id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.450 Rolnummer: A. 138198/IX-5495 Zaak: Arrest 179450 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 11/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-20 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 07:36 Fiche Arrest nr 179.450 van 11 februari 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.450 van 11 februari 2008 in de zaak A. 138.198/IX-
- In zake :
- Joan BAUWENS,
- August PEETERS,
- Ivan INGELS, die woonplaats kiezen bij advocaat M. STORME, kantoor houdende te BRUSSEL, Verenigingstraat
- tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Kamer van volksver- tegenwoordigers, die woonplaats kiest bij advocaten D. D’HOOGHE en F. VANDENDRIESSCHE, kantoor houdende te BRUSSEL, Lokumstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Joan BAUWENS, August PEETERS en Ivan INGELS op 23 juni 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 2 april 2003 van het Bureau van de Kamer van volksvertegenwoordigers, waarbij wordt beslist : “volgende personen te herbenoemen in de functies van niet-permanent (eerste) directieassistent N, voorzien op het kader van de dienst Integraal Verslag : - mevrouw Vera BELLEMANS wordt bevorderd tot de graad van niet-permanent revisor N; - mevrouw Godelieve BLOEM wordt bevorderd tot de graad van niet-permanent revisor N; - mevrouw Ilse DAEMS wordt bevorderd tot de graad van niet-permanent revisor N; - mevrouw Anne-Marie VINDEVOGEL wordt bevorderd tot de graad van niet-permanent revisor N”; Gelet op het arrest nr. 134.023 van 19 juli 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; IX-5495-1/20 Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 20 augustus 2004 door de verzoekers; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur B. THYS; Gelet op de beschikking van 29 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 januari 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. STORME, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat N. KIEKENS, die loco advocaten D. D’HOOGHE en F. VANDENDRIESSCHE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
- De verzoekers waren op het ogenblik van de bestreden beslissing verbonden aan de dienst Integraal Verslag van de Kamer van volksvertegenwoordigers, met de graad van eerste assistent. IX-5495-2/20 1.
- Op 13 juni 2001 heeft het Bureau van de Kamer van volksvertegenwoordigers, ter implementatie van een beslissing die de plenaire Kamer op 14 juli 2000 heeft genomen, de naam van de dienst Parlementaire Handelingen gewijzigd in dienst Integraal Verslag en voor die dienst een nieuwe personeelsformatie vastgesteld. Die personeelsformatie omvat onder meer zes betrekkingen van niet-permanente directieassistenten. Dezelfde dag heeft het Bureau ook een aantal wijzigingen van het statuut van het personeel goedgekeurd. Zo wordt onder meer artikel 17, in verband met de bevorderingen tot een leidinggevende of coördinerende functie, vervangen. Het nieuwe artikel 17, § 4, bepaalt dat “over de benoeming in een leidinggevende of coördinerende functie met een graad buiten de vlakke loopbaan wordt beslist door het Bureau, op voorstel van het College van quaestoren, en dit op grond van een gemotiveerd advies over de kandidaten, dat wordt geformuleerd door de betrokken hiërarchische meerderen en door de griffier”. 1.
- Met een mededeling aan het personeel van 9 juli 2001 wordt een oproep gedaan tot de kandidaten voor, onder meer, vier functies van Nederlandstalig niet-permanent (eerste) directieassistent. Voor een bevordering in deze graad komen in aanmerking de personeelsleden met een graad in de vlakke loopbaan van assistent en van stenograaf. Acht personeelsleden, onder wie Vera Bellemans, Godelieve Bloem, Ilse Daems, Anne-Marie Vindevogel en de verzoekers Joan Bauwens en August Peeters, zijn kandidaat voor die betrekkingen. Verzoeker Ivan Ingels deelt mee dat hij geen kandidaat is, omdat hij van mening is dat de oproep tot de kandidaten in strijd is met het oude artikel 17 van het statuut van het personeel. Met een nota van 25 juli 2001 stelt de bestuursdirecteur van de dienst Integraal Verslag voor om Vera Bellemans, Godelieve Bloem, Ilse Daems en Anne-Marie Vindevogel voor te dragen voor een benoeming in de functie van niet- permanent directieassistent (N). Bij dat voorstel geeft hij het volgend advies over de kandidaten: “Bauwens Joan, eerste assistente: is in anciënniteit de jongste van de kandidaten. Haar beoordelingen zijn 'uitstekend' tot 'zeer goed'. Ze heeft een grote vakkennis. Ze heeft leidinggevende capaciteiten, maar stelt zich als assistente tot dusver ietwat te hard op om leiding te geven aan een groep die ook stenografen bevat. Haar verantwoordelijkheidszin moet nog groeien. IX-5495-3/20 Bellemans Vera, eerstaanwezend stenograaf-waarnemend revisor: heeft de meeste anciënniteit en al haar beoordelingen kregen de vermelding 'uitstekend'. Naast haar grote vakkennis heeft zij een sterk ontwikkelde zin voor verantwoordelijkheid en een enorme werkkracht. Ze heeft in het verleden voldoende bewezen over de nodige kwaliteiten te beschikken om een leidinggevende functie uit te oefenen. Bloem Godelieve, eerste stenograaf-waarnemend revisor: is in anciënniteit de vierde van de kandidaten. Al haar beoordelingen kregen de vermelding 'uitstekend'. Naast haar ruime vakkennis heeft zij een grote