id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.346 Rolnummer: A. 132848/VII-29018 Zaak: Arrest 179346 - Milieuvergunningen - 07/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-14 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:35 Fiche Arrest nr 179.346 van 7 februari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.346 van 7 februari 2008 in de zaak A. 132.848/VII-29.018. In zake : de n.v. TANK TERMINAL, die woonplaats kiest bij advocaat M. FAURE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210A tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan 20. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. TANK TERMINAL op 10 februari 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 9 december 2002 waarbij haar beroep ingesteld tegen de beslissing van de directeur-generaal van de Vlaamse Maatschappij voor Waterzuivering van 17 december 1990, houdende het verlenen van de vergunning aan de verzoekende partij voor de lozing van ander afvalwater dan normaal huisafvalwater in de openbare riolering van de Dijkstraat, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing op enkele punten wordt gewijzigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 11 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 januari 2008; VII-29.018-1/11 Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. CRAUWELS die, loco advocaat M. FAURE verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat I. LAUREYS die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. De verzoekende partij baat een bedrijf uit gespecialiseerd in tankcleaning. Bij het reinigen van de tankwagens ontstaan afvalwaters die de verzoekende partij loost in de riolering. Op 17 december 1990 verkrijgt zij van de directeur-generaal van de Vlaamse Maatschappij voor Waterzuivering een lozingsvergunning voor het lozen van afvalwater. Deze vergunning wordt afhankelijk gemaakt van een reeks voorwaarden, waaronder emissievoorwaarden. 1.2. Op 27 december 1990 stelt de verzoekende partij bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu beroep in tegen deze lozingsvergunning. Zij doet in essentie gelden dat haar de voorwaarden zijn opgelegd voor het lozen in oppervlaktewateren, hoewel zij in de riolering loost. 1.3. Op 24 mei 1993 wordt het beroep ongegrond verklaard en wordt de beroepen beslissing van 17 december 1990 bevestigd. De verzoekende partij stelt daarop een annulatieberoep in bij de Raad van State tegen het besluit van 24 mei 1993. 1.4. De Raad van State vernietigt het besluit van 24 mei 1993 bij arrest nr. 80.337 van 20 mei 1999. VII-29.018-2/11 1.5. Ingevolge dit vernietigingsarrest wordt de beroepsprocedure hernomen. In dat kader wordt een aantal adviezen uitgebracht : (
- a)onder verwijzing naar een eerder uitgebracht advies stelt de afdeling Ruimtelij- ke Ordening dat het beroepschrift enkel betrekking heeft op de uitbatingsvoor- waarden die geen impact hebben op de ruimtelijke ordening; (
- b)de Vlaamse Milieumaatschappij stelt dat de lozingsvergunning van 17 december 1990 moet worden gehandhaafd; (
- c)de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest deelt mee geen advies te moeten geven; (
- d)Aquafin stelt voor het bedrijf af te koppelen van de riolering; (
- e)de afdeling Milieuvergunningen stelt voor het beroep ongegrond te verklaren en de norm voor kwik nog te verstrengen. 1.6. Tijdens de beroepsprocedure dient de verzoekende partij op 23 februari 2001 nog een nota in, waarin zij vraagt om te worden gehoord. 