id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.330 Rolnummer: A. 184762/X-13408 Zaak: Arrest 179330 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-11 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 07:35 Fiche Arrest nr 179.330 van 6 februari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.330 van 6 februari 2008 in de zaak A. 184.762/X- 13.
- In zake :
- Koen AERTS,
- Christel LOOTS, die woonplaats kiezen bij advocaat P. JONGBLOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Koen AERTS en Christel LOOTS op 10 augustus 2007 hebben ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van het besluit van 8 juni 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de beslissing van 13 april 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij hen de vergunning is verleend voor het bouwen van een appartementsgebouw na het slopen van een woning gelegen te 2480 Dessel, Turnhoutsebaan 109, op een perceel kadastraal bekend sectie B, nrs. 1104/d en 1104/g/2; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 4 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; X-13.408-1/10 Gehoord de opmerkingen van advocaat T. DEWANDRE, die loco advocaat P. JONGBLOET verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Rechtspleging De griffie van de Raad van State heeft de verwerende partij bij aangetekend schrijven van 5 september 2007 uitgenodigd om het dossier en een nota in te dienen binnen de voorziene termijn van 15 dagen en deze brief werd ontvangen en getekend voor ontvangst op 6 september
- De nota werd neergelegd bij aangetekend schrijven van 3 oktober 2007, is derhalve laattijdig, en moet uit de debatten worden geweerd.
- De feiten 2.
- De verzoekende partijen zijn eigenaar van een perceel grond met aanhorige gebouwen gelegen aan de Turnhoutsebaan nr. 109 te Dessel. Het betrokken perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 28 juli 1978 vastgestelde gewestplan Herentals- Mol tot op een diepte van 50 m gelegen in woongebied en voor het overige in agrarisch gebied. 2.
- Op 16 juni 2005 (datum van het ontvangstbewijs) dienen de verzoekende partijen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dessel een aanvraag in tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een appartementsgebouw na het slopen van een woning op het voormelde perceel. X-13.408-2/10 2.
- Bij besluit van 10 november 2005 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dessel de vergunning na een ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 2.
- In beroep willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen bij besluit van 13 april 2006 de aanvraag in. 2.
- Op 6 juni 2006 stelt de gemachtigde ambtenaar beroep in tegen dit vergunningsbesluit bij de Vlaamse regering. 2.
- Op 13 september 2006 wordt een hoorzitting gehouden. 2.
- Met een op 9 mei 2007 ter post aangetekend schrijven aan de Vlaamse Minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening “verwijzen” de verzoekende partijen “naar het dossier met referte zoals in de zaak in rand vermeld” en verzoeken zij hen “te laten weten welke de stand van zaken is van het desbetreffende dossier”. 2.
- Bij het bestreden besluit van 8 juni 2007 willigt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het beroep van de gemachtigde ambtenaar in en wordt het besluit van 13 april 2006 van de bestendige deputatie vernietigd. Een afschrift van dit besluit wordt aan de verzoekende partijen betekend met een op 12 juni 2007 ter post aangetekend schrijven. 2.
- Met een schrijven van 3 juli 2007, aangevuld met een schrijven van 6 juli 2007, verzoekt de raadsman van de verzoekende partijen de verwerende partij haar standpunt mede te delen omtrent het ter post aangetekend schrijven van 9 mei
- 2.
- Met een brief van 9 juli 2007 antwoordt de bevoegde administratie wat volgt : “(...) Uw schrijven dd. 9 mei 2007 betrof enkel een vraag tot info over de stand van zaken van het betreffende dossier. Nergens in de brief werd op duidelijke wijze geformuleerd dat het ging om het rechtsgeldig in herinnering brengen van X-13.408-3/10 de zaak conform het artikel 53, § 2 bis van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
- De beslissing tot inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar is derhalve niet buiten termijn aan de aanvrager betekend. (...)”.
- Over de grondvoorwaarden tot schorsing 3.
- Overeenkomstig artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.2.