verantwoordelijkheidszin en werkkracht Ze beschikt over de nodige kwaliteiten om de functie van directieassistent uit te oefenen. (...) Daems Ilse, eerste stenograaf: is in anciënniteit de derde van de kandidaten. Al haar beoordelingen kregen de vermelding 'zeer goed'. Vakkennis en werkkracht zijn prima. Ze heeft in het verleden voldoende bewezen over de nodige verantwoordelijkheidszin te beschikken om een leidinggevende functie uit te oefenen. Vindevogel Anne-Marie, eerste stenograaf: is in anciënniteit de vijfde van de kandidaten. Al haar beoordelingen kregen de vermelding 'uitstekend' tot 'zeer goed'. Naast haar grote vakkennis heeft zij een sterk ontwikkelde zin voor verantwoordelijkheid en een enorme werkkracht. Ze is bijzonder sociaal voelend. Ze heeft in het verleden voldoende bewezen over de nodige kwaliteiten te beschikken om een leidinggevende functie uit te oefenen. Peeters August, eerste assistent: is in anciënniteit de op een na jongste van de kandidaten. Zijn beoordelingen waren 'goed' tot 'zeer goed'. Hij is voorlopig nog niet voldoende zelfzeker om met succes leiding te kunnen geven. Vrancken Godelieve, eerstaanwezend stenograaf: heeft op een na de meeste anciënniteit. Ze werd in mei 1998 overgeplaatst naar de Commissiedienst, waar zij in 1999 een beoordeling 'zeer goed' kreeg. Haar laatste beoordelingen in de dienst Handelingen waren echter middelmatig. Ze negeert al jaren het bestaan van de leiding van de dienst en van een aantal redactie- en revisieleden en bewijst hiermee dat zij niet over de nodige sociale vaardigheden beschikt om zelf leiding te geven. Haar felle tegenstand tegen de net afgesloten herstructurering, waarvan deze bevorderingen het sluitstuk vormen, maakt haar kandidatuur bovendien weinig geloofwaardig.” De adjunct-griffier en de griffier sluiten zich op 27 en 31 juli 2001 bij dit voorstel aan. Joan Bauwens en Godelieve Vrancken delen respectievelijk op 27 en 30 augustus 2001 hun opmerkingen mee in verband met het voorstel van de bestuursdirecteur van de dienst Integraal Verslag. Deze laatste antwoordt hierop in een nota aan de griffier van 24 september
- Godelieve Vrancken reageert hierop nogmaals bij brief van 8 oktober
- In zijn vergadering van 21 november 2001 beslist het College van quaestoren met betrekking tot de benoeming van eerste directieassistenten bijkomende inlichtingen in te winnen. De directeur-generaal van de IX-5495-4/20 Quaestuurdiensten wordt ermee belast “aan de revisoren advies te vragen over de wijze van werken van die kandidaten waarmee zij samenwerken”. Op 26 november 2001 geeft een Nederlandstalige revisor bij de dienst Integraal Verslag het volgende verslag over de Nederlandstalige kandidaten: “BAUWENS Joan De kwaliteit van haar werk is heel goed, zowel inzake redactie als procedurekennis. Zij zal ook bijzonder opgelegde taken tot een goed einde brengen. Van alle kandidaten heeft zij wel de minste anciënniteit. BELLEMANS Vera Geniet al mijn waardering voor haar vakkennis en haar inzet voor het werk. Haar werk is onberispelijk. Zij heeft meer dan 20 jaar ervaring in de dienst en is altijd even gemotiveerd om het werk tot een goed einde te brengen. BLOEM Godelieve De kwaliteit van haar werk is heel goed zowel inzake redactie, revisie als procedurekennis. Zij is ook een heel gemotiveerde collega en zet zich ten volle in om haar taak als waarnemend revisor stipt en nauwgezet uit te voeren. (...) DAEMS Ilse De kwaliteit van haar werk is heel goed, zowel inzake redactie als revisie. Zij vervult de haar tijdelijk opgedragen taak (meehelpen voor de revisie) heel goed. Zij zet zich daarvoor ten volle in. PEETERS August De kwaliteit van het werk van de heer Peeters is wisselend; soms heel goed, soms minder goed. De kennis inzake de procedure kan zeker veel beter zijn. Hij zal opgedragen taken goed uitvoeren, maar zou mijns inziens meer zin voor initiatief aan de dag mogen leggen. Ik heb soms de indruk dat hij niet altijd gemotiveerd is. VINDEVOGEL Anne-Marie De kwaliteit van haar werk is heel goed, zowel inzake redactie als procedure. Af en toe wordt aan mevrouw Vindevogel gevraagd om mee te helpen bij het revisiewerk en ook deze taak voert zij nauwgezet uit. Zij is een heel gemotiveerde collega. VRANCKEN Godelieve De kwaliteit van het werk van mevrouw Vrancken ligt beduidend lager dan die van haar collega’s. Zowel inzake redactie als procedurekennis moet er bij het reviseren vrij veel worden verbeterd.” Op 5 december 2001 delen de verzoekers August Peeters en Joan Bauwens hun opmerkingen op dit verslag mee. Met een nota van 13 december 2001 bespreekt de bestuursdirecteur van de dienst Integraal Verslag de ingediende opmerkingen. Hij bevestigt zijn voorstel van 25 juli
- In zijn vergadering van 5 maart 2002 beslist het College van quaestoren om aan het Bureau van de Kamer van volksvertegenwoordigers voor te IX-5495-5/20 stellen om Vera Bellemans, Godelieve Bloem, Ilse Daems en Annemarie Vindevogel te benoemen in de functie van niet-permanent (eerste) directieassistent, met de graad van niet-permanent revisor. Op 30 april 2002 stemt het Bureau van de Kamer van volksvertegenwoordigers met dit voorstel in, en benoemt het de vier genoemde kandidaten. Het Bureau stemt eveneens in met een voorstel om twee Franstalige ambtenaren te benoemen in de functie van niet-permanent (eerste) directieassistent bij de dienst Integraal Verslag. 1.
