← België

Arrest 179347 - Milieuvergunningen - 07/02/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.347 Rolnummer: A. 160745/VII-33653 Zaak: Arrest 179347 - Milieuvergunningen - 07/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-14 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 07:35 Fiche Arrest nr 179.347 van 7 februari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.347 van 7 februari 2008 in de zaak A. 160.745/VII-33.

  1. In zake : de v.z.w. NATUURPUNT SCHIJNVALLEI, die woonplaats kiest bij advocaten Y. VANDEN BOSCH en E. VAN DER MUSSELE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Stoopstraat 1, bus 10 tegen : de deputatie van de provincie ANTWERPEN. tussenkomende partij : de v.z.w. MC DE STROECKXVRIENDEN, die woonplaats kiest bij advocaat K. GEELEN, kantoor houdende te HASSELT, Gouverneur Roppesingel
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. NATUURPUNT SCHIJNVALLEI op 10 maart 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 9 december 2004 waarbij haar beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem van 14 juni 2004, houdende het verlenen van de vergunning aan de v.z.w. MC DE STROECKXVRIENDEN tot het exploiteren van een motorcrossterrein, gelegen aan de Beemdkant/Uilenbaan te Wommelgem, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 9 mei 2005; Gelet op de beschikking van 13 mei 2005 die de tussenkomst van de v.z.w. MC DE STROECKXVRIENDEN toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; VII-33.653-1/14 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 11 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 januari 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. VAN DER MUSSELE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van bestuurssecretaris S. TAVERNIER, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. WAUTERS die, loco advocaat K. GEELEN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De v.z.w. MC DE STROECKXVRIENDEN, de tussenkomende partij, is een motorclub die elk jaar een aantal motorcrosswedstrijden organiseert. De omloop waar de wedstrijden plaatsvinden, ligt in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en in de nabijheid van een natuurgebied. 1.
  5. Op 15 april 2004 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem een aanvraag in voor het verkrijgen van een milieuvergunning om drie motorcrossweekends per jaar te organiseren op terreinen gelegen langs de Beemdkant en de Uilenbaan te Wommelgem. VII-33.653-2/14 1.
  6. Op 14 juni 2004 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem de gevraagde vergunning voor een termijn die eindigt op 14 juni
  7. 1.
  8. De verzoekende partij stelt tegen deze beslissing een administra- tief beroep in. 1.
  9. In het kader van de beroepsprocedure wordt een aantal adviezen uitgebracht. Tijdens de beroepsprocedure dient de tussenkomende partij nog een nota in. 1.
  10. Op 9 december 2004 neemt de verwerende partij het thans bestreden besluit waarvan de aanhef en de motivering als volgt luiden : "Gelet op het ongunstig advies dd. 13 september 2004 van de Afdeling Milieuvergunningen (AMV) van de Administratie voor Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer (kenmerk AMV/A/04/658); op volgende elementen uit dit advies :
  11. Het voorwerp van de aanvraag is de hervergunning van de omloop voor 3 wedstrijdweekends per jaar; exploitant haalt in zijn beroepschrift voornamelijk stedenbouwkundige argumenten aan, die door de AROHM dienen beoordeeld te worden.
  12. Wel stelt hij dat de omloop aan de afstandsregels van Vlarem II dient te beantwoorden, aangezien hij niet als bestaand kan worden beschouwd; de omloop voldoet op dit ogenblik niet aan de afstandsregels, zeker niet sinds de erkenning als natuurreservaat van 'De Schijnvallei' in 2001 (gelegen op minder dan 500 meter); er moet dus enkel nog bekeken worden of de omloop als bestaand kan worden beschouwd.
  13. Vermits Vlarem II geen specifieke definitie heeft met betrekking tot bestaande omlopen voor motorvoertuigen, dient de algemene definitie toegepast; er kan dienaangaande enkel worden vastgesteld dat de omloop op 01.01.1993 niet over een vergunning beschikte; de vergunningen voor een tijdelijke inrichting werden immers toen stelselmatig door de BD in graad van beroep vernietigd; strikt juridisch klopt dit argument van beroeper dan ook.
  14. Volledigheidshalve dient echter wel gesteld dat de omloop de facto reeds meer dan 10 jaar in exploitatie is en dat over de milieuschade die door de wedstrijden wordt veroorzaakt kan getwijfeld worden; er vinden immers slechts 3 wedstrijden per jaar plaats en indien aan de opgelegde voorwaarden wordt voldaan (herstel van de omloop in zijn oorspronkelijke toestand binnen de tien dagen na de wedstrijd) werd er in het verleden steeds geoordeeld (ondanks het ongunstige advies van de Afdeling Natuur) dat de hinder beperkt is; tenslotte is de omloop gelegen op minder dan 150 meter van de autosnelweg en paalt hij aan industriegebied.
