← België

Arrest 179253 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 01/02/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.253 Rolnummer: A. 145282/VII-37036 Zaak: Arrest 179253 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 01/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-11 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 07:34 Fiche Arrest nr 179.253 van 1 februari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.253 van 1 februari 2008 in de zaak A. 145.282/VII-37.036. In zake : Michel DE BROQUEVILLE, die woonplaats kiest bij advocaten L. SCHUERMANS en J. SURMONT, kantoor houdende te TURNHOUT, de Merodelei 112 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat 165. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Michel DE BROQUEVILLE op 15 december 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 houdende de gedeeltelijke definitieve vaststelling van het afbakeningsplan voor de Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling van de Ronde Put - Goorken, De Maat - Den Diel - Buitengoor, de Vloeiweiden Lommel, Lommelse Heidegebieden en Sahara, het Hageven, de Prinsenloop-De Holen en 't Plat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 8 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 december 2007; VII-37.036-1/12 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. SURMONT, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J. SIMENON die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De gegevens van de zaak 1.1. Hoofdstuk V van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna : natuurbehouddecreet) heeft betrekking op het gebiedsgericht beleid. Het decreet regelt daartoe onder meer de afbakening van het Vlaams Ecologisch Netwerk (hierna : VEN). Artikel 17, §1, van het natuurbehouddecreet omschrijft het VEN als : "een samenhangend en georganiseerd geheel, van gebieden van de open ruimte waarin een specifiek beleid inzake het natuurbehoud, gebaseerd op de kenmerken en elementen van het natuurlijk milieu, de onderlinge samenhang tussen de gebieden van de open ruimte en de aanwezige en potentiële natuurwaarden wordt gevoerd". Luidens artikel 17, § 2, omvat het VEN de volgende onderdelen : "1/ Grote Eenheden Natuur (GEN) : dit zijn gebieden die hetzij natuurelemen- ten over een oppervlakte van minstens de helft van het gebied bevatten hetzij gebieden waarin een specifiek natuurelement met hoge natuurkwaliteit aanwezig is; 2/ Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling (GENO) : dit zijn gebieden die één of meer van de volgende kenmerken vertonen :

  1. a)aanwezigheid van natuurelementen, verspreid over de oppervlakte van het gebied, waarvan de gezamenlijke oppervlakte echter kleiner kan zijn dan de helft van het gebied;
  2. b)aanwezigheid van belangrijke fauna- of flora-elementen waarvan het voortbestaan moet worden ondersteund door de maatregelen inzake grondge- bruik;
  3. c)terreinen al dan niet door kunstmatige ingrepen tot stand gekomen, met belangrijke mogelijkheden voor natuurontwikkeling". VII-37.036-2/12 De opname van een gebied in het VEN heeft onder meer tot gevolg dat overeenkomstig artikel 25, § 3, van het natuurbehouddecreet voor dat gebied een aantal voorschriften en verbodsbepalingen gelden, onder andere inzake het gebruik van meststoffen en bestrijdingsmiddelen, vegetatiewijzigingen enzovoort. De overheid kan voor die gebieden maatregelen nemen om de natuur en het natuurlijk milieu te behouden, te herstellen en te ontwikkelen. In het GEN gelden die maatregelen "bij voorrang ten opzichte van de andere functies in het gebied", in het GENO gelden zij "rekening houdend met de andere functies in het gebied" (artikel 25, §1). Die maatregelen zijn opgenomen in het besluit van de Vlaamse regering van 21 november 2003 houdende maatregelen ter uitvoering van het gebiedsgericht natuurbehoud (hierna : maatregelenbesluit). Voorts wordt voor elk gebied dat behoort tot het VEN een natuurrichtplan opgesteld, dat specifieke maatregelen inzake natuurbehoud kan bevatten (artikel 48 en 50). De onroerende goederen gelegen in het VEN zijn in principe onderworpen aan een recht van voorkoop door het Vlaamse Gewest (artikel 37). De opname van een gebied in het VEN maakt het dus mogelijk om, zoals bepaald in artikel 17, §1, eerste lid, van het natuurbehouddecreet, voor dat gebied "een specifiek beleid inzake het natuurbe- houd" te voeren. De overheid kan in die gebieden eigendomsbeperkingen opleggen die niet gelden in andere gebieden. Het natuurbehouddecreet bepaalt ook dat de Vlaamse regering binnen vijf jaar na de inwerkingtreding ervan een effectief te realiseren oppervlakte van 125.000 ha afbakent (artikel 17, §1, tweede lid). 