- In een enig middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 53, § 2bis van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: Coördinatiedecreet), “Doordat, middels het bestreden besluit de door de bestendige deputatie van de Provincieraad van Antwerpen op 13 april 2006 aan beroeper afgeleverde stedenbouwkundige vergunning wordt vernietigd, en uit de aan de raadsman van beroepers gerichte brief dd. 9 juli 2007 blijkt dat de tegenpartij zich op dit besluit beroept om beroepers te verbieden de door de Bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen op 13 april 2006 afgeleverde vergunning uit te voeren. Terwijl, dit besluit ter wille van zijn (...) werkzaamheid, aan beroeper diende te zijn genotificeerd uiterlijk de dertigste dag nadat beroeper de rappelbrief die hij in toepassing van artikel 53 §2 conform de voorschriften van artikel 53 §2 bis verstuurde ter post afgaf, op 9 mei 2007, En terwijl, aldus deze termijn in casu werd overschreden nu dit besluit slechts aan beroepers werd genotificeerd bij aangetekend schrijven dd. 12 juni 2007, en door hen werd ontvangen op 13 juni 2007, waardoor dit besluit laattijdig is, en beroepers dus niet kan worden tegengeworpen Zodat, het behoort dat wordt vastgesteld dat het bestreden besluit ten aanzien van beroeper geen enkel rechtsgevolg kan hebben en hem op geen enkele wijze kan worden tegengeworpen, en het ter wille van de rechtszekerheid past dat het besluit wordt geschorst en vernietigd teneinde het uit het rechtsverkeer weg te nemen (...). Toelichting bij het enig middel Het Ministerieel Besluit dd. 8 juni 2007 werd genotificeerd bij aangetekend schrijven dd. 12 juni
- Uit de brief van de Post dd. 4 juli 2007 blijkt dat de rappelbrief die beroeper verstuurde aan de voor ruimtelijke ordening bevoegde Minister werd uitgereikt op 10 mei
- Het is aldus onbetwistbaar dat het bestreden besluit werd genotificeerd buiten de in artikel 53 §2 bis DRO voorziene termijn. Dit wordt door de voor Ruimtelijke Ordening bevoegde Minister ook niet betwist. De voor ruimtelijke ordening bevoegde Minister betwist blijkens de brief van zijn administratie echter wél dat de brief die hij op 10 mei 2007 ontving kon worden gekwalificeerd als een rappelbrief in de zin van artikel 52 §2 DRO, opgesteld conform de in artikel 53 §2 bis opgenomen bepalingen, zodat deze X-13.408-4/10 brief de in artikel 53 §2 bis tweede lid niet deed ingaan, en het bestreden besluit aldus niet buiten voormelde termijn zou zijn genotificeerd. Naar het oordeel van de voor ruimtelijke ordening bevoegde Minister zou deze brief geen rappelbrief zijn geweest, nu de inhoud van deze brief niet van aard zou geweest zijn te worden gekwalificeerd als een rappelbrief. De behandelend ambtenaar zou deze brief immers louter hebben gekwalificeerd als een vraag tot info over de stand van zaken van het betreffende dossier, zonder dat in de brief duidelijk werd geformuleerd dat het ging om een rechtsgeldig in herinnering brengen van de zaak conform het artikel 53 §2 bis DRO. Dit is uiteraard onjuist. Het feit dat de brief op 9 mei 2007 verzonden een rappelbrief was, blijkt overduidelijk uit de vorm waarin deze brief werd verzonden, conform de voorschriften van artikel 53 §2 bis ter zake, te weten aangetekend met de tekst aan de binnenzijde, gevouwen en zonder omslag, langs de open zijde dichtgemaakt, bevattende alle gegevens die nodig zijn voor een ondubbelzinnige identificatie van het bestuur. Een op dergelijke wijze klaargemaakte en verstuurde brief kan door de bevoegde Minister in alle redelijkheid niet anders worden beschouwd dan een rappelbrief in de zin van artikel 53 §2 en 53 §2 bis DRO. Nadat bij arrest n. 86.003 dd 15 maart 2000 Uw Raad het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 9 november 1994 (en het wijzigingsbesluit van 23 juli 1998) tot vaststelling van de vormvoorschriften na te leven door de aanvrager van een bouw- of verkavelingsvergunning bij de verzending van de rappelbrief bedoeld in artikel 55 §2vierde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouwwet vernietigde, werden deze vormvoorschriften in artikel 53 DRO opgenomen door artikel 67 van het Decreet van het Vlaams Parlement dd. 21 november