- Op 1 augustus 2002 dienen de huidige verzoekers, samen met Godelieve Vrancken, een vordering tot schorsing en een beroep tot vernietiging in tegen de benoeming van Vera Bellemans, Godelieve Bloem, Ilse Daems en Annemarie Vindevogel (zaak A. 124.787/IX-3445). De vordering tot schorsing wordt bij arrest nr. 114.270 van 6 januari 2003 verworpen, wegens het ontbreken van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Nadat de bestreden beslissing is ingetrokken (zie hierna), hebben de verzoekers de zaak niet meer verder benaarstigd. Bij arrest nr. 179.448 van heden stelt de Raad van State de afstand van het geding vast. Eveneens op 1 augustus 2002 dient een Franstalige kandidaat een vordering tot schorsing en een beroep tot vernietiging in tegen de benoeming van de twee Franstalige kandidaten (zaak A. 124.801 /VIII-3155). Bij arrest nr. 115.425 van 4 februari 2003 beveelt de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging van die benoemingen. Bij hetzelfde arrest wordt aan het Arbitragehof de prejudiciële vraag gesteld of de wet van wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, geïnterpreteerd in de zin dat die wet niet van toepassing is op handelingen van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, met betrekking tot de leden van hun personeel, strijdig is met de Grondwet. In antwoord op die vraag heeft het Arbitragehof bij arrest nr. 17/2004 van 29 januari 2004 geoordeeld dat de wet van 29 juli 1991 in de voormelde interpretatie de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, maar dat het die artikelen niet schendt, indien hij wordt geïnterpreteerd in die zin dat de bestuurshandelingen van de wetgevende vergaderingen of van hun organen met betrekking tot de leden van hun personeel wel in het toepassingsgebied ervan zijn opgenomen. Het beroep tot nietigverklaring is thans nog aanhangig bij de Raad van State. IX-5495-6/20 1.
- Reeds vóór het genoemde schorsingsarrest, namelijk op 22 januari 2003, heeft het Bureau van de Kamer van volksvertegenwoordigers beslist om de procedure voor bevorderingen buiten de vlakke loopbaan te wijzigen, met name door het mogelijk te maken voor de kandidaten om opmerkingen te maken op het voorstel van het College van quaestoren en door die opmerkingen te voegen bij het dossier dat aan het Bureau wordt voorgelegd. In het licht van het schorsingsarrest van 4 februari 2003 beslist het Bureau op 12 maart 2003 om de beslissingen van 30 april 2002, ook wat betreft de benoeming van Nederlandstalige kandidaten, in te trekken. Het beslist voorts om het voorstel van het College van quaestoren van 5 maart 2002 opnieuw te onderzoeken, deze keer met inachtneming van de op 22 januari 2003 gewijzigde procedureregels en van de voorschriften van de genoemde wet van 29 juli
- De beslissing tot intrekking wordt, samen met het voorstel van het College van quaestoren van 5 maart 2002, bij brief van 20 maart 2003 aan de verzoekers ter kennis gebracht. Er wordt hen medegedeeld dat zij over een termijn van acht dagen beschikken om op het voorstel te reageren. De raadsman van de verzoekers deelt op 27 maart 2003 de opmerkingen van zijn cliënten mee. Hij wijst er onder meer op dat zijn cliënten niet akkoord gaan met het feit dat de procedure slechts hernomen wordt vanaf het onderzoek van het voorstel van het College van quaestoren. Op 2 april 2003 beslist het Bureau van de Kamer van volksvertegenwoordigers opnieuw, ditmaal op grond van een nieuwe motivering, om Vera Bellemans, Godelieve Bloem, Ilse Daems en Annemarie Vindevogel te bevorderen tot de graad van niet-permanent revisor. Deze beslissing vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. Eveneens op 2 april 2003 beslist het Bureau de twee Franstalige ambtenaren die eerder benoemd waren, opnieuw te benoemen tot de graad van niet-permanent directieassistent. Tegen deze beslissing zijn een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring ingediend (zaak A.138.196/VIII-5874). Bij arresten nrs. 134.022 en 134.023 van 19 juli 2004, door de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak gewezen respectievelijk IX-5495-7/20 in de Franstalige en de voorliggende Nederlandstalige zaak, worden de vorderingen tot schorsing afgewezen, bij gebreke van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Het beroep in de zaak A.138.196/VIII-5874 is nog aanhangig. Over het verzoek tot samenvoeging
- In hun verzoekschrift hebben de verzoekers de samenvoeging gevraagd van de voorliggende zaak met de genoemde zaak A.138.196/VIII-5874, die het beroep betreft van een Franstalige kandidate tegen de benoeming van twee Franstalige ambtenaren in dezelfde dienst. Ter zitting doen de verzoekers evenwel afstand van dat verzoek. De Raad van State ziet geen reden om ambtshalve te voorzien in de samenvoeging van de zaken. Over de ontvankelijkheid van het beroep 3.
