← België

Arrest 179453 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 11/02/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.453 Rolnummer: A. 145769/IX-4016 Zaak: Arrest 179453 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 11/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-20 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 07:36 Fiche Arrest nr 179.453 van 11 februari 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.453 van 11 februari 2008 in de zaak A. 145.769/IX-

  1. In zake : Ivan INGELS, die woonplaats kiest bij advocaten M. STORME en I. ROGIERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Verenigingstraat
  2. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Kamer van volks- vertegenwoordigers, die woonplaats kiest bij advocaten D. D’HOOGHE en F. VANDENDRIESSCHE, kantoor houdende te BRUSSEL, Lokumstraat
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ivan INGELS op 23 december 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: “
  4. De beslissing van de Griffier van de Kamer van Volksvertegen- woordigers van 21 mei 2003 waarbij werd beslist [...]: ‘Op grond van artikel 61, [§ 1], 2/, van het statuut van het personeel wordt door de griffier aan de dames J. Bauwens en C. Verheyden en aan de heren I. Ingels en A. Peeters de tuchtstraf van de terechtwijzing opgelegd’;
  5. De beslissing van het College van Quaestoren van de Kamer van Volksvertegenwoordigers van 16 oktober 2003, medegedeeld bij schrijven van 24 oktober 2003, waarbij werd beslist [...]: ‘de aan mevrouw J. Bauwens, de heer I. Ingels, de heer A. Peeters en mevrouw C. Verheyden opgelegde tuchtstraf te bevestigen’”; Gelet op het arrest nr. 131.183 van 10 mei 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 22 juni 2004 door de verzoeker; IX-4016-1/14 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur B. THYS; Gelet op de beschikking van 13 november 2006 die de neer- legging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 januari 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. STORME die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat N. KIEKENS, die loco advocaten D. D’HOOGHE en F. VANDENDRIESSCHE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  6. De verzoeker is vast benoemd ambtenaar bij de dienst Integraal Verslag van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Hij heeft de graad van eerste assistent. 1.
  7. Op 24 oktober 2002 zendt de bestuursdirecteur van de dienst Integraal Verslag een e-mail naar de verzoeker, evenals naar Joan Bauwens, August Peeters en Carine Verheyden (hierna : “de betrokken personeelsleden”), waarin hij stelt dat voor de tweede keer sinds de opening van het parlementaire jaar collega's IX-4016-2/14 zich erover beklagen dat zij “zeer regelmatig en met luide stem onderling vitriool-opmerkingen uitwisselen die overduidelijk bedoeld zijn om ‘hen' onvriendelijk te behandelen of te kwetsen”. De bestuursdirecteur vraagt “met aandrang deze subtiele vorm van collega's pesten definitief te stoppen”. Met een brief van 4 november 2002 aan de bestuursdirecteur eist de raadsman van de betrokken personeelsleden “dat deze verdachtmakingen worden ingetrokken”. Met een nota van 18 november 2002 stelt de bestuursdirecteur de griffier en de adjunct-griffier van de Kamer van volksvertegenwoordigers in kennis van de voormelde e-mail van 24 oktober 2002 en de brief van 4 november
  8. Ten bewijze van het feit dat de betrokken personeelsleden “de sfeer in de redactiezaal nadelig en grondig beïnvloeden”, vermeldt hij een aantal “ingrijpende maatregelen” die hij al heeft moeten nemen. Ingevolge deze kennisgeving hebben de griffier en de adjunct-griffier op 19, 20, 21, 28 en 29 november 2002 en op 3 en 5 december 2002 een onderhoud met 21 personeelsleden van de dienst Integraal Verslag, waarbij “gepeild [wordt] naar de oorzaken van de spanningen in de dienst Integraal Verslag en naar de verhouding van de vier betrokkenen met hun onmiddellijke hiërarchie en hun collega's”. 1.