1.2. Op 19 juli 2002 beslist de Vlaamse regering tot voorlopige vaststelling van de ontwerpen van de afbakeningsplannen VEN - eerste fase. De beslissing omvat onder meer de voorlopige vaststelling van "het ontwerp van afbakeningsplan van de Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling van de Ronde Put - Goorken, De Maat - Den Diel - Buitengoor, de Vloeiweiden Lommel, Lommelse Heidegebieden en Sahara, het Hageven, de Prinsenloop-De Holen en 't Plat". Het plan heeft betrekking op de gemeenten Arendonk, Dessel, Hamont-Achel, Lommel, Mol, Neerpelt, Overpelt en Retie. 1.3. Verzoeker is eigenaar van een aantal bospercelen gelegen te Mol die binnen het bestreden afbakeningsplan vallen. VII-37.036-3/12 1.4. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek, dat loopt van 23 september 2002 tot 21 november 2002, dient verzoeker een bezwaarschrift in tegen de opname van de percelen waarvan hij eigenaar is of waarop hij een jachtrecht heeft. 1.5. Op 19 maart 2003 brengt de Mina-Raad advies uit over de bezwaarschriften die tijdens het openbaar onderzoek werden ingediend inzake het ontwerp van afbakeningsplan van het Vlaams Ecologisch Netwerk. 1.6. Op 18 juli 2003 stelt de Vlaamse regering het afbakeningsplan voor de Ronde Put - Goorken, De Maat - Den Diel - Buitengoor, de Vloeiweiden Lommel, Lommelse Heidegebieden en Sahara, het Hageven, de Prinsenloop-De Holen en 't Plat definitief vast. Dit is het thans bestreden besluit. Het wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 17 oktober 2003. 2. De ontvankelijkheid 2.1. De verwerende partij stelt dat er rekening moet worden gehouden met de juridische toestand van verzoekers eigendom vóór de bestreden beslissing. Verzoekers eigendom was namelijk krachtens het gewestplan bestemd als bosgebied en voor het overgrote deel beschermd als landschap. De verwerende partij merkt op dat er met het thans bestreden besluit geen ruimere eigendomsbeperkingen worden opgelegd dan hetgeen reeds het geval was onder het bosdecreet van 13 juni 1990 en het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten. Bovendien heeft verzoeker het maatregelenbesluit niet aangevoch- ten, zodat het beroep -volgens de verwerende partij- onontvankelijk zou zijn wegens het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang. 2.2. Verzoeker merkt op dat de afbakening als VEN-gebied wel degelijk meer verregaande eigendomsbeperkingen meebrengt in vergelijking met de toestand die bestond voor de afbakening en dat er slechts een deel van de betrokken gebieden, die als VEN-gebied zijn afgebakend, waren beschermd als landschap. Verzoeker wijst er ook op dat het maatregelenbesluit slechts door de afbakening van zijn percelen als VEN-gebied van toepassing wordt op die percelen. Het feit dat verzoeker het maatregelenbesluit niet heeft bestreden met een annulatieberoep, zou hem bijgevolg zijn belang niet ontnemen bij onderhavig beroep. VII-37.036-4/12 2.3. De opname van een gebied in het VEN maakt het mogelijk om, zoals bepaald in artikel 17, §1, eerste lid, van het natuurbehouddecreet, voor dat gebied "een specifiek beleid inzake het natuurbehoud" te voeren. De overheid kan in die gebieden eigendomsbeperkingen opleggen die niet gelden in andere gebieden. Verzoeker heeft er dus belang bij dat zijn eigendom niet op onwettige wijze in het VEN wordt opgenomen. Het feit dat zijn eigendom de ruimtelijke bestemming bosgebied heeft en gedeeltelijk als landschap beschermd is, doet daaraan geen afbreuk. Om zijn belang bij het beroep te behouden, was verzoeker ook niet verplicht om het maatregelenbesluit van 21 november 2003 te bestrijden. Indien het betwiste afbakeningsbesluit wordt vernietigd, zal het maatregelenbesluit immers niet op zijn eigendom van toepassing zijn. De exceptie wordt verworpen. 