  15. Conclusie : aangezien de omloop niet als bestaande inrichting kan worden beschouwd dient hij aan de afstandsregels te voldoen, quod non. De overige argumenten zijn van Stedenbouwkundige aard en dienen in het advies van de AROHM besproken. De bestreden beslissing dient opgeheven en de vergunning geweigerd. VII-33.653-3/14 Gelet op het stilzwijgend gunstig advies van de Cel Ruimtelijke Ordening van de Afdeling ROHM van de Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen (AROHM); op het laattijdig ongunstig advies dd. 11 oktober 2004 van de AROHM (kenmerk N/067.011

(2)); op volgende elementen uit dit advies : 1. De aanvraag betreft het organiseren van drie motorcrossweekenden per jaar. De voorliggende aanvraag verschilt in essentie niet van de milieuvergunning die reeds voorheen werd verleend door het college van Wommelgem, en later door de Raad van State werd vernietigd. 2. Historiek: het college van burgemeester en schepenen van Wommelgem verleende voor het organiseren van drie motorcrossweekenden per jaar vergunning op 19 april 1999. Het daartegen ingestelde beroep (door de vzw Natuurreservaten Schijnvallei) werd d.d. 02/09/1999 door de bestendige deputatie ongegrond verklaard. Naar aanleiding daarvan werd door de vzw Natuurreservaten Schijnvallei, thans de vzw Natuurpunt Schijnvallei, een verzoekschrift bij de Raad van State ingediend om het besluit van de bestendige deputatie te vernietigen. Op 28/04/2003 vernietigde de Raad van State dit besluit d.d. 02/09/1999 (waarin het beroep tegen de vergunning verleend door het college van burgemeester en schepenen ongegrond werd verklaard), zodat de bestendige deputatie nu een nieuwe beslissing moet nemen. De vernietiging is gebaseerd op de stelling dat de omzendbrief RO 99/01 van 02/03/1999 over de advisering m.b.t. de verenigbaarheid van 'omlopen voor wedstrijden, test- en oefenritten met motorvoertuigen', zoals bepaald in rubriek 32.9,1/ en 2/ van Vlarem I, Bijlage 1, vastgesteld bij artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 juni 1996 (waarin bepaald wordt onder welke omstandigheden hiervoor van de gewestplanbestemming mag worden afgeweken) niet rechtsgeldig is, om reden dat deze nooit ter advies aan de Raad van State is voorgelegd. 3. Het goed ligt in het gewestplan Antwerpen vastgesteld bij Koninklijk besluit van 03/10/1979, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 28/10/1998 en definitief besluit (bouwhoogte) van de Vlaamse regering van 07/07/2000. Het goed ligt, volgens dit van kracht zijnde gewestplan, in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Noordwaarts ligt een natuurgebied. 4. De aanvraag is principieel in strijd met het geldende plan. 5. In het advies van AROHM d.d. 13/08/1999 in het kader van de vorige milieuvergunningsaanvraag werd initieel gesteld dat afgeweken kon worden van de gewestplanbestemming op basis van de bovengenoemde omzendbrief. Er werd een gunstig advies gegeven, mits de termijn van de milieuvergunning te beperken, met het oog op het zoeken naar geschikte locaties voor dergelijke luidruchtige recreatiesporten (vast te leggen in een gewestplanwijziging). De omzendbrief was bedoeld als een overgangsregeling, in afwachting van een verankering van de problematiek in een (gemeentelijk) ruimtelijk beleid. Het is nu in de eerste plaats aan de gemeente om te onderzoeken (in het kader van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan bijvoorbeeld) op welke locaties activiteiten als een motorcross aanvaardbaar zijn (na afweging van de effecten als overlast, natuur- en landschapsbeschadiging) en het gewenste beleid terzake in een ruimtelijk uitvoeringsplan te verankeren. In elk geval kan na de uitspraak van de Raad van State geen toepassing meer gemaakt worden van de omzendbrief in kwestie. Gevolg gevend hieraan werd d.d. 02.09.2003 een ongunstig advies verleend aan de PMVC. VII-33.653-4/14 6. De huidige aanvraag is vrijwel identiek aan de vorige aanvraag. Het arrest van de Raad van State is binnen het voorliggend dossier als bindend te hanteren. De aanvraag wordt ongunstig geadviseerd omwille van de strijdigheid met de gewestplanbestemming. Gelet op het ongunstig advies dd. 12 oktober 2004 van de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC); op volgende elementen uit dit advies : 1. Horen van partijen. De heer N. Van Keer, milieuambtenaar, wordt gehoord namens het schepencollege van Wommelgem. De heer N. Van Keer verduidelijkt dat niets gewijzigd is t.o.v. de situatie ten tijde van de beslissing van de