- Deze decretale bepaling bepaalt nauwgezet de wijze waarop een Rappelbrief dient te worden opgemaakt en verstuurd naar de vorm toe, maar bevat geen enkele bepaling naar de inhoud toe, buiten het feit dat de inhoud van de rappelbrief de bevoegde Minister het dossier waarop de brief slaat ondubbelzinnig te identificeren, voorschrift waaraan in casu werd tegemoet gekomen. Door de opname van zeer specifieke voorschriften naar de vorm toe, en door het gebrek aan enige specifieke vormvoorschriften naar de inhoud toe, blijkt zeer duidelijk dat naar de wil van de wetgever elke brief die is opgemaakt en verstuurd conform de in artikel 53 §2 bis opgenomen voorschriften door de bevoegde Minister moet worden beschouwd als een rappelbrief in de zin van artikel 53 §2 laatste lid DRO die de gevolgen beschreven in artikel 53 §2 bis l/ kan genereren. Inderdaad kan er in hoofde van de bevoegde Minister bij ontvangst van een brief die is opgemaakt en verstuurd conform de voorschriften van artikel 53 §2 bis DRO geen enkele twijfel meer bestaan over het feit dat de verstuurder van deze brief de bedoeling heeft gehad door de versturing van zulke alles behalve alledaagse brief de in artikel 53 §2 bis 2 lid bedoelde termijn te doen lopen. De rechtspraak van Uw Raad, waarin wordt geoordeeld dat uit de inhoud van de rappelbrief ter wille van zijn geldigheid duidelijk moest blijken dat de verstuurder van de brief door het versturen ervan de bedoeling had gebruik te maken van de rappelmogelijkheid die artikel 53 §2 (toen artikel 55 §2) hem bood (...), kan dan ook niet meer nuttig worden aangehaald, vermits de intentie om gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 53 §2 de aanvrager biedt, en die bij gebrek aan enig specifiek vormvoorschrift ondubbelzinnig moest blijken uit de inhoud van de rappelbrief, na de inwerkingtreding van artikel 67 van het decreet van 21 november 2003 tot wijziging en aanvulling van artikel X-13.408-5/10 53 DRO, ondubbelzinnig blijkt uit de naleving van de voor de rappelbrief zeer specifieke vormvoorschriften. In alle redelijkheid kan aldus niet worden aangenomen dat de bevoegde Minister bij ontvangst op 10 mei 2007 van de rappelbrief die beroepers hem stuurden, onzeker zou kunnen gebleven zijn over het feit beroepers met het versturen ervan de bedoeling hebben gehad de in artikel 53 §2 bis bedoelde beslissingstermijn te doen lopen. Verder wordt niet betwist dat de bevoegde Minister de brief ontving op 10 mei 2007, en dat de brief tot notificatie van het besluit houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar dateert van 12 juni 2007, waaruit volgt dat de in artikel 53 §2 bis bedoelde beslissingstermijn is verstreken zodat, eens Uw Raad de door beroepers verstuurde brief als een geldige rappelbrief heeft beoordeeld, deze brief en de erop volgende termijnoverschrijdingen de gevolgen heeft beschreven in artikel 53 §2 bis l/. Het bestreden besluit kan daarom niet de rechtsgevolgen hebben die de bevoegde Minister eraan toedicht, kan beroepers niet worden tegengeworpen, zodat ter wille van de rechtszekerheid dit besluit na de schorsing van tenuitvoerlegging ervan uit het rechtsverkeer moet worden verwijderd”. 3.2.
- De verwerende partij beantwoordt dit middel als volgt : “(...)
- Bij schrijven van 3 juli 2007 van de raadsman van verzoekende partijen wordt gesteld dat de kennisgeving van 12 juni 2007 te laat en buiten de in art. 53 § 2bis van het Coördinatiedecreet werd betekend. Verzoekende partijen verwijzen hiervoor naar een schrijven van 4 mei 2007, aangetekend verzonden op 9 mei 2007 en uitgereikt aan de Vlaamse Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening op 10 mei
- (...) Dit schrijven werd op een langs drie zijden dicht gekleefd papier, waarbij het adres op de buitenzijde van dit papier wordt geschreven, verzonden. Volgens verzoekende partijen gaat het om een rappelbrief nu deze brief werd verzonden conform de voorschriften van art. 53 § 2bis van het Coördinatiedecreet. De kennisgeving van 12 juni 2007 is volgens verzoekende partijen dan ook buiten een termijn van 30 dagen bedoeld in art. 53 § 2bis van het Coördinatiedecreet.