1.7. Op 9 december 2002 wordt het thans bestreden besluit genomen, waarvan de motivering als volgt luidt : "Overwegende dat in de lozingsvergunning: - enerzijds de vergunning wordt verleend voor het lozen van ander afvalwater dan normaal huisafvalwater, in de openbare riolering van de Dijkstraat te Lokeren, voor een termijn verstrijkend op 1 september 2011 mits, naleving van bijzondere lozingsnormen; - en anderzijds de lozingsvergunning van 12 juli 1988 wordt opgeheven en het besluit van 16 november 1990 tot schorsing van de lozingsvergunning van 12 juli 1988 wordt opgeheven; dat hierdoor de exploitant strengere lozingsnormen heeft gekregen; Overwegende dat het arrest van de Raad van State van 20 mei 1999 voornamelijk is gebaseerd op: - het louter verwijzen op algemene en neutrale wijze naar een reeks toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen niet als een motivering kan worden aangemerkt die de bestreden beslissing op afdoende wijze verantwoordt; - in de motivering van het ministerieel besluit, de indruk wordt gewekt dat voor alle tankcleaningactiviteiten ofwel een normatief besluit ofwel een beleidslijn werd toegepast; dat dit evenwel niet het geval is; niet voor alle tankcleaningbedrijven worden dezelfde normen opgelegd, dit in acht genomen specifieke concrete omstandigheden; - nergens kan worden opgemaakt dat de motieven van de beroepen beslissing eveneens de motieven zijn waarop de bestreden beslissing is gestoeld; Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 84.673, Josephus Bols, van 13 januari 2000 gesteld heeft dat bij een heroverweging na vernietiging, de vergunningverlenende overheid verplicht is rekening te houden met de op het ogenblik van de heroverweging geldende reglementering; Overwegende dat het bedrijfsafvalwater afkomstig is van tankcleaningsactiviteiten; dat dit afvalwater met een maximum debiet van VII-29.018-3/11 18 m³ /uur, respectievelijk 430 m³/dag via een afvalwaterzuiveringsinstallatie (zowel een fysico-chemische als een biologische) wordt geloosd in de openbare riolering van de Dijkstraat, die is aangesloten op de rioolwaterzuiverings- installatie van Lokeren; dat deze rioolwaterzuiveringsinstallatie is gedimensioneerd voor een ontwerpcapaciteit van 54.000 inwonersequivalenten (op basis van 54 g BZV); Overwegende dat op basis van analyseresultaten van het gezuiverde bedrijfsafvalwater blijkt dat de restvervuiling in het geloosde bedrijfsafvalwater moeilijk kan verder verwerkt worden in een rioolwaterzuiveringsinstallatie omdat het bedrijf zijn afvalwater naast fysico-chemisch ook biologisch zuivert waardoor het gehalte aan biologisch afbreekbare verbindingen in het geloosde effluent zeer gering is; dat bovendien het bedrijfsafvalwater niet voldoet aan de verhoudingen: CZV/BZV 4 en BZV/P > 25 waardoor de normale werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie verstoord wordt; Overwegende dat het afvalwater van het bedrijf bijgevolg louter een hydraulische belasting betekent voor de ontvangende rioolwaterzuiveringsinstallatie en een grote verdunning van het influent met zich meebrengt zodanig dat de optimale werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie niet kan worden gegarandeerd; dat de afkoppeling van de riolering bijgevolg noodzakelijk is; Overwegende dat het dichtste geschikte oppervlaktewater de Durme is, die echter niet langsheen het bedrijfsterrein is gelegen; dat bijgevolg voor de rechtstreekse lozing op oppervlaktewater een effluentleiding zal dienen te worden aangelegd; Overwegende dat de mogelijkheid tot afkoppeling en lozing in oppervlaktewater verder dient te worden onderzocht door de exploitant in samenspraak met de gemeente en de NV Aquafin; Overwegende dat bijgevolg momenteel de exploitant nog in de onmogelijkheid verkeert om rechtstreeks te lozen in oppervlaktewater bij gebrek aan een effluentleiding waardoor de lozing op riolering nog dient gehandhaafd te blijven; Overwegende dat de bestaande waterzuiveringsinstallatie bestaat uit twee lijnen, omwille van het feit dat er twee afvalstromen zijn: - de niet giftige stroom(99%): - decantatieput van 100 m³ ; - buffertank van 1.100 m³ ; - fysico-chemische waterzuivering: flotatie, 35 m³/h; - biologische waterzuivering: laag belast, tank van 2.500 m³ - nabezinktank; - lozing