- De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, in zoverre dit is ingesteld door de derde verzoeker, Ivan Ingels. De verwerende partij wijst erop dat deze verzoeker zich niet kandidaat heeft gesteld, zodat hij in geen geval voor een benoeming in de functie van niet-permanent directieassistent in aanmerking komt, tenzij ook de oproep tot de kandidaten onwettig zou worden bevonden. Enkel in dat laatste geval zou immers tot een nieuwe oproep kunnen of moeten worden overgegaan. Aangezien enkel een vernietiging op grond van het tweede middel daartoe kan leiden, heeft de derde verzoeker geen belang bij het eerste en het derde middel. Een vernietiging op grond van één van die middelen zou niet tot zijn benoeming kunnen leiden. 3.
- In beginsel doet degene die kennis heeft gekregen van de oproep tot de kandidaten voor een vacante betrekking, maar zich geen kandidaat heeft gesteld, niet blijken van het rechtens vereiste belang bij de nietigverklaring van de benoeming die in die betrekking werd gedaan. In dat geval ontbreekt immers het geïndividualiseerde verband tussen de verzoeker en de bestreden benoeming, dat vereist is om de benoeming ontvankelijk te kunnen bestrijden. IX-5495-8/20 De zaken liggen slechts anders wanneer de verzoeker deugdelijke redenen had om zich geen kandidaat te stellen. Te dezen heeft de derde verzoeker met een schrijven van 18 juli 2001 verklaard dat hij zich geen kandidaat stelde omdat hij van oordeel was dat de oproep tot de kandidaten niet in overeenstemming was met de geldende bepalingen van het personeelsstatuut. Die grief maakt ook het voorwerp uit van het tweede middel. Het onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep is, wat de derde verzoeker betreft, te dezen dus verbonden met het onderzoek van de middelen. De exceptie wordt dan ook bij het onderzoek ten gronde gevoegd. Ten gronde 4.
- De verzoekers roepen een eerste middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het motiveringsbeginsel. 4.1.
- Volgens de verzoekers zijn de bestreden bevorderingen eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden. Derhalve moeten die beslissingen uitdrukkelijk worden gemotiveerd. De verzoekers wijzen in dit verband in de eerste plaats op het feit dat het Bureau, na de intrekking van zijn beslissing van 30 april 2002, alleen rekening heeft gehouden met de tegen die beslissing aangevoerde grief omtrent de formele motivering, vervat in het eerste middel in de zaak A.124.801/VIII-3155, dat ernstig werd bevonden in het schorsingsarrest nr. 115.425 van 4 februari 2003 , en niet met de grieven die door de verzoekers in het tweede en het derde middel waren ingeroepen. Het Bureau heeft aldus beslist om de benoemingsprocedure niet vanaf het begin te hernemen, op grond dat “het tweede en derde middel ingeroepen door verzoekster (sic) geen aanleiding kon geven tot vernietiging van de ingetrokken beslissing, zodat de nieuwe beslissingen niet op die gronden moesten worden herzien”. Volgens de verzoekers strookt die motivering niet met de inhoud van het arrest van de Raad van State van 4 februari 2003, waarin het tweede en het derde middel eenvoudig niet onderzocht zijn en waarin op geen enkel moment gesteld is dat die middelen niet ernstig waren. De bestreden beslissing zou aldus berusten op motieven die in rechte en in feite onjuist zijn. IX-5495-9/20 4.1.
- Vervolgens laten de verzoekers gelden dat geen rekening kan worden gehouden met motieven die niet in de beslissing zelf, maar in andere stukken zijn vermeld. Zij voeren aan dat in de motieven van de bestreden beslissing wordt verwezen naar een beslissing van het Bureau van 22 januari 2003, welke hen, ondanks de uitdrukkelijke vraag van hun raadsman, niet ter kennis werd gebracht. De verzoekers erkennen voorts kennis gekregen te hebben van het voorstel van het College van quaestoren van 5 maart 2002, maar stellen dat dit voorstel geen motivering bevat en enkel verwijst naar de adviezen van de bestuursdirecteur en een revisor van de dienst Integraal Verslag, die “in géén geval objectief zijn”. In verband met dit onderdeel van het middel wordt in het auditoraatsverslag gesteld dat de bestreden beslissing zelf een motivering bevat. In hun laatste memorie voeren de verzoekers hiertegen aan dat de motivering van de bestreden beslissing zelf, wat de vier benoemde kandidaten betreft, louter een stijlformule is, die gelijkstaat met een gebrek aan motivering. Ook de motieven in verband met eerste twee verzoekers zou “nietszeggend” zijn. 4.1.
- De verzoekers zijn ook nog van oordeel dat geen ernstige vergelijking van de kandidaturen heeft plaatsgehad, omdat, “gelet op het feit dat geen nieuwe vacature werd uitgeschreven en geen nieuwe kandidaatstelling mogelijk was, bij de nieuwe beslissing minstens impliciet rekening werd gehouden met de wijze waarop de benoemde personen de tijd vóór de intrekking van de bestreden beslissing hun functie hebben uitgeoefend, terwijl er geen rekening werd gehouden met de wijze waarop verzoekers zichzelf professioneel hebben ontwikkeld gedurende de periode tussen de nota's en adviezen uit 2001 en de herbenoeming van 2 april 2003”. 4.1.