  9. Met een nota van 2 december 2002 stelt de bestuursdirecteur aan de griffier voor om aan de verzoeker als tuchtstraf een blaam op te leggen. Een zelfde voorstel wordt ook met betrekking tot de drie andere betrokken personeelsleden gedaan. Aan de verzoeker wordt “een algemene laakbare houding” ten laste gelegd, die zich uit in “een misprijzend, vijandig en niet-constructief gedrag ten opzichte van collega's en een gebrek aan eerbied en hoffelijkheid in relatie tot de superieuren”. De bestuursdirecteur acht die houding in strijd met artikel 10, §§ 1 en 2, van het statuut van het personeel van de Kamer van volksvertegenwoordigers, naar luid waarvan de personeelsleden de dienstbevelen stipt uitvoeren, hun taak met ijver en nauwgezetheid vervullen, de grootste hoffelijkheid in acht nemen, elke polemiek in hun dienstbetrekkingen met meerderen en collega's vermijden en elkaar helpen wanneer het belang van de dienst het vereist. IX-4016-3/14 Met een brief van 9 december 2002 deelt de griffier dit tuchtvoorstel aan de verzoeker mee. Op 7 januari 2003 worden de verzoeker en zijn raadsman door het College van ambtenaren-generaal gehoord. Bij de uitnodiging voor de hoorzitting is het verslag gevoegd van het hiervóór bedoelde onderhoud van november- december 2002 met personeelsleden van de dienst Integraal Verslag. Op 15 januari 2003 dient de verzoeker een verweerschrift in. Op 26 februari 2003 worden op vraag van de betrokken personeelsleden enkele collega's door het College van ambtenaren-generaal als getuigen gehoord. Dezelfde dag stelt het voormelde college voor om aan de betrokken personeelsleden de lichtste tuchtstraf, namelijk de terechtwijzing op te leggen. Het college overweegt dat is gebleken dat de betrokken personeelsleden zich sedert het gesprek van 7 januari 2003 coöperatief en collegiaal opstellen, waardoor de werking van de dienst -naar het oordeel van de bestuursdirecteur- weer naar wens verloopt, maar dat uit de meeste getuigenissen en uit de stukken van het dossier blijkt dat “zij door hun ingesteldheid die vaak negatief is of spanningen oproept hoe dan ook op bepaalde punten (die zich hebben voorgedaan vanaf 3 juni 2002) aan hun professionele of statutaire verplichtingen zijn tekortgekomen”. Op 21 mei 2003 geeft de griffier gevolg aan dit voorstel en beslist hij aan de betrokken personeelsleden de tuchtstraf van de terechtwijzing op te leggen. Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
  10. De verzoeker en de andere betrokken personeelsleden stellen tegen deze beslissing beroep in bij het College van quaestoren. Op 9 oktober 2003 worden de betrokken personeelsleden en hun raadsman door het College van quaestoren gehoord. Op 16 oktober 2003 beslist het College van quaestoren de aan de betrokken personeelsleden opgelegde tuchtstraf van de terechtwijzing te bevestigen. IX-4016-4/14 Deze beslissing, die op 24 oktober 2003 ter kennis van de verzoeker wordt gebracht, is de tweede bestreden beslissing. Over het verzoek tot samenvoeging
  11. In hun verzoekschrift heeft de verzoeker de samenvoeging gevraagd van de voorliggende zaak met de zaken die bij de Raad van State aanhangig zijn gemaakt door Joan Bauwens, August Peeters en Carine Verheyden (zaken A. 145.766/IX-4014, A. 145.770/IX-4015 en A. 145.779/VIII-3888). Ter zitting doet de verzoeker evenwel afstand van dat verzoek. De Raad van State ziet geen reden om ambtshalve te voorzien in de samenvoeging van de zaken. Over de ontvankelijkheid van het beroep 3.
