← België

Arrest 179251 - Milieuvergunningen - 01/02/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.251 Rolnummer: A. 184893/VII-37034 Zaak: Arrest 179251 - Milieuvergunningen - 01/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-11 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 07:34 Fiche Arrest nr 179.251 van 1 februari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.251 van 1 februari 2008 in de zaak A. 184.893/VII-37.

  1. In zake : Marianne VAN HULLE, die woonplaats kiest bij advocaat S. SERGEANT, kantoor houdende te BRUGGE, Zwijnstraat 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Gerard Davidstraat 46, bus
  2. tussenkomende partij : de b.v.b.a. WIMIEKO, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN WYNSBERGE, kantoor houdende te LEUVEN, Diestsevest
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Marianne VAN HULLE op 22 augustus 2007 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 25 juni 2007 waarbij verzoeksters beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 18 januari 2007, houdende het verlenen aan de tussenkomende partij van een vergunning om een varkenshouderij te exploiteren, uit te breiden en te wijzigen, gelegen aan de Danegemstraat te Beernem, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; VII-37.034-1/7 Gelet op de beschikking van 13 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 december 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. ALEXANDER die, loco advocaat S. SERGEANT verschijnt voor verzoekster, van advocaat I. VANDEN BON die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. VAN WYNSBERGE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  4. De procedure 1.
  5. De b.v.b.a. WIMIEKO, begunstigde van de bestreden vergunning, heeft met een verzoekschrift van 25 september 2007 gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Dit verzoek kan worden ingewilligd. 1.
  6. De verwerende partij heeft op 29 oktober 2007 een processtuk, getiteld "erratum" ingediend. Dit stuk is niet gekend door het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State en moet uit de debatten worden geweerd.
  7. De feiten 2.
  8. Verzoekster woont in de Danegemstraat 5 te Beernem. 2.
  9. Volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Brugge-Oostkust is het perceel van verzoekster gelegen in een woongebied met landelijk karakter. VII-37.034-2/7 2.
  10. Op 8 november 2001 neemt de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen akte van de melding van overname door de tussenkomende partij van een varkensbedrijf aan de Sijselestraat 59 te Beernem. Deze inrichting is gelegen binnen hetzelfde bestemmingsgebied waarbinnen de woning van verzoekster is gelegen. Voornoemde inrichting is vergund voor 1.300 varkens voor een termijn die verstrijkt op 8 december
  11. 2.
  12. Op 19 juni 2006 meldt de tussenkomende partij de overname van een inrichting aan de Oude Damseweg 1 te Damme, die vergund is voor 144 runderen voor een termijn tot 1 september 2011, alsook de overname van een inrichting aan de Schardauwstraat 9 te Damme, die vergund is voor 80 runderen voor een termijn tot 1 september
  13. 2.
  14. Op 15 september 2006 dient de tussenkomende partij bij de bestendige deputatie een vergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een varkenshouderij gelegen aan de Danegemstraat te Beernem (Oedelem). 2.
  15. Volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Brugge-Oostkust is laatstgenoemde inrichting gelegen in agrarisch gebied. 2.
  16. De aanvraag van 15 september 2006 heeft betrekking op de samenvoeging van de te herlocaliseren inrichting aan de Sijselestraat 59 te Beernem en de te verplaatsen inrichtingen aan de Oude Damseweg 1 en de Schardauwstraat 9 te Damme. Het voorwerp van de aanvraag zijn 2.023 mestvarkens, 2.600 m³ mest, 10.000 liter mazout en 1 verdeelslang, 500 kilogram gevaarlijke producten in kleine verpakkingen en de grondwaterwinning van 13 m³ per dag en 4.653 m³ per jaar in het Panesiliaan zand. 2.
  17. Op 18 januari 2007 verleent de deputatie van de provincie West-Vlaanderen de gevraagde milieuvergunning aan de tussenkomende partij. 2.
  18. Hiertegen stelt verzoekster beroep in bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. VII-37.034-3/7 2.
  19. Na het inwinnen van de nodige adviezen, neemt de verwerende partij op 25 juni 2007 de thans bestreden beslissing, waarbij verzoeksters beroep wordt verworpen, de beroepen beslissing wordt bevestigd en de vergunning wordt verleend aan de tussenkomende partij.
  20. De beoordeling Op grond van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.
  21. Verzoekster beweert dat zij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat doordat de betrokken inrichting haar woonklimaat, alsook de schoonheidswaarde van haar woonomgeving aantast. Zij beweert visuele, geur-, lawaai- en verkeershinder te ondergaan door de exploitatie van de inrichting. Zij beweert dat niet enkel ammoniakemissies verantwoordelijk zijn voor geurhinder, maar ook "andere componenten". Voorts stelt zij dat de gezondheid van de omwonenden in gevaar is en wijst zij op het gevaar voor contaminatie van de oppervlaktewateren met nitraatoverschrijding, alsook voor het overstromingsgevaar door de bijkomende verharde oppervlakte. Ten slotte merkt zij nog op dat de uitbating van de betrokken inrichting het teloorgaan van een fiets-, mountainbike- en wandelroute zou betekenen. 3.
