id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.477 Rolnummer: A. 185302/XII-5222 Zaak: Arrest 179477 - Cultuur en schone kunsten - 11/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-18 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 07:36 Fiche Arrest nr 179.477 van 11 februari 2008 Onderwijs en cultuur - Cultuur en schone kunsten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.477 van 11 februari 2008 in de zaak A. 185.302/XII-
- In zake : de VZW GERMINAL UITBREIDING, die woonplaats kiest bij advocaten P. Foubert en M. Denef, kantoor houdende te Leuven, Maria Theresiastraat 34 A tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat T. De Sutter, kantoor houdende te Gent, Koning Albertlaan
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de vzw Germinal Uitbreiding op 28 september 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van “de beslissing van 1 augustus 2007 van het Agentschap Sociaal- Cultureel Werk voor Jeugd en Volwassenen”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur I. Vos; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 11 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 januari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-5222-1\5 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Foubert en van advocaat T. De Gendt, loco advocaat M. Denef, voor de verzoekende partij, en van advocaten T. De Sutter en W. Muls, voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur I. Vos, daartoe gemachtigd bij beslissing van 4 januari 2008 van de auditeur-generaal; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens van de zaak
- Het decreet van 7 mei 2004 houdende aanvullende subsidies voor tewerkstelling in de culturele sector bevat regels aangaande de omzetting van de subsidies voor DAC-projecten in reguliere personeelssubsidies aan organisaties. Deze omzetting wordt in het decreet “regularisatie” genoemd. Tevens bevat het decreet een regeling inzake de herverdeling van vrijgekomen subsidies onder de verschillende culturele sectoren. Op 1 augustus 2007 richt het agentschap Sociaal-Cultureel Werk voor Jeugd en Volwassenen een brief aan verzoekster waarin het aandacht vraagt “voor de volgende belangrijke mededeling”, welke er op neer komt dat voor twee met name genoemde deeltijdse personeelsleden “zoals het decreet bepaalt, de aanvullende subsidies [...] vanaf 1 januari 2008 niet meer zullen worden uitge- keerd”. In de brief is nog te lezen dat zes andere, eveneens met name genoemde personeelsleden tewerkgesteld zijn en blijven in een “subsidiabele personeelsfunc- tie”. De ontvankelijkheid van de vordering 2.
- Verzoekster betoogt dat de brief, hoewel zich voordoende als een “mededeling”, in werkelijkheid een “zeer belangrijke beslissing” bevat, welke het voorwerp is van haar vordering. XII-5222-2\5 Verwerende partij ziet het anders, en werpt op dat de bestreden beslissing een loutere mededeling is die zelf geen rechtsgevolg heeft zodat het beroep onontvankelijk is. 2.
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over deze en nog twee andere door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde
- Verzoekster doet in het inleidend verzoekschrift als nadeel gelden dat door de stopzetting van de subsidies voor de vervangers van geregulariseerde DAC’ers met ingang van 1 januari 2008, de werking van haar organisatie “zeer ernstig en op een definitieve wijze” in het gedrang wordt gebracht. Indien de financiering van twee deeltijdse personeelsleden wordt stopgezet, zou zij terugvallen op slechts zes personeelsleden, wat niet voldoende zou zijn om haar werking te continueren. Bovendien heeft zij haar programmatie voor het zopas begonnen werkjaar opgesteld op basis van haar voltallig personeel en zou ook “naar de doelgroep toe” de stopzetting van subsidies een moeilijk te herstellen ernstig nadeel met zich meebrengen. Gezien het ontijdig karakter van de mededeling is volgens verzoekster dit ernstig nadeel niet meer tijdig te herstellen.
- De hier besproken schorsingsvoorwaarde vereist dat een verzoekende partij zeer concreet, met specifiek op de omstandigheden van haar zaak gerichte argumenten en met controleerbare feitelijke gegevens ter ondersteuning, voor de Raad van State aantoont dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de XII-5222-3\5 bestreden maatregel haar een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel kan doen lijden. Het volstaat derhalve niet zich tot een loutere verklaring te beperken als zou de beslissing haar werking “zeer ernstig” en “op een definitieve wijze” in het gedrang brengen: het staat immers aan verzoekster precies dat voor de Raad te onderbouwen. Het enige concrete nadeel dat verzoekster in haar uiteenzetting naar voren brengt, is de feitelijke vaststelling dat zij de financiering mist voor twee deeltijdse personeelsleden en dan “terugvalt” op “slechts 6 personeelsleden”. Verzoekster geeft de Raad van State geen uiteenzetting over haar financiële toestand en laat dan ook het raden waarom de stopzetting van de overheidssubsidies noodzakelijk tot gevolg moet hebben dat de twee deeltijdse personeelsleden onmiddellijk moeten afvloeien. Zonder nadere uitleg over “de werking van de organisatie”, over de taakverdeling tussen het personeel, over de eventuele inbreng van vrijwilligers en over de lopende programmatie, is ook helemaal niet vanzelfsprekend dat de overblijvende zes voltijdse personeelsleden onmogelijk de vereniging draaiende kunnen houden en niet in staat zouden zijn om de programmatie voor het lopende werkjaar na 1 januari 2008 af te werken. Als voor die programmatie ook reeds financiële of andere verplichtingen werden opgenomen waarvan het niet meer kunnen nakomen of afzeggen door de beweerde “ontijdig- heid” van de kennisgeving tot onherstelbaar nadeel zou leiden, dan heeft verzoekster dat alvast niet in het verzoekschrift uiteengezet. De Raad van State valt dan ook verwerende partij bij, waar zij in haar nota betoogt dat niet valt in te zien hoe het terugvallen van zeven voltijdse personeelsequivalenten naar zes de werking van verzoekster, laat staan haar bestaan ernstig in het gedrang kan brengen.
- Er is bijgevolg niet voldaan aan ten minste één van de voorwaar- den gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. XII-5222-4\5 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf februari 2008, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5222-5\5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.477 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.404 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.