  12. De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, in zoverre dit gericht is tegen de beslissing van de griffier van de Kamer van volksvertegenwoordigers van 21 mei 2003 om aan de verzoeker de tuchtstraf van de terechtwijzing op te leggen. De verwerende partij voert aan dat het College van quaestoren, na een nieuw onderzoek van de grieven van de verzoeker, op 16 oktober 2003 een eindbeslissing heeft genomen. Die beslissing vervangt de initiële beslissing van 21 mei 2003, zodat het beroep tegen die initiële beslissing onontvankelijk is. Ten overvloede laat de verwerende partij gelden dat het beroep tegen de beslissing van 21 mei 2003 van de griffier hoe dan ook laattijdig is. 3.
  13. De beslissing van het College van quaestoren van 16 oktober 2003 is genomen in het kader van een intern beroep, georganiseerd bij artikel 61, § 2, 3., van het statuut van het personeel van de Kamer van volksvertegenwoordigers. De beslissing van het college is aldus in de plaats gekomen van de beslissing van de griffier van 21 mei
  14. Het voorliggende beroep tot nietigverklaring is dan ook niet ontvankelijk in zoverre het tegen die initiële beslissing gericht is. IX-4016-5/14 De exceptie is gegrond. Ten gronde 4.
  15. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van de rechten van verdediging en de wapengelijkheid in tuchtzaken. Het middel is gericht tegen het feit dat er op 19, 20, 21, 28 en 29 november 2002 en op 3 en 5 december 2002, zonder bijzijn en medeweten van de verzoeker, 21 revisoren en assistenten van de dienst Integraal Verslag zijn gehoord over “de oorzaken van de spanningen in de dienst Integraal Verslag en [over] de verhouding van de vier betrokkenen met hun onmiddellijke hiërarchie en hun collega's”. De verzoeker merkt hierbij op dat ongeveer de helft van de ondervraagden heeft gesteld daadwerkelijk problemen te hebben gehad met de verzoeker of zijn collega’s, terwijl op een latere hoorzitting, tegensprekelijk gehouden op 26 februari 2003, geen enkele van de uitgenodigde personen een belastende verklaring heeft afgelegd. De “manifeste tegenstrijdigheden in de teneur” van die verhoren doen vermoeden dat er druk werd uitgeoefend op een aantal personen, teneinde tegen de verzoeker en zijn collega's een dossier te kunnen samenstellen. Volgens de verzoeker houden de rechten van verdediging in tuchtzaken in dat de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar volledig kennis heeft van al hetgeen in verband met zijn zaak aan de beslissende overheid wordt voorgelegd en dat hij op dat alles kan repliceren. Met betrekking tot een getuigenverhoor zijn die volledige kennis en die volledige mogelijkheid van repliek maar afdoende gegarandeerd wanneer het betrokken personeelslid het getuigenverhoor kan bijwonen en de getuigen kan tegenspreken, onder meer door hen vragen te stellen. Doordat het gesprek met de getuigen buiten de aanwezigheid van de verzoeker heeft plaatsgehad, heeft hij zich niet enkel tegen de besproken gegevens niet kunnen verdedigen, maar is hij zelfs in de onmogelijkheid geweest zich ervan te vergewissen of er niets anders is gezegd dan wat de overheid heeft meegedeeld. De verzoeker voert voorts aan dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden voorzien in de eerbiediging van de wapengelijkheid inzake procedures. Eenieder die wegens bepaalde feiten, en zeker IX-4016-6/14 strafbare feiten, zoals te dezen het geval is (de klachten worden onder meer omschreven als stalking, mobbing, pesten op het werk), door eender welke instantie, dus ook een tuchtinstantie, wordt vervolgd, heeft het recht om zich met gelijke wapens te verdedigen. De wapengelijkheid houdt in dat de vervolgde persoon het recht heeft de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en getuigen à decharge op te roepen. Te dezen zijn een aantal personen buiten het bijzijn van de betrokkenen ondervraagd, waarvan de betrokkenen niet kunnen weten of zij niet werden beïnvloed, en hebben de betrokkenen geen enkele garantie dat ook alle getuigen à décharge werden opgeroepen of hun getuigenissen genoteerd. Bovendien zijn deze personen niet ondervraagd door het sanctiegevend orgaan als zodanig, doch wel door de verantwoordelijken van de griffie, en kon het sanctiegevend orgaan zich enkel baseren op een niet-tegensprekelijke schriftelijke neerslag. 4.2.