- De brief van 4 mei 2007, ter hand gesteld op 10 mei 2007, kan volgens verwerende partij helemaal niet als een rappelbrief worden beschouwd. Afgezien van de vormelijke voorwaarden opgenomen in art 53 § 2bis van het Coördinatiedecreet, blijkt uit de lezing van deze bepaling dat het enerzijds moet gaan om een rappelbrief die anderzijds alle gegevens bevat die nodig zijn voor een ondubbelzinnige identificatie van het dossier. Als rappel wordt beschouwd een ‘herinnering, waarschuwing, m.n. met betrekking tot de verplichting die men dusverre verzuimde na te komen’ (tweede betekening van het woord ‘rappel’ in Van Daele Groot Woordenboek der Nederlandse Taal). Waar de in art. 53 §2 van het Coördinatiedecreet bedoelde rappelbrief juist de bedoeling heeft om de bevoegde Minister erop te wijzen dat verzuimd werd over het ingestelde beroep te beslissen binnen de in het decreet voorziene termijn, dient op ondubbelzinnige wijze in deze rappelbrief verwezen te worden naar de verplichting om te beslissen. X-13.408-6/10 Dit betekent dat in het desbetreffend schrijven de aanvrager hetzij de term rappelbrief hetzij de verwijzing naar art 53 §2bis van het Coördinatiedecreet nadrukkelijk en op ondubbelzinnige wijze moet vermelden. In casu werd (enkel) beleefd geïnformeerd naar de stand van zaken van het desbetreffende dossier : ‘Mogen wij u beleefd verzoeken ons te laten weten welke de stand van zaken is van het desbetreffende dossier’. Een dergelijke omschrijving, zonder enige verwijzing naar het woord rappel noch naar art. 53 § 2bis van het Coördinatiedecreet, kan dan ook niet op ondubbelzinnige wijze beschouwd worden als een verzoek om te beslissen. Er werd enkel geïnformeerd naar een stand van zaken. Verzoekende partijen kunnen helemaal niet gevolgd worden in de stelling dat een rappelbrief enkel dient te voldoen aan de vormvoorschriften zoals weergegeven in art. 53 § 2bis van het Coördinatiedecreet, en niet aan enige inhoudelijke eisen. De vaststelling dat in art. 53 § 2bis van het Coördinatiedecreet enkel de vormvoorschriften zijn opgenomen doet geen afbreuk aan de vaststelling dat art. 53 § 2bis duidelijk aangeeft dat het om een rappelbrief moet gaan. Een loutere informatieve vraag naar de stand van zaken is derhalve geen rappelbrief noch enige herinnering en/of aanmaning om een beslissing te nemen. Zelfs het feit dat de vraag naar de stand van zaken werd verzonden ‘op een langs drie zijden dicht gekleefd papier waarbij het adres op de buitenzijde van dit papier wordt geschreven’ geeft nog niet aan dat een dergelijke brief als een rappelbrief in de zin van art. 53 § 2bis van het Coördinatiedecreet moet worden beschouwd. De wijze van verzending is evident ondergeschikt aan de inhoud van de verzonden brief. De vormvoorschriften vastgelegd bij decreet van 21 november 2003 in de huidige bepalingen van art. 53 §2bis Coördinatiedecreet werden ingegeven door de valse verzendingen van omslagen met adressering maar zonder inhoud. De vormvoorschriften werden om dergelijke praktijken uit te sluiten aangepast, maar de inhoudelijke verplichtingen om als een rappelbrief te worden beschouwd zijn gebleven. Het komt ook aan de aanvragers toe op een loyale en ondubbelzinnige wijze gebruik te maken van de procedurebepalingen uit de Stedenbouwwet. Wanneer aan de overheid een dermate zware formalisering bij de beoordeling van de beroepschriften en/behandeling van het beroep wordt opgelegd, dient voor de aanvrager een zelfde formalisme en strenge beoordeling te gelden. Dit geldt destemeer gezien de zeer verregaande rechtsgevolgen die verbonden zijn aan het versturen van een rappelbrief Van een aanvrager kan en moet dan ook een loyale medewerking en een ondubbelzinnige uitvoering van de bepalingen van de Stedenbouwwet verwacht worden. Het moet op een ondubbelzinnige en inhoudelijke wijze gaan om een rappelbrief in de zin van art. 53 §2bis van het Coördinatiedecreet. Het louter verzenden van een brief, langs drie zijden dichtgevouwen en met de handgeschreven vermelding van het adres aan de buitenzijde, waarin louter gevraagd wordt naar de stand van zaken, mag geenszins de kwalificatie van een rappelbrief gegeven worden. Het spreekt vanzelf dat een brief moet voldoen naar vorm én inhoud om als een rappelbrief te worden beschouwd. Verzoekende partijen kunnen zich dan ook geenszins beroepen op art 53 § 2bis van het Coördinatiedecreet, nog minder op de rechtsgevolgen ervan”. 3.2.3.