of via zandfilter naar opslag van recuperatiewater van 60 m³ (voorspoelwater bij zware reiniging); - de giftige stroom (gehalogeneerde: EOX) - decantatieput; - fysico-chemische waterzuivering; - actiefkoolfilter; - buffertank (zie hierboven); Overwegende dat overeenkomstig de overgangsbepalingen van titel II van, het Vlarem, de emissie- of constructienormen, die zijn voorgeschreven in titel II van het Vlarem van toepassing zijn op de aangevraagde inrichting; Overwegende dat overeenkomstig artikel 5.2.2.9.3., § 2. van titel II van het Vlarem de exploitant van een inrichting voor het reinigen van recipiënten moet beschikken over een voldoende uitgebouwde waterzuiveringsinstallatie om de bij het reinigen vrijkomende afvalwaters te zuiveren om in alle omstandigheden aan lozingsnormen geldend voor het lozen in oppervlaktewater te voldoen; dat afvalwater dat niet kan worden behandeld in de afvalwaterbehandelingsinstalla- tie dient te worden afgevoerd naar een geschikte verwerkingsinrichting; VII-29.018-4/11 Overwegende dat het bedrijf bijgevolg dient te voldoen aan de sectorale voorwaarden voor de lozing van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater van de sector reinigen van wagens en binnenschepen welke vloeibare producten transporteren (sector 35/,
- a)van bijlage 5.3.2. van titel II van het Vlarem); Overwegende dat in onderstaande tabel naast de bestreden bijzondere lozingsnormen, analyseresultaten staan van de desbetreffende parameters, die een indicatie geven van het bedrijfsafvalwater (...) Overwegende dat uit de analyseresultaten blijkt dat het vergunde debiet, met name 430 m³ /dag, een veelvoud is van de geloosde debieten; Overwegende dat in het besluit van 8 september 1994 van de bestendige deputatie was opgelegd dat: - binnen een periode van 6 maand de nodige maatregelen dienen getroffen om de hemelwaters nabij de tankpiste te evacueren via en te behandelen in een bezinkput met koolwaterstofafscheider vóór de lozing; - binnen een periode van 6 maand al het water dat gebruikt wordt voor de reiniging van de wasstraten en het uitwendig reinigen van de wagens, herbruikt afvalwater dient te zijn; Overwegende dat sinds 1994 er maatregelen genomen zijn om gezuiverd afvalwater te hergebruiken door de installatie van recuperatiewater; dat hiervoor een tank van 60 m³ werd geplaatst waarin gezuiverd afvalwater dat wordt gebuikt hij de voorspoeling van een zware reiniging; dat dit evenwel beperkt is; Overwegende dat tijdens het plaatsbezoek op 13 februari 2001 door de exploitant werd medegedeeld dat momenteel al de afvalwaters van de vestiging in Gent worden verwerkt in Lokeren; dat dit circa 200 m³ /dag bedraagt; Overwegende dat wordt beoogd toelating te bekomen tot het lozen van bepaalde vrachten aan verontreinigde stoffen; dat deze toelaatbaarheid moet worden getoetst aan het vooropgestelde immissiebeleid en inzonderheid aan de te bereiken oppervlaktewaterkwaliteitsdoelstellingen; Overwegende dat overeenkomstig artikel 3.3.0.1. § 1. van titel II van het Vlarem de overheid bij het verlenen van de vergunning steeds bijzondere vergunningsvoorwaarden kan opleggen met het oog op de bescherming van het leefmilieu en inzonderheid met het oog op de handhaving of het bereiken van de milieukwaliteitsnormen; Overwegende dat uit de analyseresultaten blijkt dat met uitzondering van de parameter kwik het afvalwater voldoet aan de lozingsnormen; dat er evenwel dient op gewezen te worden dat niet alle parameters worden gemeten door de Vlaamse Milieumaatschappij; Overwegende dat de exploitant in zijn aanvullend schrijven van 23 februari 2001 stelt dat de volgende opgelegde normen te streng zijn en bijgevolg niet na te leven zijn: - EOX: 0,03 mg/l; - Niet-ionische oppervlakte aktieve stoffen: 3 mg/1; - CC14-extraheerbare apolaire stoffen: 5 mg/l; - PAK: 0,0006 mg/l; dat deze parameters niet worden gemeten door de Vlaamse Milieumaatschappij; Overwegende dat de in de bestreden beslissing opgelegde normen voor niet-ionische oppervlakte aktieve stoffen en CC14-extraheerbare apolaire koolwaterstoffen dezelfde zijn dan de sectorale voorwaarden voor de lozing van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater van de sector reinigen van wagens en binnenschepen welke vloeibare producten transporteren (sector 35/,