  16. Uit het rapport over “het onderhoud met revisoren en assistenten van de dienst Integraal Verslag op 19, 20 en 21 november 2002/ 28 en 29 november 2002/ 3 en 5 december 2002” blijkt dat het verhoor van 21 personeelsleden van de dienst kaderde in een administratief onderzoek naar de oorzaak van de spanningen op de dienst en de verhouding van de betrokken personeelsleden met hun hiërarchische oversten en hun collega's. Dat onderzoek was het gevolg van problemen die door de bestuursdirecteur waren gesignaleerd in zijn nota van 18 november 2002 aan de griffier en de adjunct-griffier. Het onderhoud met de bedoelde personeelsleden van de dienst is aldus begonnen voordat de tuchtprocedure tegen de verzoeker is gestart. Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, maakt het verhoor van die personeelsleden geen deel uit van het eigenlijke tuchtonderzoek, zodat het verhoor niet op tegenspraak diende te gebeuren. Wel blijkt met het rapport rekening te zijn gehouden in het kader van de tuchtprocedure tegen de verzoeker: zowel het advies van het College van ambtenaren-generaal als de bestreden beslissing van het College van quaestoren verwijzen er uitdrukkelijk naar en zijn er mede op gesteund. De verzoeker heeft zich in het kader van de tuchtprocedure echter ten volle kunnen verdedigen tegen wat in dat rapport is vastgesteld, vermits het hem is meegedeeld tezamen met de uitnodiging voor het verhoor door het College van ambtenaren-generaal dat op 7 januari 2003 zou plaatshebben. Hij heeft zijn verweer kunnen voorbrengen in zijn verweerschrift van 15 januari 2003 en ter gelegenheid van de verhoren door het College van ambtenaren-generaal op 7 januari 2003 en door het College van quaestoren op 9 oktober
  17. IX-4016-7/14 Voorts blijkt niet dat de verzoeker beperkt zou zijn geweest in zijn mogelijkheid om de personeelsleden met wie de griffier en de adjunct-griffier voorafgaand aan de tuchtprocedure een onderhoud hebben gehad, of andere personeelsleden, waarmee de griffier en de adjunct-griffier geen onderhoud hebben gehad, in zijn aanwezigheid als getuigen te laten horen door de tuchtoverheid. Het valt dan ook niet in te zien hoe het recht van verdediging van de verzoeker zou zijn geschonden doordat hij niet aanwezig was tijdens het voorafgaande onderhoud van de griffier en de adjunct-griffier met personeelsleden van de dienst. Evenmin blijkt dat het beginsel van de wapengelijkheid, in zoverre dit te dezen relevant zou zijn, miskend is. 4.2.
  18. In zijn memorie van wederantwoord voert de verzoeker nog aan dat het tuchtonderzoek objectief moet gebeuren, terwijl de tuchtoverheid ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de voor hem gunstige getuigenverklaringen van drie dichte collega's, afgelegd op de hoorzitting van 26 februari
  19. Aldus betwist de verzoeker in feite de zorgvuldigheid van de feitenvinding en de regelmatigheid van de motivering van de bestreden beslissing. Die grief gaat echter het kader te buiten van het middel zoals dit in het verzoekschrift is aangevoerd. Het gaat dan ook om een nieuwe grief, die niet voor het eerst in een memorie van wederantwoord kan worden aangevoerd. 4.2.
