwittigen van zijn onbekwaamheid om de aan zijn ambt verbonden lasten verder te kunnen dragen, zonder op een incident te wachten dat een tragische wending had kunnen nemen, en dat verzoeker pas na de gepleegde feiten met een medische behandeling is begonnen en zo blijk van onverantwoordelijkheid heeft gegeven; - anderzijds op grond van de overwegingen dat een tuchtoverheid het aan zichzelf verplicht is op een juiste en verantwoordelijke manier de foutieve gedragingen te bestraffen, dit alles rekening houdende met de gevolgen van haar beslissing, dat er aldus rekening moet worden gehouden met de psychologische toestand van verzoeker en zijn oorzaken, dat het hem ontnemen van werk na zoveel dienstjaren onverantwoord zou zijn wat de gevolgen voor zijn fysische en mentale gezondheid betreft, dewelke nog meer zou aftakelen, dat het erop aankomt hem te helpen de oorzaken van deze ontreddering te bestrijden, en dat het aldus billijk is om hem de mogelijkheid te bieden, rekening houdende met een bestraffing van de gepleegde feiten, een professionele activiteit verder te zetten bij het politiekorps in een andere openbare dienst, even eerbaar, maar niet onderworpen aan vuurwapendracht en vuurwapengebruik, minder stresserend en -door de uurregelingen en de eraan verbonden taken- in contact met een andere laag van de bevolking. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dan ook expliciet dat de verwerende partij niet alleen rekening heeft gehouden met de ernst van de in aanmerking genomen feiten en de aantasting die zij betekenen van het belang van de dienst, maar ook met de psychologische toestand van verzoeker en zijn oorzaken. Daarenboven wijst de bespreking van het vijfde middel uit dat de verwerende partij wel degelijk oog heeft gehad voor verzoekers staat van dienst, en kon verzoeker voor het overige uit de motivering van het bestreden besluit minstens impliciet afleiden waarom die staat van dienst niet in de mate dat hij zou wensen heeft doorgewogen in het licht van de in aanmerking genomen feiten. XII-2941-27/33 Gelet op hetgeen voorafgaat, moet worden vastgesteld : - dat het bestreden besluit voldoet aan zowel de formele als aan de materiële motiveringsplicht; - dat niet mag worden aangenomen dat de verwerende partij, rekening gehouden met de ernst van de ten laste gelegde feiten, door het opleggen van de tuchtstraf van de terugzetting in graad een straf heeft opgelegd die de grenzen van de evenredigheid te buiten gaat, ook al kunnen de ten laste gelegde feiten in verband worden gebracht met verzoekers “ziektetoestand” en werden een aantal gunstige verklaringen afgelegd over zijn functioneren. Met de aantijging ten slotte dat er “met twee maten en twee gewichten gewogen wordt”, met name omdat “recent [B. M.] gestraft [werd] met inhouding van 25% van zijn wedde gedurende negen maanden zonder degradatie”, kan de Raad van State bij de beoordeling van de thans voorliggende zaak uiteraard geen rekening houden, al was het maar omdat verzoeker zich beperkt tot een blote bewering en uit niets blijkt dat de tuchtzaak van verzoeker zich met die van B. M. laat vergelijken. Het zesde middel is niet gegrond. 19.
- Als zevende middel roept verzoeker de schending in van artikel 292, § 1, van de nieuwe gemeentewet, luidens welke bepaling de tuchtstraffen vermeld in artikel 283 door de gemeenteraad slechts kunnen worden opgelegd op verslag van de korpschef. Volgens verzoeker heeft de korpschef te dezen enkel een “administratieve akte” opgesteld voor de burgemeester, waaruit eerst en vooral blijkt dat de korpschef niet de gemeenteraad maar wel de burgemeester als tuchtoverheid beschouwt; daarenboven is die “administratieve akte” geen verslag, en is ze niet gericht aan de tuchtoverheid, zijnde de gemeenteraad. 19.
