← België

Arrest 179335 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 07/02/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.335 Rolnummer: A. 167944/VII-35009 Zaak: Arrest 179335 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 07/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-15 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-29 07:36 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 179.335 van 7 februari 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.335 van 7 februari 2008 in de zaak A. 167.944/VII-35.

  1. In zake :
  2. de v.z.w. ALGEMENE VERENIGING VAN DE GENEES- MIDDELENINDUSTRIE,
  3. de n.v. NOVARTIS PHARMA,
  4. MERCK SHARP & DOHME, vennootschap naar Nederlands recht, die woonplaats kiezen bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaten L. DEPRÉ EN P. SLEGERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. ALGEMENE VERENI- GING VAN DE GENEESMIDDELENINDUSTRIE, de n.v. NOVARTIS PHARMA en MERCK SHARP & DOHME op 21 november 2005 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 tot wijziging van artikel 191 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op de beschikking van 9 november 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-35.009-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 december 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. JUDO die, loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat P. SLEGERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  6. De feiten Het bestreden besluit heeft betrekking op de invoeging van een punt 15/septies in artikel 191 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli
  7. Het besluit luidt als volgt: "Artikel
  8. In artikel 191 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, zoals gewijzigd tot op heden, wordt een punt 15/septies ingevoegd, luidend als volgt : '15/septies. Voor 2005 wordt een uitzonderlijke heffing van 1,5 percent van de omzet die in 2004 is verwezenlijkt, ingesteld ten laste van de aanvragers onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in 15/. Deze heffing wordt beschouwd als een last die weegt op het boekjaar 2005 van de aanvragers. De heffing dient te worden gestort vóór 20 december 2005 op rekening nr. 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met de vermelding 'uitzonderlijke heffing 2005 omzet 2004'. De ontvangsten die volgen uit deze uitzonderlijke heffing worden in de rekening van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging opgenomen in het boekjaar
  9. VII-35.009-2/6 Voor 2006 wordt een uitzonderlijke heffing van 1,5 percent van de omzet die in 2004 is verwezenlijkt, ingesteld ten laste van de aanvragers onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in 15/. Deze heffing wordt beschouwd als een last die weegt op het boekjaar 2006 van de aanvragers. De heffing dient te worden gestort vóór 20 december 2006 op rekening nr. 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met de vermelding 'uitzonderlijke heffing 2006 omzet 2004'. De ontvangsten die volgen uit deze uitzonderlijke heffing worden in de rekening van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging opgenomen in het boekjaar
  10. De Koning kan voor het jaar 2006 de aanvragers vrijstellen van de heffing bedoeld in het vierde lid, wanneer die aanvragers voor de datum vastgelegd door de Minister vrijwillige verlagingen van de terugbetalingbasis en van de prijs ten belope van een bedrag gelijkwaardig aan de door de aanvrager verschuldigde heffing voor 2005 hebben doorgegeven'. Art.
  11. Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit". Bij artikel 112 van de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen werd het bestreden besluit bekrachtigd, en zulks met terugwer- kende kracht tot op de datum van zijn inwerkingtreding. Tegen deze wet werd een annulatieberoep ingediend bij het Arbitragehof, thans het Grondwettelijk Hof, door onder meer de derde verzoekende partij. Bij arrest nr. 114/2007 van 19 september 2007 van het Grondwettelijk Hof werd dit annulatieberoep verworpen.
  12. De ontvankelijkheid 2.
  13. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij als exceptie de onbevoegdheid van de Raad van State op doordat het bestreden besluit bij artikel 112 van de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen werd bekrachtigd, en zulks met terugwerkende kracht tot op de datum van zijn inwerking- treding, zodat het nooit uitwerking heeft gehad en geacht wordt steeds in een wet te zijn opgenomen. 2.
