← België

Arrest 179344 - Milieuvergunningen - 07/02/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.344 Rolnummer: A. 103800/VII-23612 Zaak: Arrest 179344 - Milieuvergunningen - 07/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-14 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 07:35 Fiche Arrest nr 179.344 van 7 februari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.344 van 7 februari 2008 in de zaak A. 103.800/VII-23.

  1. In zake : de n.v. SOCIÉTÉ EUROPÉENNE DE CARBURANTS, thans de n.v. CONOCOPHILLIPS BELGIUM, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te ANTWERPEN, Meir 24 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. VANDEPUT, kantoor houdende te HASSELT, Kolonel Dusartplein 34, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. SOCIÉTÉ EUROPÉENNE DE CARBURANTS, thans de n.v. CONOCOPHILLIPS BELGIUM, op 24 april 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 23 februari 2001 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincie- raad van Antwerpen van 3 augustus 2000, houdende enerzijds het weigeren van de vergunning aan de verzoekende partij om de ondergrondse tanks te vervangen van een benzinestation, gelegen aan de Mayerlei 248 te Mortsel, en anderzijds aktename van klasse 3-inrichtingen, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 23 augustus 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-23.612-1/5 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 11 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 januari 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MALLIEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat M. VANDEPUT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat met een brief van 21 februari 2006 het bevoegde lid van het auditoraat aan de verzoekende partij volgende vraag heeft gesteld : "(...) Meer in het bijzonder blijkt in casu uit de website van uw cliënt (www.jet.be) dat er thans geen tankstation meer gelegen is te 2640 Mortsel, Liersesteenweg 200 / Mayerlei
  3. Gelet hierop zou ik u dan ook willen vragen om mij mede te delen of er m.b.t. het in hoofding vermelde dossier nog sprake is van een actueel belang van uw cliënt, en zo ja, waarin dat belang gelegen is. Gelieve mij daarnaast ook op de hoogte te brengen van eventuele andere feiten en evoluties die zich zouden hebben voorgedaan en die van belang zouden kunnen zijn voor de verdere afhandeling van het annulatieberoep" (...); dat deze brief onbeantwoord is gebleven; dat het bevoegde lid van het auditoraat met een brief die op 26 april 2006 is betekend, aan de raadsman van de verzoekende partij zijn vraag heeft herhaald; dat daarbij wordt gemeld dat, bij ontstentenis van een antwoord binnen een termijn van 60 dagen na ontvangst van de herinnering, zou worden aangenomen dat de verzoekende partij het beroep niet wenst verder te zetten, en dat in die zin verslag zou worden opgemaakt; dat ook deze brief onbeantwoord is gebleven; dat het bevoegde lid van het auditoraat daarop in zijn verslag tot het besluit is gekomen dat het beroep van de verzoekende partij niet ontvankelijk is aangezien "de verzoekende partij zelf van oordeel is dat zij niet langer over het rechtens vereiste actueel belang beschikt"; dat de verzoekende partij VII-23.612-2/5 door het instellen van haar rechtsvordering te kennen heeft gegeven dat zij belang heeft bij het voeren en het afwikkelen van het door haar aangespannen proces; dat zij, eenmaal het proces is ingeleid, een voortdurende en ononderbroken belangstel- ling voor het proces moet vertonen; dat in onderhavige zaak niet kan worden beweerd dat de verzoekende partij voor het door haar aangespannen geding een voortdurende en ononderbroken belangstelling heeft getoond; dat zij immers twee brieven van de met het verslag belaste auditeur, waarin haar een precieze vraag wordt gesteld, onbeantwoord heeft gelaten; dat de verzoekende partij weliswaar een laatste memorie heeft ingediend, na betekening van het auditoraatsverslag, waarin zij haar stilzwijgen als volgt verklaart : "
  4. DE VOORGAANDEN Verzoekster heeft een procedure ingesteld tegen het Vlaamse Gewest wegens het retroactief uitstellen van de termijn om brandstoffenstations conform te maken overeenkomstig de bepalingen van VLAREM II, in het bijzonder de vereiste om enkelwandige metalen houders te vervangen (wijziging art. 5.17.5.
  5. § 1, punt 2 van VLAREM II bij besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 2002, B.S. 19 februari 2002, in werking getreden op 1 januari 2002). Betreffende dagvaarding, ingeleid voor de rechtsbank voor eerste aanleg te Brussel, maakt uitdrukkelijk voorbehoud om ook schadevergoeding te vragen voor het vroegtijdig sluiten van het station te Mortsel, Liersesteenweg 200 / Mayerlei 248... indien en slechts indien de weigering van hernieuwing van de milieuvergunning bij besluit van de bevoegde Vlaamse minister voor Leefmilieu dd. 23 februari 2001 zou worden vernietigd door de Raad van State. De zaak werd gepleit en in beraad genomen door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel die echter de vordering tot schadevergoeding afwees. Niettegenstaande het aangetekend hoger beroep heeft verzoekster vervolgens lang getwijfeld of de procedure zou worden verdergezet. Uiteindelijk werd besloten om de procedure toch verder te zetten. Er werden conclusietermijnen bepaald door het hof van beroep te Brussel. Dit legt uit waarom de eerste brieven van het Auditoraat dd. 21 februari en 24 april 2006 onbeantwoord zijn gebleven... daar de raadsman van verzoekster allereerst in het ongewisse was of de bovenvermelde procedure in schadever- goeding lastens het Vlaamse Gewest wel zou worden verdergezet. Daar dit thans een evidentie is, blijft het belang bestaan in hoofde van verzoekster.
  6. HET NIET BEANTWOORDEN VAN DE BRIEVEN VAN 21 FEBRUARI EN 24 APRIL 2006 HOUDT NIET IN DAT ER GEEN RECHTSTREEKS BELANG MEER IS IN HOOFDE VAN VERZOEKSTER In de voorgaande is uitgelegd geworden waarom de procedure nog steeds een actueel belang heeft, niettegenstaande het niet beantwoord hebben van de brieven. Het niet beantwoorden van de brieven is enkel te wijten aan het allereerst weifelen van de nieuwe directie van verzoekster of het ingesteld hoger beroep wel zou worden verdergezet, met inbegrip van de vordering tot schadevergoe- ding tegen het Vlaamse Gewest. Thans werd besloten dit zeker te doen. Rekening houdende met het voorbehoud om ook schadevergoeding te vragen voor het vroegtijdig afsluiten van het station te Mortsel, indien en slechts indien de beslissing van de bevoegde Vlaamse minister voor Leefmilieu met VII-23.612-3/5 betrekking tot het niet verlenen van een hernieuwing van milieuvergunning dd. 23 februari 2001 zou worden vernietigd, toont voldoende aan dat verzoekster nog over het rechtmatig, actueel en rechtstreeks belang beschikt"; dat deze argumentatie echter geen afbreuk vermag te doen aan de vaststelling dat de verzoekende partij, hetzij uit onverschilligheid, hetzij uit nalatigheid, gedurende het proces de aan de met het verslag belaste auditeur gevraagde inlichtingen niet heeft verschaft; dat haar betoog nadien bijgevolg niet goedmaakt dat zij heeft verzuimd de verplichte medewerking te verlenen aan de procesgang en derhalve geen voortdurende en ononderbroken belangstelling voor de door haar ingeleide procedure heeft getoond; dat zij de gevolgen van haar gebrek aan medewerking met de rechter moet dragen; dat ambtshalve vastgesteld wordt dat haar beroep niet meer ontvan-kelijk is, BESLUIT: Artikel
  7. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven februari tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-23.612-4/5 VII-23.612-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.344 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.