bestendige deputatie d.d. 11 september 2003. Vandaar dat het schepencollege dan ook dezelfde beslissing heeft genomen als m.b.t. de vorige vergunningsaanvraag. Hij deelt mee dat de springheuvels werden verwijderd en dat de inrichting voldoet aan de toepasselijke voorwaarden. De heer J. Verheyen, secretaris van de vzw Natuurpunt Schijnvallei, wordt gehoord namens de beroeper. De heer J. Verheyen benadrukt dat motorcross niet toegelaten kan worden in het betrokken gebied. Hij verwijst naar de argumenten in het beroepschrift van de vzw. De heer F. Deckers, exploitant, en meester K. Geelen worden gehoord. Meester K. Geelen verwijst naar de argumentatie van de exploitant tijdens de zitting van de PMVC d.d. 2 september 2003 n.a.v. het vorige dossier. Hij stelt vast dat de vzw Natuurpunt Schijnvallei opnieuw een procedure heeft ingeleid voor de Raad van State. Meester K. Geelen is van oordeel dat de betrokken afstandsregels in Vlarem II, zoals aangehaald door beroeper in zijn beroepschrift, niet van toepassing zijn omdat de inrichting een tijdelijke inrichting is. Er zal maximaal 6 dagen per jaar gebruik gemaakt worden van de omloop. AMV merkt op dat de gevraagde inrichting niet valt onder het begrip 'tijdelijke inrichting' omdat de periode van 3 maanden (één jaar als het een inrichting betreft die verband houdt met een bouwwerf) betrekking heeft op een aaneengesloten periode in de tijd. Meester K Geelen stelt dat de inrichting hoe dan ook geen blijvende impact heeft op het milieu. Bovendien wordt wel degelijk aan de afstandsregels in Vlarem II voldaan. De rand van de rijpiste bevindt zich volgens hem op meer dan 500 m van het 'natuurreservaat'. Daarentegen zijn de bestemmingen die gehanteerd worden en in functie waarvan de afstandsregels in Vlarem II worden bepaald de bestemmingen zoals bepaald in de stedenbouwwetgeving, meer bepaald het K.B. d.d. 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen. Het 'natuurreservaat' is weliswaar een natuurreservaat in de zin van het natuurdecreet, maar stemt niet overeen met de bestemming 'natuurreservaat' zoals bepaald in voormelde stedenbouwwetgeving. Het zgn. 'natuurreservaat' waarvan sprake heeft volgens hem geen stedenbouwkundige waarde. Het is op het gewestplan louter aangeduid als natuurgebied zonder meer. Meester K. Geelen overhandigt ter zitting en pleitnota waarin de argumenten uitvoerig zijn toegelicht. 2. Evaluatie voorwerp besluit: - De omschrijving en rubrieken van het besluit van het schepencollege kunnen weerhouden worden. 3. Stedenbouwkundige verenigbaarheid: - De inrichting is stedenbouwkundig niet-verenigbaar, zoals geargumenteerd in het advies van AROHM. AMV merkt op dat de VII-33.653-5/14 juridische discussie over zgn. stedenbouwkundige waarde van de begrippen natuurgebied/natuurreservaat niet ter zake doen. Het kan niet de bedoeling zijn dat als er een natuurreservaat i.k.v. het natuurdecreet komt, er geen sprake kan zijn van strijdigheid met de gewestplanvoorschriften omdat dat begrip geen stedenbouwkundige waarde zou hebben. 4. Milieutechnische evaluatie: - De PMVC volgt het ongunstige advies van AMV. 5. Gegrondheid beroep: - Het beroep dient gegrond verklaard te worden, conform argumentatie van AMV en AROHM. 6. Evaluatie van het schepencollegebesluit : - Het bestreden besluit dient opgeheven te worden en de vergunning dient geweigerd te worden. Gelet op het stilzwijgend gunstig advies van de afdeling Natuur (AN) van de Administratie voor Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer; op het ongunstig advies dd. 29 november 2004 (kenmerk MV/2110/04-3849); op volgende elementen uit dit advies: 1. De inrichting situeert zich op het grondgebied van de gemeente Wommelgem, in de zone volgens het gewestplan gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied - in de onmiddellijke nabijheid van een natuurgebied - en betreft het organiseren van drie wedstrijden of activiteiten per jaar met bijhorende oefenritten op de dag zelf of de dag ervoor. Beoordeling van de aangevraagde activiteiten gebeur(