  20. Het eerste middel kan niet aangenomen worden. 5.
  21. De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van de wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk en de omzendbrief van 11 juli 2002 betreffende dezelfde aangelegenheid. De verzoeker voert aan dat de tegen hem ingebrachte beschuldigingen betrekking hebben op “pesten en mobbing”, zoals blijkt uit de mail van de bestuursdirecteur van 24 oktober 2002 aan de betrokken personeelsleden. Volgens de verzoeker is de behandeling van dossiers handelend over pesten op het werk onderworpen aan de bepalingen van de wet van 11 juni 2002, die een lex specialis is en dus voorrang heeft op een algemene tuchtrechtelijke bepaling. De genoemde wetgeving is ook van toepassing op ambtenaren, ingevolge artikel 2, § 1, 1/, b, van de wet van 4 augustus 1996 (betreffende het welzijn van de werknemers IX-4016-8/14 bij de uitvoering van hun werk). Te dezen zijn verscheidene bepalingen van de betrokken wetgeving miskend: in strijd met artikel 32quater, § 1, derde lid, van de wet van 4 augustus 1996 is geen onpartijdig onderzoek van de feiten gevoerd; in strijd met artikel 5, § 1, (eerste lid), 2/, van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 (betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk) is aan de verzoeker op geen enkele wijze meegedeeld welke de procedures zijn die van toepassing zijn bij dergelijke klachten; in strijd met artikel 32sexies van de wet van 4 augustus 1996 is er geen tussenkomst geweest van een preventieadviseur of vertrouwenspersoon. In zijn laatste memorie voegt de verzoeker hieraan toe dat de verwerende partij de tuchtprocedure heeft aangevat omdat zij zelf de “Pestwet” nooit heeft uitgevoerd, en de verzoeker haar daarop gewezen heeft. Aldus heeft de verwerende partij een oneigenlijk gebruik gemaakt van de tuchtprocedure, en probeert zij een voordeel te halen uit haar eigen nalatigheid. 5.
  22. De wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk voert in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk een aantal bepalingen in ter voorkoming en ter bestrijding van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk. Krachtens artikel 2, § 1, tweede lid, 1/, a, van de wet van 4 augustus 1996 zijn de bepalingen ervan onder meer van toepassing op “de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon”. De wet van 4 augustus 1996 voorziet in het bijzonder in specifieke procedures voor de behandeling van klachten ingediend bij de preventieadviseur of de vertrouwenspersoon, en voor het onderzoek van vorderingen ingesteld bij de arbeidsrechtbank. Te dezen is echter geen klacht ingediend als bedoeld in de genoemde wet. Voorts staat geen bepaling van de wet van 4 augustus 1996 eraan in de weg dat een overheid een tuchtstraf oplegt aan een personeelslid dat tekortkomt aan zijn professionele verplichtingen, zelfs niet voor feiten die in voorkomend geval ook aanleiding zouden kunnen zijn tot het indienen van een klacht wegens geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk. IX-4016-9/14 In zoverre de verzoeker in zijn laatste memorie aan de verwerende partij verwijt een oneigenlijk gebruik te maken van de tuchtprocedure, roept hij in feite een nieuwe grief in. Een dergelijke grief kan niet voor het eerst in een laatste memorie worden ingeroepen. Het middel kan niet aangenomen worden. 6.