- a)van bijlage 5.3.2. van titel II van het Vlarem); dat in de bestreden beslissing de norm voor kwik (0,03 mg/
- l)soepeler is dan de sectorale norm (0,001 mg/l); dat overeenkomstig artikel 1.2.2.1., § 3. van titel II van het Vlarem er geen afwijking kan worden toegestaan die een versoepeling inhoudt van de in titel II van het Vlarem vastgestelde emissiegrenswaarden; VII-29.018-5/11 Overwegende dat voor de parameters EOX en PAK er geen sectorale norm bestaat; dat in de bestreden beslissing hiervoor wel een bijzondere lozingsnorm is opgelegd (PAK: 0,0006 mg/l en EOX: 0,03 mg/l); dat deze normen bij besluit van 28 augustus 1997 werden gewijzigd tot respectievelijk PAK: 0,001 mg/l en EOX: 0,05. mg/l; dat deze normen overeenkomen met 10 keer de basiswaterkwaliteit; dat tegen voormeld besluit geen beroep is ingediend; Overwegende dat overeenkomstig artikel 2.3.6.1. van titel II van het Vlarem, uitvoering wordt gegeven aan de Europese Richtlijn 76/464 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door de lozing van gevaarlijke stoffen waarin wordt gesteld dat maatregelen moeten worden genomen om de lozing van zwarte lijststoffen te beëindigen en de lozing van grijze lijststoffen te verminderen; Overwegende dat de rioolwaterzuiveringsinstallatie een biologische waterzuiveringsinstallatie is, bestaande uit een actief slibsysteem waarbij de verblijftijd onvoldoende lang is voor de verwijdering van organische microverontreiniging; dat bijgevolg voor de organische microverontreinigingen (EOX en PAK) normen zijn opgelegd die overeenkomen met 10 x het kwaliteitsobjectief gelet op de te bereiken kwaliteitsdoelstellingen; dat hierbij ervan uitgegaan wordt dat, gelet op de verdunning, op die manier de kwaliteitsobjectieven van het ontvangende oppervlaktewater zullen kunnen worden gerespecteerd; Overwegende dat de exploitant in zijn aanvullend schrijven van 6 maart 2001 ook een norm vraagt voor de parameters fluoriden en fosfor, respectievelijk 15 mg/l fluoriden en 10 mg/1 fosfor; dat de exploitant hiervoor een aanvraag dient in te dienen, conform artikel 45 van titel 1 van het Vlarem houdende wijziging of aanvulling van de opgelegde voorwaarden; Overwegende, dat indien de mogelijkheid er is om rechtstreeks te lozen in de Durme, de exploitant dient rekening te houden met het feit dat, met het oog op de handhaving of het bereiken van de milieukwaliteitsnormen, er bijkomende bijzondere lozingsnormen kunnen worden opgelegd waardoor de exploitant bijkomende maatregelen (vb. tertiaire zuivering) zal moeten nemen om deze normen te kunnen naleven; Overwegende dat - zoals besproken in vorige overwegingen - voor de parameter kwik geen soepelere norm kan opgelegd worden dan de vastgestelde emissiegrenswaarde in titel II van het VLAREM; dat deze opgelegde norm dan ook ambtshalve dient gewijzigd te worden"; 2. De gegrondheid 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging ( hierna: oppervlaktewaterenwet) en het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet); dat zij stelt dat het bestreden besluit terecht aanhaalt dat zij via een afvalwaterzuiveringsinstallatie loost in de openbare riolering aan de Dijkstraat die is aangesloten op de rioolwaterzuiveringsinstallatie van Lokeren, dat het bestreden besluit ook erkent dat een afkoppeling van de riolering "hic et nunc" onmogelijk is bij ontstentenis van een effluentleiding, zodat de lozing op de riolering moet blijven gehandhaafd, dat het bestreden besluit nochtans heeft geoordeeld dat