  1. t)tot voor kort binnen het kader van omzendbrief RO 99/01, welke verworpen werd door het Arrest van de Raad van State van 28 april 2003. 2. De omloop is gelegen in de zogenaamde 'Antwerpse gordel'. Deze gordel is een groenstructuur van zeer hoog niveau, verweven met het grootstedelijk gebied Antwerpen en verbindt allerlei min of meer natuurlijke ruimten rond de Antwerpse agglomeratie. Ecologische dragers zijn hier o.a. de groene vingers in het grootstedelijk gebied (o.a. vallei van de Grote Schijn), de complexen van fortengordels en kasteeldomeinen, de bosgebieden van het bebouwd perifeer landschap en het anti-tankkanaal. De samenhang tussen de verspreide onderdelen van de Antwerpse gordel is belangrijk (cfr. RSPA). 3. Uit eerdere en recente plaatsbezoeken bleek dat het agrarisch gebruik van de gronden slechts bijzaak is, ondergeschikt aan het gebruik van het terrein voor motorsportwedstrijden (terrein begint meer en meer op een permanente omloop te lijken). Zo is de omloop duidelijk waarneembaar in het terrein, alsook de talrijke springheuvels. Aangevuld moet worden dat dranghekkens en ander logistiek materiaal ook niet meer van het terrein worden verwijderd. Het terrein zelf heeft geen actuele natuurwaarde. 4. Een ander paar mouwen daarentegen is de verstorende invloed van een dergelijke luidruchtige ontspanningsinrichting of activiteiten op de omgeving. Tijdens de exploitatieduur van de omloop zijn er onmiskenbaar negatieve repercussies m.b.t. geluid op de aangrenzende natuurgebieden in het algemeen (zoals het zgn. 'Meer van Wommelgem' ofte de 'SURVEJA-plas', i.e. een potentieel interessant broed- en overwinteringsgebied voor watervogels), en in het bijzonder op het natuurreservaat dat de Natuurpunt-afdeling Schijnvalei in de onmiddellijke nabijheid beheert. Natuurpunt vzw is eigenaar-beheerder van het privaat natuurreservaat 'De Schijnvallei', gelegen te Ranst en Wommelgem met een oppervlakte van 11ha 63a 20ca. Het reservaat is erkend bij MB sinds 09/01/2001. De terreinen te Wommelgem liggen op minder dan 500 m tot de omloop. 5. Naast geluid zijn er een aantal bijkomende aspecten die lokaal moeten worden onderzocht en beoordeeld. Het betreft hier dan mogelijke VII-33.653-6/14 stofhinder, lucht-, water- en bodemverontreiniging, verkeershinder door deelnemers en bezoekers, buurthinder, ed.. Hieromtrent moeten door de exploitant van de omloop voor motorvoertuigen de algemene milieuvoorwaarden van titel II van het Vlarem worden nageleefd. 6. Een tijdelijke omloop in een ruimer gebied dat nog hoge natuurwaarden bezit en waarop de externe druk beperkt is (ondanks de ligging in de Antwerpse stadsrand) is weinig wenselijk. Bovendien is een omloop voor wedstrijden, test- en oefenritten met motorvoertuigen strijdig met de actuele gewestplanbestemming. De aanvraag wordt ongunstig geadviseerd. 7. Er dient nog aangevuld dat aanvragers in het verleden het terrein niet gebruikten cf. de richtlijnen zoals omschreven in omzendbrief RO 99/01 (niet meer van toepassing). Voor het terrein aan de Uilenbaan werd vastgesteld dat :
  2. a)er sprake was van langdurige impact;
  3. b)er meer dan drie activiteiten per jaar werden georganiseerd;
  4. c)er sprake was van een langdurig gebruiksrecht; Hierdoor werden ook de voorwaarden van de (vernietigde) milieuvergunning geschonden. Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Antwerpen, waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn: landschappelijk waardevol landbouwgebied; Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de huidige aanvraag vrijwel identiek is aan de vorige aanvraag ingediend door de MC De Stroeckxvrienden (kenmerk dossier: MLBR2/99-30); Overwegende dat de AROHM in grote lijnen haar ongunstig advies uit vorig dossier met betrekking tot dezelfde zaak (kenmerk MLBR2/99-30) herneemt en wijst op de het arrest van de Raad van State waaruit blijkt dat geen toepassing meer kan gemaakt worden van de omzendbrief om af te wijken van het Gewestplan; dat volgens AROHM aldus de inrichting stedenbouwkundig onverenigbaar is; dat door de PMVC in vorig dossier (besluit van 11 september 2003) echter is opgemerkt dat er ondertussen een afwijking van het Gewestplan mogelijk is op grond van het Besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000, gewijzigd bij besluit van 26 april 2002, waarin werken en handelingen worden opgesomd waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is; dat AROHM zich toen ter zitting van de PMVC bij dit standpunt heeft aangesloten; Overwegende dat zowel AROHM als de afdeling Natuur in voorliggend dossier met dit besluit van de Vlaamse regering echter geen rekening meer houden; dat bijgevolg hun ongunstige adviezen niet in aanmerking worden genomen omwille van dezelfde redenen als in voorgaande beslissing dd. 11 september 2003 in dezelfde zaak; Overwegende dat het ongunstige advies van de AROHM meer bepaald om volgende redenen niet gevolgd wordt: - De inrichting is stedenbouwkundig verenigbaar met het landschappelijk waardevol