- Ten slotte voeren de verzoekers aan dat de bestreden beslissing niet berust op wettig aanvaardbare motieven, gelet op het feit dat de verwerende partij op een niet-gewettigde wijze geweigerd heeft om de benoemingsprocedure na de intrekking van de eerste benoemingsbeslissing vanaf het begin over te doen. 4.2.
- In het middel wordt onder meer de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Bij het genoemde arrest nr. 17/2004 van 29 januari 2004 heeft het Arbitragehof, in antwoord op een prejudiciële vraag van de Raad van State over de voormelde wet, voor recht gezegd : IX-5495-10/20 “- De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, in die zin geïnterpreteerd dat de bestuurshandelingen van de wetgevende vergaderingen of van hun organen met betrekking tot de leden van hun personeel niet in het toepassingsgebied ervan zijn opgenomen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, in die zin geïnterpreteerd dat de bestuurshandelingen van de wetgevende vergaderingen of van hun organen met betrekking tot de leden van hun personeel in het toepassingsgebied ervan zijn opgenomen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.” Een grondwetsconforme interpretatie van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen leidt derhalve tot de conclusie dat de thans bestreden beslissing onder toepassing van die wet valt. De verzoekers kunnen dan ook op een ontvankelijke wijze een schending van de bepalingen ervan aanvoeren. 4.2.
- In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing ten onrechte ervan uitgaat dat het tweede en het derde middel, door de verzoekers ingeroepen tot staving van hun beroep tegen de beslissing van 30 april 2002, geen aanleiding konden geven tot vernietiging van die beslissing, moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing geen overweging in die zin bevat. De beslissing overweegt wel “dat in de Franstalige procedure bij arrest van 4 februari 2003 van de Raad van State ... enkel het middel genomen uit de schending van de wet van 29 juli 1991 inzake de formele motivering ernstig werd bevonden”, en leidt daaruit af “dat het bijgevolg geenszins noodzakelijk is de benoemingsprocedure volledig te herbeginnen”. Die vaststelling en die conclusie zijn niet onverenigbaar met het genoemde arrest, waarin de Raad van State inderdaad enkel op grond van een gebrekkige motivering, voorwerp van het eerste middel, tot de schorsing van de beslissing van 30 april 2002 heeft besloten, en geen aanwijzing heeft gegeven over mogelijke andere onregelmatigheden of onwettigheden. 4.2.
- In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat de verwijzing in de bestreden beslissing naar “het procedurereglement aangenomen bij beslissing van het Bureau van 22 januari 2003” en naar het voorstel van het College van quaestoren van 5 maart 2002 geen afdoende motivering vormt, volstaat het erop te wijzen dat de bestreden beslissing daarnaast nog een eigen motivering bevat. Met betrekking tot de kandidaten wordt immers, na een verwijzing naar onder meer het voorstel van het College van quaestoren, uitdrukkelijk het volgende overwogen: IX-5495-11/20 “overwegende dat na vergelijking van de titels en verdiensten van de verschillende kandidaten blijkt dat de kandidaten Bellemans, Bloem, Daems en Vindevogel het meest geschikt zijn om de functie van niet-permanent (eerste) directieassistent N uit te oefenen; dat deze kandidaten, buiten mevrouw Vrancken, de grootste anciënniteit hebben; dat zij tevens in vergelijking met de andere kandidaten de beste professionele bekwaamheden en de beste sociale vaardigheden bezitten om de betrokken functie uit te oefenen; overwegende dat mevrouw Bauwens zich als assistente tot dusver ietwat te hard opstelt om leiding te geven aan een groep die ook stenografen bevat; dat mevrouw (...) en de heer Peeters voorlopig nog niet voldoende zelfvertrouwen hebben om met succes leiding te kunnen geven; dat mevrouw Vrancken al jaren het bestaan van de leiding van de dienst en van een aantal redactie- en revisieleden negeert; dat zij bovendien bij het reviseren zowel inzake redactie als procedurekennis vrij veel moet worden verbeterd.” De bestreden beslissing bevat aldus een uitdrukkelijke motivering die de bestreden benoemingen kan verantwoorden. Weliswaar oefenen de verzoekers in hun laatste memorie kritiek uit op het afdoend karakter van die motieven. Die kritiek vormt echter een nieuwe grief, die niet op een ontvankelijke wijze voor het eerst in een laatste memorie kan worden aangevoerd. Subsidiair voeren de verzoekers aan dat het voorstel van het College van quaestoren steunt op adviezen van de bestuursdirecteur en een revisor van de dienst Integraal Verslag, die niet objectief zijn. In zoverre de verzoekers daarmee willen aanvoeren dat de bestreden beslissing zelf steunt op feiten die niet objectief zijn vastgesteld, gaat het om een grief die verder in het derde middel wordt ontwikkeld. Het is dan ook bij het onderzoek van het derde middel dat nader op die grief zal worden ingegaan. 4.2.