VII-29.018-6/11 het feitelijk gegeven dat zij loost in de openbare riolering, geen afbreuk doet aan de omstandigheid dat de lozingsvoorwaarden overeenstemmend met de voorwaarden voor lozing in oppervlaktewater moeten worden gehandhaafd, dat het bestreden besluit aldus geen rekening houdt met de feitelijke lozingstoestand en het onderscheid tussen rioollozing en oppervlaktewaterlozing, zoals dat wordt gemaakt in de oppervlaktewaterenwet, miskent, dat dit onderscheid sterk naar voren komt in hoofdstuk III bis van voornoemde wet dat een aantal bijzondere bepalingen bevat; dat de verzoekende partij voorts de formule voor het berekenen van het aantal vuilvrachten toelicht; dat zij stelt dat uit deze formule duidelijk blijkt dat de oppervlaktewaterenwet een essentieel onderscheid maakt en een hogere heffing vordert naargelang er al dan niet wordt geloosd in oppervlaktewater volgens de voor deze lozing geldende voorwaarden, dat een oppervlaktewaterlozer in de heffingsformule duidelijk een financieel voordeel krijgt, dat dit onderscheid in beoordeling destijds werd geobjectiveerd en verdedigd vanuit een verschillende aanpak van rioollozers en oppervlaktewaterlozers in voornoemde wet, dat voornoemde wet erkent dat aan de lozing in de openbare riolering andere, minder strenge voorwaarden zijn gekoppeld, reden waarom zij ook fiscaal zwaarder worden belast, dat in die optiek meermaals vernoemde wet de burger wil aanmoedigen om te lozen volgens de strengere lozingsnormen in het oppervlaktewater; dat de verzoekende partij aanvoert dat de oppervlaktewaterenwet geen gunstigere heffing kent voor rioollozers die onderworpen zijn aan de normen voor lozing in oppervlaktewater, dat integendeel de heffing die zij thans betaalt op hetzelfde niveau zal blijven, ook wanneer zij in de openbare riolering loost volgens de strengere normen die thans gelden voor de oppervlaktewaterlozing, dat, volgens het bestreden besluit, artikel 5.2.2.9.3., §2, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) stelt dat elke tankcleaner, ongeacht of hij op de riool of op oppervlaktewater loost, moet voldoen aan de sectorale voorwaarden voor oppervlaktewaterlozers, dat in die zin, voornoemd artikel van Vlarem II strijdig is met de bepalingen van de oppervlaktewaterenwet en van het milieuvergunningsdecreet en aldus een schending inhoudt van het legaliteitsbeginsel, volgens hetwelk een besluit van de Vlaamse regering niet strijdig mag zijn met een hogere norm, dat bovendien, een dergelijke toepassing een schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel, dat de overheid slechts rekening kan houden met de bestaande wetten en lagere rechtsnormen, indien deze regelmatig en wettig werden vastgesteld, dat hieruit volgt dat artikel 5.2.2.9.3., §2, van Vlarem II een onwettige bepaling is, zodat de beslissingen genomen in uitvoering van deze VII-29.018-7/11 bepaling eveneens onwettig zijn, dat de verwijzing naar voornoemd artikel geenszins kan gelden als een behoorlijke, draagkrachtige en juiste motivering; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop in essentie antwoordt dat het niet opgaat te stellen dat artikel 5.2.2.9.3., §2, van Vlarem II een onwettige bepaling is, dat de afdeling wetgeving van de Raad van State geen probleem zag voor wat betreft de rechtsgrond van deze bepaling, die overigens de wettigheidscontrole van de afdeling wetgeving heeft doorstaan, dat Vlarem II niet alleen rechtsgrond vindt in het milieuvergunningsdecreet maar ook in het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, dat Vlarem II de verplichting inhoudt dat overheden milieukwaliteitsnormen moeten hanteren, dat wanneer het naleven van deze kwaliteitsnormen onmogelijk wordt of in het gedrang komt, bijkomende voorwaarden moeten worden opgelegd of tot de weigering van een vergunning moet worden besloten, dat versoepelingen van emissienormen niet zijn toegelaten; dat