agrarisch gebied ingevolge art. 3, punt 27 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 (gewijzigd door het besluit van 26 april 2002) dat sportmanifestaties toelaat in agrarisch gebied in de ruime zin. Deze inrichting voldoet volledig aan de bepalingen van dit punt 27, namelijk: • er worden maximaal 3 manifestaties per jaar georganiseerd; • het landschappelijk waardevol agrarisch gebied valt onder de omschrijving '... agrarisch gebied in de ruime zin'; VII-33.653-7/14 • het terrein is niet gelegen in vogelrichtlijngebied, habitatrichtlijngebied, Ramsargebied, duinengebied of beschermd landschap; • de aard van de manifestatie laat toe het reliëf te herstellen binnen de 10 kalenderdagen; - Het besluit van 14 april 2000 (gewijzigd met het besluit van 26 april 2002) ter bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is doet eveneens impliciet een uitspraak over de planologische verenigbaarheid van sportmanifestaties in agrarisch gebied, omdat het deze handelingen toelaat zonder bouwvergunning; - Het besluit van 14 april 2000 (gewijzigd met besluit van 26 april 2002) vaardigt een rechtsregel uit die toelaat af te wijken van de rechtsregels van het koninklijk besluit van 3 oktober 1979 tot vaststelling van het gewestplan Antwerpen; Overwegende dat het ongunstig advies van de Afdeling natuur quasi identiek is aan haar advies in voorgaand dossier (MLBR2/99-30); dat dit advies dan ook niet in aanmerking wordt genomen om volgende redenen: - De negatieve impact op het aangrenzend natuurgebied is te verwaarlozen doordat de gevraagde inrichting niet gebruikt wordt als een permanente omloop. Het aantal manifestaties wordt immers conform de Vlarem-indelingslijst beperkt tot 3 per jaar zodat er slechts sprake is van een beperkt aantal activiteiten en de georganiseerde activiteit is dan nog van korte duur (nl. maximaal 6 dagen per jaar). Bijgevolg is er ook geen langdurige impact op de omgeving. Als voldaan wordt aan de opgelegde voorwaarden werd in het verleden reeds geoordeeld dat de hinder beperkt is. Er kan dus over milieuschade die door de wedstrijden zou worden veroorzaakt getwijfeld worden. Bovendien is de omloop gelegen op minder dan 150 meter van de autosnelweg en paalt hij aan industriegebied. - Het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 voorziet in (
  5. de)mogelijkheid tot afwijking van het gewestplan, waarvoor aan bepaalde voorwaarden dient voldaan. Zo dient het reliëf te worden hersteld in zijn oorspronkelijke staat binnen de 10 dagen na de aanvang van de werken. Uit het advies van de afdeling Natuur blijkt dat deze voorwaarde naar alle waarschijnlijkheid niet of onvoldoende wordt nageleefd, nochtans is dit belangrijk omdat dit de stedenbouwkundige verenigbaarheid garandeert. Het bestreden besluit komt hieraan voldoende tegemoet door het opleggen van onderstaande bijzondere voorwaarde : 'Binnen de 10 kalenderdagen na elke motorcrossactiviteit moet het reliëf van het terrein hersteld worden in zijn oorspronkelijke staat en dit moet na de uitvoering schriftelijk gemeld worden aan de AMI en het schepencollege'. Overwegende dat het ongunstige advies van de AMV eveneens niet in aanmerking wordt genomen; dat meer bepaald het standpunt dat niet aan de afstandsregels van Vlarem II zou zijn voldaan gezien de ligging ten opzichte van het sinds 2001 erkend natuurreservaat 'De Schijnvallei' (op minder dan 500 meter) niet kan worden bijgetreden, gelet op het feit dat het hier geen natuurreservaat overeenkomstig het gewestplan betreft maar een erkend natuurreservaat overeenkomstig het Natuurdecreet; Overwegende dat het overeenkomstig art. 5.32.10.2.2/ Vlarem II inderdaad verboden is om omlopen voor motorvoertuigen in te richten waarvan de tot de omloop van klasse 1 en 2 behorende rijpisten gelegen zijn op een afstand van 500 meter of minder van een natuurreservaat; dat wanneer art. 5.32.10.2.2/ Vlarem II de term 'natuurreservaat' hanteert, dit echter slaat op het bestemmingsgebied natuurreservaat zoals omschreven en aangeduid in het gewestplan, overeenkomstig het KB 28-12-1972; dat erkende natuurreservaten VII-33.653-8/14 overeenkomstig het Natuurdecreet niet noodzakelijk samenvallen met het bestemmingsgebied natuurreservaat, zodat ze er ook niet zonder meer mee mogen gelijkgesteld worden; dat wat deze erkende natuurreservaten betreft voor de toepassing van art. 5.32.10.2.2/ Vlarem II dus telkens moet nagegaan worden of ze wel degelijk in één van de betrokken bestemmingsgebieden, waaronder natuurreservaten, gelegen zijn; dat