- In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat het Bureau bij het nemen van de bestreden beslissing “impliciet” rekening gehouden zou hebben met de wijze waarop de benoemde personen hun functie op basis van de ingetrokken benoeming hebben uitgeoefend, wordt niet uitgelegd waaruit zulks zou blijken. De Raad van State ziet zelf ook geen aanknopingspunten in de motieven van de bestreden beslissing. Het middel berust in dit opzicht op een loutere bewering. In zoverre wordt aangevoerd dat, bij gebrek aan een nieuwe vacantverklaring, geen rekening werd gehouden met de wijze waarop de verzoekers zich tussen 2001 en 2003 professioneel hebben ontwikkeld, volstaat het erop te IX-5495-12/20 wijzen dat de verzoekers de gelegenheid hebben gehad om bij het indienen van hun opmerkingen op het voorstel van het College van quaestoren eventuele nieuwe professionele ontwikkelingen kenbaar te maken. Daarmee kon het Bureau dan rekening houden bij de vergelijking van de titels en de verdiensten van de kandidaten. In dit opzicht gaat het middel uit van een verkeerd uitgangspunt. 4.2.
- In zoverre in het middel aan de bestreden beslissing wordt verweten dat ze genomen is zonder dat het Bureau de benoemingsprocedure vanaf het begin heeft overgedaan, wordt niet gepreciseerd welke regel daarmee geschonden zou zijn. Daargelaten de vraag of het middel in dit opzicht wel ontvankelijk is, merkt de Raad van State op dat het bestuur na de intrekking van een geschorste benoemingsbeslissing niet verplicht is de benoemingsprocedure helemaal over te doen. Het bestuur kan er integendeel voor opteren om de procedure te hervatten vanaf het punt waar de onregelmatigheid die tot de schorsing heeft geleid, zich heeft voorgedaan. In het geval van een schending van de formele motiveringsplicht kan het bestuur zich er derhalve toe beperken een beslissing te nemen die, uitgaande van de beschikbare gegevens van het dossier, regelmatig gemotiveerd is. 4.2.
- Het eerste middel kan in geen van zijn onderdelen worden aangenomen. 5.
- De verzoekers roepen een tweede middel in, afgeleid uit de schending van artikel 17 (oud) van het statuut van het personeel van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Dat artikel voorziet in de verplichting om een vergelijkend examen te organiseren, terwijl de bestreden benoemingen “naar keuze” gebeurd zijn, zonder dat een vergelijkend examen is uitgeschreven. In de toelichting bij het middel voeren de verzoekers in de eerste plaats aan dat het oude artikel 17 van het statuut van het personeel van de Kamer van volksvertegenwoordigers te dezen nog van toepassing was. Dat artikel 17 is weliswaar vervangen door een nieuwe bepaling, maar die is pas op 1 juli 2001 in werking getreden, dit is nadat de vacatures op 13 juni 2001 zijn geopend. Bovendien was het nieuwe artikel 17, volgens de verzoekers, hen niet tegenstelbaar aangezien de bekendmaking van de wijziging eerst gebeurde met IX-5495-13/20 een geantidateerd schrijven van “25 juni 2001” van de directeur-generaal van de Quaestuurdiensten, dat in werkelijkheid pas op 24 juli 2001 is verzonden en op 26 juli 2001 is ontvangen. Het gebrek aan kennisgeving van het nieuwe artikel 17 blijkt duidelijk uit een schrijven van de verzoeker Ivan Ingels van 18 juli 2001 aan de directeur-generaal van de Quaestuurdiensten. De verzoekers voeren ten slotte aan dat het nieuwe artikel 17 van het statuut van het personeel onwettig is, en dus in elk geval op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten. Het nieuwe artikel 17 is vooreerst in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, omdat het oude artikel 17 voor assistenten in de dienst Parlementaire Handelingen in de mogelijkheid voorzag om deel te nemen aan een examen dat toegang gaf tot de functie van revisor en het nieuwe artikel 17 die mogelijkheid zonder verantwoording heeft afgeschaft, waardoor het gerechtvaardigde vertrouwen van de verzoekers werd geschonden. Het nieuwe artikel 17 voert bovendien een procedure van benoeming “naar keuze” of “naar beoordeling” in, welke de meest subjectieve en partijdige procedure is. Aldus worden inzonderheid het beginsel van de onpartijdigheid en het beginsel van de gelijkheid der kandidaten geschonden. 5.2.
- De verwerende partij werpt een exceptie van ontvankelijkheid van het middel op, afgeleid uit het feit dat het niet gericht is tegen de bestreden beslissing van het Bureau van 2 april 2003, maar tegen de beslissing van het Bureau van 12 maart 2003 om het voorstel van het College van quaestoren van 5 maart 2002 opnieuw te onderzoeken met inachtneming van de procedureregels door het Bureau aangenomen op 22 januari 2003 en van de voorschriften van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De beslissing om het nieuwe artikel 17 van het statuut van het personeel toe te passen was volgens de verwerende partij immers reeds vervat in de voormelde beslissing van het Bureau van 12 maart
- 5.2.
- In het middel wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing is genomen met schending van het oude artikel 17 van het statuut van het personeel. Zelfs indien, zoals de verwerende partij het stelt, het Bureau reeds op 12 maart 2003 beslist zou hebben om de benoemingsprocedure volgens het nieuwe artikel 17 van het statuut van het personeel te voeren, volgt hieruit niet dat de verzoekers de onwettigheid van die beslissing niet meer kunnen aanvoeren tegen de bestreden IX-5495-14/20 benoemingen. De verzoekers kunnen immers de vernietiging van de benoemingsbeslissing vorderen op grond van onwettigheden waardoor de aan de benoeming voorafgaande handelingen zouden zijn aangetast. De exceptie faalt naar recht. 5.
