← België

Arrest 179250 - Milieuvergunningen - 01/02/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.250 Rolnummer: A. 184956/VII-37035 Zaak: Arrest 179250 - Milieuvergunningen - 01/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-08 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 07:34 Fiche Arrest nr 179.250 van 1 februari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.250 van 1 februari 2008 in de zaak A. 184.956/VII-37.035. In zake : 1. de n.v. FINEGO, 2. Paul APERS, die woonplaats kiezen bij advocaat P. DE WILDE, kantoor houdende te GENT, Koning Albertlaan 128 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. tussenkomende partij : Roos DE BRABANDERE-DEMEULEMEESTER, die woonplaats kiest bij advocaten A. LUST en J. GOETHALS, kantoor houdende te SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. FINEGO en Paul APERS op 27 augustus 2007 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 25 juni 2007 waarbij de beroepen -waaronder het beroep van tweede verzoeker - tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 24 juni 1999, waarbij aan de tussenkomen- de partij een vergunning wordt verleend om een rundveefokkerij verder te exploiteren, gelegen aan de Vierkeerstraat 123 te Bavikhove, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKE- RE; VII-37.035-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 december 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. LAMMENS die, loco advocaat P. DE WILDE verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat P. LOUAGE die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat D. PEETERS die, loco advocaat A. LUST verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Het verzoek tot tussenkomst Roos DE BRABANDERE-DEMEULEMEESTER heeft met een verzoekschrift van 26 september 2007 gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Zij is exploitant van de betrokken inrichting en begunstigde van de bestreden beslissing. Haar verzoek kan worden ingewilligd. 2. De feiten 2.1. De tussenkomende partij exploiteert sinds 1999 in opvolging van haar vader Joseph DE BRABANDERE, een gemengd veeteeltbedrijf (runderen en varkens), gelegen aan de Vierkeerstraat 123 te Bavikhove (Harelbeke). 2.2. Volgens het bij koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgestelde gewestplan Kortrijk is de inrichting gelegen in natuurgebied. VII-37.035-2/7 2.3. Voor de inrichting worden de volgende vergunningen verleend : - een exploitatievergunning van 14 oktober 1987 voor het houden van 50 zeugen en 70 stuks rundvee, gedurende een termijn tot 14 oktober 2002; en, - een vergunning bij wijze van aktename van 20 november 1990 voor 535 m³ mestopslag, voor een termijn tot 14 oktober 2002. 2.4. Op 10 februari 1999 wordt bij besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Harelbeke aan de tussenkomende partij akte gegeven van haar overname van de betrokken inrichting te Bavikhove. 2.5. Op 25 februari 1999 vraagt de tussenkomende partij een milieuvergunning klasse 1 voor het hernieuwen van de bestaande vergunning, alsook het wijzigen ervan door de uitbreiding met 46 runderen en de vermindering met 50 varkens. 2.6. Bij besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 24 juni 1999 wordt de gevraagde vergunning verleend, voor een termijn verstrijkend op 24 juni 2019. 2.7. Hiertegen dient onder meer tweede verzoeker beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. 2.8. Na het inwinnen van de nodige adviezen worden de beroepen op 20 december 1999 ongegrond verklaard en wordt de beroepen beslissing bevestigd. 2.9. Hiertegen stellen de verzoekende partijen een schorsings- en annulatieberoep in bij de Raad van State. De vordering tot schorsing wordt verworpen bij arrest nr. 90.197 van 12 oktober 2000. Bij arrest nr. 160.439 van 22 juni 2006 wordt het besluit echter vernietigd. 2.10. Hierop wordt de administratieve beroepsprocedure hernomen en worden de nodige adviezen opnieuw ingewonnen. 2.11. Uiteindelijk neemt de bevoegde Vlaamse minister op 25 juni 2007 de thans bestreden beslissing waarbij de beroepen - waaronder het beroep van tweede verzoeker - gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. VII-37.035-3/7 3. De ontvankelijkheid De door de verwerende partij en de tussenkomende partij opgeworpen excepties zouden slechts moeten worden onderzocht, indien de Raad van State tot de schorsing van de bestreden beslissing zou overgaan, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. 