dit laatste hier niet het geval is aangezien het erkend natuurreservaat gelegen is in een natuurgebied, dat echter geen natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat is, en ten aanzien van dit gebied de afstandsregeling van art. 5.32.10.2.2/ Vlarem II niet geldt. Overwegende dat voor de evaluatie van de tijdens het openbaar onderzoek uitgebrachte bezwaren en opmerkingen kan verwezen worden naar wat hetgeen zonet in bovenvermelde paragrafen is uiteengezet; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits naleving van de in (het) bestreden besluit opgelegde milieuvergunnings- voorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het ingediende beroep ongegrond te verklaren en het collegebesluit te bevestigen"; 2. De gegrondheid 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 3, 27/, van het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is; dat zij stelt dat voornoemd artikel, waarop de verwerende partij haar beslissing steunt om toch van het gewestplan af te wijken om motorcrossactiviteiten toe te laten op het betrokken terrein, daarvoor niet is bedoeld, dat de verwerende partij met miskenning van het laatste advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie en van alle andere adviesorganen, voornoemd artikel gebruikt, dat dit artikel voor tijdelijke reliëfwijzigingen voor sportmanifestaties geen bouwvergunning vereist, dat de verwerende partij duidelijk geen acht heeft geslagen op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van voornoemd besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000, dat de bepaling domineert en als volgt luidt : "onverminderd de bepalingen van andere van toepassing zijnde regelgeving", dat één van de belangrijkste elementen van regelgeving waaraan door artikel 3, 27/, van voornoemd besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 niets wordt afgedaan, precies het gewestplan is dat, zoals in vorige procedures is gebleken, het verlenen en de afgifte van de milieuvergunning niet toelaat voor een crossomloop in waardevol landschappelijk agrarisch gebied, dat het feit of een bouwvergunning al dan niet nodig is voor het oprichten van bepaalde hindernissen niets te maken heeft VII-33.653-9/14 met de bepalingen van het gewestplan die blijven gelden en verhinderen dat een milieuvergunning wordt afgeleverd; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de stelling dat de bepaling "onverminderd andere toepasselijke wetgeving" in het eerste lid van artikel 3 van voornoemd besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000, op het gewestplan betrekking zou hebben, in het licht van artikel 3, 27/, van dit besluit moeilijk kan worden bijgetreden, dat dit immers zou betekenen dat de bepaling van artikel 3, 27/, naar inhoud nog "weinig betekenis zou hebben"; dat de verwerende partij voorts de tekst van artikel 3, 27/,van voornoemd besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 citeert en betoogt dat het agrarisch gebied expliciet wordt vermeld als één van de gebieden waar, onder bepaalde bijkomende voorwaarden, tijdelijke reliëfwijzigingen ten behoeve van sportmanifestaties zonder stedenbouwkundige vergunning zijn toegelaten, dat het wel degelijk de bedoeling van de wetgever was om, als het ware in afwijking van het gewestplan, sportmanifestaties mogelijk te maken in onder meer agrarisch gebied, dat als men de redenering van de verzoekende partij zou volgen, het doel van artikel 3, 27/, van voornoemd besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 niet zou worden bereikt; dat de verwerende partij "volledigheidshalve" aanstipt dat met het decreet van 22 april 2005 tot wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het wijzigingsdecreet van 22 april 2005), het recreatief medegebruik van bepaalde gebieden op het gewestplan mogelijk werd, waaronder agrarisch gebied; 2.3. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat de interpretatie van de verwerende partij van artikel 3, 27/, van voornoemd besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 niet opgaat, dat sommige sportwedstrijden heel wat minder schadelijke gevolgen zullen hebben voor het milieu dan een motorcross, dat het denkbaar is dat die wel als "milieu-vergunbaar" worden beoordeeld, dat de overheid ten aanzien van de vergunbaarheid op milieugebied "haar handen (moet) vrijhouden", dat artikel 3, 27/, van voornoemd besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000, geen incidentie op de milieuvergunbaarheid heeft maar enkel op de vraag naar de stedenbouwkundige vergunbaarheid, dat de verwijzing naar het wijzigingsdecreet van 22 april 2005 niet dienstig is, aangezien deze bepaling nog niet van kracht was op het moment van het bestreden besluit; VII-33.653-10/14 2.