  23. De verzoeker roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van artikel 61, § 9, van het statuut van het personeel van de Kamer van volksvertegenwoordigers. De verzoeker voert aan dat volgens artikel 61, § 9, van het statuut van het personeel van de Kamer van volksvertegenwoordigers een tuchtvordering enkel betrekking mag hebben op feiten die zich hebben voorgedaan of door de bevoegde hiërarchische meerderen zijn vastgesteld binnen een termijn van zes maanden vóór het instellen van de vordering. Te dezen is het tuchtvoorstel (van 2 december 2002) op 9 december 2002 aan de verzoeker meegedeeld, zodat die laatste dag voor de toepassing van artikel 61, § 9, in aanmerking genomen moet worden. Aan de verzoeker mogen dus geen feiten ten laste worden gelegd die dateren van vóór 10 juni 2002, tenzij ze pas na die datum werden vastgesteld. Volgens de verzoeker bevat het tuchtdossier evenwel stukken die dateren van vóór 10 juni 2002, en bevatten een aantal andere stukken ook verwijzingen naar feiten of stukken die dateren van vóór de voormelde datum. Artikel 61, § 9, is geschonden doordat de betrokken stukken en onderdelen van stukken niet uit het dossier geweerd zijn. Volgens de verzoeker verwijst de bestuursdirecteur, ter omzeiling van de verjaring, ten onrechte naar het arrest DE DIJN, nr. 81.765, van 13 juli 1999, van de Raad van State. In die zaak waren de tuchtfeiten zeer ernstig, en waren zij ook strafrechtelijk sanctioneerbaar. In de voorliggende zaak beschuldigt de bestuursdirecteur in een e-mail van 24 oktober 2002 de verzoeker voor het eerst van pesten en mobbing en vervolgens kwalificeert hij een aantal feiten vanaf 1999 als pesterij of “algemeen laakbare houding”, terwijl de tweejaarlijkse beoordelingen van de verzoeker tot 2003 steeds gunstig waren en de oude, uit hun context gerukte voorvallen in het verleden niet hebben geleid tot een tuchtsanctie of een negatieve beoordeling. Als laakbaar wordt door de bestuursdirecteur ook het optreden van de raadsman van de verzoeker omschreven, in diens brief van 4 november 2002, terwijl IX-4016-10/14 daarin terechte kritiek is geuit. Ten slotte wordt de “algemeen laakbare houding” afgeleid uit het feit dat de verzoeker procedures heeft ingeleid en daarbij kritiek heeft geuit op bepaalde personen, terwijl de verzoeker krachtens artikel 10, § 7, van het statuut van het personeel van de Kamer van volksvertegenwoordigers de plicht heeft om te protesteren tegen wantoestanden. 6.2.
  24. De verwerende partij werpt een exceptie van ontvankelijkheid van het middel op, afgeleid uit het ontbreken van het vereiste belang. Volgens de verwerende partij is het middel enkel gericht tegen bepaalde stukken die uitgaan van de oversten van de verzoeker, terwijl uit de bestreden beslissing blijkt dat deze hoofdzakelijk berust op de houding van de verzoeker ten aanzien van zijn directe collega's. Het middel is dus gericht tegen motieven die niet determinerend zijn geweest bij de beoordeling van de op te leggen tuchtstraf. 6.2.
  25. De verzoeker voert in het middel in essentie aan dat hij tuchtrechtelijk bestraft is voor feiten die verjaard waren op het ogenblik dat de tuchtvordering werd ingesteld. Hij leidt die verjaring af uit het feit dat in het dossier stukken zijn opgenomen die dateren van meer dan zes maanden vóór het instellen van de tuchtprocedure, en stukken die weliswaar niet zo oud zijn, maar wel melding maken van feiten die ouder zijn. Bij een aldus geredigeerd middel heeft de verzoeker wel degelijk belang. De omstandigheid dat de bedoelde stukken uitgaan van de oversten van de verzoeker, terwijl de verwijten van de oversten aan het adres van de verzoeker, althans volgens de verwerende partij, niet determinerend zijn geweest voor de opgelegde tuchtmaatregel, is te dezen niet dienstig. De desbetreffende stukken hebben inhoudelijk evenzeer betrekking op de houding van de verzoeker ten aanzien van zijn collega's. De exceptie is niet gegrond. 6.3.