4. De beoordeling Op grond van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.1. De verzoekende partijen zetten hun moeilijk te herstellen nadeel als volgt uiteen : "Bij de appreciatie van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel en vooral van de ernst van het nadeel, zal begrijpelijkerwijze rekening gehouden worden met de afstand tussen de woning van de verzoekers en de exploitatie, alsmede met de aard van de exploitatie en het soort hinder dat zij veroorzaakt of kan veroorzaken. Woont men daarentegen relatief dicht bij de inrichting die bepaalde risico(

  1. s)en gevaren met zich meebrengt (bijvoorbeeld door de opvang van bepaalde gevaarlijke stoffen) dan zal wel worden aangetoond dat er een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voorhanden is. Het nadeel is ernstig. In casu wonen verzoekers pal naast de exploitatie. In de nabije omgeving bevinden zich geen gelijkaardige bedrijven. Bovendien en verzoekers komen daar nog op terug, is de exploitatie gelegen in een natuurgebied. Verzoekers verkeren momenteel in de situatie dat de exploitatie, eerder gering te noemen is. Er zijn zeker geen varkens op het bedrijf. Indien de exploitatievergunning wordt gebruikt, worden verzoekers geconfronteerd met een bedrijf waar hoofdzakelijk en op ruime schaal dieren worden geëxploiteerd. Het administra- tief dossier stelt in de diverse adviezen dat wel degelijk een hinder aanwezig is. Dit maakt het nadeel bijzonder ernstig. Zoals reeds aangehaald ligt de exploitatie ook in een natuurgebied, dat uiteraard dan ook per definitie ecologisch zeer waardevol is. Door een exploitatie toe te staan, die in niets te vergelijken is met de huidige activiteit zal dit zeker een invloed hebben op het ecologisch evenwicht in het gebied. Hoe kan anders het bedrijf rendabel gehouden worden. Het nadeel is dan ook ernstig en algemeen. Het nadeel is bovendien moeilijk te herstellen. Een annulatie alleen kan geen volledig rechtsherstel schenken. In de periode tussen het opstarten van de exploitatie en het annulatiearrest zullen verzoekers immers blootgesteld worden aan alle voormelde vormen van hinder en ongemakken, o.m. stank, vliegen, vuil. In geen geval kan nadien herstel worden bekomen door een schadevergoeding. Ook het feit dat de exploitatie gelegen is in een VII-37.035-4/7 natuurgebied houdt in dat ingrijpen in het ecologisch systeem aldaar een moeilijk te herstel(len) nadeel inhoudt. Een verstoord ecologisch evenwicht is niet eenvoudig te herstellen. Verzoekers halen ook analoge rechtspraak aan. (Zie R.v.St. nr. 80.009 van 29 april 1999). Door de geplande exploitatie moeten verzoekers ook de hinder alle dagen verdragen, ook 's nachts. De huidige toestand heeft al lange tijd geen grote exploitatie meer gehad. De nieuwe exploitatie zal veel uitgebreider zijn in omvang. Het argument dat een schorsing met zich meebrengt dat nog steeds kan geëxploiteerd worden, kan nu niet meer opgaan. Er is duidelijk aangetoond dat de exploitatie voor minstens 2 jaar niet is doorgegaan en dat de bewering dat steeds dieren werden gehouden, valse verklaringen zijn. Derhalve zijn de oorspronkelijke vergunningen vervallen en zal een schorsing met zich meebrengen dat geen wettelijke exploitatie meer mogelijk is". 4.2. Met de verwerende en de tussenkomende partij moet worden vastgesteld dat de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel nagenoeg identiek is aan de uiteenzetting die gegeven werd in het verzoek tot schorsing van de beslissing van de verwerende partij van 20 december 1999, zijnde de beslissing die naderhand door de Raad van State werd vernietigd bij arrest nr. 160.439 van 22 juni 2006, ingevolge welke vernietiging de hier bestreden beslissing werd genomen na herneming van de administratieve beroepsprocedure. 