- De verzoekende partijen voeren in essentie aan dat zij het bestreden weigeringsbesluit hebben ontvangen meer dan dertig dagen nadat zij de X-13.408-7/10 brief waarbij zij de zaak aan de Minister hebben gerappelleerd, ter post hadden afgegeven, en dat zij aldus krachtens artikel 53, § 2bis van het Coördinatiedecreet, mogen overgaan tot het uitvoeren van het werk of het verrichten van de handelingen, mits zij zich gedragen naar de beslissing van de deputatie, zodat het bestreden besluit hen niet kan worden tegengeworpen. 3.2.3.
- Artikel 53, § 2 bis van het Coördinatiedecreet bepaalt wat volgt : “§
- Deze rappelbrief wordt aangetekend, met de tekst aan de binnenzijde, gevouwen en zonder omslag, langs de open zijden dichtgemaakt, naar de Vlaamse regering, op het adres van de bevoegde centrale administratie gezonden. De rappelbrief bevat alle gegevens die nodig zijn voor een ondubbelzinnige identificatie van het dossier. Geen rappelbrief kan worden verstuurd binnen de dertig dagen nadat werd gevraagd om te worden gehoord. De rappelbrief kan worden ingetrokken. De aanvrager ontvangt een beslissing voor het verstrijken van een nieuwe termijn van dertig dagen met ingang van de dag waarop de rappelbrief ter post is afgegeven. De rechtsgevolgen, verbonden aan het onbeantwoord blijven of laattijdig beantwoorden van een na de inwerkingtreding van deze bepaling verzonden rappelbrief, verschillen al naargelang het geval: 1/ werd door het college van burgemeester en schepenen of de gemachtigde ambtenaar beroep ingesteld tegen een uitdrukkelijke beslissing van de bestendige deputatie, dan mag de aanvrager overgaan tot het uitvoeren van het werk of het verrichten van de handelingen, mits hij zich gedraagt naar de beslissing van de bestendige deputatie; (...)”. 3.2.3.
- Met een op 9 mei 2007 ter post aangetekend schrijven delen de verzoekende partijen aan de Vlaamse Minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening het volgende mede : “Dessel, 4 mei 2007 Betreft: SVB 1026/3546 Geachte Heer Minister, Mijnheer Van Mechelen, Met de meeste eerbied U verschuldigd veroorloven wij ons te verwijzen naar het dossier met referte zoals in rand vermeld. Mogen wij U beleefd verzoeken ons te laten weten welke de stand van zaken is van het desbetreffende dossier. Met zeer voorname hoogachting, Aerts Koen en Loots Christel Turnhoutsebaan 109 X-13.408-8/10 2480 Dessel”. 3.2.3.
- Het bestreden ministerieel besluit van 8 juni 2007 wordt de verzoekers betekend met een ter post aangetekend schrijven van 12 juni 2007, dit is méér dan dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop voormeld schrijven van de verzoekende partijen ter post is afgegeven. 3.2.3.
- Om als een “rappelbrief” in de zin van artikel 53, § 2bis te kunnen worden beschouwd dient uit de bewoordingen van de brief op onmiskenbare wijze te blijken dat de aanvrager de minister “herinnert” aan het bij hem ingestelde beroep en de op hem rustende verplichting om hierover te beslissen. Het volstaat derhalve niet dat een aan de Minister verzonden brief aan de door voormelde bepaling opgelegde vormvereisten voldoet om als een geldige “rappelbrief” te moeten worden beschouwd. 3.2.3.
- In casu hebben de verzoekende partijen zich er in hun brief aan de Minister toe beperkt te “verwijzen naar het dossier met referte zoals in de zaak in rand vermeld” en hem verzocht hen “te laten weten welke de stand van zaken is van het desbetreffende dossier”. Het verwijzen naar een bepaald dossier met de vraag welke “de stand van zaken” ervan is kan op het eerste gezicht niet worden aanzien als een ondubbelzinnig verzoek van de aanvragers aan de Minister om over hun beroep te beslissen. De op 9 mei 2007 door de verzoekende partijen ter post aangetekend verzonden brief blijkt derhalve niet als een rappelbrief te kunnen worden beschouwd in de zin van artikel 53, § 2bis van het Coördinatiedecreet. Het enige middel is niet ernstig. 3.2.3.
- Er is niet voldaan aan één van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. X-13.408-9/10 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes februari 2008, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. J. BOVIN. X-13.408-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.330 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.150 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div