3. De grond van de zaak 3.1.1. In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 21, §9, eerste en tweede lid, van het natuurbehouddecreet en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel, alsmede wordt er aangevoerd dat er sprake is van bevoegd- heidsoverschrijding. Verzoeker betoogt dat het bestreden besluit genomen werd op 18 juli 2003, zijnde 299 dagen na de begindatum van het openbaar onderzoek, namelijk 23 september 2002, terwijl artikel 21, §9, eerste lid, van het natuurbehoud- decreet bepaalt dat de Vlaamse regering het plan definitief vaststelt binnen 180 dagen na de begindatum van het openbaar onderzoek, of 240 dagen in geval van verlenging van de termijn conform artikel 21, §8. Verzoeker argumenteert verder dat het bestreden besluit bovendien werd bekendgemaakt op 17 oktober 2003, zijnde 92 dagen nadat het bestreden besluit werd genomen, terwijl artikel 21, §9, tweede lid, van het natuurbehouddecreet bepaalt dat het besluit houdende vaststel- ling van het plan bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt binnen 30 dagen na de definitieve vaststelling. Volgens verzoeker zijn die termijnen vervaltermijnen. 3.1.2. De verwerende partij is van oordeel dat uit artikel 21, §9, eerste lid, van het natuurbehouddecreet niet voortvloeit dat de Vlaamse regering na het verstrijken van de termijn van 240 dagen niet meer bevoegd zou zijn om het afbakeningsplan definitief vast te leggen. Artikel 21, §9, eerste lid, voorziet immers niet in een sanctie van verval van bevoegdheid in geval van overschrijding van de termijn, dit in tegenstelling tot artikel 42, § 7, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : het decreet ruimtelijke VII-37.036-5/12 ordening), waarnaar verzoeker verwijst. De verwerende partij betoogt ook dat in de memorie van toelichting bij het natuurbehouddecreet niet wordt verwezen naar het decreet ruimtelijke ordening, maar naar het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : stedenbouwdecreet). Artikel 11, §8, van dat decreet zou voorzien in het verval van het ontwerpgewestplan. Volgens de verwerende partij heeft de decreetgever die vervalregeling in het natuurbehouddecreet niet overgenomen. Ten slotte merkt de verwerende partij op dat bij de wijziging van het natuurbehouddecreet door het decreet van 19 juli 2002, de decreetgever enkel de termijnen heeft overgenomen, zonder deze als vervaltermijnen te bestempelen. 3.1.3. In zijn memorie van wederantwoord houdt verzoeker staande dat het blijkens de parlementaire voorbereiding van het natuurbehouddecreet de wil van de decreetgever was om de termijnen van artikel 21, §9, als vervaltermijnen te beschouwen. Bovendien meent verzoeker dat hem door het talmen van de overheid nadeel werd berokkend. 3.1.4. In zijn laatste memorie merkt verzoeker nog op dat een overschrijding van twee maanden om het advies van de Mina-raad in te winnen onredelijk lang is. 3.1.5. Overeenkomstig artikel 21, §9, eerste lid, van het natuurbehoud- decreet moest de Vlaamse regering het definitief afbakeningsplan definitief vaststellen binnen 180 dagen na de begindatum van het openbaar onderzoek, of, zoals te dezen het geval was, 240 dagen in geval van verlenging van de adviestermijn van de Mina-raad. De verwerende partij betwist niet dat, nu het definitieve vaststellingsbesluit genomen werd op 18 juli 2003, die termijn overschreden werd. Op grond van dezelfde decreetsbepaling moet het besluit houdende definitieve vaststelling van het plan bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt binnen 30 dagen na de definitieve vaststelling. De bekendmaking moest gebeuren ten laatste op 17 augustus 2003. De bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van 17 oktober 2003 was dus eveneens laattijdig. Toch zijn deze termijnen niet gesteld op straffe van verval, nietigheid of bevoegdheidsverlies. Het natuurbehouddecreet verbindt immers (in de eerste plaats) geen sanctie aan het overschrijden van de voorgeschreven termijnen. De verwijzingen naar het decreet ruimtelijke ordening en naar het VII-37.036-6/12 stedenbouwdecreet laten evenmin toe te oordelen dat aan de overschrijding van de termijn enige sanctie is verbonden. Respectievelijk de artikelen 42, §7 en 11, §8, van de decreten bepalen uitdrukkelijk