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie artikel 3, 27/, van het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 citeert; dat zij betoogt dat het middel ongegrond is om verscheidene redenen; dat zij vooreerst stelt dat volgens de verzoekende partij de bestreden vergunning een activiteit toelaat in een gebied waar dit volgens het gewestplan niet mogelijk is, dat dit geen schending is van artikel 3, 27/, van voornoemd besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000, doch eventueel een schending kan uitmaken van de bepalingen van het gewestplan, dat het argument dat de verzoekende partij ontwikkelt derhalve niet aansluit bij het eerste middel, maar bij het tweede middel, dat in dat opzicht, het eerste en het tweede middel samenvallen; dat de tussenkomende partij vervolgens van oordeel is dat het middel onjuist is geformuleerd, dat de verzoekende partij een schending van artikel 3, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 had moeten opwerpen en niet een schending van artikel 3, 27/, van voornoemd besluit; dat zij ten derde stelt dat een sportmanifestatie per definitie zonevreemd is in drie van de vier zones die in artikel 3, 27/, van het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 worden vermeld, met name agrarisch gebied, industriegebied en gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, dat met voornoemd artikel 3, 27/, de Vlaamse regering uitdrukkelijk afwijkt van de bestemmingen die in deze gebieden mogelijk zijn krachtens het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : het inrichtingsbesluit), dat zoniet deze bepaling overbodig zou zijn, dat het immers geen zin heeft om expliciet te bepalen dat er geen stedenbouwkundige vergunning nodig is voor sportmanifestaties in agrarisch gebied in de ruime zin, indien sportmanifestaties onder geen beding in agrarisch gebied in de ruime zin mogen worden georganiseerd, dat deze bepaling niet anders kan worden gelezen dan een uitdrukkelijke afwijking van het inrichtingsbesluit, dat aangezien het de Vlaamse regering mogelijk is om in een algemeen geldend besluit af te wijken van een eerder koninklijk besluit, het bestreden besluit een correcte toepassing maakt van het meergenoemd besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000, dat bekleed is met het "privilège du préalable" of een vermoeden van gelijkvormigheid met het recht; dat de tussenkomende partij er voorts op wijst dat de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies naar aanleiding van het ontwerp van besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is, geen opmerkingen heeft geformuleerd aangaande de wettelijkheid van het ontwerp van artikel 3, 27/; dat de tussenkomende partij ten slotte ook verwijst naar het wijzigingsdecreet van 22 april VII-33.653-11/14 2005 dat een uitdrukkelijke decretale basis verschaft om milieuvergunningen voor occasionele recreatieve activiteiten toe te staan en stelt dat het middel derhalve zonder belang is geworden; 2.5. Overwegende dat de verwerende partij in het bestreden besluit overweegt dat de inrichting gelegen is in een "landschappelijk waardevol landbouwgebied" en dat de exploitatie van de inrichting "verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften"; dat die in het bestreden besluit aangenomen verenigbaarheid evenwel niet zo maar kan worden aangenomen; dat immers uit de aanhef zelf van het besluit blijkt dat het merendeel van de adviesverlenende overheidsorganen er duidelijk een andere mening op nahoudt; dat de Raad van State zelf in eerdere rechtspraak met betrekking tot de bewuste motorcrossomloop, reeds heeft overwogen "dat het evident is dat het inrichten van motorcrosswedstrijden en bijbehorende oefenritten niet als landbouw in de ruime zin noch als para-agrarische activiteit kan worden aangemerkt" en een eerdere milieuvergunning heeft vernietigd omdat zij strijdig was met het bestemmingsvoorschrift landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat de verwerende partij zich beroept op het meergenoemd besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000; dat artikel 3, 27/, van dat besluit als volgt luidt : "Artikel 3. Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de volgende werken, handelingen en wijzigingen, die uitgevoerd mogen worden voorzover ze niet strijdig zijn met de voorschriften van stedenbouwkundige verordeningen, bouwverordeningen, verkavelingsverordeningen, ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg, verkavelingsvergunningen, bouwvergunningen of stedenbouwkundige vergunningen, onverminderd de bepalingen van andere van toepassing zijnde regelgeving : (...) 27/. de tijdelijke reliëfwijzigingen ten behoeve van de organisatie van sportmanifestaties, voor zover :