de verwerende partij voorts stelt dat de vigerende teksten in lijn werden gebracht met de Europese wetgeving, dat na een veroordeling door het Europees Hof van Justitie, de geldende richtlijnen werden geïmplementeerd, dat het voor haar onmogelijk was om aan de verzoekende partij een uitzonderingsregeling toe te staan, daar waar deze niet eens voldeed aan de sectorale normen, dat artikel 3.3.0.1. van Vlarem II het mogelijk maakt bijzondere vergunningsvoorwaarden op te leggen met het oog op de bescherming van mens en leefmilieu en met het oog op de handhaving of het bereiken van de milieukwaliteitsdoelstellingen van Vlarem II, dat het vergunningensysteem het bestaan van een verbod impliceert, dat het bedrijf van de verzoekende partij gedetailleerde en omzichtige milieuvoorwaarden vereist, dat zij het nodig achtte om een bijkomende emissiegrenswaarde voor de parameter kwik op te leggen, dat zij op grond van de Europese regelgeving spoedig maatregelen heeft moeten nemen om de lozing van "zwarte lijststoffen" te beëindigen en de lozing van "grijze lijststoffen" te beperken; dat de verwerende partij ook betoogt dat zij zich niet streng kan opstellen ten aanzien van andere inrichtingen en soepel ten opzichte van de verzoekende partij, dat zij, noch overeenkomstig de supranationale normen noch overeenkomstig de normen op het niveau van het Vlaamse Gewest, kan afwijken van artikel 5.2.2.9.3., §2, van Vlarem II waarin van de exploitant van een inrichting voor het reinigen van recipiënten wordt geëist dat hij beschikt over een waterzuiveringsinstallatie die in alle omstandigheden toelaat te voldoen aan de lozingsnormen in oppervlaktewater, dat een vergunningverlenende overheid geen onderscheid mag maken tussen lozing in riool en in oppervlaktewater, dat het lozen in openbare riolering nog slechts een kwestie van zeer korte tijd is; VII-29.018-8/11 2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord in ruime mate herhaalt wat reeds in het verzoekschrift is uiteengezet; dat zij hieraan toevoegt dat het onderscheid tussen de lozing in oppervlaktewateren en in riolering niet alleen blijkt uit de oppervlaktewaterenwet, maar ook uit punt 36 van de bijlage 5.3.2. van Vlarem II, dat ook artikel 5.3.2.4. van Vlarem II uitdrukkelijk stelt dat voor bedrijven die lozen op de openbare riolering en die zijn gelegen in een zuiveringszone A of B, de in bijlage 5.3.2. van Vlarem II bepaalde emissiegrenswaarden voor lozing in openbare riolering van toepassing zijn, dat dit een algemene regel is die geldt voor alle bedrijven die bedrijfsafvalwater lozen, dus ook voor bedrijven actief in de tankcleaningsector, dat de stelling van de verwerende partij dat zij niet kon afwijken van artikel 5.2.2.9.3., §2, van Vlarem II voorbijgaat aan de door haar ontwikkelde argumentatie, en haaks staat op de redenering die de verwerende partij in het derde middel ontwikkelt; 2.4. Overwegende dat uit de motieven van het bestreden besluit blijkt dat toepassing is gemaakt van artikel 5.2.2.9.3., §2, van Vlarem II; dat artikel 5.2.2.9.3., §2, eerste lid, van Vlarem II, als volgt luidt : "De exploitant van een inrichting voor het reinigen van recipiënten moet beschikken over een voldoende uitgebouwde waterzuiveringsinstallatie om de bij het reinigen vrijkomende afvalwaters te zuiveren om in alle omstandigheden aan lozingsnormen geldend voor het lozen in oppervlaktewater te voldoen. Afvalwater dat niet kan behandeld worden in de afvalwaterbehandelingsinstallatie dient te worden afgevoerd naar een geschikte verwerkingsinrichting"; dat uit deze bepaling volgt dat alle exploitanten van inrichtingen voor het reinigen van recipiënten over een waterzuiveringsinstallatie moeten beschikken die toelaat om in alle omstandigheden te voldoen aan de normen voor het lozen in oppervlaktewater; dat de verwerende partij er in het bestreden besluit aan toevoegt dat het bedrijf moet