  22. De verwerende partij argumenteert dat verzoekster onvoldoende concrete elementen aanbrengt om aan te tonen dat zij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat. Volgens de verwerende partij houdt verzoekster het bij hypotheses en overdrijft zij haar stellingen omtrent de beweerde hinder die zij zou ondergaan. 3.
  23. De tussenkomende partij sluit zich aan bij de stellingen van de verwerende partij en voegt hier nog aan toe dat er een ammoniakemissievrije stal zal worden gebouwd om de geurhinder onder controle te houden en dat de beweerde verkeershinder niet te wijten is aan de betrokken inrichting, maar aan het reeds bestaande wegennet. VII-37.034-4/7 3.4 Artikel 8, 3/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat het enig verzoekschrift "een uiteenzetting (bevat) van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen". Daaruit volgt dat de verzoekende partij het door haar ingeroepen moeilijk te herstellen ernstig nadeel op concrete wijze aannemelijk moet maken. Een loutere verwijzing naar het feit dat verzoekster "op minder dan 300 meter van de nieuwe op te richten stal (woont)", maakt geenszins aannemelijk dat "de omvang van het complex een visueel storend effect" zal hebben en wel in die mate dat daardoor, zoals zij beweert, "de ruimtelijke balans" zal worden verstoord en "het welbevinden van verzoekster" zal worden aangetast. Het gaat hier om gevolgtrekkingen die verzoekster maakt, maar die niet concreet worden gestaafd. Uit de door verzoekster bijgebrachte foto's blijkt overigens dat de reeds bestaande hoevegebouwen, vóór dewelke de nieuw te bouwen vleesvarkensstal zal liggen, moeilijk zichtbaar zijn vanuit haar woonplaats. Het zogenaamde overstromingsgevaar wordt niet aannemelijk gemaakt door een loutere verwijzing naar "de bijkomende verharde oppervlakte". Verzoekster bewijst a fortiori niet dat zij het risico loopt dat haar woning zal worden overstroomd. Bij de beoordeling van de geur-, stof-, gezondheids- en verkeershinder moet rekening worden gehouden met het feit dat, enerzijds, verzoeksters woning volgens het vigerend gewestplan gelegen is in een woongebied met landelijk karakter, zijnde een gebied waar wonen en landbouw op gelijke voet staan, en, anderzijds, dat de gewraakte inrichting gelegen is in een agrarisch gebied, zijnde de geëigende zone voor dergelijk bedrijf. Gelet op voormelde gewestplanbestemmingen mag van verzoekster dan ook een grotere tolerantie verwacht worden ten overstaan van de hinder die voortspruit uit de exploitatie van die stal en komt het haar, in dat opzicht, toe concreet aannemelijk te maken dat de ingeroepen hinder de grenzen te buiten zou gaan van wat in die bestemmingsgebieden aanvaardbaar moet worden geacht. VII-37.034-5/7 Wat betreft de aangevoerde geurhinder blijkt uit de bestreden beslissing dat "de overheersende west- en zuidwestenwinden de lucht naar het agrarisch gebied blazen" en dat "de gebouwen worden voorzien van ammoniakemissiearme mestkelders", "waardoor mogelijke geurhinder wordt vermeden of sterk beperkt". Die vaststellingen en gevolgtrekking worden door verzoekster niet tegengesproken. Zij stelt enkel dat ondanks die mestkelders "de geurhinder blijft", "inzonderheid wanneer de wind zwak is en voor verzoekster uit de richting van die dieren komt", maar zij maakt deze bewering niet aannemelijk. "Contaminatie van de oppervlaktewateren met nitraatover- schrijding als gevolg" mag dan al wel "heel schadelijk voor de volksgezondheid" zijn, doch zo'n algemene vaststelling maakt niet in concreto aannemelijk dat de exploitatie van de litigieuze stal inderdaad een dreiging inhoudt voor "de gezondheid van de omwonenden, inclusief verzoekster". De verkeershinder in de Danegemstraat wordt door verzoekster zelf als bijkomende hinder omschreven. Zij zet echter niet uiteen waarin die bijkomende hinder nu juist zal bestaan en maakt niet concreet aannemelijk dat die verkeershinder dermate zal verhogen dat er, inderdaad, sprake is van een ernstig nadeel in vergelijking met de reeds bestaande verkeerssituatie. Zij zet evenmin uiteen dat zij ingevolge het beweerd teloorgaan van het fiets- en wandelverkeer een persoonlijk nadeel zou ondergaan. Verzoekster zet evenmin uiteen waaruit de aangevoerde stofhinder precies zou bestaan en maakt niet aannemelijk dat die hinder te dezen inderdaad moet worden aangemerkt als ernstig én moeilijk te herstellen.
  24. De uiteenzetting van verzoekster bevat geen concrete en precieze gegevens waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou berokkenen. Bijgevolg is niet voldaan aan één van de twee voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, VII-37.034-6/7 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel
  25. Het verzoek tot tussenkomst van de b.v.b.a. WIMIEKO in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  26. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  27. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een februari tweeduizend en acht, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. E. BREWAEYS. VII-37.034-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.251 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.345 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.