  6. a)deze slechts maximaal 3 maal per jaar worden georganiseerd;
  7. b)deze worden georganiseerd in recreatiegebied in de ruime zin, industriegebied in de ruime zin, gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen of agrarisch gebied in de ruime zin;
  8. c)deze niet worden georganiseerd : - in de speciale beschermingszones aangeduid in het besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand; - in de door de Vlaamse regering aangeduide natuurlijke habitats met toepassing van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna; - in de watergebieden van internationale betekenis, aangeduid met toepassing van de Overeenkomst inzake watergebieden die van internationale betekenis zijn in het bijzonder als woongebied voor watervogels, opgemaakt te Ramsar (Iran) op 2 februari 1971 en goedgekeurd bij de wet van 22 februari 1979; VII-33.653-12/14 - in de als beschermd aangeduide duingebieden of als voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden met toepassing van hoofdstuk IX van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud; - in de beschermde landschappen met toepassing van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg;
  9. d)het reliëf wordt hersteld in zijn oorspronkelijke staat binnen 10 dagen na de aanvang van de werken"; dat die bepaling het uitsluitend heeft over een stedenbouwkundige vergunning en er bijgevolg niet aan in de weg staat dat in milieutechnisch opzicht de verenigbaarheid met de voorschriften van het gewestplan moet worden onderzocht; dat het met andere woorden niet is omdat een stedenbouwkundige vergunning niet is vereist dat het meteen ook komt vast te staan dat de exploitatie van de inrichting verenigbaar zou zijn met het bestemmingsvoorschrift; dat bijgevolg een gebeurlijke onverenigbaarheid wat betreft de milieuvergunning niet wordt opgeheven door het hiervoor geciteerd artikel 3, 27/; dat zulks overigens afdoende blijkt uit de omstandigheid dat het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 genomen is ter uitvoering van artikel 99, § 2, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; dat luidens die bepaling de Vlaamse regering wordt gemachtigd om de lijst vast te stellen van werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning is vereist; dat die machtiging uitsluitend slaat op stedenbouwkundige vergunningen en bijgevolg niet op gevallen waarin een milieuvergunning zou kunnen worden verleend in afwijking van de gewestplannen; dat, ten slotte, op het gevaar af strijdig te zijn met artikel 99, § 2, van het decreet van 18 mei 1999, geen ruimere draagwijdte kan worden gegeven aan het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000; dat zowel de verwerende als de tussenkomende partij ook vergeefs verwijst naar het wijzigingsdecreet van 22 april 2005, aangezien dit decreet niet in werking was op het ogenblik dat het bestreden besluit is genomen; dat het belang van de verzoekende partij bij het middel niet is teloorgegaan, omdat het gegrond bevinden van het annulatieberoep gesteund op het middel niet automatisch tot gevolg heeft dat de verwerende partij niet anders meer zou kunnen dan de milieuvergunning te verlenen; dat immers het wijzigingsdecreet van 22 april 2005 de mogelijkheid biedt om af te wijken van de gewestplannen, doch daartoe geenszins een verplichting oplegt; dat het belang van de verzoekende partij in deze bijgevolg blijft bestaan; dat het eerste middel gegrond is, VII-33.653-13/14 BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 9 december 2004 waarbij het beroep ingesteld door de v.z.w. NATUURPUNT SCHIJNVALLEI tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem van 14 juni 2004, houdende het verlenen van de vergunning aan de v.z.w. MC DE STROECKXVRIENDEN tot het exploiteren van een motorcrossterrein, gelegen aan de Beemdkant/Uilenbaan te Wommelgem, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven februari tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-33.653-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.347 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.