- Artikel 17 van het statuut van het personeel van de Kamer van volksvertegenwoordigers, in de versie vóór de vervanging ervan bij beslissing van het Bureau van 13 juni 2001, luidt als volgt : “De benoemingen tot de functies van directeur-generaal, van bestuursdirecteur, van directeur-revisor, van directeur, van (eerste) directieraad, van revisor B.V./C.R.A. (Beknopt Verslag / Compte Rendu Analytique) worden naar keuze gedaan door het Bureau in het personeelskader van elke dienst. De revisoren van de parlementaire handelingen worden benoemd na een vergelijkend examen dat toegankelijk is voor de ambtenaren van niveau 1 die in dit niveau 5 jaar anciënniteit hebben alsook voor de personeelsleden die 5 jaar anciënniteit hebben in de loopbaan van stenograaf of assistent van de parlementaire handelingen.” Op 13 juni 2001 heeft het Bureau een aantal wijzigingen van het statuut van het personeel goedgekeurd. Artikel 17 is vervangen door een nieuwe bepaling, die voortaan betrekking heeft op alle “bevorderingsfuncties buiten de vlakke loopbaan ..., bedoeld voor het plannen, organiseren en coördineren van de werkzaamheden in de afdeling of dienst en voor het leiding geven aan de mensen die er werken”. Tot die functies behoort onder meer de functie van (eerste) directieassistent (paragraaf 1, eerste lid). Volgens het nieuwe artikel 17 is een benoeming in een dergelijke functie slechts mogelijk ingeval van vacature (paragraaf 1, tweede lid). De benoemingsprocedure wordt verder geregeld in paragraaf 4, die luidt als volgt : “Over de benoeming in een leidinggevende of coördinerende functie met een graad buiten de vlakke loopbaan wordt beslist door het Bureau, op voorstel van het College van quaestoren, en dit op grond van een gemotiveerd advies over de kandidaten, dat wordt geformuleerd door de betrokken hiërarchische meerderen en door de griffier.” Er blijkt niet dat het statuut van het personeel of enige andere terzake toepasselijke tekst een algemene bepaling bevat in verband met de inwerkingtreding van wijzigingen van het statuut. Evenmin blijkt het Bureau op 13 juni 2001 voorzien te hebben in een specifieke regeling inzake de inwerkingtreding van de wijzigingen die het op die dag heeft aangenomen. Er moet IX-5495-15/20 dan ook worden aangenomen dat het nieuwe artikel 17 onmiddellijk in werking is getreden. Dat het personeel pas later op de hoogte is gebracht van de wijziging, doet aan die vaststelling gen afbreuk. De bestreden benoemingen dienden dus te gebeuren met inachtneming van de bepalingen van het nieuwe artikel 17 van het statuut. Ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat, zelfs in de veronderstelling dat het oude artikel 17 nog van toepassing was op het ogenblik van de beslissing tot vacantverklaring van de functies van directieassistent (13 juni 2001) of van de oproep tot de kandidaten (9 juli 2001), aan de bestreden beslissing niet verweten kan worden dat ze het oude artikel 17 schendt. Behoudens andersluidende overgangsbepalingen moeten benoemingen immers beantwoorden aan de regeling die van toepassing is op het ogenblik van de benoeming en niet volgens de regeling die van toepassing was op het ogenblik van de vacantverklaring of de oproep tot de kandidaten. De verzoekers betwisten niet dat het nieuwe artikel 17 alleszins van toepassing was op 2 april 2003, datum waarop de bestreden beslissing is genomen. 5.
- Wat betreft de tegen het nieuwe artikel 17 aangevoerde schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, met name van het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, moet worden opgemerkt dat de genoemde beginselen er niet aan in de weg staan dat de bevoegde overheid een personeelsstatuut, en meer bepaald de regels betreffende de toewijzing van vacante betrekkingen, wijzigt. Uit de aard zelf van een personeelsstatuut volgt dat de rechten die zijn toegekend aan de personeelsleden waarop het statuut betrekking heeft, voor de toekomst bij wege van algemene maatregel kunnen worden gewijzigd. Wat betreft de tegen het nieuwe artikel 17 aangevoerde schending van de beginselen van onpartijdigheid en van gelijkheid, moet worden opgemerkt dat een procedure waarbij benoemingen worden toegekend naar keuze van de benoemende overheid, op zich niet in strijd is met de aangehaalde beginselen. Een dergelijke procedure stelt de overheid immers niet vrij van de verplichting om de bekwaamheid en de geschiktheid van de kandidaten objectief te onderzoeken en te vergelijken. IX-5495-16/20 De exceptie van illegaliteit, gericht tegen het nieuwe artikel 17 van het statuut van het personeel, is niet gegrond. 5.
- Uit het voorgaande volgt dat het tweede middel, waarin de verzoekers de schending aanvoeren van een terzake niet-toepasselijke bepaling, niet kan worden aangenomen. Meteen volgt hieruit dat het beroep, in zoverre het is ingesteld door de derde verzoeker, onontvankelijk is bij gebrek aan belang (zie hiervóór, overweging 3.2). 6.
- De verzoekers roepen een derde middel in, afgeleid uit de schending van het gelijkheidsbeginsel, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en van de gelijkheid van toegang voor de burgers tot de openbare ambten, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van de zorgvuldigheidsplicht en de rechtsplicht van de vergelijking van de titels. 6.1.