  26. Artikel 61, § 9, van het statuut van het personeel van de Kamer van volksvertegenwoordigers bepaalt : “Een tuchtvordering mag enkel betrekking hebben op feiten die zich hebben voorgedaan of door de bevoegde hiërarchische meerderen zijn vastgesteld binnen 6 maanden voor het instellen van de vordering. In geval van kennisgeving door het openbaar ministerie van een strafrechtelijke veroordeling loopt de termijn van 6 maanden vanaf deze kennisgeving.” IX-4016-11/14 Uit het tuchtvoorstel van 2 december 2002 van de bestuursdirecteur blijkt dat aan de verzoeker geen geïsoleerde feiten worden verweten, doch wel een “algemene laakbare houding” die zich uit in “een misprijzend, vijandig en niet-constructief gedrag ten opzichte van collega's en een gebrek aan eerbied en hoffelijkheid in relatie tot de superieuren”. Zoals terecht in de bestreden tuchtbeslissing wordt overwogen, bevat het dossier, ter illustratie van die houding, “verschillende elementen (...) die zich situeren binnen de zes maanden vóór het begin van de procedure”. Met name in het tuchtvoorstel van de bestuursdirecteur wordt melding gemaakt van verscheidene feiten die een illustratie vormen van de aan de verzoeker verweten laakbare houding en die zich hebben voorgedaan in de laatste zes maanden vóór de mededeling van het tuchtvoorstel. Het feit dat het tuchtdossier ter illustratie van de algemene laakbare houding van de verzoeker ook stukken bevat die dateren van meer dan zes maanden vóór het instellen van de tuchtprocedure of die feiten aanhalen die zich meer dan zes maanden vóór het instellen van de tuchtvordering hebben voorgedaan, tast in die omstandigheden de wettigheid van de tuchtstraf niet aan. Het feit dat de tweejaarlijkse beoordelingen van de verzoeker tot 2003 steeds gunstig waren en dat de verzoeker voor de bedoelde feiten geen tuchtstraf heeft opgelopen, neemt niet weg dat die feiten wettig als illustratie van de aan de verzoeker verweten houding in aanmerking genomen mochten worden. In zoverre de verzoeker aan de bestreden beslissing verwijt dat ze een tuchtstraf oplegt voor feiten die dateren van meer dan zes maanden vóór het instellen van de tuchtprocedure, kan het middel niet aangenomen worden. 6.3.
  27. In zoverre de verzoeker betwist dat het bestaan van een algemene laakbare houding geïllustreerd kan worden met feiten die te maken hebben met zijn verdediging in het kader van de voorliggende procedure en met de kritiek die hij in het kader van andere, door hem ingestelde procedures, geuit heeft, voert hij een bijkomende grief aan. Met betrekking tot deze grief, die in essentie reeds is aangevoerd voor de tuchtrechtelijke overheid, overweegt de bestreden beslissing het volgende : “Overwegende dat personeelsleden het recht hebben om zich met alle rechtsmiddelen te verzetten tegen beslissingen van hun hiërarchische meerderen en van de overheden, maar dat dit hen niet ontslaat van de verplichting op een correcte en hoffelijke wijze om te gaan met hun collega’s en superieuren, en op IX-4016-12/14 loyale wijze samen te werken met het realiseren van de opdrachten van de dienst.” Uit die overweging blijkt dat niet de uitoefening van het recht van verdediging of van het recht om te protesteren tegen wantoestanden als laakbaar beschouwd wordt, maar wel de manier waarop de verzoeker professioneel is omgegaan met zijn collega’s en superieuren. Die interpretatie strookt met de gegevens van het dossier, in het bijzonder het tuchtvoorstel dat op 2 december 2002 door de bestuursdirecteur van de dienst Integraal Verslag is gedaan. Specifiek in verband met de brief van de raadsman van de betrokken personeelsleden van 4 november 2002 wordt daarin gewezen op “de aard en de toon” van die brief, die door de bestuursdirecteur als beledigend en intimiderend is ervaren. In zoverre mist het middel, dat uitgaat van een verkeerde lezing van de bestreden beslissing en van de stukken van het dossier, feitelijke grondslag. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  28. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  29. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-4016-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 11 februari 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-4016-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.453 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.183 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.