- Verzoeker voegt daar in zijn memorie van wederantwoord en laatste memorie aan toe dat het uitgesloten is dat de korpsoverste overgaat tot verhoor of tot elke andere onderzoeksdaad, dat de noodzakelijke verhoren en elke onderzoeksdaad behoren tot de exclusieve bevoegdheid van de overheid die de tuchtstraf oplegt, dat hetgeen te dezen beschouwd wordt als een administratieve akte XII-2941-28/33 een geheel van onderzoeksdaden betreft, en dat de onderzoeksdaden, gesteld door een onbevoegde overheid en toegezonden aan de burgemeester, niet te beschouwen zijn als een administratieve akte in de zin van artikel 292 van de nieuwe gemeentewet. 19.
- In de “administratieve akte” die door de korpschef van verzoeker werd opgesteld, somt deze, voortgaande op de bijgevoegde “administratieve akte” van hoofdinspecteur van eerste klasse Decoutere en de verhoren die werden afgenomen van verzoeker en een aantal collega's, de feiten op die ten laste van verzoeker moeten in aanmerking worden genomen, bespreekt hij de omstandigheden waarin die feiten werden gepleegd en hun laakbaarheid, en formuleert hij ten slotte een strafvoorstel. In tegenstelling tot hetgeen verzoeker betoogt : - is een dergelijke “administratieve akte” wel degelijk een verslag in de zin van artikel 292, § 1, van de nieuwe gemeentewet; - valt niet in te zien om welke reden de toezending van dat verslag aan de burgemeester, die bevoegd is om op eigen gezag een tuchtstraf op te leggen én voorzitter van de gemeenteraad is, een tekortkoming aan voornoemd artikel zou kunnen uitmaken; - valt al evenmin in te zien om welke reden een verslag van de korpschef en een nadien door de tuchtoverheid zelf gevoerd tuchtonderzoek niet zouden mogen worden voorafgegaan door een administratief onderzoek waarbij onder meer het betrokken personeelslid en zijn collega’s worden ondervraagd over de feiten die desgevallend tot het opstellen van een tuchtverslag aanleiding kunnen geven. Het zevende middel is niet gegrond. 20.
- Als achtste middel voert verzoeker de schending aan van het beginsel van de onpartijdigheid in tuchtzaken, van de rechten van verdediging en van het verbod van machtsoverschrijding, waarbij hij, samengevat, als volgt argumenteert: in zijn beslissing van 26 juni 2000 verwijt de gemeenteraad verzoeker “ontrouw gedrag” en geeft hij aldus reeds te kennen dat het verhoor van 16 oktober 2000 een loutere formaliteit was; zulks bleek ook tijdens het verhoor, dat XII-2941-29/33 opmerkelijk kort was en waarbij de vragen er enkel op gericht waren verzoeker te doen bekennen en de ten laste gelegde feiten te doen erkennen; nochtans is het in de eerste plaats aan de bestuursoverheid om de wet te kennen en toe te passen, zodat de onwetendheid of de onwil van de gemeenteraad om de bestuurstaalwet te kennen of na te leven aan verzoeker niet kan worden verweten en geen blijk kan geven van ontrouw gedrag in zijnen hoofde; uit deze onterechte aantijging en uit het tendentieuze verhoor van 16 oktober 2000 is de wil gebleken om louter te onderzoeken à charge teneinde een tuchtstraf te kunnen opleggen; de door verzoeker genoemde beginselen in tuchtzaken verzetten zich ertegen dat het tuchtorgaan vanaf het hernemen van de tuchtprocedure -en zeker wanneer de tuchtprocedure ab initio zou zijn hernomen- een gebrek aan objectiviteit tentoonspreidt en dit gebrek aan objectiviteit te kennen geeft in de beslissingen die aan de oplegging van de tuchtstraf voorafgaan en doet blijken tijdens het verhoor van de betrokkene. 20.
- De verwerende partij antwoordt dat zij, door het gedrag van verzoeker in haar beslissing van 26 juni 2000 als deloyaal te kwalificeren, slechts een feit vaststelt, dat, door te beweren dat zulks een teken zou zijn van partijdigheid, verzoeker evenwel iets beweert wat er niet is, en dat, wat betreft de vermeende partijdigheid die zou blijken uit het feit dat de hoorzitting van 16 oktober 2000 slechts een formaliteit was die slechts enkele ogenblikken duurde, verzoeker anderhalf uur verhoord is geweest. 20.