  14. In hun memorie van wederantwoord repliceren de verzoekende partijen dat de redenering van de verwerende partij voorbijgaat aan een aantal problemen, hoewel zij "zich ten volle bewust zijn van de gevolgen van een bekrachtiging door de wetgever". VII-35.009-3/6 Zo menen de verzoekende partijen dat hen een rechtsmiddel wordt ontnomen, doordat de bekrachtiging werd doorgevoerd nadat het verzoek om nietigverklaring bij de Raad van State werd aangebracht. Dienaangaande stellen zij voor de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt artikel 112 van de Wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenlezing met artikel 160 van de Grondwet, doordat het de personen die getroffen worden door de in het bekrachtigde Koninklijk Besluit van 10 augustus 2005 tot wijziging van artikel 191 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundi- ge verzorging en uitkering, de rechtsbescherming, zoals verleend door de Raad van State, ontneemt, terwijl deze wel wordt gewaarborgd voor personen die geconfronteerd worden met vergelijkbare heffingen?". Tevens menen zij dat een probleem rijst "ten aanzien van de rechtsgrond van de bestreden akte, te weten artikel 58 §2, 11/ van de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid", en stellen zij voor ook dienaangaande aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen. 2.
  15. In hun laatste memorie verwijzen de verzoekende partijen naar artikel 26, §2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, dat als volgt luidt: "§
  16. Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechtscollege, dan moet dit college het Arbitragehof verzoeken op deze vraag uitspraak te doen. Het rechtscollege is daartoe echter niet gehouden: 1/ wanneer de zaak niet door het betrokken rechtscollege kan worden behandeld om redenen van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid, tenzij wanneer die redenen ontleend zijn aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag; 2/ wanneer het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp. Het rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor, al naar het geval, hoger beroep, verzet, voorziening in Cassatie of beroep tot vernietiging bij de Raad van State, is daartoe evenmin gehouden wanneer de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een regel of een artikel van de Grondwet bedoeld in §1 klaarblijkelijk niet schendt of wanneer het rechtscolle- ge meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen". Zij argumenteren verder dat, nu het Grondwettelijk Hof "geen uitspraak (heeft) gedaan over enige prejudiciële vraag of enig verzoek tot vernieti- ging dat betrekking heeft op artikel 112 van de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen", de toepassing van "artikel 26 §2, 2/" van de bijzondere wet op het Arbitragehof uitgesloten is, en dat ook artikel "26 §2, 1/" van diezelfde wet niet VII-35.009-4/6 kan worden toegepast, "nu de in het auditoraatsverslag bedoelde redenen van onbevoegdheid precies het gevolg zijn van de norm die het onderwerp uitmaakt van het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag". 2.
  17. De verwerende partij merkt in haar laatste memorie op dat de door de verzoekende partijen voorgestelde vraag betreffende het ontnemen van een rechtsmiddel geen betrekking heeft op artikel 112 van de wet van 27 december 2005, maar wel op artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  18. 2.
  19. Het bestreden besluit werd bij artikel 112 van de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen bekrachtigd. Deze wettelijke bekrachtiging heeft tot gevolg dat de Raad van State niet langer bevoegd is om het bestreden besluit te vernietigen. Ingevolge het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 114/2007 van 19 september 2007, waarbij het beroep tot vernietiging tegen deze wet werd verworpen, is de wettelijke bekrachtiging van het bestreden besluit thans definitief. De derde verzoekende partij, die het beroep tot vernietiging bij het Grondwettelijk Hof had ingeleid, had de kans om daar de beweerde ongrondwettig- heid, die het voorwerp uitmaakt van de eerste prejudiciële vraag, te laten gelden. Nochtans heeft zij dat niet gedaan. De tweede voorgestelde prejudiciële vraag betreft de grond van de zaak. Aangezien de vordering onontvankelijk is, is er bijgevolg geen reden tot het stellen van die vraag. Vermits het beroep initieel niet kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond bleek, kunnen te dezen de kosten ervan ten laste van de verwerende partij worden gelegd. VII-35.009-5/6 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  20. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  21. De kosten van het beroep, bepaald op 525 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven februari tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-35.009-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.335 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.