dat de daarin genoemde plannen vervallen indien de opgelegde termijnen niet worden nageleefd, terwijl het natuurbehouddecreet geen dergelijk voorschrift kent. Ook bij de wijziging van het natuurbehouddecreet door het decreet van 19 juli 2002 werd geen bepaling in die zin aangenomen. Het feit dat de decreetgever zich heeft laten inspireren door de procedure voor de vaststelling van de gewestplannen, doet derhalve niets af aan de vaststelling dat in het natuurbehouddecreet geen bepaling in verband met het verval van het voorlopig vastgestelde afbakeningsplan werd opgenomen. Bij gebrek aan enige decretale bepaling die aan het verstrijken van de termijn bepaald in artikel 21, §9, eerste lid, van het natuurbehouddecreet het verval van het voorlopig vastgestelde afbakeningsplan verbindt, wordt aangenomen dat de overschrijding van die termijn niet tot gevolg heeft dat de Vlaamse regering niet meer bevoegd zou zijn om het afbakeningsplan definitief vast te stellen. De laattijdige bekendmaking van het besluit in het Belgisch Staatsblad tast, om dezelfde redenen, de regelmatigheid ervan niet aan. Verzoeker toont voorts ook niet aan dat de vertraging bij de definitieve vaststelling van het afbakeningsplan van die aard was dat aan het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel afbreuk werd gedaan. De loutere overschrijding van de in artikel 21, §9, eerste en tweede lid, van het natuurbehouddecreet bepaalde termijnen volstaat niet om te kunnen besluiten dat die beginselen werden geschonden. Evenmin wordt aangetoond dat de termijnoverschrijding onredelijk lang is. Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.1. In het tweede middel wordt de schending aangevoerd van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de schending van de materiële motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel, van artikel 21, §8, eerste lid, van het natuurbehouddecreet en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Verzoeker betoogt dat in de bestreden beslissing niet op afdoende wijze gemotiveerd wordt waarom zijn percelen als VEN moeten worden afgebakend. In de bestreden beslissing zouden slechts een aantal algemene beschouwingen zijn opgenomen die geen betrekking hebben op de percelen van verzoeker. Verzoeker merkt op dat in de bestreden VII-37.036-7/12 beslissing voor het overige enkel wordt verwezen naar het advies van de Mina-raad van 19 maart 2003, zonder dat wordt aangegeven of dat advies al dan niet wordt gevolgd. Bovendien is het advies van de Mina-raad volgens verzoeker evenmin afdoende gemotiveerd. Zo zou in het betrokken advies immers niet worden gemotiveerd waarom de percelen van verzoeker afgebakend moeten worden en wordt er niet in concreto op zijn bezwaren geantwoord. Voorts argumenteert hij dat de motivering van de bestreden beslissing bovendien onevenredig is met de discretionaire bevoegdheid waarover de Vlaamse regering beschikt, nu deze met betrekking tot de afbakening van het VEN over een ruime keuze beschikt om verschillende, mogelijke beslissingen te nemen. Volgens verzoeker is de verwerende partij dan ook verplicht om haar beslissing tot afbakening van de percelen van verzoeker te verantwoorden met precieze, juiste, pertinente, volledige en duidelijke motieven die uitdrukkelijk en nauwkeurig worden vermeld. 3.2.2. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat de bezwaren van verzoeker betrekking hebben op de natuurwaarde van zijn perceel, maar dat overeenkomstig artikel 17 van het natuurbehouddecreet de afbakening van het GEN niet moet gebeuren op basis van de natuurwaarde van ieder afzonderlijk perceel, maar op basis van de natuurwaarde van het GEN zelf. Die aanpak zou blijken uit het advies van de Mina-raad en de motivering van de bestreden beslissing. De verwerende partij wijst er op dat de biologische waarderingskaart eenvoudig consulteerbaar is. Zij stelt dat het niet redelijk zou zijn te eisen dat de verwerende partij of de Mina-raad de VEN-waardigheid van het GEN-gebied ook nog eens expliciet zou motiveren met een tekstuele bespreking van de biologische waarderingskaart waarop duidelijk staat aangeduid welke deelgebieden biologisch minder waardevol, biologisch waardevol, of biologisch zeer waardevol zijn, dan wel een complex van twee of meerdere elementen bevatten. De verwerende partij merkt nog op dat de eigendommen van verzoeker nauw aansluiten bij het biologisch zeer waardevol natuurreservaat van de Ronde Put en dat zij zich hierop kan baseren ter verantwoording van haar beslissing, meer bepaald op de criteria van samenhang en aaneengesloten oppervlakte. De verwerende partij verwijst in dat verband naar het advies van de Mina-raad en besluit dat met deze motieven en de verwijzing naar de biologische waarderingskaart de opname van de eigendommen van verzoeker in het GEN afdoende gemotiveerd wordt. 