- Verzoeker repliceert dat de stukken genoegzaam aantonen dat hij al op voorhand veroordeeld was, dat zijn antwoorden in het proces-verbaal van 16 oktober 2000 vertaald zijn “in een soort Nederlands, wat een slechte indruk geeft van verzoekende partij”, dat de aantijging in de beslissing van 26 juni 2000 volledig onterecht is en aantoont dat de bestuurstaalwet de tuchtoverheid volkomen koud laat en zij de schorsing van haar eerdere beslissing volkomen wijt aan verzoeker, terwijl ook andere personeelsleden van dezelfde taalrol zich tegenover de tuchtoverheid uitdrukten in een andere taal dan hun moedertaal, dat zulks aantoont dat er op de personeelsleden een feitelijke druk rust om zich ten aanzien van hun tuchtoverheid in een andere taal uit te drukken dan de moedertaal en een tuchtoverheid die zulks toelaat manifest in strijd met de bestuurstaalwet handelt, en dat de aanklacht van verzoeker juist een teken is van hernieuwde “trouw” aan de hogere wetten van dit land en door een “trouwe” overheid zou moeten worden aangezien als een element dat in zijn voordeel spreekt. XII-2941-30/33 Verzoeker beklemtoont in zijn laatste memorie nog dat het proces-verbaal van 16 oktober 2000 is opgesteld “in een soort vereenvoudigd Nederlands”. 20.
- Door in de intrekkingsbeslissing van 26 juni 2000 gewag te maken van “ontrouw gedrag” in hoofde van verzoeker, meer bepaald omdat de tuchtprocedure hernomen diende te worden doordat de verwerende partij de gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken had miskend op uitdrukkelijk verzoek van verzoeker en diens raadsman, heeft de tuchtoverheid gewis duidelijk gemaakt dat zij niet meteen opgezet was met de door verzoeker en diens raadsman tijdens de vorige tuchtprocedure gevolgde handelwijze. Zulks impliceert op zich evenwel nog niet dat ze niet meer in staat kon worden geacht om objectief en onpartijdig te oordelen over de feiten die verzoeker tuchtrechtelijk ten laste werden gelegd. Dat gebrek aan objectiviteit en onpartijdigheid blijkt volgens verzoeker uit het verhoor van 16 oktober 2000, dat “opmerkelijk kort was en waarbij de vragen er enkel op gericht waren verzoeker te doen bekennen en de ten laste gelegde feiten te doen erkennen”. Het horen van de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar moet hem in staat stellen zich te verweren onder meer wat de materialiteit en het tuchtrechtelijk laakbaar karakter van de hem ten laste gelegde feiten betreft. Te dezen verklaarde verzoeker op 8 september 1999 dat hij zich enerzijds van de ten laste gelegde feiten niets meer herinnerde, en dat hij anderzijds geen enkele reden had om de verklaring van zijn collega's in twijfel te trekken, standpunt dat hij ook tijdens de hoorzitting van 16 oktober 2000 innam. Dat de hoorzitting “opmerkelijk kort” was en de gestelde vragen in hoofdzaak betrekking hadden op het door verzoeker ingeroepen geheugenverlies, was, nog afgezien van de vaststelling dat het verhoor toch nog bijna een half uur duurde -geen anderhalf uur zoals de verwerende partij beweert- in die omstandigheden niet meer dan logisch. XII-2941-31/33 Voor het overige werd aan verzoeker en diens raadsman opnieuw de gelegenheid geboden het verhoor van getuigen te vragen, ging de raadsman van verzoeker blijkens het proces-verbaal van de hoorzitting slechts kort op de feiten in vermits deze feiten volgens hem inmiddels verjaard waren, en verklaarde verzoeker dat hij niets aan de verdediging had toe te voegen. In zoverre verzoeker nog aanvoert dat zijn antwoorden in het proces-verbaal van 16 oktober 2000 “werden vertaald in een soort Nederlands, wat een slechte indruk geeft van verzoekende partij”, kan worden volstaan met de vaststelling dat hij -zo blijkt uit het bestreden besluit- dat proces-verbaal zonder voorbehoud heeft getekend, en dat zijn raadsman al evenmin enig voorbehoud heeft geformuleerd, ook niet wat het taalkundig niveau ervan betreft. Het achtste middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig januari 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, XII-2941-32/33 F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-2941-33/33 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.188 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.98.876 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div