- De verzoekers voeren in de eerste plaats aan dat de vergelijking van de titels en de verdiensten van de kandidaten op een objectieve wijze moet gebeuren. Zij betwisten dat dit te dezen het geval is geweest. De bestreden benoemingen steunen duidelijk op de adviezen die over de kandidaten zijn gegeven door de bestuursdirecteur van de dienst Integraal Verslag en door een revisor in die dienst. Volgens de verzoekers zijn die adviezen niet objectief en onpartijdig. De houding van de bestuursdirecteur getuigt van vooringenomenheid, en in zijn advies is er ook geen sprake van een vergelijking van titels en verdiensten. De betrokken revisor kan niet geacht worden een objectief en onpartijdig advies te hebben gegeven, aangezien haar benoeming door de verzoekers bij de Raad van State is bestreden. De verzoekers noemen het tekenend dat geen rekening is gehouden met de opmerkingen die zij op de genoemde adviezen hebben gemaakt. Het gebrek aan een objectieve vergelijking blijkt ook uit het feit dat de verzoekers, en zeker de eerste verzoekster, de vereiste kwalificaties bezitten en ten minste evenveel anciënniteit kunnen laten gelden, alsook uit het feit dat drogredenen die niets met de zaak te maken hebben en eerdere beoordelingen tegenspreken, de doorslag hebben gegeven. 6.1.
- De verzoekers herhalen voorts dat zij, ondanks de intrekking van de oorspronkelijke benoemingsbeslissing, geen echte kans hebben gehad om mee IX-5495-17/20 te dingen, vermits de thans bestreden herbenoemingen inhoudelijk niet verschillen van de oorspronkelijke benoemingen. Dit kon ook niet anders, aangezien de herbenoemingen zijn gebeurd op basis van de gegevens uit 2001, weliswaar geëxpliciteerd. De verzoekers hadden aldus van in het begin geen enkele kans. Dit zou anders geweest zijn, indien een volledig nieuwe procedure was gestart. Dan zouden de verzoekers immers beoordeeld geweest zijn op grond van nieuwe, recente adviezen. 6.2.
- In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat het advies van de bestuursdirecteur niet objectief en onpartijdig is, voeren de verzoekers algemene bezwaren aan, zonder te verwijzen naar concrete beoordelingen of omstandigheden waaruit een gebrek aan objectiviteit of onpartijdigheid zou blijken. Alleszins kan de Raad van State uit de aangevoerde feiten geen gebrek aan objectiviteit of onpartijdigheid afleiden. Met betrekking tot het advies van de revisor steunt de grief van de verzoekers op het feit dat zij haar benoeming “ab initio gecontesteerd hebben”. Er kan inderdaad minstens een schijn van partijdigheid ontstaan wanneer iemand wiens benoeming door bepaalde personen wordt betwist, advies moet geven over die personen. Te dezen moet evenwel opgemerkt worden dat de betrokken revisor op 26 november 2001 een verslag over de wijze van werken van de kandidaten heeft ingediend, terwijl het vernietigingsberoep van de verzoekers tegen de benoeming van die revisor pas op 24 januari 2002 is ingesteld (zaak A.116.042/IX-3194, waarover de Raad van State bij arrest nr. 179.449 van heden uitspraak doet). Voor het overige blijkt niet dat de verhouding tussen de revisor en de verzoekers reeds vóór het indienen van het bedoelde beroep dermate gespannen was dat er van een objectieve en onpartijdige beoordeling geen sprake kon zijn. 6.2.2.
- In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat de verzoekers geen echte kans hebben gekregen omdat de procedure niet vanaf het begin is overgedaan, werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid op, afgeleid uit het feit dat de grief gericht is tegen de niet-aangevochten beslissing van het Bureau van 12 maart
- Om de reden die hiervóór, in verband met een gelijkaardige exceptie gericht tegen het tweede middel, is uiteengezet (zie overweging 5.2.2), kan ook de thans opgeworpen exceptie niet worden aangenomen. IX-5495-18/20 6.2.2.
- Ten gronde steunt de genoemde grief op de opvatting dat de gelijkheid onder de kandidaten vereiste dat de benoemingsprocedure vanaf het begin werd overgedaan, zodat met name rekening gehouden zou worden met de merites van de verzoekers op het ogenblik van de bestreden beslissing. Die opvatting vindt geen steun in de in het middel ingeroepen beginselen. Zoals de verwerende partij terecht aanvoert, wordt met de optie om de procedure niet volledig te herbeginnen vermeden dat de oorspronkelijk benoemde kandidaten zich zouden kunnen beroepen op de ervaring die zij tot aan de intrekking van de oorspronkelijke beslissing hebben kunnen opdoen in de betrokken functie. Aldus wordt de gelijkheid tussen de kandidaten juist bevorderd. In zoverre de verzoekers suggereren dat bij de beoordeling van de benoemde kandidaten wel is rekening gehouden met de ervaring die zij sinds de oorspronkelijke benoeming hebben opgedaan, gaat het om een loutere bewering, die geen steun vindt in de gegevens van het dossier. 6.2.
- Het derde middel kan in geen van zijn onderdelen worden aangenomen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 1.050 euro, komen ten laste van de verzoekers. IX-5495-19/20 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 11 februari 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5495-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.450 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.023 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.