3.2.3. Verzoeker stelt in zijn memorie van wederantwoord dat de motivering moet worden teruggevonden in het advies van de Mina-raad en in de bestreden beslissing. Hij stelt dat een motivering die voor het eerst verstrekt wordt VII-37.036-8/12 in de memorie van antwoord niet relevant is, aangezien een motiveringsgebrek niet achteraf in de memorie van antwoord kan worden rechtgezet. Ook wijst verzoeker er op dat alle beschrijvingen opgesomd in de memorie van antwoord, voor zover deze al relevant zouden zijn, niet op zijn gebied van toepassing zijn. Deze beschrijvingen tonen volgens hem juist aan dat zijn gebied geen rol speelt in het gebied van de Ronde Put. Ten slotte stelt verzoeker dat noch het advies van de Mina-raad, noch de bestreden beslissing enige motivering bevat met betrekking tot de vraag waarom het ganse gebied van verzoeker bij het gebied van de Ronde Put moet worden gevoegd en afgebakend moet worden als VEN-gebied. 3.2.4. Voor de toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen wordt onder het begrip bestuurshandeling verstaan "de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur" (artikel 1). De door deze wet opgelegde formele motiveringsplicht geldt bijgevolg alleen voor rechtshandelingen met individuele strekking, dit wil zeggen rechtshandelingen die in een concreet geval een rechtsregel toepassen op een bepaalde persoon of een bepaalde zaak. Het besluit tot definitieve vaststelling van het afbakeningsplan als VEN-gebied kan niet beschouwd worden als de toepassing in een concreet geval van een rechtsregel op een bepaalde persoon of een bepaalde zaak. De wet van 29 juli 1991 is terzake dan ook niet van toepassing. Dit neemt niet weg dat het bestreden besluit moet zijn gedragen door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn. Luidens artikel 21, §8, eerste lid, van het natuurbehouddecreet coördineert de Mina-raad alle bezwaren en opmerkingen en brengt hij binnen zestig dagen na het einde van het openbaar onderzoek gemotiveerd advies uit bij de Vlaamse regering. Uit dit advies moet dus voor de bezwaarindiener op begrijpelijke wijze blijken waarom zijn bezwaar niet gegrond werd bevonden. Over het advies van de Mina-raad wordt in de motivering van het bestreden besluit het volgende gesteld : "Gelet op het advies van 19 maart 2003 van de MiNa-Raad over het openbaar onderzoek 'VEN 1/ fase'; Overwegende dat het voormeld advies van de MiNa-Raad met betrekking tot de algemene bezwaren en de algemene situatieschets voor de gebiedsspecifieke adviezen op de hierna vermelde punten en om de erna vermelde redenen wordt aangevuld : (...) VII-37.036-9/12 Overwegende dat het voormeld advies van de MiNa-Raad met betrekking tot het specifiek advies over openbare diensten (p. 430-451) op de hierna vermelde punten en om de erna vermelde redenen wordt aangevuld : (...) Overwegende dat het voormeld advies van de MiNa-Raad met betrekking tot de algemene bezwaren en de algemene situatieschets voor de gebiedspecifieke adviezen op de hierna vermelde punten en om de erna vermelde redenen niet wordt gevolgd, Overwegende dat het voormeld advies van de MiNa-Raad met betrekking tot openbare diensten niet wordt gevolgd en dat het afwegingskader voor categorie E op de hierna vermelde bezwaren en om de ernaast vermelde redenen wordt toegepast : (...)". Anders dan verzoeker aanvoert, kan uit de motivering van het bestreden besluit dus duidelijk worden opgemaakt in welke mate het advies van de Mina-raad door de Vlaamse regering gevolgd werd. Verzoeker diende een bezwaarschrift in, waarin hij de natuurwaarde van zijn eigendom betwistte en stelde dat een bijkomende bescherming niet noodzakelijk