4.3. Bij de beslissing van de verwerende partij van 20 december 1999 werden (in essentie) vergund: 70 runderen (hernieuwing) en 46 runderen (uitbrei- ding na vermindering met 50 varkens), hetzij in totaal 116 runderen. Die beslissing werd vernietigd door de Raad van State omdat de uitbreiding met 46 runderen gesteund was op de vermindering met 50 varkens, waarvoor de milieuvergunning was vervallen. Ingevolge dit vernietigingsarrest werd na herneming van de beroepsprocedure nog enkel vergunning verleend voor de 70 runderen (hernieu- wing). Waar de beslissing van 20 december 1999 116 runderen vergund heeft, vergunt de hier bestreden beslissing nog 70 runderen. 4.4. Inzake het moeilijk te herstellen ernstig nadeel van de verzoeken- de partijen bij hun verzoek tot schorsing van de beslissing van 20 december 1999 heeft de Raad van State in zijn arrest nr. 90.197 van 12 oktober 2000 als volgt geoordeeld: "Overwegende dat niet valt in te zien hoe het leefklimaat van de eerste verzoekende partij, zijnde een rechtspersoon, kan worden geschonden door de beweerde hinder voortvloeiend uit de exploitatie van de vergunde rundveefokkerij ; dat tweede verzoeker met zijn betoog niet aannemelijk maakt dat de uitbreiding van de vergunning met 46 runderen tot een totaal van 116 runderen en waarvan de exploitatie binnen de bestaande stallen zal VII-37.035-5/7 plaatsgrijpen -hetgeen een substantieel verschil uitmaakt met de zaak beslecht in het arrest nr. 86.074, TER HARMSEL e.a. van 16 maart 2000 en waar het overigens over een vergunning ging voor de exploitatie van een kippenbedrijf (37.400 braadkippen)- een dermate ernstige hinder zal veroorzaken, dat deze tijdelijk, namelijk gedurende de afwikkeling van de annulatieprocedure niet kan worden gedoogd; dat het aangevoerde nadeel, geput uit de beweerde maar niet aangetoonde aantasting van de ecologische waarde van het natuurgebied voor geen van de twee verzoekende partijen kan worden in aanmerking genomen : niet voor de eerste verzoekende partij daar niet is aangetoond dat het behoud en het benaarstigen van het betrokken natuurgebied tot de doelstellingen van deze handelsvennootschap behoren; niet voor tweede verzoeker daar het niet om een persoonlijk nadeel gaat; dat, tenslotte, met het door de raadsman van de verzoekende partijen voor het eerst ter terechtzitting aangevoerd aspect inzake het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, te weten het verlies aan cliënteel door de eerste verzoekende partij, geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen". Uit die overwegingen blijkt dat de Raad van State niet inzag wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel ingevolge de uitbreiding met 46 runderen zou kunnen zijn. Ten aanzien van de hier bestreden beslissing voeren de verzoekende partijen een nagenoeg identiek nadeel aan terwijl de bestreden beslissing de 46 runderen niet meer vergunt. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is te dezen niet aangetoond. Wanneer de Raad van State oordeelt dat de hinder afkomstig van 116 runderen niet als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan worden gekwalificeerd, dan geldt deze redenering a fortiori voor de hinder van dezelfde inrichting waarbij het aantal runderen gereduceerd wordt van 116 tot 70. 4.5. De uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in huidige zaak verschilt slechts van de uiteenzetting in de vorige procedure op het volgende punt: "Het argument dat een schorsing met zich meebrengt dat nog steeds kan geëxploiteerd worden, kan nu niet meer opgaan. Er is duidelijk aangetoond dat de exploitatie voor minstens 2 jaar niet is doorgegaan en dat de bewering dat steeds dieren werden gehouden, valse verklaringen zijn. Derhalve zijn de oorspronkelijke vergunningen vervallen en zal een schorsing met zich meebrengen dat geen wettelijke exploitatie meer mogelijk is". De verzoekende partijen houden het bij deze op een kritiek op de wettigheid van de bestreden beslissing. Er is niet aangetoond dat zij concreet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zouden ondergaan. VII-37.035-6/7 5. Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van Roos DE BRABANDERE- DEMEULEMEESTER in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een februari tweeduizend en acht, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. E. BREWAEYS. VII-37.035-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.250 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.766 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.