voldoen aan de sectorale voorwaarden voor de lozing van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater van de sector reinigen van wagens en binnenschepen welke vloeibare producten transporteren, met name sector 36/, a), van de bijlage 5.3.2. van Vlarem II en niet 35/, a), zoals de verwerende partij ten onrechte vermeldt; dat hoewel de verzoekende partij loost in riolering, zij volgens de verwerende partij op grond van artikel 5.2.2.9.3., §2, van Vlarem II moet voldoen aan de normen voor lozing in oppervlaktewater; dat de verwerende partij aldus abstractie maakt van de feitelijke toestand; dat de oppervlaktewaterenwet een onderscheid maakt tussen lozing in riolering en lozing in oppervlaktewater; dat dit zijn belang heeft voor de heffing die moet worden betaald; dat wie in riolering loost, een hogere heffing moet betalen nu dat hij ook meer vervuilt; dat het niet logisch is VII-29.018-9/11 dat diegene die een hogere heffing betaalt, omdat hij aan soepelere lozingsnormen is onderworpen en mag lozen in riolering, toch moet voldoen aan de strengere normen voor het lozen in oppervlaktewater; dat in de bijlage 5.3.2. van Vlarem II, die betrekking heeft op de sectorale lozingsvoorwaarden voor bedrijfsafvalwater, onder punt 36 -reinigen van wagens en binnenschepen welke vloeibare producten transporteren , inrichtingen bedoeld in de subrubriek 2.2.6. van de indelingslijst- een onderscheid wordt gemaakt tussen lozing in oppervlaktewater en lozing in riolering; dat voor beide categorieën verschillende lozingsnormen worden opgelegd; dat er aldus een inconsistentie is tussen enerzijds artikel 5.2.2.9.3., §2, van Vlarem II, dat alleen in het opleggen van normen voor oppervlaktewateren voorziet, en anderzijds punt 36 van de bijlage 5.3.2. van Vlarem II, dat een onderscheid maakt tussen lozing in oppervlaktewater en lozing in de riolering; dat ook in artikel 5.3.2.4., §1, van Vlarem II, waaraan de verzoekende partij is onderworpen, een onderscheid wordt gemaakt tussen lozing in openbare riolering en lozing in oppervlaktewater; dat, gelet op wat voorafgaat, wordt vastgesteld dat twee categorieën van inrichtingen die in verschillende feitelijke omstandigheden verkeren, met name zij die in de riool lozen en zij die in oppervlaktewater lozen, ingevolge artikel 5.2.2.9.3., §2, van Vlarem II toch aan dezelfde normen worden onderworpen, terwijl punt 36 van de bijlage 5.3.2. van Vlarem II een duidelijk onderscheid maakt tussen lozing in oppervlaktewateren en lozing in de riolering en dit onderscheid ook wordt gemaakt in de oppervlaktewaterenwet; dat de reden waarom de twee verschillende categorieën van lozers toch op dezelfde manier worden behandeld niet duidelijk is; dat artikel 5.2.2.9.3., §2, van Vlarem II aldus strijdt met het gelijkheidsbeginsel; dat dienvolgens voornoemde bepaling overeenkomstig artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet buiten toepassing wordt gelaten; dat de verwerende partij zich dan ook niet rechtsgeldig op voornoemde bepaling kon beroepen om lozingsvoorwaarden voor de lozing in oppervlaktewater op te leggen; dat het tweede middel gegrond is, VII-29.018-10/11 BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 9 december 2002 waarbij het beroep ingesteld door de n.v. TANK TERMINAL tegen de beslissing van de directeur-generaal van de Vlaamse Maatschappij voor Waterzuivering van 17 december 1990, houdende het verlenen van de vergunning aan de n.v. TANK TERMINAL voor de lozing van ander afvalwater dan normaal huisafvalwater in de openbare riolering van de Dijkstraat, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing op enkele punten wordt gewijzigd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven februari tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-29.018-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.346 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div