was en er ook geen aansluiting bij andere gebieden mogelijk was. Hij wees er op dat de houtproductie en de agrarische activiteiten (via pacht) een financieel evenwicht garanderen dat door de afbakening in het gedrang zou worden gebracht. Hij merkte ook op dat in het afgebakend gebied een huis gelegen is. Daarover wordt in het advies van de Mina-raad het volgende gesteld : "De Raad beklemtoont dat de toetsing van het criterium 'natuurwaarde' gebeurt op het niveau van het GEN en of GENO. Zoals duidelijk gesteld in artikel 17 § 2 dient minstens de helft van het GEN 'natuur' te bevatten. Bovendien bepaalt dit artikel dat indien hier niet aan voldaan is het ook voldoende is dat er een specifiek natuurelement met hoge natuurwaarde aanwezig is. (...) Een bezwaar met betrekking tot het aanvechten van de natuurwaarde wordt dus beoordeeld op het niveau van het GEN of GENO". In de motivering van het bestreden besluit wordt eveneens gesteld : "Beide veronderstellingen of voorgestelde criteria gaan immers uit van de natuurwaarde per perceel, terwijl krachtens art. 17, § 2, van het decreet aan de criteria voor afbakening moet voldaan worden op het niveau van het GEN of GENO. Daarbij is het voor GEN voldoende dat het natuurelementen over de helft van het gebied omvat. Het is voor GEN ook voldoende als er een specifiek natuurelementen met grote natuurkwaliteit aanwezig is". VII-37.036-10/12 Uit het advies van de Mina-raad en het bestreden besluit blijkt dus duidelijk waarom het bezwaar van verzoeker in verband met de geringe natuurwaarde van zijn eigendom en het gebrek aan samenhang, niet in aanmerking werd genomen. Wat betreft het bezwaar van verzoeker dat op zijn eigendom een woning gelegen is, adviseert de Mina-raad wat volgt : "BEWONING LIGT IN VEN : het bezwaar is deels ingegeven door een grote ongerustheid en onwetendheid over de toekomstige gevolgen. Zo is er onder meer de vrees voor onteigening. In veel gevallen zijn de bewoners/eigenaars er ook van overtuigd dat ze als gevolg van de afbakening geen werkzaamheden aan de woning meer mogen uitvoeren. De Raad stelt - op basis van de infobrochure - vast dat er ongeveer 3000 woningen in de VEN-afbakening zijn opgenomen. De Raad wijst er evenwel op dat de aanwijzing als VEN-gebied niets verandert aan de legale of illegale status en/of zonevreemdheid van de woningen binnen het VEN. Het decreet Ruimtelijke Ordening legt de krijtlijnen vast voor instandhoudings- en onderhoudswerken. Bovendien wijst de Raad erop dat de maatregelen van het natuurrichtplan niet kunnen worden opgelegd aan woningen. Het ontwerpmaatregelenbesluit (artikel 10 § 4) stelt duidelijk dat de beschermingsvoorschriften van het natuurrichtplan niet van toepassing zijn op het gedeelte van het woonperceel binnen een straal van 25 meter rond de vergunde of als vergund beschouwde woning (met een maximum van 25 are). Algemeen stelt de Raad dus behoud voor van de woningen die opgenomen zijn in de ontwerp afbakeningsplannen". De grief dat er geen voldoende belangenafweging is gemaakt tussen enerzijds de voordelen van de opname van de percelen van verzoeker in het VEN-gebied en de beperking van zijn eigendomsrecht anderzijds, slaat veeleer op de eigendomsbeperkende maatregelen die vervat zijn in het natuurbehouddecreet en in het maatregelenbesluit dan op de opname van zijn eigendom in het VEN. Van het merendeel van die eigendomsbeperkingen kan trouwens op grond van de artikelen 25, §3, 2/, 50, §2 en 56, van het natuurbehouddecreet en de artikelen 19 tot 44 van het maatregelenbesluit ontheffing worden verleend. Het is in dat kader dat een afweging kan worden gemaakt tussen de natuurbelangen enerzijds en de belangen van de eigenaar anderzijds. Het bestreden besluit hoefde daaromtrent dan ook geen motivering te bevatten. Uit het advies van de Mina-raad blijkt dus op voldoende duidelijke wijze waarom de bezwaren van verzoeker tegen de opname van zijn eigendom in het VEN niet gegrond werden bevonden. Het tweede middel is niet gegrond, VII-37.036-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een februari tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-37.036-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.253 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.